Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1269

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
16/01091
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2957, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag in Hoogvliet. Verdachte en haar nieuwe vriend beroven haar ex-vriend tijdens een ontmoeting in het Ruigeplaatbos van het leven door met een honkbalknuppel tegen zijn gezicht te slaan (medeverdachte) en vervolgens aarde in zijn mond te stoppen (verdachte). Opzet op de dood? Heeft verdachte een zodanig substantiële rol gespeeld dat zij als medepleger kan worden aangemerkt? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/01095 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01091

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 januari 2016 de verdachte wegens impliciet subsidiair “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 16/01095), waarin de Hoge Raad op 1 april 2017 uitspraak heeft gedaan.1

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.A.A. Postma, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte opzettelijk en als medepleger de dood van [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.

5. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende.2 De toentertijd negentien jaar oude verdachte heeft een relatie gehad met de 35-jarige [slachtoffer] . De verdachte heeft op 12 oktober 2012 met [slachtoffer] afgesproken in een natuurgebied in Hoogvliet (“het Ruigeplaatbos”). De nieuwe vriend van de verdachte (de medeverdachte [betrokkene 1] ) is met de verdachte meegegaan. Daarbij is afgesproken dat [betrokkene 1] op de achtergrond zou blijven, terwijl de verdachte een honkbalknuppel aan [betrokkene 1] heeft gegeven. Tijdens die ontmoeting heeft de verdachte tegen [slachtoffer] gezegd dat hij moest stoppen met haar te stalken en dat hij haar familie met rust moest laten. Er ontstond een woordenwisseling en een worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] , waarbij de verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn nek heeft gestoken. Vervolgens is [betrokkene 1] naar hen toegerend en heeft hij met de honkbalknuppel meermalen tegen het gezicht van [slachtoffer] geslagen, waarna [slachtoffer] op de grond is blijven liggen. [slachtoffer] maakte rochelende en gorgelende geluiden. De verdachte heeft aarde in zijn mond gestopt. De verdachte en [betrokkene 1] zijn weggegaan en hebben [slachtoffer] in het natuurgebied achtergelaten. Na een paar uur zijn zij teruggegaan naar de desbetreffende plek en bleek [slachtoffer] te zijn overleden. Ten slotte hebben de verdachte en [betrokkene 1] , die daarbij werden geholpen door de moeder van de verdachte ( [medeverdachte] ), het lichaam van [slachtoffer] in plastic verpakt, met de auto vervoerd en bij het Oostvoornse meer begraven. Pas op 27 februari 2013 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op die locatie aangetroffen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 12 oktober 2012 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft haar mededader opzettelijk

- genoemde [slachtoffer] meermalen met een (honkbal)knuppel op/tegen het hoofd het gezicht geslagen (met (bot)breuken en fracturen tot gevolg) en heeft verdachte opzettelijk

- de mond van die [slachtoffer] afgesloten/dichtgestopt, waardoor de luchtwegen van die [slachtoffer] zodanig zijn belemmerd dat voornoemde [slachtoffer] aan verstikking is overleden.”

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 april 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Het klopt dat ik op de avond van 12 april 2012 nabij het Ruigeplaatbos te Rotterdam-Hoogvliet naar een afspraak met [slachtoffer] ben gegaan. Ik ontmoette [slachtoffer] vlak bij het winkelcentrum van Hoogvliet bij de stoplichten.

Later die avond wilde ik terug naar het Ruigeplaatbos. In het Ruigeplaatbos trof ik het lichaam van [slachtoffer] . Hij was volgens mij dood. Ik zag hem niet bewegen of ademen. Ik zag ook geen ander teken van leven. Ter plekke begraven ging niet door wortels van bomen en struiken. [betrokkene 1] had het plan om [slachtoffer] te begraven bij het Oostvoornse Meer.

Ik ging toen naar huis om scheppen te halen. Ik heb ook plastic zakken opgehaald. Vervolgens zijn [betrokkene 1] en ik naar het Oostvoornse Meer gereden en wij hebben een gat gegraven op het strand. Op de terugweg heb ik mijn moeder gebeld. Ik heb mijn moeder opgehaald en zij is in de auto gestapt. Ik heb haar verteld wat er aan de hand was. Met zijn drieën zijn wij naar het Ruigeplaatbos gereden. Daar is [slachtoffer] in plastic zakken gedaan en is hij in de kofferbak van de auto van [betrokkene 1] gelegd. Op het strand van het Oostvoornse Meer is [slachtoffer] door [betrokkene 1] en mij in het gat gelegd dat wij hebben dichtgegooid met zand.”

(ii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“De relatie met [betrokkene 1] is inmiddels voorbij.

Op 12 oktober 2012 hebben [slachtoffer] en ik afgesproken dat wij elkaar zouden ontmoeten in het centrum, vlakbij de verkeerslichten. Wij zijn vanaf dat centraal gelegen punt gaan wandelen en al wandelende zijn wij richting het park gelopen. Het park ligt aan de openbare weg. Het was aanvankelijk niet de bedoeling om naar het park te gaan. Dat was niet afgesproken. Het klopt dat [betrokkene 1] erbij was. Hij bleef op een afstand van ons.

Ik had besloten dat het genoeg was geweest en ik wilde [slachtoffer] vertellen dat het afgelopen moest zijn. Ik wilde het één op één met [slachtoffer] uitpraten, maar [betrokkene 1] besloot mee te gaan.

Ik was bang voor [slachtoffer] en [betrokkene 1] is meegegaan. [betrokkene 1] heeft vanuit mijn huis een honkbalknuppel meegenomen.

Ik kan mij niet meer goed herinneren wat er op 12 oktober 2012 allemaal is besproken tijdens het gesprek met [slachtoffer] . Ik heb in ieder geval ter sprake gebracht dat hij moest stoppen met stalken en bedreigen en dat hij mijn familie met-rust moest laten. Het leek niet tot [slachtoffer] door te dringen. Het was een gesprek waarin wij een woordenwisseling hadden. Op een gegeven moment wilde [slachtoffer] in het park een paadje inslaan. Ik wilde dat niet en ik weigerde om door te lopen. [slachtoffer] werd boos. [slachtoffer] en ik raakten in een worsteling en het mes verdween in de hals van [slachtoffer] .

Ik ben diezelfde avond teruggegaan naar het park. Daar trof ik het levenloze lichaam van [slachtoffer] aan. Het was heel erg stil. Ik zag dat hij dood was. [betrokkene 1] was erbij.

[betrokkene 1] kwam met het plan om [slachtoffer] te begraven. Ik ben erin meegegaan. We hebben [slachtoffer] in het park achtergelaten en zijn naar mijn opa toegegaan waar wij vuilniszakken en scheppen hebben opgehaald. Vervolgens zijn [betrokkene 1] en ik naar het Oostvoornse meer gegaan. Daar hebben we een gat gegraven. Ik heb daaraan meegeholpen voor zover dat mogelijk was met mijn gewonde hand.

Daarna heb ik mijn moeder gebeld. Ik heb aan haar gezegd dat mijn hand was verwond en dat ik naar het ziekenhuis moest. Ik vroeg mijn moeder of zij met mij wilde meegaan naar het ziekenhuis. Mijn moeder is daarom met ons meegegaan. Zij wist nog niets van wat er was gebeurd. Ik heb in de auto onderweg naar het park aan mijn moeder verteld wat er allemaal was gebeurd. Mijn moeder geloofde het gewoon niet.

Op een gegeven moment zei [betrokkene 1] dat hij door zijn rug was gegaan. Mijn moeder heeft toen geholpen met het tillen van het lichaam.

Het klopt dat mijn moeder ons in het bos een sms-bericht heeft gestuurd, omdat er mensen aankwamen.

Ik ben met de fiets naar [slachtoffer] toe gegaan en [betrokkene 1] met de auto. Tijdens het gesprek met [slachtoffer] zou [betrokkene 1] op een afstand blijven staan. Ik wilde niet dat het zou escaleren. Ik wilde aan [slachtoffer] uitleggen dat ik een nieuwe vriend had. Ik heb de honkbalknuppel aan [betrokkene 1] gegeven en hij heeft de knuppel ter bescherming meegenomen.”

(iii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Het klopt dat ik voor mijn aandeel in deze in mijn eigen strafzaak onherroepelijk ben veroordeeld en mijn straf thans uitzit. Ik heb mijn hoger beroep ingetrokken en de straf voor mijn aandeel in deze zaak geaccepteerd.

U zegt mij dat ik op 13 maart 2013 door de politie ben gehoord en een verklaring heb afgelegd. Dat klopt. Hetgeen ik toen heb verklaard over [verdachte] en [medeverdachte] is de waarheid en daar blijf ik bij.

[verdachte] en ik waren meer dan vrienden. Zij had mij verteld over [slachtoffer] , dat zij een relatie met elkaar hebben gehad die uit is gegaan en dat [slachtoffer] haar stalkte en bedreigde. De politie deed vrij weinig voor [verdachte] en zij was echt heel bang voor [slachtoffer] . Ik ben op 12 oktober 2012 met [verdachte] meegegaan naar het Ruigeplaatbos. Ik heb niet tegen haar gezegd dat het verstandig was om met [slachtoffer] te gaan praten, maar ik vond het wel goed dat ze het gingen uitpraten en ik wilde erbij zijn. Daardoor voelde [verdachte] zich sterker. Ik heb gezegd dat ik op wacht zou staan. Je weet maar nooit wat [slachtoffer] bij zich zou hebben. Ik ben met de auto naar het bos gegaan en [verdachte] met de fiets. Ik had wel verwacht dat er iets zou gaan gebeuren als [slachtoffer] mij zou zien, bijvoorbeeld duwen, trekken, slaan. Ik had niet het ergste verwacht. Ik had ook niet verwacht dat [verdachte] boze bedoelingen zou hebben. [verdachte] en ik zijn de dag ervoor nog samen naar een trouwerij geweest in België en toen was alles nog oké.

Op 12 oktober 2012 ben ik dus met de auto naar het Ruigeplaatbos gegaan. [verdachte] had mij een honkbalknuppel meegegeven. Het was haar idee om de knuppel mee te nemen. Ik dacht dat ik de honkbalknuppel voor de veiligheid moest meenemen. Ik heb er niet aan gedacht dat ik de knuppel echt zou gaan gebruiken. In het Ruigeplaatbos stond ik op 20 of 30 meter van [slachtoffer] en [verdachte] vandaan. Ik zag dat zij met elkaar aan het worstelen waren; duwen, trekken. Ik kon niet horen wat [slachtoffer] en [verdachte] tegen elkaar zeiden. Ik ben aan één oor geopereerd en kan deels niet goed horen. Ik ben met een hardlooppas op hun afgelopen. [slachtoffer] zag mij en hij kwam naar mij toe om mij te slaan. Hij kwam voor mijn neus staan. Ik heb hem geduwd en daarna een klap gegeven met de knuppel. [slachtoffer] bleef steeds opstaan. [verdachte] stond er ook bij. Ik denk dat zij naast of schuin achter mij stond toen ik [slachtoffer] met de honkbalknuppel sloeg.

Ik heb een mes gezien. Zowel [slachtoffer] als [verdachte] hebben het mes in handen gehad. Dat is ook de reden dat ik naar hun toe ben gegaan. Ik zag tijdens de worsteling tussen beiden het mes heen en weer gaan. Ik heb het mes uit de hand van [verdachte] geslagen. Zij heeft daardoor een pijnlijke hand opgelopen. Ik weet niet meer of er met het mes daadwerkelijk is gestoken. Het kan zijn dat ik eerder een andere verklaring heb afgelegd. Ik heb geen stukken van mijn eerdere verklaringen bij mij.

U zegt mij dat ik eerder heb verklaard dat [slachtoffer] naar mij kwam en dat ik een stap achteruit heb gedaan en dat [verdachte] [slachtoffer] tegenhield. Dat heb ik zo niet gezegd. Ik heb [slachtoffer] van mij afgeduwd. Het mes kwam uit een tas, kan ik mij herinneren. Alles ging zo snel omdat ze aan het worstelen waren. [verdachte] heeft wel geprobeerd om van [slachtoffer] af te komen en daarbij stekende bewegingen met het mes gemaakt, maar ik heb niet gezien dat het mes [slachtoffer] heeft geraakt. Ik heb [slachtoffer] een aantal keren geslagen met de honkbalknuppel. Ik heb [slachtoffer] eerst van mij afgeduwd en daarna heb ik hem een paar keer geslagen met de knuppel. Ik heb daarbij de honkbalknuppel met mijn beide handen vast gehad en heb daarmee recht vooruit geslagen met een beweging van boven naar beneden.

Ik heb een slaande beweging van bovenaf naar beneden gemaakt in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . [slachtoffer] zei 'au' en is op de grond gevallen. Toen hij op de grond lag heb ik hem nog een keer geslagen denk ik, bij zijn been. Bij het slaan bloedde [slachtoffer] . Ik zag bloed aan de honkbalknuppel. Daarna heb ik hem weggesleept. Dat deed ik door hem bij zijn voet te pakken. [slachtoffer] lag op zijn rug toen ik hem wegtrok. Toen ik [slachtoffer] versleepte verzette hij zich niet. Het verslepen ging vrij makkelijk. Op uw vraag of hij daarna nog tekenen van leven vertoonde zeg ik u dat hij daar lag en rochelde, hij heeft niets gezegd. Ik heb gezien dat [verdachte] aarde in de mond van [slachtoffer] deed, nadat ik hem had versleept. Dit komt door uw vraag nu bij mij weer naar boven. Ik weet het 100% zeker. Zij heeft het toen gedaan en niet. toen wij later terugkwamen.

[slachtoffer] lag daar en rochelde. Ik vroeg aan [verdachte] wat we aan dat rochelen gingen doen en toen heeft [verdachte] aarde in de mond van [slachtoffer] gedaan. Ik heb dit niet eerder verklaard omdat mij dat niet is gevraagd.

[slachtoffer] was volgens mij niet dood toen ik wegging en ik heb er niet bij stil gestaan dat [slachtoffer] door de aarde in zijn mond zou kunnen stikken.

Ik weet niet hoe en wanneer [verdachte] is weggegaan, want ik ben als eerste weggegaan en ik zei 'ik ga'.

Later heb ik [verdachte] weer ontmoet bij haar thuis. Wij hebben toen niet gesproken over wat er in het bos was gebeurd. Ik weet niet meer wat ik met de honkbalknuppel heb gedaan. Wij zijn daarna naar een feest van een vriend van een goede vriend van mij geweest. Een paar uur later ben ik samen met [verdachte] weer teruggegaan naar de plek waar [slachtoffer] lag. Het was [verdachte] 's idee om terug te gaan. Ik zei nog tegen haar dat [slachtoffer] al lang weg zou zijn, maar [slachtoffer] lag er nog. Het verbaasde mij dat hij nog steeds in het bos lag. Ik was er zelf van geschrokken. Ik wist niet waarom [verdachte] terug wilde om te gaan kijken. Toen ik [slachtoffer] achter liet bewoog hij nog. Toen we terugkwamen van het feest lag [slachtoffer] er levenloos bij. Hij bewoog toen niet meer. [verdachte] en ik zijn samen weer weggegaan. Wij hebben bij de ouders van [medeverdachte] schoppen en plastic zakken gehaald. Ik heb eerder verklaard dat de schoppen en plastic zakken uit het huis van [verdachte] kwamen, omdat ik die oude mensen er niet bij wilde betrekken. We zijn daarna naar het Oostvoornse Meer gegaan om daar een gat te graven. Dat was mijn idee. Ik ben daar samen met [verdachte] naartoe gegaan en ik heb grotendeels het gat gegraven.

[verdachte] zou aan haar moeder vertellen waarom zij met ons mee moest. [verdachte] , [medeverdachte] , en ik zijn samen naar het bos gegaan. [medeverdachte] zou op de uitkijk gaan staan. [medeverdachte] heeft in het bos ook op de uitkijk gestaan om te kijken of er niemand kwam. Het was de bedoeling dat [verdachte] en ik [slachtoffer] zouden inpakken. Ik wilde [slachtoffer] optillen, maar ik ging door mijn rug en daarom hebben wij [medeverdachte] erbij geroepen. Wij hebben [slachtoffer] ingepakt op de plek waar hij lag. [medeverdachte] en ik hebben [slachtoffer] ingepakt en [verdachte] had een zaklamp om te verlichten, want het was donker. [medeverdachte] heeft eerst een stukje meegeholpen met het tillen van het lichaam van [slachtoffer] en zij heeft samen met mij plastic over hem heen gedaan. [medeverdachte] hield hem vast zodat ik tape om het plastic kon doen, daarna heb ik [slachtoffer] opgetild, ondanks de pijn in mijn rug. Ik heb de auto bestuurd en ben met een normale snelheid van 100 kilometer per uur vanaf Spijkenisse naar het Oostvoornse Meer gereden. Dat heeft 30 tot 45 minuten geduurd. Bij het Oostvoornse Meer was dus al een gat gegraven. Ik heb de kofferbak opengedaan en [slachtoffer] uit de auto getild en heb hem in het gegraven gat gelegd. Ik heb dat alleen gedaan. [medeverdachte] en [verdachte] hebben meegeholpen met het dichtmaken van het gat door middel van de scheppen. Er waren twee scheppen waarmee we alle drie hebben geschept. Ik bleef zand over het gat gooien en [medeverdachte] en [verdachte] wisselden elkaar af.

Ik heb [slachtoffer] dus een aantal malen vastgehad. De eerste keer was tijdens het bij zijn voet vastpakken om hem op zijn rug weg te slepen naar de bosjes en de tweede en laatste keer was bij het inpakken en hem de auto in- en uittillen.

Ik weet echt helemaal niet meer hoe laat het was toen ik met [verdachte] naar het bos ging. Wij zijn hooguit twee of drie uur op het feest geweest en daarna zijn we teruggegaan naar het bos. [verdachte] en ik hebben [slachtoffer] allebei daar zien liggen. We zijn eerst scheppen en plastic zakken gaan halen en een gat gaan graven bij het Oostvoornse Meer en daarna hebben wij [medeverdachte] opgehaald. Ik weet niet wat [verdachte] en [medeverdachte] met elkaar hebben besproken.

Ik weet niet meer hoe laat ik thuis ben gekomen.

Tijdens het begraven stormde het. Het regende, waaide en hagelde.”

(iv) Een op 13 maart 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Ik was op 12 oktober 2012 rond een uur of vijf in het huis van [verdachte] . [verdachte] vertelde dat ze ging praten met [slachtoffer] . Ik zei dat ik daar bij wilde zijn. Ik had een honkbalknuppel bij mij als het uit de hand zou lopen.

Ik merkte uit de verte dat het niet goed ging met het praten tussen [slachtoffer] en [verdachte] . Ik ging er toen naar toe. Ik gaf hem een paar klappen met de honkbalknuppel en riep of het niet genoeg was die gevangenisstraf voor hem. Ik vroeg, is het niet genoeg voor je! [verdachte] had een mes in haar hand-zonder dat ik het wist. [verdachte] stak hem neer. Ik sloeg hem een keer op zijn hoofd en toen viel die neer. Ik sloeg [slachtoffer] op zijn achterhoofd. Hij rende naar [verdachte] toe en toen sloeg ik hem. Toen had [verdachte] een mes in haar hand.

We haalden de moeder van [verdachte] op en pakte hem in. [medeverdachte] wilde eerst niet mee. [verdachte] sms-te met [medeverdachte] . Haar moeder zou opletten dat er niemand kwam. Op een gegeven moment kwam ze erbij en heeft ze ons geholpen met hem inpakken. Ik zette [slachtoffer] overeind in zithouding. [medeverdachte] trok een zak over hem heen. [verdachte] had een zaklamp. Zij scheen bij.

Ik en [medeverdachte] deden tap er omheen. Ik deed tape om het middel van [slachtoffer] . [medeverdachte] hield het ingepakte lichaam van [slachtoffer] vast zodat ik er tape omheen kon doen. Wij legden [slachtoffer] neer in de kofferbak.”

(v) Een op 13 maart 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte] , voor zover inhoudende:

“Op vrijdag 12 oktober 2012 kreeg ik, nadat de kinderen naar bed zijn gegaan een sms van [verdachte] met de vraag of ik wou komen. Ik heb nee gezegd, maar ze kwam mij ophalen. [verdachte] liet haar rechterhand zien. De bovenzijde was helemaal dik. [verdachte] zei dat dit kwam omdat [betrokkene 1] de deur van zijn auto had dichtgegooid. Ik ben in de auto van [betrokkene 1] gestapt omdat ik dacht dat we naar het ziekenhuis zouden gaan. Al rijdend vertelde [verdachte] mij dat ze niet naar het ziekenhuis ging omdat ze dan een verklaring moest afgeven wat er met haar aan de hand was. Dat wilde ze niet. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat ze [slachtoffer] dood hadden gemaakt. Ze reden naar het Ruigeplaatbos. Ik ben daar uitgestapt en het fietspad afgelopen in de richting van de Tijmweg. Ik heb toen [verdachte] ge-sms't dat er iemand met een hond aan kwam lopen en ben teruggelopen over het fietspad in de richting van die groenvoorziening. Ik zag dat [verdachte] en [betrokkene 1] bezig waren en [slachtoffer] lieten vallen. Ze vroegen toen of ik hen wilde helpen. Ik heb dat toen wel gedaan. Ik heb [slachtoffer] bij zijn voeten gepakt. Bij zijn knieholten kunnen dus vingersporen of DNA op de zakken worden aangetroffen. Ik heb [slachtoffer] van dichtbij gezien en in de zakken gezien. Ik heb [slachtoffer] een aantal passen getild.”

(vi) Een proces-verbaal van lijkvinding van de politie van 4 maart 2013, voor zover inhoudende:

“Samenvattend:

Op 27 februari 2013 trof een getuige het stoffelijk overschot aan op het strand. Het stoffelijk overschot was verpakt in plastic en was begraven in het zand van een strand gelegen aan het Oostvoornse Meer. Op 28 februari 2013 is het stoffelijk overschot in beslag genomen en werd de lijkschouw verricht. Het lijk werd geïdentificeerd door middel van herkenning. Overledene: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] .

Op 1 maart 2013 is door patholoog-anatoom A. Maes sectie verricht op het lichaam.”

(vii) Een rapport “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 18 april 2013, opgemaakt door de arts en patholoog A. Maes, voor zover inhoudende als relaas van de deskundige:

“interpretatie van resultaten

Voorafgaande aan de sectie is aan het lichaam postmortaal beeldonderzoek verricht waarbij bij beoordeling door de radioloog aan het hoofd en het gezicht grote gebieden van met elkaar samenhangende breuken werden gezien.

Bij sectie toonde het lichaam gevorderde postmortale veranderingen passend bij een interval van meerdere maanden in dit jaargetijde. Er waren als gevolg van meermalen toegepast heftig botsend geweld op het hoofd en in het gezicht huidverscheuringen, weke delen verscheuringen en vele botbreuken ontstaan. De letsels passen bij meermalen slaan met een zwaar en hard voorwerp/voorwerpen. De massale opgelopen, fracturering van de aangezichtsschedel met daarbij breuken van de neus, de neusbijholten en boven- en onderkaak kunnen, indien ze alle bij leven zijn opgelopen, het overlijden goed verklaren op grond van verstikkingsverschijnselen door belemmering van de luchtwegen. Verstikkingsverschijnselen opgetreden door afsluiting van de mondkeelholte door de daarin aangetroffen massa kan, indien deze massa er bij leven, in terecht is gekomen, het overlijden mede verklaren of daaraan hebben bijgedragen.

conclusie

[slachtoffer] , 35 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verstikkingsverschijnselen door meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op het hoofd en het gezicht. Op grond van de sectiebevindingen is het niet uitgesloten dat afsluiten van de luchtwegen door o.a. plantaardig materiaal aan het overlijden heeft bijgedragen.”

(viii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2016 afgelegde verklaring van de deskundige A. Maes, als arts en patholoog werkzaam bij het NFI, voor zover inhoudende:

“Ik heb het sectierapport d.d. 18 april 2013 inzake [slachtoffer] opgemaakt. De identiteit van het slachtoffer was reeds vastgesteld. Ik heb het rapport voorafgaande aan de zitting ingekeken. De sectie heeft op 1 maart 2013 plaatsgevonden en enkele weken later is het rapport tot stand gekomen. U zegt mij dat het opsporingsonderzoek op dat moment nog in volle gang was. Ik heb bij het opmaken van het rapport geen resultaten van het opsporingsonderzoek meegekregen. Ik heb helemaal blanco, puur afgaande op hetgeen ik heb aangetroffen, conclusies getrokken.

U zegt mij dat ik in het rapport als doodsoorzaak een aantal mogelijkheden heb genoemd zonder daarbij aan te geven of de ene mogelijkheid waarschijnlijker is dan de andere. Dat klopt en heeft te maken met de omstandigheid dat er een lijk wordt aangetroffen en ik verder niets weet dan hetgeen naar voren komt tijdens de sectie.

U vraagt mij of de door mij geconstateerde fracturen in het aangezicht zoals ik heb omschreven in mijn rapport bij het slachtoffer op zichzelf dodelijk zijn of dat het mogelijk is om met dergelijke fracturen en zonder hulp in leven te blijven.

De massale fracturering van de aangezichtsschedel heeft als gevolg dat je niet meer kunt ademhalen, omdat de bovenste luchtwegen dan geheel zijn afgesloten.

Het hele gezicht van het slachtoffer was kapot. In zo een geval stik je gewoon als hulp uitblijft.

De oudste raadsheer vraagt mij of ik bekend ben met het fenomeen dat er twee wijze van verstikkingen zijn, namelijk mechanisch en inwendig.

In dit geval moet sprake zijn geweest van mechanische verstikking, omdat de luchtwegen werden afgesloten.

In een geval waarin aan iemand verwondingen zijn toegebracht aan het lichaam en aangezichtsschedel en het lichaam buiten blijft liggen waar het ligt, kan bij die persoon verstikking optreden. Dit kan in enkele minuten gebeurd zijn als de persoon geen hulp krijgt. Ik kan niet precies zeggen hoe lang het duurt, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het uren kan duren. Er kan kritische zuurstof tekort optreden en dan kan bewusteloosheid optreden. Ik weet niet binnen hoeveel seconden dat gebeurt, maar wel dat verstikking optreedt door zuurstoftekort.

Als het hele aangezicht, de bovenste luchtwegen, de boven- en onderkaak gefractureerd zijn is het niet aannemelijk dat de dood uren later is ingetreden. Niet alleen in de toegang tot de neus maar ook in de mond waren gebroken botjes, bloedingen en gezwollen slijmvliezen zichtbaar. Als je in zo een geval niet gelijk hulp krijgt, dan stik je gewoon. Ik kan niet zeggen hoeveel minuten dat duurt, maar het duurt zeker geen uren.

De oudste raadsheer vraagt mij of ik iets kan zeggen over de waarschijnlijkheid dat iemand is overleden als die persoon, in de situatie als het slachtoffer in deze, twee tot drie uur buiten heeft gelegen.

Die persoon is dan overleden.

Als ik tijdens het schrijven van het rapport informatie zou hebben gehad dat het lichaam van dit slachtoffer twee tot drie uren buiten heeft gelegen voordat hij werd begraven, zou ik niet in mijn rapport hebben aangegeven dat niet uit te sluiten valt dat de dood is veroorzaakt door het begraven.

Gesteld dat het slachtoffer nog in leven was na toebrengen van het letsel aan hoofd en aangezicht en toen het plantaardig materiaal vermengd met aarde in de keel is gestopt dan is sprake van puur mechanische afsluiting. Dan is het echt een kwestie van minuten voor de dood intreedt. Het is in dat geval zeer onwaarschijnlijk dat het slachtoffer een uur of uren daarna nog heeft geleefd. Het is dan echt een kwestie van minuten. Dergelijk materiaal in de keelholte draagt dan absoluut bij aan verstikking. Het is een kwestie van minuten. Als het zo is dat het slachtoffer uren daarna is begraven dan was hij niet meer in leven. Hij moet dan al zijn overleden.

De bij het slachtoffer aangetroffen messteken bevonden zich alleen in het spierweefsel. Als deze bij leven zijn toegebracht dan ontstaat er een bloeding, maar dan bloed je niet dood. Ook in combinatie met andere verwondingen denk ik niet dat de messteken in het spierweefsel van toegevoegde waarde zijn bij het intreden van de dood.”

8. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het oordeel van het hof dat naar zijn uiterlijke verschijningsvormen reeds sprake was van opzet van [betrokkene 1] en de verdachte op de dood van het slachtoffer, in het licht van de bewijsvoering onbegrijpelijk is.

9. Uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde pleitnota (“memorie van grieven”) blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, onder meer omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij de waarschijnlijke doodsoorzaak van het slachtoffer. Na een gevecht op leven en dood met het slachtoffer is zij onmiddellijk op haar fiets gevlucht, terwijl zij zich niet bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat haar medeverdachte het slachtoffer zou doden met een honkbalknuppel. Uit de rapportage van de forensische psychiater Winter van 17 januari 20153 blijkt dat de verdachte ten tijde van het feit leed aan een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van jarenlange terreur door het slachtoffer. De daarbij komende stress, veroorzaakt door het gevecht op leven en dood, verklaart het impulsieve vluchten van de verdachte en maakt dat zij zich niet bewust is geweest van welke kans dan ook, laat staan dat zij deze heeft aanvaard. Het enkele feit dat de verdachte aan de medeverdachte heeft verzocht om een honkbalknuppel mee te nemen en deze aan hem heeft meegegeven, is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de honkbalknuppel zou worden gebruikt en dat het slachtoffer hiermee zou worden gedood, aldus nog steeds de raadsman.4

10. Het hof heeft in reactie op dit verweer in de bestreden uitspraak onder “verweren van de verdediging” het volgende overwogen:

“Aan een bespreking van dit verweer omtrent voorwaardelijk opzet komt het hof overigens niet toe nu naar het oordeel van het hof in deze sprake is van opzet. Daartoe is naar het oordeel van het hof het volgende redengevend.

Uit het door het hof gebezigde bewijs komt naar voren dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] naar een ontmoeting zijn gegaan met het latere slachtoffer waarvan zij niet alleen konden verwachten, maar ook rekening hielden dat deze ontmoeting uit de hand zou kunnen lopen en tot geweldpleging zou kunnen leiden. In verband daarmee heeft de verdachte ook een honkbalknuppel aan [betrokkene 1] gegeven en is men gescheiden, de verdachte per fiets en [betrokkene 1] per auto, naar de ontmoeting gegaan. Daarbij is afgesproken dat [betrokkene 1] op de achtergrond zou blijven.

Toen het ook uit de hand dreigde te lopen is [betrokkene 1] op de verdachte en het slachtoffer die aan het worstelen waren toegelopen, heeft de verdachte met een mes uit haar tas de verdachte in zijn nek gestoken en heeft [betrokkene 1] het slachtoffer met die honkbalknuppel meerdere malen geslagen op/tegen het gezicht totdat het slachtoffer op de grond bleef liggen. Daarna is het lichaam van het slachtoffer door [betrokkene 1] versleept. Toen hij zag en hoorde dat het slachtoffer rochelde/gorgelde zei hij tegen de verdachte 'wat doen wij daar aan?' waarop de verdachte aarde in de mond van het slachtoffer heeft gestopt.

Daarna zijn zij weggegaan en hebben zij het slachtoffer achtergelaten.

Naar het oordeel van het hof blijkt aldus naar zijn uiterlijke verschijningsvormen reeds opzet van [betrokkene 1] en de verdachte op de dood van het slachtoffer.”

11. Het hof heeft geoordeeld dat er bij de verdachte en haar medeverdachte sprake is geweest van opzet op de grond dat uit de gedragingen van de verdachte en [betrokkene 1] naar hun uiterlijke verschijningsvormen blijkt van opzet op de dood van [slachtoffer] . Uit de overwegingen van het hof, onder meer inhoudende dat het aan een bespreking van het verweer ten aanzien van voorwaardelijk opzet niet toekomt omdat naar het oordeel van het hof sprake is van opzet, valt af te leiden dat het hof is uitgegaan van onvoorwaardelijk opzet bij de verdachte. Het hof heeft bij het bewijs van het opzet acht geslagen op objectieve elementen. In een dergelijke benadering vindt de vaststelling van opzet plaats aan de hand van de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, waarbij ook algemene ervaringsregels een rol kunnen spelen.5 Het hof heeft in dit verband de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden in zijn oordeelsvorming betrokken. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de gedragingen van de verdachte - in combinatie met die van de medeverdachte - naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer de strekking hebben te zijn gericht op het teweegbrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] was gericht.

12. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer] niet alleen met een mes heeft gestoken in zijn hals, maar ook - terwijl [slachtoffer] rochelend op de grond lag na meermalen door [betrokkene 1] met de meegebrachte honkbalknuppel tegen zijn hoofd te zijn geslagen - aarde in zijn mond heeft gedaan (bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 4). Vervolgens zijn de verdachte en [betrokkene 1] weggegaan en hebben zij [slachtoffer] een paar uur achtergelaten in het natuurgebied (bewijsmiddel 3). In de gegeven omstandigheden betekent het in de mond stoppen van aarde een mechanische afsluiting van de luchtwegen, ten gevolge waarvan het intreden van de dood een kwestie van minuten is (bewijsmiddel 8). Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat het daarbij gaat om een algemene ervaringsregel waarvan de verdachte zich ten tijde van haar handelen bewust is geweest. De verdachte heeft - met deze wetenschap - aarde in de mond van [slachtoffer] gedaan en hem vervolgens urenlang aan zijn lot overgelaten. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte hetzij het intreden van de dood van [slachtoffer] heeft beoogd hetzij bewust heeft gehandeld met de zekerheid dat de dood zou intreden. Gelet op de onderbouwing van het in hoger beroep gevoerde opzetverweer, waarin op geen van deze aspecten ten aanzien van onvoorwaardelijk opzet wordt ingegaan, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring is in zoverre voldoende met redenen omkleed.

13. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte (bewijsmiddel 2) en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) inhouden dat [betrokkene 1] de honkbalknuppel ter bescherming c.q. voor de veiligheid heeft meegenomen, dat hij er niet aan heeft gedacht dat hij de knuppel echt zou gaan gebruiken en dat hij niet het ergste had verwacht. De mogelijke omstandigheid dat de verdachte en [betrokkene 1] voorafgaande aan de ontmoeting met [slachtoffer] nog niet de bedoeling hadden [slachtoffer] van het leven te beroven, brengt niet mee dat zij tijdens die ontmoeting geen opzet op de dood van [slachtoffer] zouden hebben gehad. Ik merk daarbij voor de volledigheid op dat de in het middel bedoelde factoren, die licht zouden kunnen werpen op de bedoeling van de verdachte en haar medeverdachte voorafgaand aan de ontmoeting met [slachtoffer] , van belang zouden kunnen zijn voor het bewijs van voorbedachte raad, maar dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Van de in het middel bedoelde tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake.6

14. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd over de vaststelling van het hof dat de verdachte met een mes “uit haar tas” heeft gestok en.

15. Hoewel het hof de omstandigheid dat het mes afkomstig was uit de tas van de verdachte heeft betrokken in zijn nadere bewijsoverwegingen, heeft het hof deze omstandigheid, die niet van doorslaggevende betekenis is in zijn redenering, niet mede ten grondslag gelegd aan de verwerping van het door de raadsman gevoerde opzetverweer. Het hof heeft de omstandigheid dan ook niet redengevend geacht voor de bewezenverklaring van het feit. Daarbij neem ik in aanmerking dat het steken met het mes door het hof niet bewezen is verklaard en evenmin ten laste is gelegd. Aldus bezien was het hof niet gehouden het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend.7 Voor het geval daarover anders mocht worden geoordeeld, merk ik op dat uit de onderliggende stukken kan worden afgeleid dat het mes uit de tas van de verdachte afkomstig was. De medeverdachte [betrokkene 1] heeft op 13 maart 2013 bij de politie verklaard dat de verdachte een mes in haar tas had en dat ze [slachtoffer] neerstak. In eerste aanleg heeft de rechtbank deze passage uit de politieverklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebruikt en de desbetreffende omstandigheid in haar nadere bewijsoverwegingen (p. 4 van het vonnis) betrokken (“ [verdachte] heeft een mes in haar hand genomen; dat had ze uit haar tas gehaald; [verdachte] stak [slachtoffer] met dat mes.”). Hoewel het hof de herkomst van het mes niet heeft opgenomen in de tot het bewijs gebezigde politieverklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4) heeft het hof deze omstandigheid in navolging van de rechtbank wel betrokken in zijn bewijsoverwegingen. Het hof heeft de voornoemde omstandigheid kennelijk ontleend aan de bij de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1] .

16. Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het hof ten aanzien van het opzet van de verdachte, faalt het.

17. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel daarnaast de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

18. Uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde pleitnota (“memorie van grieven”) blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, onder meer omdat er geen sprake is geweest van medeplegen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft aan de medeverdachte gevraagd een honkbalknuppel mee te nemen als voorzorgsmaatregel, voor het geval het gesprek met het slachtoffer uit de hand zou lopen. Het meenemen van de honkbalknuppel was er niet op gericht om [slachtoffer] dood te slaan maar was slechts een verdedigingsmogelijkheid tegen een te verwachten agressieve aanval van [slachtoffer] , aangezien het bekend was dat hij ook over vuurwapens beschikte. Het enkele feit dat de verdachte een voorzorgsmaatregel heeft getroffen in de vorm van een honkbalknuppel brengt niet mee dat er sprake was van een samenwerking gericht op het van het leven beroven van het slachtoffer. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte zich na de worsteling met het slachtoffer heeft onttrokken aan het geheel en naar haar fiets is gegaan om te vertrekken. De verdachte heeft geen enkele rol gespeeld bij het slaan met de honkbalknuppel door de medeverdachte, zodat niet kan worden gesproken van een samenwerking, aldus de raadsman.8

19. Het hof heeft in reactie op dit verweer in de bestreden uitspraak onder “verweren van de verdediging” het volgende overwogen:

“Daarnaast is voorgaande bespreking redengevend voor het oordeel dat hier sprake is van medeplegen. Dit medeplegen wordt naar het oordeel van het hof nog verder ingekleurd door de eveneens voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen waaruit naar voren komt dat de verdachte en [betrokkene 1] uren later samen zijn teruggekomen op de plek waar zij het slachtoffer hadden achtergelaten, vervolgens samen plastic zakken, schoppen en de moeder van de verdachte hebben opgehaald ten behoeve van het wegmaken van het lichaam van het slachtoffer, samen naar het Oostvoornse Meer zijn gegaan om daar een graf te graven en na het slachtoffer te hebben ingepakt in plastic zakken samen en met haar moeder het lichaam hebben weggevoerd per auto naar het reeds gegraven graf waar het lichaam van het slachtoffer is begraven.

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen van het ten laste gelegde, gelet op de ontbrekende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] , een en ander zoals verwoord in de 'memorie van grieven' van de raadsman onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:3474.

In dit arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is-.

De Raad overweegt daartoe met name het volgende:

(…)

De Hoge Raad overweegt allereerst (rov. 3.1.) dat de vraag wanneer van medeplegen (de nauwe en bewuste samenwerking) mag worden gesproken zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt, en dat daarom algemene regels dienaangaande niet kunnen worden gegeven. Deze overweging kan ongetwijfeld op begrip rekenen. Het is niet voor niets dat ook de wetgever van 1886, oog hebbend voor de soms complexe casuïstiek, zich heeft onthouden van een definiëring van deze vorm van deelneming en de invulling daarvan aan de vrijheid van rechtspraak en wetenschap heeft gelaten. Klaarblijkelijk heeft de Hoge Raad evenwel gemeend toch enige aandachtspunten met betrekking tot dit leerstuk te moeten formuleren. Hoewel de Hoge Raad de toevoeging "mede gelet op zijn eerdere rechtspraak" niet nader expliceert, duidt zij er reeds op dat hij een halt wil toeroepen aan het ruime werkingsbereik van medeplegen waarvan voordien, ook in de rechtspraak van de Hoge Raad zelf, sprake was en aldus het onderscheid met de andere deelnemingsvormen, meer in het bijzonder met medeplichtigheid, wenst aan te scherpen.

De daaropvolgende overwegingen in het arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014 : 3474 lijken deze aanname te bevestigen.

Het komt er dus op neer dat de Hoge Raad ook in het kader van "dit thema" de teugels aantrekt, en niet alleen aan de materiële kant daarvan. Ook stelt de Hoge Raad nadere eisen aan de motiveringsplicht voor de feitenrechter; deze zal in de bewijsvoering - dat wil zeggen in de gebezigde bewijsmiddelen en zo nodig in een bewijsmotivering - precies en adequaat ("nauwkeurig") moeten aangeven waarom in het voorliggende geval van medeplegen (een nauwe en bewuste samenwerking) sprake is.

Indachtig de hiervoor weergegeven en inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad en hetgeen hiervoor is overwogen omtrent hetgeen uit het door het hof gebezigde bewijs naar voren is gekomen, in samenhang met het door het Hof gebezigde bewijs, is naar het oordeel van het hof hier sprake van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar mededader en is de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict daartoe ook van voldoende gewicht geweest.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.”

20. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.9 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.10 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Om van medeplegen van doodslag te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op de dood van het slachtoffer.

21. In de hiervoor onder 19 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachte [betrokkene 1] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en gelet op de vaststellingen van het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen, is het oordeel evenmin onbegrijpelijk. Daartoe merk ik het volgende op.

22. Nadat [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen en rochelende geluiden had gemaakt, heeft de verdachte aarde in de mond van [slachtoffer] gedaan in de wetenschap dat diens overlijdensproces, in de vorm van verstikking, daardoor werd bespoedigd. Het hof heeft de omstandigheid dat de verdachte aldus de mond van [slachtoffer] heeft afgesloten als uitvoeringshandeling van (het medeplegen van) de doodslag bewezen verklaard. In het bestreden arrest ligt aldus besloten dat sprake is geweest van medeplegen in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van de doodslag door de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] . Dat oordeel acht ik reeds in het licht van het gewicht van de door de verdachte verrichte uitvoeringshandeling niet onbegrijpelijk. Uit de bewijsvoering volgt dat [slachtoffer] , die rochelde, nog in leven was op het moment dat de verdachte aarde in zijn mond stopte, terwijl die handeling tot gevolg had dat het intreden van de dood een kwestie van minuten was. In het licht van de uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden, is het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger van de doodslag kan worden aangemerkt niet onbegrijpelijk.

23. Daarbij verdient opmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de samenwerking van de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] zowel voorafgaand aan de doodslag als tijdens de doodslag en na afloop daarvan plaatsvond. Al die tijd zijn de verdachte en haar medeverdachte [betrokkene 1] samen opgetrokken. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan het misdrijf [betrokkene 1] , die meeging naar de ontmoeting, voorzien van een honkbalknuppel. [betrokkene 1] heeft zich vervolgens gemengd in de worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] en laatstgenoemde meermalen met een honkbalknuppel geslagen. In die fase van de uitvoering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte aarde in de mond van [slachtoffer] heeft gedaan. Nadat de verdachte en [betrokkene 1] [slachtoffer] voor dood hadden achtergelaten in het natuurgebied, zijn zij gezamenlijk naar een feest gegaan. Een paar uur later zijn zij gezamenlijk teruggegaan naar de plek waar zij [slachtoffer] hadden achtergelaten en hebben zij geconstateerd dat [slachtoffer] was overleden. Ook in de fase na de doodslag heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld. De verdachte is actief betrokken geweest bij het wegmaken van het lijk door samen met haar moeder en [betrokkene 1] het stoffelijke overschot in plastic in te pakken en het lijk op een andere locatie te begraven. Dit alles duidt op een hechte samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte.11 Het oordeel van het hof dat de verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag acht ik niet onbegrijpelijk. Terzijde merk ik op dat het voorgaande steun vindt in de tot het bewijs gebezigde verklaring van de moeder van de verdachte (bewijsmiddel 5), inhoudende dat de verdachte tegen haar heeft verteld dat “ze”, te weten de verdachte en [betrokkene 1] , [slachtoffer] dood hadden gemaakt. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Ook in zoverre is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed.12

24. In de toelichting op het middel wordt voorts betoogd dat het toebrengen van slagen met de honkbalknuppel door de medeverdachte reeds tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid, ook zonder dat de verdachte aarde in diens mond zou hebben gedaan. In reactie hierop wijs ik op de hiervoor uiteengezette rol die de verdachte niet alleen na het slaan met de honkbalknuppel door [betrokkene 1] maar ook daaraan voorafgaand heeft gespeeld, terwijl de - overigens als zodanig niet door het hof vastgestelde - mogelijke omstandigheid dat ook zonder het stoppen van aarde in de mond de dood zou zijn ingetreden er niet aan afdoet dat het hof deze handeling in aanmerking heeft kunnen nemen bij zijn oordeel dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking.13 Bovendien blijkt uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de NFI-deskundige Maes (bewijsmiddel 8) dat het stoppen van aarde in de keel van [slachtoffer] door de verdachte, nadat [betrokkene 1] met de honkbalknuppel tegen het hoofd van [slachtoffer] had geslagen en toen [slachtoffer] nog in leven was, het overlijdensproces van [slachtoffer] heeft versneld en “absoluut” heeft bijgedragen aan de verstikking van [slachtoffer] .

25. Voor zover het middel klaagt over het bewijs van medeplegen, is het eveneens tevergeefs voorgesteld.

26. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het rapport van de deskundige Winter als niet overtuigend ter zijde moet worden gesteld en dat er geen geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van de verdachte, onbegrijpelijk is.

27. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Een pro justitia tripelrapportage betreffende de verdachte van 24 januari 2014, opgemaakt door de gezondheidszorgpsycholoog T. ’t Hoen en de psychiater J.M.J.F. Offermans, inhoudende dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en evenmin van een persoonlijkheidsstoornis maar dat de mogelijkheid van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens op basis van narcistische, borderline en antisociale trekken niet geheel wordt uitgesloten. De rechtbank heeft in haar strafmotivering de conclusies van de psychiater en de psycholoog overgenomen en tot de hare gemaakt en mede op grond daarvan de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht.

(ii) Een op verzoek van de verdediging opgemaakt pro justitia rapport betreffende de verdachte van 17 januari 201514 van de psychiater R.J.H. Winter, inhoudende dat de verdachte lijdt aan een chronische posttraumatische stressstoornis, dat ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van een acute stressstoornis maar dat ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen advies wordt gegeven.

28. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde pleitnota (“memorie van grieven”), heeft de raadsman van de verdachte, onder verwijzing naar het door de psychiater Winter opgemaakte pro justitia rapport betreffende de verdachte van 17 januari 2015, opgemerkt dat het hem essentieel lijkt dat het hof de bevindingen van de psychiater Winter afzet tegen de overwegingen van de rechtbank, inhoudende dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De psychiater heeft vastgesteld dat bewust gewelddadig handelen door de verdachte onaannemelijk is gelet op de getraumatiseerde toestand waarin de verdachte verkeerde als gevolg van het langdurig gijzelen en terroriseren van de verdachte door [slachtoffer] . De rapportage van de psychiater dient te worden beschouwd in samenhang met hetgeen bekend is over de persoon van [slachtoffer] en zijn jarenlange handelwijze jegens de verdachte.15

29. Het hof heeft in reactie op dit verweer in de bestreden uitspraak onder “verweren van de verdediging” het volgende overwogen:

“Aan die verklaring van de verdachte omtrent het afwezig zijn van die herinnering hecht het hof dan ook geen geloof. Ook een aannemelijke verklaring voor het zich niet meer kunnen herinneren van een deel van het gebeuren die avond, is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet naar voren gekomen.

Het door de verdediging daartoe ingebrachte Pro Justitia rapport d.d. 17 januari 2015, omtrent de verdachte, opgemaakt en ondertekend door psychiater R.J.H. Winter heeft het hof daarbij niet kunnen overtuigen.

Daartoe verwijst het hof met name naar de diagnostische overwegingen op blz. 10 van het rapport. Daar staat onder meer geschreven: 'Tijdens de fatale ontmoeting leek het er echter meer op dat zij het onderspit zou gaan delven en de stress die dit nog eens extra opleverde heeft waarschijnlijk geleid tot het amnestische beeld dat een bepaalde periode van de tenlastegelegde feiten lijkt te bestrijken. Dit specifiek verschijnsel staat bekend als een zogenaamde acute stress stoornis waarbij centraal staat dat men getuige/slachtoffer is geweest van een levensbedreigende situatie waarbij een sterke mate van derealisatie en depersonalisatie kan optreden met ook weer een verhoogde kans op eerdere herbelevingen.'

Op blz. 12 onder de kop Verband diagnose en ten laste gelegde schrijft Winter: 'Het lijkt echter vanuit forensisch psychiatrisch standpunt verre van aannemelijk dat een dermate getraumatiseerde vrouw op logische/invoelbare wijze gehandeld kan hebben tijdens de tenlastegelegde feiten.'

Naar het oordeel van het hof betrekt de rapporteur daarbij niet de ook uit het dossier naar voren gekomen omstandigheid dat de verdachte niet alleen, maar met haar vriend naar die ontmoeting is gegaan en zij tijdens die ontmoeting wist dat die vriend op de achtergrond aanwezig was, bewapend met een honkbalknuppel die de verdachte hem voor vertrek naar die ontmoeting had aangereikt.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat dit zich niet kunnen herinneren van de verdachte zich slechts uitstrekt over een relatief korte periode en de verdachte de rest van die 'fatale' avond zich wel kan herinneren, waaronder het wegmaken van het lichaam van het slachtoffer alsmede ter realisering van dit wegmaken van het lichaam, in een toch ook zeer stressvolle situatie, toch planmatig en logisch heeft gehandeld en zich daarbij niet alleen een en ander kan herinneren, doch zeer uitgesproken is over de onjuistheden in de verklaringen van [betrokkene 1] over dit gebeuren en de juistheid van haar eigen verklaring.

Desondanks heeft dit de rapporteur niet weerhouden tot het oordeel te komen dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een acute stressstoornis, zonder de genoemde en naar het oordeel van het hof toch niet onbelangrijke omstandigheden hierbij te betrekken.

Wat betreft de in dit verband en hiervoor genoemde 'levensbedreigende situatie', heeft de Winter naar het oordeel van het hof slechts de lezing/perceptie van de verdachte als uitgangspunt genomen zonder daarbij tevens een naar voren gekomen alternatief scenario, zoals met name geschetst door de medeverdachte [betrokkene 1] , in zijn oordeel te hebben betrokken.

Op grond van het bovenstaande legt het hof deze rapportage dan ook, als onvoldoende overtuigend naast zich neer voor de door de verdediging in dit verband aangevoerde amnesie en acute stress stoornis.

Ook anderszins is deze amnesie en die acute stress stoornis uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het in dit verband gevoerde verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.”

30. Aldus heeft het hof, in reactie op de door de verdediging gestelde amnesie en acute stressstoornis bij de verdachte, geoordeeld dat het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat zij bepaalde delen van hetgeen haar wordt verweten zich niet meer kan herinneren, en dat het de bevindingen van de psychiater R.J.H. Winter in het door de verdediging ingebrachte pro justitia rapport betreffende de verdachte van 17 januari 2015 terzijde schuift. Daartoe heeft het hof ten aanzien van de verklaring van de verdachte overwogen dat een aannemelijke verklaring voor het zich niet kunnen herinneren van een deel van het gebeuren niet naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Voorts heeft het hof ten aanzien van het rapport uitgebreid gemotiveerd uiteengezet dat Winter bepaalde omstandigheden niet bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, dat Winter slechts de lezing van de verdachte als uitgangspunt heeft genomen en dat Winter het door de medeverdachte geschetste alternatieve scenario niet in zijn oordeel heeft betrokken.

31. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus stond het het hof vrij het rapport van Winter niet bij zijn oordeelsvorming te betrekken en geen geloof te hechten aan hetgeen de verdachte ten aanzien van haar herinneringen heeft verklaard.16

32. Het middel faalt.

33. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de opgelegde gevangenisstraf ontoereikend heeft gemotiveerd.

34. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde pleitnota (“memorie van grieven”), heeft de raadsman van de verdachte aan het hof verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de rapportage van de psychiater Winter. Daaruit volgt dat de verdachte onder invloed van een posttraumatische stressstoornis en als gevolg van extreme stress heeft gehandeld.17

35. Het hof heeft, in navolging van de in eerste aanleg opgelegde straf en de in hoger beroep gevorderde straf, de verdachte ter zake van medeplegen van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Ter motivering van de opgelegde straf heeft het hof onder “strafmotivering” het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof ten aanzien van de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden ook oog gehad voor de turbulente relatie van de verdachte en het slachtoffer waarbij het slachtoffer de verdachte geruime tijd heeft gestalkt en lastig gevallen, hetgeen het hof bij de beraadslaging dan ook weerhouden heeft een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Daarbij heeft het hof voorts en in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een buitengewoon ernstig misdrijf gepleegd door samen met haar mededader, haar ex-vriend op een gruwelijke wijze om het leven te brengen, een en ander zoals is bewezen verklaard.

Aldus is het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, door verdachte en haar mededader ontnomen.

Het begraven dode lichaam van [slachtoffer] is pas later gevonden. De dood van het slachtoffer is ook voor de naaste familie en vrienden van het slachtoffer een schokkende en emotionele gebeurtenis geweest, waarvan zij naar verwachting de sporen daarvan nog geruime tijd met zich mee zullen moeten dragen. De nabestaanden is daarmee groot en onherstelbaar onrecht aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de speciale en generale preventie - dan ook van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

36. Zoals blijkt uit de toelichting, keert het middel zich tegen de overweging van het hof, inhoudende dat het hof ten aanzien van de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden ook oog heeft gehad voor de “turbulente relatie van de verdachte en het slachtoffer waarbij het slachtoffer de verdachte geruime tijd heeft gestalkt en lastig gevallen”, hetgeen het hof ervan heeft weerhouden een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal bij het hof is gevorderd. Volgens de steller van het middel heeft het hof met die overweging hetgeen zich jarenlang heeft afgespeeld tussen de verdachte en het slachtoffer op onbegrijpelijke wijze verkleind.

37. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. De keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.18 De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat deze moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.19

38. De stukken van het geding houden het volgende in ten aanzien van de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] . Op de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2016 heeft de medeverdachte [betrokkene 1] verklaard dat [slachtoffer] de verdachte stalkte en bedreigde (bewijsmiddel 3). Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde requisitoiraantekeningen, heeft de advocaat-generaal bij het hof ten aanzien van de strafmaat opgemerkt dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer] zich in de periode voorafgaand aan zijn dood veelvuldig schuldig zou hebben gemaakt aan stalking en bedreiging van de verdachte en haar familie en dat hij haar meermalen zou hebben verkracht, hetgeen in strafmatigende zin zal moeten meewegen. Uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 overgelegde pleitnota (“memorie van grieven”) blijkt dat de raadsman van de verdachte ten aanzien van de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft opgemerkt dat de verdachte gedurende die gehele relatie door [slachtoffer] is bedreigd en gestalkt, dat aan [slachtoffer] naar aanleiding van een incident bij de woning van de (familie van) de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd, dat [slachtoffer] vanuit de gevangenis is doorgegaan met het stalken en telefonisch bedreigen van de verdachte, dat de verdachte aangifte heeft gedaan van stalking en dat [slachtoffer] , nadat hij weer vrij was, de verdachte ernstig is blijven lastig vallen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2015 heeft de verdachte verklaard dat zij vaak werd gebeld door [slachtoffer] en dat zij niet blij werd van zijn bedreigingen. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 april 2014 heeft de verdachte verklaard dat zij een aantal keren is gebeld en bedreigd door [slachtoffer] .

39. Het hof heeft in zijn strafmotivering vastgesteld dat er sprake is geweest van een turbulente relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] de verdachte geruime tijd heeft gestalkt en lastig gevallen. Deze feitelijke vaststelling acht ik in het licht van het verhandelde ter terechtzitting niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet nader worden getoetst. De uitleg van de stukken van het geding en de daarin opgenomen verklaringen is immers voorbehouden aan de feitenrechter.20Gelet hierop kan worden aangenomen dat de omstandigheid dat [slachtoffer] de verdachte in een turbulente relatie geruime tijd heeft gestalkt en lastig gevallen, is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Aan de hiervoor onder 37 genoemde eis is dan ook voldaan.

40. Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft het hof door aldus te overwegen hetgeen jarenlang door het slachtoffer jegens de verdachte is aangedaan niet op onbegrijpelijke wijze verkleind, terwijl het hof niet was gehouden de in pleitnota van de raadsman van de verdachte naar voren gebrachte voorgeschiedenis expliciet als ongeloofwaardig of onaannemelijk ter zijde te stellen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof in zijn strafmotivering in het voordeel van de verdachte heeft gerefereerd aan de bestreden omstandigheid door te overwegen dat die omstandigheid het hof ervan heeft weerhouden een hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

41. De strafoplegging is ook voor het overige toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de opgelegde straf niet en onbegrijpelijk is de motivering daarvan evenmin. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte ten aanzien van de straftoemeting naar voren heeft gebracht, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

42. Het middel faalt.

43. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 3 februari 2016 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

44. De middelen falen, terwijl het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Andere gronden dan de hiervoor onder 43 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

45. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De Hoge Raad heeft de medeverdachte [medeverdachte] niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep op de grond dat namens haar geen cassatieschriftuur was ingediend. De zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] is niet in cassatie (en evenmin in hoger beroep) behandeld, aangezien [betrokkene 1] zijn aanvankelijk ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken.

2 Ontleend aan de bewijsvoering van het hof.

3 Het aan de pleitnota gehechte pro justitia rapport van psychiater Winter is gedateerd op 17 januari 2015. Bij de stukken van het geding bevindt een tweede afschrift van dit rapport, dat op 22 april 2015 door de raadsman van de verdachte naar de strafgriffie van het hof is gezonden. Deze versie is gedateerd op 1 januari 2015. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het hof verwezen naar het rapport van 17 januari 2015, zodat ik van die datum ben uitgegaan.

4 Pleitnota in hoger beroep van 19 november 2015, p. 17-19.

5 Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 230-231.

6 Ten overvloede merk ik op dat de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) ook inhoudt dat [betrokkene 1] wel had verwacht dat er “iets” zou gaan gebeuren als [slachtoffer] hem zou zien, en de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4) inhoudt dat hij een honkbalknuppel bij zich had voor het geval het uit de hand zou lopen.

7 Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:272, rov. 3.2, HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5166, rov. 3.3, HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204, rov. 2.5, HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, rov. 3.3, HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69, rov. 3.6, HR 9 mei 1995, DD 95.334 en HR 18 mei 1976, NJ 1976/539 m.nt. Van Veen.

8 Pleitnota in hoger beroep van 19 november 2015, p. 19-20.

9 Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

10 Vgl. De Hullu, a.w., p. 463-467 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:885) onder 4.7 voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

11 Zie in dit verband ten aanzien van handelingen die na het intreden van de dood hebben plaatsgevonden: HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9962, NJ 2003/142, rov. 3.

12 Vgl. voor een andere zaak (medeplegen van moord) waarin het slachtoffer onder meer door het slaan met een honkbalknuppel om het leven is gebracht: HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907 (eerste klacht van het middel, art. 81 RO). Ook in die zaak heeft het hof geoordeeld dat de betrokkenheid van de verdachte had plaatsgevonden in het kader van een gezamenlijke uitvoering van het delict. Vgl. voor andere voorbeelden van medeplegen in de vorm van een gezamenlijke uitvoering: Vgl. HR 5 juli 2016, nr. 15/00568 (niet gepubliceerd, middel 1), HR 7 juni 2016, nr. 14/06519 (niet gepubliceerd), HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396, rov. 3, HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, NJ 2015/399 m.nt. Mevis, rov. 2 en HR 24 juni 2014, nr. 13/00019 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 1). Vgl. voorts HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420.

13 Vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9962, NJ 2003/142, rov. 3.

14 Zie de opmerking bij de bespreking van het eerste middel in noot 3 ten aanzien van de twee verschillende data van dit rapport.

15 Pleitnota in hoger beroep van 19 november 2015, p. 4-5.

16 Vgl. ten aanzien van het al dan niet terzijde schuiven van bevindingen van deskundigen door de feitenrechter: HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992, NJ 2014/91 (vierde middel, art. 81 RO), HR 17 januari 2012, nr. 10/03780 (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8117, NJ 2007/295, rov. 3.

17 Pleitnota in hoger beroep van 19 november 2015, p. 20-21.

18 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004/18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 313.

19 Vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:211, rov. 2.3, HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119, rov. 4.3 en Van Dorst, a.w., p. 310-311.

20 Vgl. ten aanzien van de uitleg van gedingstukken HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3963, rov. 2.5 en HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6731, rov. 5.4. Vgl. ten aanzien van de uitleg van verweren Van Dorst, a.w., p. 224-225.