Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
16/03661
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:27, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplichting, art. 326.1 Sr. 1. Door samenweefsel van verdichtsels fietsenwinkel bewegen tot afgifte van fietsen. 2. Medewerker banketbakkerij bewegen tot afgifte van gebakjes en bonbons.

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat verdachte, door bij de aflevering van de eerder door hem bestelde fietsen te zeggen dat hij het verschuldigde bedrag wilde pinnen maar dat zijn bankpas kapot was en door toe te zeggen het verschuldigde bedrag over te maken op de bankrekening, aangever en de fietsenwinkel door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot afgifte van twee fietsen. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdachte de fietsen bewust niet heeft betaald en ze vervolgens heeft doorverkocht. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892, inhoudende dat het bij het gebruik van een samenweefstel van verdichtsels in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Verdachte heeft aan aangever een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken gepresenteerd. Gelet hierop geeft 's Hofs oordeel dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Voorts geeft ’s Hofs oordeel dat eigenaar fietsenwinkel en fietsenwinkel door verdachtes handelen zijn bewogen tot afgifte van de fietsen en dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid niet tot een ander oordeel noopt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte door als een bonafide klant een bestelling te plaatsen van in elk geval 45 gebakjes de medewerker van de banketbakkerij heeft bewogen tot afgifte van 3 gebakjes en bonbons, dat verdachte bij het plaatsen van de bestelling een valse naam en een vals adres heeft opgegeven alsmede een telefoonnummer waarvan later bleek dat het niet in gebruik was en dat verdachte heeft gezegd dat hij bij het ophalen van de bestelling het verschuldigde bedrag in één keer zou voldoen, waarna hij 3 gebakjes en bonbons heeft meegenomen zonder deze te betalen, in welk verband Hof heeft overwogen dat dat die bestelling slechts was bedoeld om - zonder hiervoor meteen te hoeven betalen - de afgifte van bonbons en gebak te bewerkstelligen. Gelet op deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, en in aanmerking genomen hetgeen HR in ECLI:NL:HR:2016:2889 en ECLI:NL:HR:2016:2892 heeft overwogen, geeft 's Hofs oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

CAG: anders t.a.v. oplichting fietsenwinkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03661

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem heeft bij arrest van 9 mei 2016 het vonnis van de politierechter van 5 augustus 2015 – waarbij verdachte wegens parketnummer 16-122268-15 feit 2 is vrijgesproken en wegens parketnummer 16-181286-14 feit 1 “oplichting”, parketnummer 16-122268-15 feit 1 “oplichting”, parketnummer 16-193722-13 feit 1 en feit 2 “oplichting” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) zijn toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld – bevestigd, met dien verstande dat het hof de verdachte in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk heeft verklaard en voorts het vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 1 de gronden heeft aangevuld en in de zaak met parketnummer 16-181286-14 de gronden heeft verbeterd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof in de zaak met parketnummer 16-181286-14 artikel 423 Sv heeft geschonden nu het hof voor hetgeen de politierechter bewezen heeft geacht, een nieuwe en deels andere bewezenverklaring in de plaats heeft gesteld.

3.2.

In het in cassatie bestreden arrest heeft het hof onder de kop “Het vonnis waarvan beroep” het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met aanvulling (in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 1 tenlastegelegde) en verbetering (de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 16-181286-14 tenlastegelegde) van de gronden te worden bevestigd.”

3.3.

Vervolgens heeft het hof onder de kop “Bewezenverklaring” overwogen:

“Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-181286-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 12 december 2011 tot en met 4 februari 2012 te Amersfoort met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels, Eneco Services en [D] en [E] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van elektriciteit en een bed en één laptop hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid
- zich voorgedaan als bonafide klant althans medewerker van [F] en als ene [...] of [...] en
- telefonisch een bankrekeningnummer bij Eneco Services gewijzigd naar een bankrekeningnummer ten name gesteld van [betrokkene 4] , en
- meerdere laptops op naam van [F] besteld en
- ter betaling van een bed een incassomachtiging ten laste van een bankrekeningnummer ten name gesteld van [betrokkene 4] , met naam van [...] en of [...] ondertekend, waardoor Eneco Services en [D] en [E] B.V. werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes;”

3.4.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep van 5 augustus 2015:

“1. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0940 2012036357-1 d.d. 15 februari 2012, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 4] , medewerker van Politie Utrecht (blz. 3 t/m 9 van het proces-verbaal nr. PL0910-2012036357), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :

blz.3
Ik ben omstreeks november 2011 verhuisd van [a-straat 1] te Amersfoort naar mijn huidige woonadres. Ik ben vergeten om contact op te nemen met de ABN-bank om mijn nieuwe woonadres door te geven. Om deze reden werden bankafschriften en dergelijke tot aan 6 februari 2012 nog naar mijn oude adres in Amersfoort gestuurd.
Ik heb bij de ABN-AMRObank twee betaalrekeningen. Een betaalrekening met rekeningnummer [0003] en een betaalrekening met nummer [0004] .
Op 30 januari ging ik internetbankieren. Op mijn rekening zag ik dat op 30 januari 2012 een bedrag van 139,00 euro was afgeschreven door Eneco Services. Dat viel mij op omdat ik niet langer aangesloten was bij Eneco op mijn nieuwe adres in [woonplaats] .
blz. 4
Ik was aangesloten bij Eneco op mijn oude adres in Amersfoort.
Eneco gaf aan dat zij een contract hadden met ene [verdachte] . Deze zou mijn rekeningnummer hebben opgegeven om een rekening te betalen.
Op 6 februari 2012 probeerde ik te tanken. Het betalen lukte niet, omdat ik niet genoeg saldo op mijn rekening zou hebben. Toen ik thuis kwam, ben ik op internet naar mijn rekening gaan kijken. Toen zag ik dat er op 6 februari 2012 een bedrag van 1819,65 euro was overgemaakt naar een bedrijf genaamd [E] . Dat bedrijf was mij niet bekend.
Op 7 februari nam ik contact op met [E] . Ik gaf aan dat ik niets bij hun had besteld. [E] gaf aan dat er een machtiging was uitgeschreven voor een eenmalige incasso van 1819,65 euro op mijn rekeningnummer. Ik vroeg aan de medewerker van [E] of het om het adres [a-straat 1] te Amersfoort ging en of het om ene [verdachte] ging. De medewerker van [E] bevestigde dit.
Ik vroeg hem om een kopie van de machtiging waarop [verdachte] met mijn rekeningnummer betaalde.
Blz. 7
Eenmalige machtiging voor [E] waarop vermeld als opdrachtgever [verdachte] , het rekeningnummer [0004] voor een totaalbedrag van 1819,65
Blz. 8
Rekeningafschrift van rekeningnummer [0004] met bedrag 1819,65
Blz. 9:
Rekeningafschrift van rekeningnummer [0003] met bedrag 139,00 tbv Eneco

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0940 2012036357-2 d.d. 27 maart 2012, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 5] , aspirant van Politie Utrecht (blz. 10 t/m 13 van het proces-verbaal nr. PL0910- 2012036357), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :
Ik heb nieuw bewijs tegen de verdachte. Dit bewijs bestaat uit een factuur van Dutch Incasso Service. Dit is een incassobedrijf dat is ingehuurd door [D] te Hoogland.
De bestelling is gedaan op 29 december 2011. Toen woonde ik al op een ander adres. Ik heb nooit een bestelling gedaan bij [D] . Ik woon namelijk al sinds november 2011 niet meer op de [a-straat 1] te Amersfoort.
Ik zie ook op de factuur dat de bestelling is gedaan door [F] . Dit is mijn oude bedrijf waar ik ongeveer anderhalf jaar gelden al mee ben gestopt.

De factuur bedraagt 3.789,50 euro.

3. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0940 2012036357-4 d.d. 29 november 2012, opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van Politie Utrecht (blz. 14 t/m 16 van het proces-verbaal nr. PL0940 2012036357), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:
blz. 14
Ik zag in de gemeentelijke basisadministratie dat de verdachte [verdachte] vanaf 12-12-2011 ingeschreven stond op de [a-straat 1] te Amersfoort.
Ik zag dat uit het politiesysteem een tweetal telefoonnummers bekend waren van verdachte [verdachte] . Ik zag dat één telefoonnummer 06- [0005] vanaf 6 augustus 2011 in het systeem van de politie bekend was.
Ik zag dat er op de factuur van de beddenspeciaalzaak [E] een telefoonnummer stond bijgeschreven. Ik zag dat dit het nummer 06- [0005] was. Ik zag dat dit hetzelfde nummer was als bekend in het politiesysteem.
Op 29 november 2012 heb ik contact gehad met het bedrijf [D] , gevestigd te Amersfoort. De manager vertelde dat er op 29 december 2011 een bestelling was gedaan door een man die vertelde dat hij een bedrijf ging opstarten welke [F] heette.
De man had verteld dat hij 4 of 5 laptops nodig had voor zijn bedrijf. Hij zou met spoed nu een laptop nodig hebben. Hierop is er een laptop van het merk Asus van 482,35 euro meegegeven aan de man. De factuur stond op naam van [F] , [a-straat 1] te Amersfoort.

[betrokkene 5] heeft een aantal keren contact gehad met de man. Hij verklaarde dat er iedere keer een andere smoes kwam waarom de rekening niet werd betaald. De keren dat hij contact met hem had was op het telefoonnummer 06- [0005] .”

3.5.

De politierechter heeft blijkens de aantekening van het mondeling vonnis van 5 augustus 2015 ten aanzien van parketnummer 16-181286-14 bewezenverklaard dat verdachte:

“Op tijdstippen gelegen in de periode van 12 december 2011 tot en met 4 februari 2012 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels,

Eneco Services en [D] en [E] B. V. heeft bewogen tot afgifte van electriciteit en een bed en laptops en een monitor, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- zich voorgedaan als bonafide klant althans medewerker van [F] en als ene [verdachte] en

- telefonisch een bankrekeningnummer bij Eneco Services gewijzigd naar een bankrekeningnummer t.n.v. [betrokkene 4] en

- laptops en een monitor op naam van [F] besteld en

- ter betaling van een bed een incassomachtiging ten laste van een bankrekeningnummer ten name gesteld van [betrokkene 4] met naam van [verdachte] ondertekend waardoor Eneco Services en [D] en [E] B. V. werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;”

3.6.

In de toelichting op het middel wordt het volgende betoogd. Het hof is gekomen tot een andere bewezenverklaring door, anders dan de politierechter in eerste aanleg, uit te gaan van de afgifte van één laptop (in plaats van meerdere), terwijl voorts niet bewezen is verklaard dat ook sprake was van de afgifte van een monitor, hetgeen door de politierechter wel is aangenomen. Daarmee is het hof er ten onrechte vanuit gegaan dat het in het arrest opnemen van een (ten aanzien van één van de aan de orde zijnde zaken) gewijzigde bewezenverklaring beschouwd kan worden als (slechts) een verbetering van de gronden, nu de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde bewezen verklaard kan worden een beslissing is die de rechter op grond van artikel 350 Sv moet nemen. Gelet op het uitgangspunt dat vernietiging van het vonnis is aangewezen als het hof op grond van artikel 358 in verbinding met de artikelen 348 en 350 Sv tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter, had het hof, gelet op de voornoemde wijzigingen in de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 16-181286-14, het vonnis dan ook moeten vernietigen, aldus de toelichting op het middel.

3.7.

Op grond van artikel 423 Sv kan het gerechtshof het bestreden vonnis geheel bevestigen, hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden, gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen of geheel vernietigen. In Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011, 294 m.nt. P.A.M. Mevis zijn enkele hoofdlijnen geschetst voor de wijze waarop toepassing kan worden gegeven aan artikel 423 Sv. Daarin overweegt de Hoge Raad, voor zover van belang, onder meer:

“2.8.2. Een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel.
Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden. Daarmee wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen, zoals nader geregeld in art. 359, art. 359a, derde lid, en art. 360 Sv.”
(…)
2.9. Uit het voorgaande volgt dat de Wet stroomlijnen hoger beroep mede ertoe strekt dat een vonnis vaker dan voorheen wordt bevestigd. De rechtspraktijk moet trachten daaraan gevolg te geven. Nog steeds geldt echter dat een vernietiging van het vonnis is aangewezen indien en voor zover het Hof wat betreft op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen, tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat na een wijziging zoals het Hof hier heeft aangebracht in de bewezenverklaring van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, een vonnis in dat opzicht niet vatbaar is voor bevestiging. De middelen klagen daarover echter niet.”

3.8.

Met de bevestiging van het vonnis verenigt de appelrechter zich onder meer met de in het vonnis neergelegde bewezenverklaring. Indien hij tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg, is er voor bevestiging van het bestreden vonnis geen plaats meer.1 De steller van het middel wijst er terecht op dat de bewezenverklaring in het arrest van het hof niet geheel overeenkomt met de bewezenverklaring zoals opgenomen in het vonnis van de politierechter, al heeft het hof dat niet met zoveel woorden in zijn arrest opgenomen.2 De politierechter heeft ten aanzien van de verdachte bewezenverklaard dat hij de in de bewezenverklaring genoemde bedrijven – kort gezegd - heeft bewogen tot afgifte van elektriciteit, een bed, laptops en een monitor, terwijl in de bewezenverklaring door het hof is opgenomen dat het gaat om elektriciteit, een bed en één laptop. De monitor komt hierin dus niet voor, alhoewel opvalt dat in de feitelijke uitwerking door het hof wel is opgenomen dat het om ‘meerdere laptops’ ging.3 Daarmee wijst de steller van het middel er eveneens terecht op dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat de aanpassing van de bewezenverklaring in de onderhavige zaak ‘verbetering van de gronden’ oplevert. In het hiervoor aangehaalde arrest overweegt de Hoge Raad dat met ‘aanvulling of verbetering van de gronden’ in artikel 423 lid 1 Sv wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen.4 Het antwoord op de vraag of het tenlastegelegde feit kan worden bewezen, betreft een beslissing op de eerste materiële vraag van artikel 350 Sv. Gelet op het voorgaande, zou deze constatering betekenen dat het hof het bestreden vonnis niet had mogen bevestigen, maar (al dan niet gedeeltelijk) had moeten vernietigen.5 Dit kan eveneens worden afgeleid uit de hiervoor onder 3.6 aangehaalde overweging uit het arrest HR 13 juli 2010, nu de Hoge Raad daar in rov. 2.9 overweegt dat na wijziging van de bewezenverklaring door het hof, een vonnis ‘in dat opzicht’ niet vatbaar is voor bevestiging.

3.9.

Het gerechtshof heeft het vonnis in de voorliggende zaak niet (gedeeltelijk) vernietigd, ook daar wijst de steller van het middel terecht op. De vraag is of dit, ondanks hetgeen hiervoor is besproken, tot cassatie dient te leiden. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan immers niet volgen dat de daarin genoemde bedrijven zijn bewogen tot afgifte van meer dan één laptop en een monitor. Weliswaar komt ten aanzien van de laptops in bewijsmiddel 3 naar voren dat de manager van [D] heeft verklaard dat de verdachte heeft verteld vier of vijf laptops nodig te hebben voor zijn bedrijf, maar uit die verklaring volgt eveneens dat er maar één laptop aan de verdachte is meegegeven.6 Anders dan het middel betoogt, moet dan ook aangenomen worden dat de bedoelde goederen als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring door de politierechter zijn opgenomen. Het ligt op de weg van de appelrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis van de eerste rechter, waaronder schrijffouten in de bewezenverklaring, te verbeteren of verbeterd te lezen. Zo’n verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring en niet een (strafrechtelijk relevant)7 ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. Geen rechtsregel en in het bijzonder niet artikel 423 lid 1 Sv, verzet zich in zo’n geval tegen bevestiging van het vonnis.8

3.10.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 16/193722-13 bewezenverklaarde oplichting. In het bijzonder stelt het middel dat uit de bewijsmiddelen niet kan voortvloeien dat er sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte dan wel van een samenweefsel van verdichtsels zoals bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr.

4.2.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16/193722-13 onder feit 2 bewezenverklaard dat:

“In de periode van 10 augustus 2013 tot en met 18 september 2013 te Amersfoort met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [betrokkene 1] en [A] heeft bewogen tot afgifte van fietsen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk listiglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide klant en fietsen bij voornoemde [betrokkene 1] en [A] besteld en gezegd dat zijn bankpas beschadigd was, waardoor [betrokkene 1] en [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

4.3.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondeling vonnis van 5 augustus 2015:

“8. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0940 2013209103-1 d.d. 19 september 2013, opgemaakt door [verbalisant 1] , BOA van Politie Utrecht (blz. 3 t/m 5 van het procesverbaal nr. PL0940- 2013209103), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ben eigenaar van fietsenwinkel [A] te Amersfoort.
Op 10 augustus 2013 kwamen ene klant, genaamd [verdachte] , zijn twee bestelde fietsen afhalen. [verdachte] is woonachtig op de [a-straat 1] te Amersfoort.
[verdachte] wilde het bedrag pinnen, maar kwam met het verhaal dat zijn bankpas beschadigd was. Ik kwam met [verdachte] overeen dat hij het totaalbedrag van 2458,95 euro in datzelfde weekend zou overmaken op mijn bankrekening.
Op 21 augustus 2013 was het genoemde bedrag nog niet op mijn rekening bijgeschreven. Ik heb de klant een sms-bericht gezonden naar zijn telefoon met nummer 06- [0001] .
[verdachte] reageerde op bovengenoemde datum met de volgende tekst: “Zal me zoon langs sturen om het in orde te maken. Kan hiervandaan niet bellen, alleen smsen. Groet familie [verdachte] .”
Op 29 augustus 2013 heb ik wederom een sms-bericht gezonden naar [verdachte] met de volgende tekst: “beste klant, kunt u mij via een sms bericht bevestigen dat het geld binnen 24 uur door uw zoon wordt overgemaakt en dat binnen diezelfde termijn op onze rekening is bijgeschreven. Bij gebreke hiervan zullen wij genoodzaakt zijn de fietsen weer terug te halen en tot incasso overgaan. Met vriendelijke groeten, [A] .”
Op 31 augustus 2013 reageerde [verdachte] met en sms-bericht met de volgende tekst: “Sorry, dacht dat me zoon het geregeld had. SMS uw rekeningnummer dan maak ik het vanaf hier over. Sorry, v het zo lang duurt. Groet, [verdachte] .”
Tot op vandaag, 18 september 2013 is het bedrag niet op mijn rekening bijgeschreven.

Op 18 september 2013 heb ik contact gehad met ENRA Verzekering. Ik hoorde van een medewerker dat zij het bedrag niet hebben kunnen incasseren via een automatische incasso van de bankrekening van [verdachte] .

9. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0940 2013209103-4 d.d. 25 oktober 2013, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van Politie Utrecht (blz. 6 t/m 8 van het proces-verbaal nr. PL0940- 2013209103), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben in augustus 2013 voor het laatst bij rijwielhandel [A] geweest. Ik heb daar twee fietsen meegenomen. Ik heb die fietsen bewust niet betaald, doorverkocht en de schulden afgelost. Ik begrijp dat ik hiermee andere mensen benadeel.”

4.4.

Het middel klaagt dat (i) geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte, nu het enkele ‘zich voordoen als bonafide klant’, niet kan worden beschouwd als het aannemen van een valse hoedanigheid, en voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk verwachtingspatroon en (ii) er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu de enkele leugen, bestaande in de mededeling van verdachte dat zijn bankpas beschadigd was, terwijl niet is vastgesteld dat dat niet waar was, daarvoor niet voldoende is en de bewezenverklaring ook voorts ontoereikend is gemotiveerd.

4.5.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op artikel 326 Sr. Ten aanzien van de eerste deelklacht moet vooropgesteld worden dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid als bonafide (ver)koper voordoet nog niet het aannemen van een valse hoedanigheid en dus nog geen oplichting in de zin van artikel 326 Sr oplevert.9 Voor het aannemen van een valse hoedanigheid in het kader van een strafbare oplichting moet er in de optiek van de Hoge Raad méér zijn dan de enkele leugen. Pas als zich een bijkomende omstandigheid voordoet, komt de strafbare oplichting in beeld.10

4.6.

Ten aanzien van de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest inzake oplichting van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, in het bijzonder het volgende overwogen. Bij deze oplichtingsmiddelen gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.11 De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als ‘bonafide’ deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.12

4.7.

De Hoge Raad verwijst in voornoemd overzichtsarrest in een voetnoot naar een drietal uitspraken waarin het zich voordoen als ‘bonafide koper’ centraal staat.
In de zaken HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326, NJ 2015/487 en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1805 is geoordeeld dat in de specifieke omstandigheden van die gevallen het zich voordoen als ‘bonafide koper’ wel als het aannemen van een valse hoedanigheid kon worden aangemerkt. In die zaken speelde het volgende: de verdachte heeft zich in strijd met de waarheid voorgedaan als belangstellende die voornemens was de (motor)fiets waarop hij een proefrit mocht maken terug te brengen, waarbij de verdachte heeft gehandeld volgens een werkwijze die onder meer heeft bestaan uit het opgeven van een onjuiste naam en/of het achterlaten van een, zo bleek later, waardeloos onderpand. In het geval dat aan de orde was in HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1177, NJ 1999,182 ontbraken deze omstandigheden. In die zaak is bewezenverklaard dat de verdachte zich bij verschillende bedrijven valselijk heeft voorgedaan als koper, waardoor die bedrijven werden bewogen tot afgifte van verschillende goederen. De gedragingen van de verdachte leverden daar geen valse hoedanigheid op, nu de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper die in staat en voornemens is de gekochte goederen bij de aflevering daarvan te betalen, niet het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr oplevert.

4.8.

Terug naar de onderhavige zaak. Uit de bewijsmiddelen kan zonder meer volgen dat de verdachte zich in de fietsenwinkel heeft voorgedaan als bonafide klant, zoals is bewezenverklaard. Voor het zich (ten onrechte) voordoen als bonafide (ver)koper is maar weinig nodig.13 Het spreekt dan ook in zekere zin vanzelf dat de Hoge Raad in het zojuist genoemde overzichtsarrest de betekenis van die “hoedanigheid” sterk relativeert. Dat wordt zoals al bleek pas anders als “zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.”
In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte, toen hij in het weekend van 10 augustus 2013 de twee bestelde fietsen kwam afhalen, tegen de eigenaar heeft gezegd dat hij het bedrag wilde pinnen, maar dat zijn bankpas beschadigd was. De eigenaar is vervolgens met de verdachte overeengekomen dat hij het bedrag nog datzelfde weekend zou overmaken op de bankrekening van de fietsenwinkel. Van bijkomende specifieke gedragingen die in deze context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken, zoals in de hiervoor onder 4.8 aangehaalde zaken, blijkt niet. Uit voornoemde omstandigheden volgt immers niet meer dan dat de verdachte zich in strijd met de waarheid (de verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de fietsen bewust niet heeft betaald, zie bewijsmiddel 9) heeft voorgedaan als bonafide koper die in staat en voornemens is de gekochte goederen bij de aflevering daarvan te betalen, terwijl het nu juist een kenmerk van de bonafide koper is dat deze ervoor zorgdraagt dat de door hem ontvangen goederen worden betaald.14 Dat is onvoldoende voor het aannemen van een valse hoedanigheid. In zoverre slaagt het middel. De bespreking van de in de eerste deelklacht besloten liggende klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen voorts niet blijkt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk verwachtingspatroon kan dan ook buiten bespreking blijven.15

4.9.

De vraag die overblijft, is of uit de door de verdachte verrichte gedragingen kan worden afgeleid dat de aangever door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde fietsen. Bij het gebruik van het oplichtingsmiddel een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.16 Het middel klaagt dat er slechts sprake is van een enkele leugen, hetgeen onvoldoende is voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels.17 Nu de verdachte blijkens de bewijsmiddelen de eigenaar van de fietsenwinkel heeft verteld dat zijn bankpas beschadigd was waardoor hij het verschuldigde bedrag niet kon pinnen, en voorts met hem overeen is gekomen dat hij het bedrag in datzelfde weekend zou overmaken, terwijl hij de fietsen bewust niet heeft betaald, is er mijns inziens wel sprake van meer dan een enkele leugen.

4.10.

Het middel klaagt voorts dat, voor zover aangenomen moet worden dat er sprake is van meer dan een enkele leugen, de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd nu niets blijkt ten aanzien van de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de onwaarachtige mededelingen waren gericht aanleiding had behoren te geven die onwaarachtigheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

4.11.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenweefsel van verdichtsels komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.18 Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de zaak in HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:236. De verdachte had in deze zaak in de supermarkt gezegd dat zijn bankpas niet meer werkte en dat hij boodschappen moest doen. Van de eigenaar van de supermarkt kreeg hij 150 euro en liet zijn rijbewijs achter als onderpand. Voor het bewijs was de verklaring van de verdachte bij de politie gebruikt, dat hij maar een verhaaltje had opgehangen. Het geleende geld heeft hij nooit terugbetaald. Ten aanzien van de verdachte werd oplichting door een samenweefsel van verdichtsels bewezenverklaard. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand, en nam daarbij in aanmerking dat de mededelingen van de verdachte in meer dan één opzicht onjuist waren en dat hij door het tot zekerheid afgeven van zijn rijbewijs een vertrouwenwekkende handeling heeft verricht.19 Op dit punt wreekt zich ten aanzien van de voorliggende zaak het ontbreken van een nadere bewijsoverweging door het gerechtshof. Het gerechtshof heeft, buiten de gebruikte bewijsmiddelen, niets vastgesteld ten aanzien van de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Het hof heeft de bewezenverklaring van oplichting derhalve met onvoldoende redenen omkleed. Ook deze deelklacht slaagt.

4.12.

Het tweede middel slaagt.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 16/122268-15 bewezenverklaarde oplichting. In het bijzonder acht de steller van het middel dat uit de bewijsmiddelen niet kan voortvloeien dat er sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte dan wel van een samenweefsel van verdichtsels zoals bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr.

5.2.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16/122268-15 onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“Op 30 april 2015 te Amersfoort met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels een medewerker van Banketbakkerij [B] heeft bewogen tot afgifte van bonbons en gebak, hebben verdachte vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide klant en in die hoedanigheid bonbons en gebak heeft meegenomen met de mededeling dat hij deze de dag erna (als hij een andere bestelling op zou komen halen) zou afrekenen, waardoor die Banketbakkerij [B] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

5.3.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondeling vonnis van 5 augustus 2015:

“10. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900 2015136751-l d.d. 31 mei 2015, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van Politie Utrecht (blz. 5 en 6 van het proces-verbaal nr. PL0900- 2015136751), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

blz. 5
Ik ben werkzaam als teamleider winkelsurveillance bij Trigion Beveiliging. Ik ben werkzaam op winkelcentrum [...] . Gezien mijn functie ben ik aangesteld en bevoegd om namens de benadeelde, Banketbakkerij [B] , [b-straat 1] te Amersfoort, aangifte te doen.
blz. 6
Ik werd op vrijdagavond ( de politierechter begrijpt vrijdagavond 30 april 2015) gebeld door getuige, (mede)eigenaresse van Banketbakkerij [B] .
Ik hoorde haar zeggen dat zij vermoedelijk opgelicht was. Ter plaatse hoorde ik van haar dat een man op 30 april 2015 een bestelling had gedaan en 3 gebak en bonbons had meegenomen zonder nog af te rekenen. Verdachte had gezegd dat hij bij de aflevering van de bestelling op 1 mei alles ineens zou betalen.
Ik hoorde haar zeggen dat de man op 1 mei 2015 niet geweest is.
Ik hoorde haar zeggen dat de 45 bestelde gebakjes nu weggegooid kunnen worden.
Ik zag op video dat de mij ambtshalve zeer bekende [verdachte] de winkel in komt. Ik ken deze man ambtshalve van eerdere oplichtingszaken.

Ik zie dat de bestelling genoteerd wordt door getuige. Ik zie dat er gebakjes en bonbons ingepakt worden. Ik zie niet dat er wordt afgerekend en de [verdachte] de winkel verlaat met gebakjes en bonbons.

11. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900 2015136751-2 d.d. 31 mei 2015, met bijlage, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van Politie Utrecht (blz. 8 en 9 van het proces-verbaal nr. PL0900- 2015136751), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :
blz 8
Ik ben werkzaam in de winkel banketbakkerij [B] , [b-straat 1] te Amersfoort.
Ik ben door een mij onbekende man opgelicht. Door zijn verhaal werd ik er toe gebracht om een aantal gebakjes en een doos bonbons zonder af te rekenen mee te geven en om een bestelling van 45 gebakjes klaar te maken.
Op 30 april 2015 tegen sluitingstijd kwam een mij onbekende man de winkel in. Ik hoorde dat die man een bestelling opgaf voor 45 gebakjes voor 1 mei 2015. Hij gaf op te zijn genaamd [...] , [c-straat 1] , telefoonnummer 06- [0002] .
Ik noteerde de gegevens op een bestelbon. Ik hoorde hem zeggen dat 3 gebakjes en een doos bonbons meteen mee wou nemen.
Ik hoorde hem zeggen dat hij zou afrekenen als hij de bestelling zou komen afhalen.
blz. 9

Toen hij vandaag (de politierechter begrijpt dat bedoeld is 1 mei 2015) nog niet geweest was, heb ik het opgegeven telefoonnummer gebeld. Ik hoorde toen een computerstem zeggen dat dat telefoonnummer niet in gebruik was.”

5.4.

Het hof heeft in zijn arrest onder de kop “Overweging met betrekking tot het bewijs” (pagina 2) nog het volgende overwogen:

“Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 16-122268-15 onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof, in aanvulling op het vonnis van de politierechter, het volgende.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij een reële bestelling van 45 gebakjes voor de verjaardag van zijn tante heeft gedaan ongeloofwaardig. Deze bestelling was naar het oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvorm slechts bedoeld om - zonder hiervoor meteen te hoeven betalen - de afgifte van bonbons en gebak te bewerkstelligen. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte zich ten onrechte heeft voorgedaan als bonafide klant en aldus zonder betaling bonbons en gebak heeft meegekregen.”

5.5.

Het middel klaagt, gelijk aan het tweede middel, dat er ook ten aanzien van dit feit (i) geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte, nu het enkele ‘zich voordoen als bonafide klant’, niet kan worden beschouwd als het aannemen van een valse hoedanigheid, en voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk verwachtingspatroon en (ii) er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu de enkele leugen, bestaande in de mededeling van verdachte dat hij het gebak en de bonbons zou betalen als hij de dag erna een andere bestelling op zou komen ophalen, daarvoor niet voldoende is en de bewezenverklaring ook voorts ontoereikend is gemotiveerd.

5.6.

De verdachte heeft in deze zaak op 30 april 2015 bij een banketbakkerij een bestelling gedaan van 45 gebakjes, terwijl hij drie gebakjes en de bonbons alvast heeft meegenomen. De verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij bij het ophalen van de 45 gebakjes op 1 mei 2015 het verschuldigde bedrag in één keer zou voldoen. De verdachte heeft de bestelling gedaan als zijnde [...] , [c-straat 1] en telefoonnummer 06- [0002] . Toen de verdachte de volgende dag zijn bestelling niet kwam afhalen, heeft een medewerker van de banketbakkerij het opgegeven telefoonnummer gebeld. De medewerker hoorde toen een computerstem zeggen dat het telefoonnummer niet in gebruik was.

5.7.

De steller van het middel stelt zich ook ten aanzien van deze zaak op het standpunt dat het enkele zich voordoen als bonafide klant, geen valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 lid 1 Sr oplevert. Zoals hiervoor reeds bleek onder 4.6, wijst de steller van het middel daar terecht op. Ook ten aanzien van het feit in deze zaak kan uit de bewijsmiddelen zonder meer volgen dat de verdachte zich bij de banketbakkerij – naar bleek valselijk - heeft voorgedaan als bonafide klant, zoals is bewezenverklaard. De uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheid dat de verdachte op 30 april 2015 heeft aangegeven dat hij bij het ophalen van de bestelde 45 gebakjes op 1 mei 2015 ook de drie gebakjes en de doos bonbons die hij meteen wilde meenemen zou afrekenen, is daarvoor voldoende. Daar moet echter, zo zagen wij al bij het vorige middel, nog iets bij komen, wil sprake zijn van het aannemen van een valse hoedanigheid. De nadere bewijsoverweging van het hof zoals weergegeven onder 5.4, waarin de ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte afgelegde verklaring20 dat hij de gebakjes voor de verjaardag van zijn tante heeft besteld als onaannemelijk terzijde wordt gesteld, zegt daarover in ieder geval dat de verdachte kennelijk ook niet de waarheid sprak bij zijn bestelling. Uit de verklaring van de medewerker van de banketbakkerij (bewijsmiddel 11) blijkt voorts dat de verdachte bij de bestelling een foutieve naam heeft gebruikt en een telefoonnummer heeft opgegeven dat niet in gebruik was. Daarmee heeft de door verdachte aangenomen valse hoedanigheid niet louter bestaan uit het zich in strijd met de waarheid voordoen als bonafide koper, maar tevens uit het als koper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan zijn wederpartij en het ‘ophangen’ van een vertrouwenwekkend maar vals verhaal over een grotere bestelling van gebak. Daarmee heeft het hof het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte kunnen bewezenverklaren.21 Daaraan doet mijns inziens niet af dat het in het maatschappelijk verkeer wellicht niet gebruikelijk is dat een klant na een bestelling in een banketbakkerij, zonder de betaling van die bestelling reeds te hebben voldaan, al goederen meekrijgt. In zoverre faalt het middel.

5.8.

Ook hier is het vervolgens nog de vraag of uit de door de verdachte verrichte gedragingen kan worden afgeleid dat de aangever door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde bonbons en het gebak. De steller van het middel noemt dat ‘enkele leugen’, zodat, daarop doorredenerend , dit geen samenweefstel van verdichtsels zou kunnen opleveren. Ik vind dat men dat geredelijk anders zou kunnen zien. Voor een deel is de vraag naar het aantal leugens namelijk een semantische discussie. In het onderhavige geval zou men bijvoorbeeld tegenover de stelling in het middel kunnen beweren dat als de onware mededeling één taartje te bestellen (slechts) één leugen is, de onware mededeling 45 taartjes te bestellen 45 leugens bevat. Voorts is de mededeling die gedaan is over de betaling van al dat gebak ook een af te splitsen leugen; geldt die dus als cumulatief en dan is er een samenweefsel van verdichtsels in plurale zin aanwezig. Zo kan men boekdelen vullen. Gelukkig behoeft – alhoewel vermakelijk - de discussie in de rechtszaal niet louter uit zulke, quasi aan de logica ontleende exercities te bestaan. Want, volgens de Hoge Raad22, van een samenweefsel van verdichtsels kan niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Hier speelt daarnaast een punt waarop de Hoge Raad in het overzichtsarrest over oplichting ook de aandacht vestigt: de oplichtingsmiddelen in art. 326 Sr kunnen in de concrete uitwerking een zekere mate van overlap vertonen. Dat is ook hier het geval: de bij de (kort gezegd) ‘valse hoedanigheid’ meegespeeld hebbende factoren als het opgeven van een valse naam (ook weer een in art. 326 Sr ‘apart’ genoemd oplichtingsmiddel) en een onbruikbaar telefoonnummer versterken mede de – onware – mededeling van de verdachte dat hij 45 gebakjes wilde bestellen en die een dag later zou komen afrekenen. Bij elkaar levert dat een ‘samenweefstel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr op.

5.9.

De bewezenverklaring van parketnummer 16/122268-15 feit 1, voor zover inhoudende dat de verdachte een medewerker van de banketbakkerij door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot afgifte van bonbons en gebak, kan, gelet op hetgeen hiervoor uiteen is gezet, naar mijn oordeel uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. In zoverre is de bestreden uitspraak naar de eis der wet met redenen omkleed.

5.10.

Het middel faalt.

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt, terwijl het derde middel faalt.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van de zaak met parketnummer 16/193722-13 onder feit 2 en de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 423 Sv, aant. 4. Zie ook A.E. Harteveld, Bevestigen of vernietigen. In B. F. Keulen, G. Knigge, & H. D. Wolswijk (red.), Pet af : liber amicorum D.H. de Jong p. 100-101 en voor een compleet overzicht H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen a/d Rijn: Tjeenk Willink 1983, p. 162-178.

2 Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6512 en HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191.

3 Voorts heeft het hof in de feitelijke uitwerking toegevoegd dat de verdachte zich heeft voorgedaan als ene [...] “of [...] ”, waar de politierechter in die uitwerking alleen de naam [verdachte] had opgenomen, maar daarover wordt door het middel niet geklaagd.

4 Zie voorts onder meer G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 910, H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn 1983, p. 171, en WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 423 Sv, aant. 13.

5 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6512, onder punt 4.8.

6 Die verklaring sluit niet uit, hetgeen in de bewezenverklaring van het gerechtshof is opgenomen, dat de verdachte meerdere laptops op naam van [F] heeft besteld.

7 Ik heb wel betoogd dat dit – de strafrechtelijke relevantie - het criterium is dat gehanteerd zou moeten worden bij wijzigingen in de bewezenverklaring uit het vonnis in eerste aanleg, zie Bevestigen of vernietigen, (a.w., voetnoot 1), p. 113.

8 Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6512, rov. 2.4 en HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, rov. 2.3.

9 Vgl. HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1177, NJ 1999, 182.

10 Vgl. HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144, NJ 2014, 518.

11 Zie HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, rov. 2.3.4.

12 Zie HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, rov. 2.3.4.

13 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en de daaraan voorafgaand door mij genomen conclusie van 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1092, onder punt 3.7.

14 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken vóór HR 3 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:787, waar het in het kader van een bewezenverklaarde Marktplaats-oplichting ging om de vraag of de gedragingen van de verdachte, die in e-mailwisselingen met de slachtoffers onder meer heeft gesteld dat hij de goederen na betaling de volgende dag op zou sturen en/of deze met zorg en bescherming zou verpakken, en/of heeft aangegeven dat hij alsnog achter de track en trace code zou aangaan, onderdeel zijn van het zich als bonafide verkoper voordoen of als een samenweefsel van verdichtsels moesten worden gekwalificeerd, zie onder punt 12. Spronken overweegt dat de gedragingen deel uitmaken van het zich presenteren als bonafide verkoper, zie onder punt 16.

15 Zie over de verruiming van het begrip ‘valse hoedanigheid’ en de gevallen waarin het misbruik maken van een in het maatschappelijk (handels-)verkeer gebruikelijk en onontbeerlijk verwachtingspatroon het aannemen van een valse hoedanigheid oplevert mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:1879 (niet gepubl.), onder punt 3.5.1. en 3.5.2.

16 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 rov. 2.3.2.

17 HR 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1846, NJ 1993, 718.

18 Zie onder meer HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200, NJ 2015, 147, m.nt. Keijzer, en HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012, 279.

19 HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:236, rov. 3.5.

20 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2016, p. 2.

21 Zie HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144, rov. 3.3.

22 Overzichtsarrest oplichting 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, onder 3.2.2.