Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/04963
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3059, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. ontucht door arbeidsdeskundige werkzaam bij uitkeringsinstantie vrouw in re-integratietraject, art. 249.2.3 Sr. Werkzaam in de maatschappelijke zorg? Kennelijk heeft het Hof bij zijn oordeel tot uitgangspunt genomen dat voor de toepasselijkheid van art. 249.2.3 Sr is vereist dat sprake is van een "formele behandelrelatie" tussen degene die werkzaam is in de maatschappelijke zorg en degene die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd. Dat uitgangspunt is te beperkt en daarom onjuist. Art. 249.2.3 Sr kan ook toepassing vinden indien in feitelijke zin sprake is van een relatie a.b.i. deze wetsbepaling (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP2630). Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/04963

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van A. “verkrachting (art. 242 Sr)”, B. “met iemand, van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (art. 243 Sr)” en C. “werkzaam als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd (art. 249 lid 2 onder 1° en 3° Sr)”.

  2. Mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal bij het hof, heeft cassatie ingesteld. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket te ’s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. Op 22 maart 2010 had de verdachte, als arbeidsdeskundige werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV), het eerste gesprek met aangeefster [betrokkene 1] in het kader van de begeleiding bij haar re-integratieproces. [betrokkene 1] was ernstig getraumatiseerd vanaf jonge leeftijd door seksueel misbruik, fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing. Als gevolg daarvan had zij onder meer last van chronische posttraumatische stress klachten en dissociatieve klachten. De verdachte en [betrokkene 1] hadden daarna veel telefonisch contact met elkaar en zij spraken geregeld af zowel op het kantoor van het UWV als bij haar thuis. [betrokkene 1] heeft de verdachte verteld over haar traumatische ervaringen. De verdachte wilde [betrokkene 1] helpen met het wegnemen van haar angsten en pijnen. Tijdens de huisbezoeken traden bij [betrokkene 1] ‘herbelevingen’ van haar traumatische ervaringen op, waarbij de in de tenlastelegging omschreven seksuele handelingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] hebben plaatsvonden. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte haar gedurende een lange periode (tenlastegelegd is de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012) seksueel heeft misbruikt. Ook als ze ‘herbelevingen’ had, waarbij haar lichaam tijdelijk verlamd raakte van angst, herinneringspijn en uitputting, verrichtte de verdachte seksuele handelingen bij haar. Toen [betrokkene 1] haar psychotherapeute op de hoogte stelde van het misbruik, heeft deze haar met klem aangeraden om aangifte te doen tegen de verdachte wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag. De verdachte heeft de door hem bij [betrokkene 1] verrichte handelingen erkend, maar hij heeft het strafbare karakter daarvan ontkend. Hij wilde [betrokkene 1] slechts helpen om van haar angsten en pijnen af te komen. De verdachte heeft gesteld dat [betrokkene 1] ten tijde van de onderhavige feiten geen cliënt meer van hem was. Ook was van dwang geen sprake, aldus de verdachte. De verdachte is naar aanleiding van de tenlastegelegde feiten ontslagen bij het UWV. In eerste aanleg is de verdachte door de rechtbank veroordeeld ter zake van overtreding van art. 243 Sr (het seksueel binnendringen van het lichaam bij iemand die in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, feit B), maar vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting (feit A) en het plegen van ontuchtige handelingen terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, terwijl [betrokkene 1] aan zijn gezag onderworpen was en aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd (feit C). In hoger beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van alle (cumulatief) tenlastegelegde feiten.

  4. Het middel

4.1. Het middel behelst in de kern genomen de klacht dat het hof ten aanzien van in het bijzonder het misdrijf strafbaar gesteld in art. 249 lid 2 en onder 3° Sr1 (feit C) ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte niet als ‘arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg’.

4.2. Aan de verdachte is, voor zover van belang, ten laste gelegd dat:

"C.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1], die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk

- zijn lichaam tegen het lichaam van [betrokkene 1] aangeduwd/aangedrukt en/of

- (over de kleding) de schaamstreek van [betrokkene 1] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- [betrokkene 1], in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of

- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van [betrokkene 1] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- de vagina van [betrokkene 1] gelikt.”

4.3.

Het hof heeft de verdachte van het hem onder C. tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

Ten aanzien van artikel 249 Wetboek van Strafrecht

Verdachte is tenlastegelegd dat hij, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met aangeefster, die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.

Zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor wat betreft het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (...) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd’, nu uit de aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en ook geen enkele rol meer speelde bij haar verdere re-integratietraject. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, verdachte vrijspreken voor wat betreft dit onderdeel van te tenlastelegging.

Wat betreft de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ zoals bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, merkt het hof het op dat in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel betreffende de Wijziging van de artikelen 242, 243, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 930, nr. 3) hieromtrent het volgende wordt opgemerkt:

(...) Artikel 249, tweede lid, 2°, beschermt onder andere degenen die in een inrichting zijn opgenomen tegen op hen gerichte seksuele verlangens van degenen die daar werkzaam zijn. In de vorige paragraaf werd gesignaleerd dat het artikel personen die in een inrichting zijn opgenomen geen bescherming biedt tegen anderen dan de in het artikel genoemde functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van personen die aan een psychische stoornis lijden een ernstige leemte is.

(...).

Ik stel dan ook voor om aan artikel 249, tweede lid, een bepaling toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het plegen van ontucht door personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of hulp hebben toevertrouwd.

(...)

Artikel 249

Met personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg worden onder andere bedoeld degenen die behoren tot de categorieën werkers in inrichtingen genoemd in artikel 249, tweede lid onder 2°. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg zijn echter ook personen werkzaam in beroepen, waarvan de beoefenaren over het algemeen niet binnen inrichtingen werkzaam zijn.

De voorgestelde bepaling heeft ook op hen betrekking.

Uit de hiervoor aangehaalde paragrafen blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om seksueel misbruik door personen die werkzaam waren in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden tegen te gaan. Anders dan het OM, ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte, als arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg, zodat verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.”

4.4.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 249 Sr, in het bijzonder gaat het om het bepaalde onder (1° en) 3° van het tweede lid van genoemd artikel. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden “werkzaam in de maatschappelijke zorg” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling. Art. art. 249 Sr luidt als volgt:

“Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft:

1°. de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;

2°. de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;

3°. degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

4.5.

In de toelichting op het middel wordt in de kern genomen aangevoerd dat de contacten tussen de verdachte en aangeefster [betrokkene 1] óók na beëindiging van de formele behandelrelatie bezwaarlijk anders kunnen worden aangemerkt als een vorm van ‘maatschappelijke zorg’ en dat het hof ter vervulling van het bestanddeel ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’ ten onrechte mede de eis heeft gesteld dat sprake moet zijn van een ‘formele behandelrelatie’ met aangeefster.

4.6.

Door de invoering van art. 249 lid 2 onder 3° Sr is de strafbaarstelling van die bepaling verruimd tot degene die werkzaam is in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg. Deze bepaling beoogt ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. Daarbij is het uitgangspunt dat de strafbaarstelling in art. 249 lid 2 onder 3° Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een hulpverlener-patiënt/cliënt relatie bestaat.2 Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychische overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat de hulpverlener van de patiënt of cliënt heeft gewonnen.3

4.7.

Het hof heeft ter beantwoording van de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen de verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ als bedoeld in art. 249 lid 2 onder 3° Sr aan de wetsgeschiedenis van die bepaling - hiervoor onder 4.3 door het hof in zijn overwegingen geciteerd4 - ontleend dat de wetgever heeft beoogd ‘seksueel misbruik door personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden’ tegen te gaan. Daarmee heeft het hof (mede) het bestaan van een formele behandelrelatie met aangeefster als vereiste voor de strafbaarheid van de verdachte aangemerkt. Ik kan het hof in die redenering niet volgen. De wetsgeschiedenis geeft mijns inziens en anders dan het hof overweegt niet veel inzicht in wat precies moet worden verstaan onder ‘werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg’.5 Over een formele behandelrelatie wordt in de wetsgeschiedenis niet gerept. Door aldus te overwegen heeft het hof mijns inziens ten onrechte aan de omstandigheid dat aan de door de verdachte verrichte handelingen een zakelijke overeenkomst dan wel een (juridisch formele) behandelovereenkomst ten grondslag moet liggen doorslaggevend gewicht toegekend, terwijl de Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze omstandigheid bij de beoordeling niet ter zake doet. Bepalend is veeleer of er een feitelijke hulpverleningsrelatie bestaat tussen de verdachte en aangeefster.6 Het hof heeft met zijn uitleg op dit punt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

4.8.

Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de ‘akte cassatie’ blijkt dat het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld.

2 Vgl. HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ 1997/485, rov. 6.5, HR 30 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999/482 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 4.3.

3 Vgl. HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630.

4 Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 3, pag. 7-8.

5 Zie de conclusie van voormalig AG Fokkens (ECLI:NL:PHR:1999:ZD1376) vóór HR 30 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999/482 en de conclusie van AG Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011:BP2630) vóór HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630.

6 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 3.4.