Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1261

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/00208
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3020, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen gekwalificeerde diefstal van geldbedrag van € 2.100,- uit woning (b.p. A), witwassen door uit misdrijf afkomstig geldbedrag van € 2.350,- voorhanden te hebben in slaapkamer van woning en medeplegen poging tot gekwalificeerde diefstal uit woningen (b.p. B). 1. Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Afkomstig uit eigen misdrijf? 2. Wettelijke rente bij vorderingen b.p. A en b.p. B. 3. Voldoende verband a.b.i. art. 51f en 361.2 Sv t.a.v. vordering b.p. B.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen en ECLI:NL:HR:2015:1655 m.b.t. de factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp indien de feitenrechter die kwalificatiebeslissing niet heeft gemotiveerd. Hof heeft o.m. vastgesteld dat in de slaapkamer van verdachte een bedrag van € 2.350,– is aangetroffen, dat verdachte vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft gehad, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de onder hem aangetroffen bankbiljetten van € 500,– bij de bank heeft besteld, en dat de verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van het geld niet aannemelijk is. Mede gelet op de korte tijdspanne tussen de bewezenverklaarde diefstal uit een woning en het voorhanden hebben van het geldbedrag en in aanmerking genomen dat namens verdachte o.m. is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit de bewezenverklaarde inbraak afkomstig was, is oordeel Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is niet z.m. begrijpelijk.

Ad. 2. In cassatie moet het ervoor worden gehouden dat door b.p. A in e.a. niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een b.p. haar vordering in h.b. niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden. Ook t.a.v. vordering b.p. B heeft Hof ten onrechte beslist dat vordering vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente, nu de stukken van het geding niet inhouden dat b.p. B vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd.

Ad. 3. Een b.p. kan in het strafproces vergoeding van schade vorderen van schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde poging tot diefstal met braak en de door b.p. B geleden schade. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu de gevorderde schade o.m. betrekking heeft op herstelwerkzaamheden aan de desbetreffende woning en Hof verdachte heeft vrijgesproken van de tlgd. poging tot diefstal met braak in/uit die woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00208

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 september 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens – kort gezegd – 1. diefstal, 2. witwassen en 3. poging tot diefstal, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [A] B.V. toegewezen en aan de verdachte ten behoeve van deze slachtoffers telkens de maatregel ex art. 36f Sr opgelegd, te vervangen door hechtenis; een en ander zoals in het arrest bepaald.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder en mr. N. Gonzalez Bos, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. J.H. Pelle, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1:

hij op 31 januari 2013 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ( [a-straat 1] ) heeft weggenomen een kluis, een grote hoeveelheid sieraden, een MP3-speler, merk: Ipod, een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren, een portemonnee, 2100 euro, passen en autosleutels en fietssleutels, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een slot en een deur van voornoemde woning;

2:

hij op 7 februari 2013 te Amsterdam een geldbedrag van 2350 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3:

hij op 4 februari 2013 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen, gelegen aan [b-straat] 160 en 162, goederen en/of geld van hun gading weg te nemen, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woningen te verschaffen door middel van braak en/of verbreking, naar voornoemde woningen is gegaan, waarna hij en zijn mededaders hebben aangebeld bij perceel 162, de cilinder van het voordeurslot van perceel 162 hebben verwijderd, met een puntig voorwerp in het voordeurslot van perceel 162 hebben gestoken en met dat puntige voorwerp het voordeurslot van perceel 162 hebben getracht open te draaien en vervolgens naar de voordeur van perceel 160 zijn gegaan, een schroef in het voordeurslot van perceel 160 hebben gedraaid en tegen die voordeur hebben geduwd en getrapt de cilinder van het slot van die deur hebben verbroken.”

3.2.

Het arrest bevat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde de volgende overwegingen:

“Gevoerde verweren en bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat

a) de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd in eerste aanleg, voldoende verifieerbaar en aannemelijk is. Derhalve dient vrijspraak te volgen nu niet vaststaat dat het geld van misdrijf afkomstig is.

b) feit 2 in samenhang moet worden bezien met de feiten 1 en 3 en dat er derhalve sprake is van witwassen van geld uit eigen misdrijf, maar dat de verdachte geen verhullende of verbergende handelingen heeft verricht, zodat het feit niet als zodanig kan worden gekwalificeerd;

(…)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad a) Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Naar bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd - de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte is in zijn slaapkamer een bedrag van € 2.350,00 aangetroffen, bestaande uit drie biljetten van € 500,00, vier biljetten van € 100,00 en negen biljetten van € 50,00. De verdachte heeft blijkens informatie van het UWV, DWI en de Belastingdienst vanaf 2012 geen inkomsten uit arbeid of uitkering gehad. Op basis van deze feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande het bij hem aangetroffen geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als verklaring voor de herkomst van voornoemd geldbedrag gegeven dat hij het geld als medepartner/vennoot van het bedrijf van zijn broer heeft verdiend. Het bedrijf van zijn broer is een vennootschap onder firma en de verdachte stond als medevennoot bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. De broer van de verdachte deed de investeringen en dergelijke en de verdachte verrichtte de daadwerkelijke werkzaamheden waarvoor hij wit werd uitbetaald. Door de verdediging is deze verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk, dit op grond van de omstandigheden dat de verdachte tijdens het vooronderzoek heeft geweigerd aan de reclassering het telefoonnummer van zijn broer te geven, waardoor zijn verklaring niet geverifieerd kon worden, hij geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de onderneming waarvoor hij zou hebben gewerkt, heeft overgelegd, hij blijkens de stukken van de Belastingdienst daar niet bekend is als vennoot in een bedrijf, en hij evenmin als werknemer bekend is bij de betreffende instanties. Het hof constateert dat de door de verdachte gegeven verklaringen omtrent de herkomst van het geld, niet voldoen aan de eerdergenoemde vereisten. Daarbij overweegt het hof nog dat een deel van het geldbedrag bestond uit coupures van € 500,00, welke coupures speciaal bij de bank besteld dienen te worden, waarna de bank daarvan een aantekening maakt. Dat de verdachte deze coupures bij de bank heeft besteld en derhalve op die wijze de beschikking over die coupures heeft gekregen, is gesteld noch aannemelijk geworden, nog los van het feit dat deze biljetten nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat - gelet op het voorgaande - het niet anders kan zijn dan dat de goederen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Ad b) De stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden, temeer nu de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard.

(…)”.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

4.2.

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.1

4.3.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.2

4.4.

Het namens de verdachte in subsidiaire zin gevoerde verweer komt er in de kern genomen op neer dat het op 7 februari 2013 in verdachtes woning, onder zijn matras aangetroffen geldbedrag van €2.350,- waarvan onder 2 bewezen is verklaard dat hij dit voorhanden had, afkomstig (ik, AEH, begrijp grotendeels afkomstig) is van het te zijnen laste onder 1 bewezenverklaarde woninginbraak.

4.5.

Het onder 1 bewezenverklaarde houdt in dat de verdachte en zijn mededaders op 31 januari 2013 – zeven dus dagen voordat het gelbedrag van € 2.350,- bij de verdachte is aangetroffen – uit de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onder meer hebben weggenomen het geldbedrag van € 2100,-. Deze diefstal heeft de verdachte – zo blijkt uit de door het hof als bewijsmiddel 1 gebruikte verklaring van de verdachte – ook bekend. Uit het bestreden arrest blijkt verder ook dat van de onder 1 bewezenverklaarde sieraden die uit de woning zijn ontvreemd, een ring (die inmiddels weer in het bezit is van [betrokkene 1] ) bij de verdachte tijdens zijn aanhouding is aangetroffen en in beslag genomen.3

Niet onaannemelijk is, gelet op het vorenstaande, dat de verdachte (een deel van) de buit van de door hem medegepleegde woninginbraak onder zich had. Nadere motivering behoeft mijns inziens, in het licht van deze feiten en omstandigheden, waarom het hof van oordeel is dat “de stelling van de raadsvrouw dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, onvoldoende aannemelijk [is] geworden”, enkel omdat – zoals het hof overweegt – “de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard”.

4.6.

Het middel slaagt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] tot een bedrag van € 66.682,05 en de vermeerdering daarvan met wettelijke rente.

5.2.

Het bestreden arrest houdt daaromtrent het volgende in:

““Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot 1 schadevergoeding. Deze bedraagt € 71.882,05, bestaande uit ‘inboedel algemeen’ (€ 3.442,55), ‘sieraden’ (€ 70.910,00), ‘audiovisuele- en computerapparatuur’ (€ 3.350,93), ‘contanten’ (€ 2.100,00) en ‘smartengeld’ (€ 1.000,00), minus de schade die reeds is vergoed (€ 8.921,43).

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50.472,05. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de advocaat van de benadeelde partij in haar brief van 6 februari 2014 de vordering heeft verlaagd tot een bedrag van € 67.682,05, in verband met een ring met een waarde van € 4.200,00 die is inbeslaggenomen bij de verdachte tijdens zijn aanhouding en die inmiddels weer in bezit is van [betrokkene 1] .

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat alle sieraden aan [betrokkene 1] toebehoorden, nu een aantal sieraden mogelijk toebehoorde aan zijn echtgenote [betrokkene 2] , de echtelieden niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, en [betrokkene 2] zich in dit strafproces niet heeft gesteld als benadeelde partij. Derhalve wordt [betrokkene 1] niet rechtstreeks geraakt ten aanzien van die sieraden, zodat onvoldoende is komen vast te staan op welke sieraden de vordering ziet, en de vordering op die grond dient te worden afgewezen. Bovendien staat niet voldoende vast welke sieraden zijn weggenomen en wat de waarde is van de weggenomen sieraden. De verdediging betwist aldus de opgave van (de waarde) van de ontvreemde sieraden.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt dienaangaande als volgt. Weliswaar is het schadeformulier niet mede door [betrokkene 2] ondertekend, maar gelet op de omstandigheden dat een zich in het dossier bevindende ‘voorlopige lijst van vermiste goederen en van schade als gevolg van inbraak’ zowel de naam [betrokkene 1] als de naam [betrokkene 2] vermeldt alsmede dat uit de toelichting door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij mede namens zijn echtgenote en met haar instemming de voeging heeft willen indienen, is het hof van oordeel dat de vordering benadeelde partij geacht moet worden mede te zijn ingediend namens [betrokkene 2] .

Voorts heeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de opgave door de benadeelde partij van de ontvreemde goederen. De sieraden zijn duidelijk gespecificeerd en de opgave ervan wordt voor een belangrijk onderbouwd door foto’s van de sieraden. Daar komt bij dat een van de sieraden ook daadwerkelijk bij de mededader is aangetroffen. Dat door de aangever meer sieraden zijn opgegeven dan gestolen, is niet aannemelijk geworden, temeer daar de verdachte (en zijn mededader) geen verklaring hebben afgelegd over de door hen gestolen voorwerpen. Ten aanzien van de waarde van de ontvreemde sieraden overweegt het hof dat deze is gebaseerd op het rapport van expertise van CED BrandVaria. De waarde van de sieraden is weliswaar door de verdediging betwist, maar deze betwisting ontbeert een nadere onderbouwing en is mitsdien ontoereikend om de waarde van de sieraden zoals deze in het rapport zijn opgenomen te weerleggen.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat alle in de opgave genoemde goederen aan [betrokkene 1] toebehoren en dat het zeer wel mogelijk is dat een deel ervan aan de echtgenote van de heer [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , toebehoort. Dit staat naar heit oordeel van het hof niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Zoals overwogen moet de vordering benadeelde partij worden geacht mede te zijn gedaan door [betrokkene 2] . Beiden hebben in zoverre een rechtstreeks belang; een eventuele onderlinge verdeling van dit deel van de boedel, en daarmee van de schadevergoeding, is een kwestie tussen de echtelieden onderling.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 66.682,05, bestaande uit:

• inboedel algemeen € 3.442,55;

• sieraden (€ 70.910,00 - € 4.200,00 (teruggegeven ring) = ] € 66.710,00);

• audiovisuele- en computerapparatuur € 3.350,93;

• contanten € 2.100,00,

verminderd met de schade die reeds is vergoed (€ 8.921,43).

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 2013.

(…)

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

5.3.

Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof de toegewezen schadeposten ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, faalt het.

5.4.

Het hof heeft geoordeeld dat voor de waarde van de ontvreemde sieraden moet worden uitgegaan van de in het rapport van expertise van CED BrandVaria opgegeven waarde van € 70.910,00 (de in het middel bedoelde bijlage 2 bij het voegingsformulier van de benadeelde partij). Dit oordeel, dat stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken4, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat

- de benadeelde partij, blijkens haar voegingsformulier dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, de vergoeding van dit bedrag heeft gevorderd;

- de in het middel bedoelde bijlage 1, zijnde een namens de verzekering van de benadeelde partij op 2 april 2013 opgestelde (eind)schaderapport, inhoudt dat “globaal kan worden gesteld dat de totale waarde van de ontvreemde sieraden tenminste € 32.000,00 bedraagt en zeer waarschijnlijk meer, onder meer gelet op de hoge goudkoers waar momenteel sprake van is”; en

- het nadien op 11 april 2013 in opdracht van de raadsman van de benadeelde partij door CED BrandVaria opgemaakte expertiserapport de hogere schatting van de waarden van de ontvreemde sieraden onder meer aan de hand van de hoge goudkoers nader onderbouwt.

5.5.

Wat betreft de ontvreemde contanten, lijkt het mij dat de steller van het middel over het hoofd ziet dat onder 1 is bewezen verklaard dat “2100 euro” is weggenomen en daarmee dus is komen vast te staan dat deze schade, waarvan de benadeelde partij vergoeding vordert, is geleden.

5.6.

Wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van de schade geleden door de ontvreemde audiovisuele- en computerapparatuur merk ik op dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat voor de waarde van deze voorwerpen moet worden uitgegaan van de “bruto schadebedragen” vermeld in het namens de verzekering van de benadeelde partij op 2 april 2013 opgestelde (eind)schaderapport, welk rapport met betrekking tot de ontvreemde audiovisuele- en computerapparatuur het bedrag van “EUR 3.350,93, inclusief btw” vermeldt. Mede in aanmerking genomen dat de audiovisuele- en computerapparatuur gespecificeerd in dit rapport klaarblijkelijk de door het hof onder 1 bewezenverklaarde “een MP3-speler, merk: Ipod, een laptop, een computer, een fototoestel inclusief toebehoren” betreffen, zie ik niet in waarom onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de benadeelde partij het voornoemde bedrag aan schade heeft geleden als gevolg van de ontvreemding van die apparaten.5 Echter, met uitzondering van de in het voornoemde rapport vermelde, doch niet bewezenverklaarde maar wel tenlastegelegde harde schijf die ook onderdeel uitmaakt van het door het hof vastgestelde schadebedrag. Enig belang bij vernietiging en terugwijzing op dit punt heeft de verdachte mijns inziens niet, aangezien het hof het vastgestelde schadebedrag – waarop de toelichting op het middel ook wijst – als onderdeel van de schade die al aan de benadeelde partij (kennelijk door verzekeraar) is vergoed, reeds in mindering heeft gebracht op de toe te wijzen vorderding van de benadeelde partij.

5.7.

Ook wat betreft de schadepost “inboedel algemeen” treft de klacht geen doel. De steller van het middel ziet er aan voorbij dat dit, door de benadeelde partij gevorderde bedrag, voldoende nader is onderbouwd in het bovengenoemde eindschaderapport dat als bijlage 1 aan het voegingsformulier is gehecht. Ik volsta met een verwijzing naar de omschrijving van de omvang van de schade en de nadere specificering ervan in dit rapport.

5.8.

Het middel bevat voorts de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij geacht moet worden mede namens [betrokkene 2] te zijn ingediend.

5.9.

Naast de reeds genoemde rapporten is aan het voegingsformulier van de benadeelde partij als bijlage 4 gehecht een toelichtingsbrief van 21 april 2013, ondertekend door de benadeelde partij en inhoudende – voor zover van belang – als volgt:

“DAS Rechtsbijstand

t.a.v. Mw. Mr. E.M. Mulder

(…)

Geachte Mevrouw Mulder,

(…)

In antwoord op uw verzoek een beschrijving te maken van de gevolgen van de inbraak in onze woning op 31 januari 2013 voor ons gezin heb ik enige tijd moeten nemen om die onder woorden te brengen en dat is met onderstaande maar zeer ten dele gelukt. (…)

Welnu, sinds de dag van de inbraak heeft mijn echtgenote vrijwel permanent last van letterlijk slapeloze nachten, zelfs indien zij daartegen een medicijn gebruikt. Zij heeft daarnaast last van geheugenverlies, een ergerlijke gewaarwording voor iemand die bekend staat om een geheugen dat zo scherp was als een scheermes en dat voor haar van belang is in de uitoefening van haar beroep. Deze kenmerken duiden op een posttraumatisch stress syndroom.

(…) De aangeboden hulp door de Stichting Slachtofferhulp Nederland beperkte zich tot het advies “om er eens met zijn tweeën tussenuit te gaan” en een vraag om participatie in een wetenschappelijk onderzoek van de Vrije Universiteit. Dat laatste is door mijn echtgenote overigens positief beantwoord in de hoop via dat kanaal wel betere suggesties te verkrijgen. Dat is helaas niet gebeurd.

Er is door de daders bij ons materieel veel schade berokkend. Het met veel geweld verwijderen van een in een betonnen muur verankerde kluis, heeft natuurlijk materiële schade opgeleverd. Zowel qua gestolen goederen als schade aan interieur in de woning. Het kost ons moeite en veel tijd om schade te verhalen en gerepareerd te krijgen. Vervanging is maar zeer ten dele mogelijk. Deze tijd en moeite hadden wij graag in andere dingen willen steken.

(…)

Per gestolen item is er een verhaal. Een kluis vol verhalen, een reflectie van ons leven, dat in decennia door ons liefdevol is opgebouwd, met hard werken op verschillende plekken in de wereld. Zonder hier uitputtend te kunnen en zelfs te willen zijn - (…) - geef ik hierbij een klein en verre van compleet aantal voorbeelden. Voor onze beide kinderen bewaarden wij in de kluis hun beider bachelors en masters diploma’s van respectievelijk de Vrije Universiteit Amsterdam (Bsc en MSc Econometrie) en Universiteit Maastricht (GA European Studies, MSc Public Policy & Human Science). Deze diploma’s zijn behaald na jaren studie, worden eenmalig uitgegeven door de universiteiten zonder vervangingsmogelijkheid maar zijn in een kwestie van minuten ontvreemd. Wij zouden ze graag terug bezorgd hebben. Mijn overgrootvader heeft een peervormige hanger gekocht bezet met diamanten (item # 10 in de aanvullende aangifte). Dit juweel heeft hij bestemd om gedragen te worden “in bruikleen” door de echtgenote van de oudste zoon in de volgende generatie in mijn familie. Mijn oma, mijn moeder en nu mijn echtgenote hebben dit prachtige sieraad, juist gelet op de achterliggende gedachte met veel plezier gedragen en wij zagen er naar uit om de traditie voort te kunnen zetten.

Een eind 19e eeuws zakhorloge (item 13 uit de aanvullende aangifte) was soortgelijk een erfstuk in de familie, ter nagedachtenis aan een toen op jonge leeftijd overleden familielid. Het horloge was aan onze zoon gegeven bij het behalen van zijn masters bul en hij had het ons nog even in bewaring gegeven.

Evenzo is een voor ons onvervangbaar sieraad ons door de inbrekers ontnomen dat afkomstig was uit de West-Friese klederdracht (item 9 uit de aanvullende aangifte). Het is een origineel dat onderdeel was van het zgn. kappenwerk en was een erfstuk in de familie van mijn echtgenote. Zij droeg dit sieraad met grote regelmaat als broche en was er zeer aan gehecht. Herinneringen aan onze ouders kunnen ons niet ontstolen worden. Maar tastbare herinneringen die genegenheidgevoelens aan hen oproepen wel. Onder de ontvreemde sierraden bevinden zich erfstukken van onze ouders, bijvoorbeeld een polshorloge, manchetknopen, gouden hangers, parelketting. Tastbare herinneringen die wij zorgvuldig opborgen in de kluis zodat ze later ook beschikbaar zouden zijn voor onze kinderen en weer later die van hen.

Een aantal 18 karaats gouden sieraden zijn door ons zelf aangeschaft ca 30 jaar geleden, toen wij enkele jaren in het toen nog kleine, bijna dorpsachtige Dubai mochten wonen. Niet alleen waren het door ons zorgvuldig in de souq van Deira uitgekozen sieraden, maar zij vertegenwoordigen ook een belangrijke periode waarin ons gezamenlijk leven vorm is geven. Het zijn niet alleen materieel kostbare sierraden, de herinneringen zijn onvervangbaar. Emotioneel zijn wij geraakt omdat wij nu sierraden missen die verbonden zijn aan de belangrijkste gebeurtenissen uit ons leven: ons huwelijk en de geboorte van onze

kinderen. Deze gebeurtenissen zijn elk gemarkeerd uit dankbaarheid door kostbare ringen voorzien van edelstenen. Als laatste noem ik de enveloppen met spaargeld. Zij hadden uiteraard een spaardoel. Het betrof geld dat apart werd gehouden om de bruidsjurk voor onze dochter die dit jaar in het huwelijk zal treden te betalen en in andere enveloppen andere aan dat huwelijk verbonden uitgaven. Natuurlijk, de verzekering betaalt wat per polis gemaximeerd is vastgesteld. Daarmee voelt het nog helemaal niet goed.

Kortom: een levenslang investeren weggenomen door individuen die kennelijk de tijd hebben om op klaarlichte dag, als wij aan het werk zijn, in luttele minuten ons zo te raken. (…)”

5.10.

Ook hier geldt dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] geacht moet worden mede namens zijn vrouw [betrokkene 2] te zijn ingediend, welk oordeel stoelt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de desbetreffende stukken, niet onbegrijpelijk is. Het middel klaagt in zoverre tevergeefs. Het vorenstaande betekent dat evenmin doel treft de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een deel van de goederen waarop de vordering ziet (mogelijk) toebehoort aan [betrokkene 2] , niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.

5.11.

Tot slot klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de vordering van deze benadeelde partij vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu de benadeelde partij geen vergoeding van de wettelijke rente heeft gevorderd. Deze klacht slaagt, aangezien inderdaad uit de stukken van het geding niet blijkt dat de wettelijke rente (expliciet) is gevorderd. 6 Daarbij merk ik op dat, nu ik tot vernietiging - ook - ten aanzien van de strafoplegging – waaronder de beslissing(en) tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zijn begrepen7 - zal concluderen, zij (d.i. de klacht) nog steeds voldoende belang in cassatie heeft. Bij verwerping van het beroep zou dat anders liggen – dan geldt dat gelet op HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR: 2015:3362, de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij de klacht heeft. In dat geval zou immers de ter zake van deze vordering opgelegde schadevergoedingsmaatregel onherroepelijk zijn geworden, met als effect dat de verdachte langs die weg het bedrag dat gelijk staat aan de wettelijke rente tóch moet vergoeden. Met vernietiging van de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij schiet de verdachte - in financieel opzicht moeten we er dan wel bij denken – niets op. In zo’n geval blijft vernietiging dus achterwege en is er daarentegen juist grond voor toepassing van art. 80a RO.

5.12.

Het middel slaagt.

6 Het derdemiddel

6.1.

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] BV tot een bedrag van € 3.111,48 en de vermeerdering daarvan met wettelijke rente.

6.2.

Het bestreden arrest houdt daaromtrent het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij [A] BV

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.764,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof overweegt daarbij dat, aangezien de door de benadeelde partij verschuldigde BTW voor aftrek bij de fiscus in aanmerking komt en derhalve geen schadepost vormt, het gevorderde bedrag (€ 3.764,89) exclusief het in rekening gebrachte bedrag aan BTW (€ 653,41) dient te worden toegewezen, zijnde een bedrag van € 3.111,48. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot het gevorderde bedrag aan BTW is, zoals zojuist is overwogen, onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, zodat de verdachte in zoverre niet tot vergoeding van die schade is gehouden en de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

6.3.

Het middel is terecht voorgesteld, voor zover het klaagt dat het door het hof toegewezen onderdeel van de vordering van de benadeelde partij zonder een nadere motivering, onbegrijpelijk is. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard een – kort gezegd – poging tot diefstal uit de woningen gelegen aan [b-straat] 160 en 162. Uit de door het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gebezigde bewijsmiddelen8 volgt niet dat daarbij eveneens de schade is toegebracht aan de woning aan gelegen aan [b-straat] 158 waarvan de benadeelde partij blijkens haar voegingsformulier en bijbehorende bijlage9 vergoeding heeft gevorderd, terwijl de desbetreffende stukken ook niet een nadere toelichting bevatten op de gevorderde vergoeding van deze schade.

6.4.

Het vorenstaande brengt mijns inziens mee dat ik kort kan zijn over de klacht over de vermeerderding van de toegewezen vordering met de wettelijke rente. Die is evenzeer terecht voorgesteld.

6.5.

Het middel slaagt dus.

7 Het vierdemiddel

7.1.

Het middel klaagt dat het hof het in art. 60a in verbinding met art. 24 c lid 3 Sr bepaalde heeft miskend.

7.2.

Het bestreden arrest houdt in dat het hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van geldbedragen ten behoeve van de slachtoffers [betrokkene 1] en [A] BV. Het totaal van de door het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen opgelegde dagen vervangende hechtenis is 381.

7.3.

Op grond van art. 36f lid 8 in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, ingevolge art. 60a in verbinding met art. 24c, lid 3, Sr ten hoogste één jaar bedragen.10 Het Hof heeft dit miskend. Na vernietiging ten aanzien van de strafoplegging en terugwijzing, waartoe ik zal concluderen, komt dit defect ook voor reparatie in aanmerking.

7.4.

Het middel slaagt.

8. Enkel het tweede middel is gedeeltelijk tevergeefs voorgesteld en kan in zoverre met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO worden afgedaan.

9. Ambtshalve merk ik op dat ook de redelijke termijn in cassatie is overschreden, nu de in de onderhavige zaak geldende uitspraaktermijn van twee jaren is verstreken op 22 september 2017. De termijnoverschrijding dient te leiden tot verlaging van de opgelegde straf.

10. Andere gronden heb ik niet aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, alsmede de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [A] BV, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.a. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 en HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2294.

2 Vgl. o.a. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, rov. 2.3.1 en 2.3.2 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028.

3 Zie in dit kader de motivering van de toegewezen vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] .

4 Vlg. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3963.

5 Het rapport houdt in:

6 HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547.

7 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 126 en 127.

8 Zie bewijsmiddelen 16 t/m 19.

9 Waarvan de inhoud van deze laatste met juistheid is weergeven in de toelichting op het middel.

10 Vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7397.