Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2017
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
16/06180
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Onder(ver)huur. Schiet hoofdhuurder die onbevoegd is (geworden) tot onderverhuur tekort in de nakoming jegens zijn onderhuurder, of kan hij het genot van de zaak (nog) aan de onderhuurder verschaffen? Art. 7:201, 7:203 en 7:204 BW. Ontbinding op de voet van art. 6:80 BW in zodanig geval. Wie heeft aanspraak op de (gebruiks)vergoeding van art. 7:225 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/169 met annotatie van Prof. Mr. J.J. van Hees
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/06180

mr. Hartlief

Zitting: 10 november 2017

Conclusie inzake:

Mr. J.J. Schelling q.q.

(hierna: de curator)

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2]

(hierna gezamenlijk: [verweerster])

3. KAV Autoverhuur B.V.

(hierna: KAV)

In deze zaak treedt de curator op namens het inmiddels failliete RTL. RTL legde zich toe op de lease en verhuur van motorvoertuigen. [verweerster] en KAV hebben voertuigen van RTL gehuurd/geleaset. RTL heeft op haar beurt de voertuigen weer gehuurd/geleaset van onder meer Paccar (eigenaar van de voertuigen die [verweerster] huurde van RTL) en MAN (eigenaar van het voertuig dat KAV van RTL huurde). De hoofdhuurovereenkomsten tussen Paccar en MAN enerzijds en RTL anderzijds zijn tot een einde gekomen. Paccar heeft na enige tijd rechtstreeks een huurovereenkomst met [verweerster] gesloten en KAV heeft het door haar gehuurde voertuig na enige tijd aan MAN geretourneerd. De curator vordert in deze procedure huurpenningen c.q. een gebruiksvergoeding van [verweerster] en KAV voor de periode die loopt vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomsten tot aan het moment dat [verweerster] een nieuwe huurovereenkomst had gesloten met Paccar resp. KAV het door haar gehuurde voertuig bij MAN had ingeleverd. Zowel de kantonrechter als het hof hebben de vordering van de curator afgewezen. De curator komt hiertegen in cassatie op. Daarbij is een cruciale vraag of RTL, zoals het hof heeft aangenomen, wanprestatie pleegde jegens [verweerster] en KAV vanaf het moment dat de hoofdhuurovereenkomsten waren geëindigd en wat daarvan de consequenties zijn in de verhouding tot [verweerster] en KAV die de voertuigen nog wel onder zich hadden.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

Runner Truck Lease & Rental B.V. (hierna: RTL) is een onderneming die zich toelegde op de lease en verhuur van motorvoertuigen voor de zakelijke markt. Op 11 december 2012 is RTL door de rechtbank Haarlem in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Schelling voornoemd tot curator.

1.3

Op het moment van faillietverklaring liepen nog verscheidene huur- c.q. leaseovereenkomsten tussen RTL en haar afnemers, waaronder [verweerster] en KAV.

1.4

RTL heeft op 1 februari 2008 overeenkomsten gesloten met [verweerster] met betrekking tot het leasen van vier voertuigen. De leasetermijn bedroeg per voertuig € 1.465,-- per maand. Paccar Financial Nederland B.V. (hierna: Paccar) is eigenaar van deze voertuigen. Op 30 november 2012 is de overeenkomst tussen Paccar en RTL beëindigd.

1.5

Bij brief van 3 december 2012 heeft Paccar de voertuigen bij [verweerster] opgeëist. [verweerster] heeft met Paccar een nieuwe leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot de voertuigen. Daarin is bepaald dat deze overeenkomst per 1 maart 2013 ingaat.

1.6

Bij fax van 13 mei 2014 heeft [verweerster] de overeenkomsten met RTL per 30 november 2012 ontbonden.

1.7

RTL heeft op 9 juli 2012 aan KAV een voertuig verhuurd. De huurtermijn bedroeg € 2.662,-- per maand en € 0,15 voor elke gereden kilometer. Bij brief van 3 december 2012 heeft de eigenaar van het voertuig, MAN Lease (hierna: MAN), de leaseovereenkomsten met RTL, waaronder die met betrekking tot genoemd voertuig, ontbonden.

2 Procesverloop

2.1

De procedure kent in eerste aanleg een twaalftal gedaagden. Alle twaalf hebben zij één of meerdere voertuigen van RTL gehuurd/geleaset. De kantonrechter heeft de vorderingen gezamenlijk behandeld. In hoger beroep en cassatie gaat het enkel nog om de vorderingen van de curator op [verweerster] en KAV. Omdat deze vorderingen, de onderbouwing daarvan en de verweren uiteenlopen, worden de vorderingen hier wel apart besproken.

De vordering op [verweerster]; conventie en reconventie

2.2

De curator heeft [verweerster] bij dagvaarding van 29 november 2013 in rechte betrokken. Hij heeft daarbij gevorderd dat de beide vennootschappen, die hier zoals aangegeven gezamenlijk [verweerster] worden genoemd, hoofdelijk zullen worden veroordeeld om de curator een bedrag van € 28.362,402 ter zake van achterstallige huurpenningen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2013 over een bedrag van € 7.090,60, vanaf 1 februari 2013 over een bedrag van € 7.090,60, vanaf 1 maart 2013 over een bedrag van € 7.090,60, vanaf 1 april 2013 over een bedrag van € 7.090,60 en te vermeerderen met een bedrag van € 1.793,89 aan incassokosten.

2.3

De curator heeft, aldus door de kantonrechter samengevat in rov. 7.5 van het vonnis, aan zijn vordering nakoming door [verweerster] ten grondslag gelegd. Hij stelt dat [verweerster] gehouden is de leasetermijnen te voldoen tot het moment dat zij de voertuigen niet langer houdt op grond van de leaseovereenkomst. In april 2013 heeft [verweerster] een nieuwe overeenkomst gesloten met Paccar. Tot dat moment was zij de leasetermijnen verschuldigd. Door het betalingsverzuim van [verweerster] heeft de curator incassokosten moeten maken.

2.4

Voor zover de betreffende vier leaseovereenkomsten nog niet zijn ontbonden, heeft [verweerster] in (voorwaardelijke) reconventie3 ontbinding van deze overeenkomsten per 30 november 2012 gevorderd. Subsidiair heeft zij verrekening van de door haar geleden schade met de vordering van de curator gevorderd. Deze schade is volgens [verweerster] minimaal het bedrag van de vordering van de curator.

Eerste aanleg

2.5

De kantonrechter heeft in conventie overwogen dat [verweerster] als meest verstrekkende verweer heeft aangevoerd dat RTL danwel de curator vanaf 30 november 2012 het huur/leasegenot niet meer aan de onderhuurders kon verschaffen, omdat zij vanaf dat moment zelf geen genot van de voertuigen had. RTL danwel de curator schoot vanaf dat moment tekort in de nakoming van de onderhuurovereenkomst(en). Dit verweer slaagt aldus de kantonrechter in zijn vonnis van 5 juni 2015. In eerste instantie geeft hij een aantal algemene overwegingen voor de beoordeling van alle aan hem voorgelegde geschillen waarvan ik de twee belangrijkste citeer:

“2.34 De kantonrechter stelt inhoudelijk het volgende voorop. Voor de geldigheid van een huur of huurkoopovereenkomst is niet vereist dat de verhuurder/huurverkoper eigenaar van de zaak of uit anderen hoofde in staat is aan de huurder het overeengekomen gebruik te doen hebben.

De overeenkomsten tussen RTL en gedaagden blijven dan ook in beginsel in stand indien de overeenkomsten tussen RTL en de eigenaren van de voertuigen eindigen. Het faillissement van RTL maakt dit niet anders. Uitgangspunt is immers dat een faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten, aldus de parlementaire geschiedenis (MvT bij Van der Feltz I, (1896), p. 409).

2.4

Schelling q.q. stelt dat gedaagden gehouden waren de huurpenningen aan hem te voldoen tot op het moment dat de eigenaren van de voertuigen deze revindiceerden, opnieuw verhuurden of verkochten, omdat hij tot dat moment het gebruiksgenot van die voertuigen verschafte. De stelling dat Schelling q.q. het gebruiksgenot verschafte faalt echter. In de Memorie van toelichting bij de invoering van de titel Huur staat vermeld dat het eindigen van een hoofdhuurovereenkomst, zoals in casu tussen RTL en de eigenaren van het voertuig, niet direct de onderhuur, zoals in casu tussen RTL en gedaagden, tot een einde brengt. Dit brengt echter wel met zich dat de hoofdhuurder, RTL, nadien niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder, gedaagden, te verschaffen. De hoofdhuurder zal vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomst jegens de onderhuurder een toerekenbare tekortkoming plegen totdat ook de onderhuur is geëindigd (Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089 nr. 3, p. 34). Dit is ook het uitgangspunt in het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:4109). Schelling q.q. is daarmee vanaf het moment dat de overeenkomsten met de eigenaren van de voertuigen zijn geëindigd niet langer in staat het genot van de voertuigen te verschaffen, en schiet vanaf dat moment tekort in de nakoming van de overeenkomst. Dit – op huur toegespitste – uitgangspunt is evengoed van toepassing op de huurkoop; ook in dat geval is de huurverkoper immers gehouden het gebruik van de zaak aan de huurverkoper te verschaffen.”

2.6

Vervolgens oordeelt de kantonrechter in het kader van de vordering tegen [verweerster]:

“7.8 [verweerster] voert als meest verstrekkende verweer aan dat RTL, dan wel Schelling q.q., vanaf 30 november 2012 het huur/leasegenot niet meer kon verschaffen, omdat zij vanaf dat moment zelf geen genot van het voertuig had. RTL, dan wel Schelling q.q., schoot dan ook vanaf die datum tekort in de nakoming van de overeenkomst. Dit verweer slaagt gelet op het onder 2.4 overwogene. [verweerster] was dan ook gerechtigd de overeenkomst te ontbinden bij fax van 13 mei 2014. Schelling q.q. verzet zich tevergeefs tegen deze vorm van terugwerkende kracht.

De ontbinding van een overeenkomst heeft weliswaar geen terugwerkende kracht, maar dat laat onverlet dat een duurovereenkomst als de onderhavige partieel kan worden ontbonden, en wel voor zover het betreft de periode vanaf de ingang van de tekortkoming (vgl. HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, HR 6 juni 1997, LJN ZC2389, NJ 1998/128, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1069). De overeenkomst is dan ook rechtsgeldig ontbonden per 30 november 2012. Nu de vordering van Schelling q.q. ziet op de periode na 30 november 2012, was [verweerster] niet langer krachtens overeenkomst huur/leasetermijnen verschuldigd. Voor zover Schelling q.q. nog betoogt dat [verweerster] nadien nog een gebruiksvergoeding aan Schelling q.q. verschuldigd was, slaagt dit betoog evenmin. Schelling q.q. was immers niet de eigenaar of rechthebbende van het gebruikte voertuig; dat was Paccar. Alleen Paccar kan dan ook aanspraak maken op een gebruiksvergoeding. (…)”

De vorderingen van de curator worden dan ook afgewezen. Aan de beoordeling in reconventie komt de kantonrechter niet toe (rov. 7.10).

Hoger beroep

2.7

De curator is bij exploot van 21 augustus 2015 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 5 juni 2015 voor zover dit is gewezen in de verhouding met [verweerster]. Bij memorie van grieven van 15 december 2015 heeft de curator een drietal grieven aangevoerd. De grieven komen op tegen het oordeel van de kantonrechter met het volgende betoog, door het hof in rov. 5. samengevat. Zolang [verweerster] als huurder het genot van de voertuigen heeft, moet zij de tegenprestatie in de vorm van de leasetermijnen betalen. Daarbij maakt geen verschil dat de overeenkomst tussen Paccar en RTL op 30 november 2012 is geëindigd. RTL was als gevolg van deze beëindiging niet meer bevoegd de voertuigen aan [verweerster] onder te verhuren. Dit betekent echter niet dat RTL jegens [verweerster] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten met [verweerster]. Overeenkomsten hebben namelijk slechts relatieve werking, dus slechts werking tussen de partijen die de overeenkomst zijn aangegaan. RTL heeft deze overeenkomsten na 30 november 2012 voortgezet en [verweerster] het huurgenot verschaft. Dat RTL jegens Paccar gehouden was de voertuigen te retourneren, maakt niet dat [verweerster] niet het huurgenot had. De curator vindt de parlementaire geschiedenis te ongenuanceerd nu het einde van de hoofdhuur niet automatisch met zich brengt dat de onderverhuurder tekortschiet, omdat deze nog steeds het genot van het gehuurde aan de onderhuurder kan verschaffen.

2.8

Bij arrest van 13 september 2016 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof overweegt in rov. 6.:

“(…) De in het betoog van de curator centraal staande opvatting dat RTL als onderverhuurder niet tekort schiet in de nakoming van haar verplichting aan [verweerster] als onderhuurder het verhuurde in gebruik te verstrekken als de hoofdhuur is geëindigd, strookt niet met de Memorie van Toelichting die duidelijk is op dit punt: Het einde van de hoofdhuur brengt niet tegelijk ook de onderhuur tot een einde, zij het dat de hoofdhuurder de onderhuurder nadien niet meer het gebruik van de zaak kan verschaffen. Hij zal derhalve vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomst jegens de onderhuurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst tekortschieten totdat ook de onderhuurovereenkomst is geëindigd, zulks met alle aan die toerekenbare tekortkoming in de nakoming verbonden gevolgen.”

2.9

Met juistheid, aldus het hof in rov. 7., heeft de kantonrechter vervolgens geoordeeld dat:

“(…) RTL dan wel de curator vanaf 30 november 2012 tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting [verweerster] het genot van de voertuigen te verschaffen en dat [verweerster] gerechtigd was de overeenkomst (partieel) te ontbinden bij fax van 13 mei 2014 voor de periode vanaf het begin van de tekortkoming, 30 november 2012 (zie onder 1 sub e). Nu de vordering van de curator tot betaling van leasetermijnen op deze periode ziet, ontbeert de vordering grond.”

2.10

In rov. 8. overweegt het hof voorts dat de curator nog heeft aangevoerd dat:

“(…) [verweerster] de voertuigen niet bij het einde van de overeenkomst op 30 november 2012 bij RTL c.q. de curator heeft ingeleverd en van die voertuigen nog wel het huurgenot heeft gehad, zodat [verweerster] gehouden is een gebruiksvergoeding te betalen. De kantonrechter heeft over een stelling van dezelfde strekking in het vonnis onder 7.8 nog geoordeeld dat de curator geen eigenaar van of beperkt gerechtigde op de voertuigen was; dat was alleen Paccar. Alleen Paccar kan dan ook aanspraak maken op een gebruiksvergoeding. Het hof sluit zich hierbij aan. Het voorgaande betekent dat de grieven van de curator ten aanzien van de vordering op [verweerster] falen. Bij afzonderlijke bespreking van grief I heeft de curator geen belang omdat uit het voorgaande volgt dat niet relevant is wanneer [verweerster] en Paccar overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe leaseovereenkomst.”

De vordering op KAV

2.11

De curator heeft KAV bij dagvaarding van 29 november 2013 in rechte betrokken. Hij vordert in deze procedure KAV te veroordelen om aan de curator een bedrag van € 6.869,68 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2013 over een bedrag van € 2.662,--, vanaf 1 februari 2013 over een bedrag van € 2.662,-- en vanaf 1 maart 2013 over een bedrag van € 1.545,68 en te vermeerderen een bedrag van € 718,48 aan incassokosten.

2.12

De curator legt aan zijn vordering, zoals door de kantonrechter in rov. 11.3 samengevat is weergegeven, een recht op nakoming ten grondslag. De curator stelt dat KAV gehouden is de huurtermijnen te voldoen tot het moment dat zij het voertuig niet langer houdt op grond van de huurovereenkomst. Op 18 maart 2013 is KAV gestopt het voertuig te houden op grond van de huurovereenkomst met RTL, doordat MAN het voertuig in beheer heeft genomen. Tot dat moment was zij de huurtermijnen verschuldigd. Door het betalingsverzuim van KAV heeft de curator incassokosten moeten maken.

2.13

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 5 juni 2015 overwogen dat het voertuig door KAV aan MAN is overgedragen op 5 december 2012. KAV heeft ter onderbouwing hiervan een ‘Uit-/incheck formulier’ overgelegd. De curator heeft aangevoerd dat hem de overdracht niet bekend is en dat de overdracht zonder zijn medeweten niet had kunnen plaatsvinden nu hij vanaf datum faillissement als enige RTL kon vertegenwoordigen. De kantonrechter oordeelt in rov. 11.6:

“Schelling q.q. heeft de door KAV overgelegde productie daarmee onvoldoende betwist. De tekst ‘Overgedragen MAN’ kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat KAV het voertuig bij MAN heeft ingeleverd, welke lezing gesteund wordt door de vermelding van de kilometerstand en de klaarblijkelijke handtekeningen van (medewerkers) van MAN en KAV. Dat deze overdracht bij Schelling q.q. niet bekend is, is, gelet op het feit dat deze is afgedrukt op briefpapier van RTL, niet zonder meer aannemelijk. Dit doet echter niet ter zake, nu deze overdracht een zaak is tussen MAN en KAV. Dat Schelling q.q. tenslotte als enige bevoegd was op te treden namens RTL is om die reden evenmin relevant, nog daargelaten dat de overdracht kennelijk heeft plaatsgevonden vóór de aanstelling van Schelling q.q. op 11 december 2012. De overdracht van het voertuig staat daarmee voldoende vast.

De vordering, die ziet op termijnen na 5 december 2012, zal dan ook worden afgewezen.”

2.14

De curator is bij exploot van 24 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 juni 2015 voor zover dit is gewezen tussen hem en KAV. Bij memorie van grieven van 15 december 2015 heeft de curator onder meer een grief gericht tegen de aanname van de kantonrechter dat het voertuig per 5 december 2012 aan MAN zou zijn overgedragen (grief 4). Nog los van het feit dat het voertuig niet aan MAN kan zijn overgedragen aangezien MAN al eigenaar was, is het voertuig ook niet per 5 december 2012 bij MAN ingeleverd. Dit is pas per 20 februari 2013 gedaan bij de vestiging van RTL in Rozenburg, aldus de curator.

2.15

MAN heeft de curator bij fax van 14 december 2012 geïnformeerd over de in totaal 33 voertuigen die MAN aan RTL in gebruik had gegeven. Het onderhavige voertuig behoorde daar toe. Hierna hebben de curator en MAN gecorrespondeerd over de wijze van afwikkeling (productie 20 bij memorie van grieven). Op 17 december 2012 heeft MAN aan de curator laten weten al 21 van de 33 voertuigen ingenomen te hebben. MAN gaf aan dat zij van de resterende 12 voertuigen niet wist waar deze zich bevonden. Uit het overzicht bij de e-mail van 17 december 2012 MAN van genoemde datum blijkt dat het onderhavige voertuig niet tot deze 21 ingenomen voertuigen behoorde. Na erkenning van het eigendomsrecht van MAN door de curator op 3 januari 2013 heeft MAN de resterende 12 voertuigen bij de klanten van RTL ingevorderd. KAV heeft het bewuste door haar gehuurde voertuig op 20 februari 2013 bij een vestiging van MAN ingeleverd. Het voertuig is ingenomen door de statutair bestuurder van RTL, de heer Van Altena, die de curator behulpzaam was bij de afwikkeling van het wagenpark. Op het innameformulier is een aantekening gemaakt dat het voertuig op 5 december 2012 aan MAN zou zijn overgedragen. Dit kan, aldus nog steeds de curator, niet juist zijn, omdat MAN na 5 december 2012 verscheidene malen heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn van de locatie van het voertuig en dit niet te hebben ingenomen. De genoemde aantekening is dan ook niet juist, aldus de curator. Hij vordert in hoger beroep in hoofdsom een bedrag van € 4.563,43 (inclusief BTW), het bedrag aan huur tot 20 februari 2013, de datum waarop het voertuig volgens de curator pas door MAN is ingenomen.

2.16

Het hof bekrachtigt in zijn arrest van 13 september 2016 ook ten aanzien van KAV het vonnis van de kantonrechter. Het hof overweegt in rov. 11. als volgt:

“(…) Het hof behoeft de vraag wie van partijen over de datum van inname van het voertuig door MAN het gelijk aan haar zijde heeft, niet te beantwoorden. Bij brief van 3 december 2012 heeft MAN de leaseovereenkomsten met RTL, waaronder die met betrekking tot het voertuig, ontbonden met het verzoek de voertuigen voor MAN ter beschikking te houden en met de opmerking dat per heden het gebruiksrecht van de voertuigen aan RTL is ontzegd. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 6. is overwogen heeft ook hier te gelden dat het einde van de hoofdhuur impliceert dat RTL niet meer kan voldoen aan haar verplichting jegens KAV haar het gebruik van het voertuig te verstrekken. KAV was daarom vanaf 3 december 2012 niet meer gehouden huur aan RTL/de curator te betalen. De vordering van de curator loopt hierop stuk.”

2.17

De curator heeft op 13 december 2016 – en daarmee tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 13 september 2016. [verweerster] en KAV hebben geen verweer gevoerd. De curator heeft zijn cassatieklachten in de cassatiedagvaarding toegelicht.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen die zijn uitgewerkt in verschillende subonderdelen. Onderdeel 1 bevat vijf subonderdelen en klaagt dat het hof zowel in de zaak tegen [verweerster] als in die tegen KAV ten onrechte uitgaat van wanprestatie van de zijde van RTL c.q. de curator (hierna: (in enkelvoud en in vrouwelijke vorm) RTL/curator). Onderdeel 2, dat uiteenvalt in vier subonderdelen, richt zich tegen de afwijzing van de vordering tot gebruiksvergoeding door het hof in de zaak tegen [verweerster]. Onderdeel 3, bestaande uit drie subonderdelen, klaagt erover dat het hof in de zaak tegen KAV voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van de curator op KAV aangaande de huurpenningen over de periode van 3 december 2012 tot en met 20 februari 2013 beslissende betekenis toe heeft gekend aan de brief van 3 december 2012 van MAN.

Onderdeel 1: is RTL/curator jegens [verweerster] en KAV tekortgeschoten?

3.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6. en 11. en klaagt dat het hof in beide zaken ten onrechte op grond van de parlementaire geschiedenis tot uitgangspunt heeft genomen dat RTL als hoofdhuurder/onderverhuurder vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onderhuurovereenkomst met [verweerster] resp. KAV, omdat RTL/curator het gebruik van de verhuurde/geleasete voertuigen niet meer kon verschaffen na het einde van de hoofdhuur. Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.

3.3

Een leaseovereenkomst is niet als zodanig in de wet geregeld. In de regel zal zij worden geduid als een huurovereenkomst of een overeenkomst van huurkoop.5 In de onderhavige zaak staat in rechte vast dat sprake is van een huurovereenkomst. Ik licht dat toe. De kantonrechter heeft in rov. 2.4 de toepasselijkheid van titel 7.4 BW (huur) tot uitgangspunt genomen. De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat de hoofdhuurder vanaf het einde van de hoofdhuurovereenkomst jegens de onderhuurder een toerekenbare tekortkoming zal plegen, totdat ook de onderhuur is geëindigd. In de slotzin van rov. 2.4 overweegt hij dat dit op huur toegespitste uitgangspunt ook van toepassing is op huurkoop. Op deze overweging wordt uitsluitend voortgebouwd in rov. 4.1. Deze overweging betreft het geschil tussen de curator en Container Experience (hierna: CE). CE is echter niet in hoger beroep gegaan en deze verhouding is in cassatie dan ook niet meer van belang. In zijn memorie van grieven heeft de curator niet betoogd dat sprake is van huurkoop. In de memorie van grieven wordt juist uitgegaan van de bepalingen uit titel 7.4 BW.6 Het hof heeft dienovereenkomstig geen nadere overweging gewijd aan de kwalificatie van de overeenkomst. In cassatie kan derhalve worden uitgegaan van de toepasselijkheid van titel 7.4 BW.

3.4

Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (art. 7:201 BW). De kenmerkende prestaties bij een huurovereenkomst zijn kort gezegd het verschaffen van het gebruik (ook wel het genot) van een zaak door de verhuurder en het verrichten van een tegenprestatie hiervoor door de huurder.

3.5

Op grond van art. 7:221 BW is de huurder bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moet aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren zal hebben. Uitgangspunt hierbij is dat de verhuurder er in het algemeen geen zwaarwegend belang bij heeft dat de huurder de zaak zelf gebruikt en dat hij de huurovereenkomst in de regel ook niet is aangegaan met het oog op de persoon van de huurder.7 Volledigheidshalve merk ik, buiten het bestek van deze zaak om, op dat het hier gaat om een bepaling van regelend recht en dat de bepaling niet toepasselijk is bij verhuur van woonruimte (art. 7:244 BW).

3.6

Voor een onderhuurovereenkomst met betrekking tot roerende zaken, zoals de onderhavige, gelden verder dezelfde wettelijke regels als voor de hoofdhuurovereenkomst. Of de hoofdhuurder ten opzichte van de hoofdverhuurder de bevoegdheid had om onder te verhuren is niet relevant voor de geldigheid van de onderhuurovereenkomst.8 Tussen de onderhuurder en de hoofdverhuurder ontstaat geen contractuele relatie door de onderhuurovereenkomst. Als de hoofdhuur wordt beëindigd, eindigt in beginsel niet automatisch ook de onderhuur.9 Wel eindigt voor de hoofdhuurder/onderverhuurder de mogelijkheid tot het verschaffen van het gebruik van het gehuurde aan de onderhuurder. De Memorie van Toelichting verwoordt het aldus:

“De bevoegdheid tot gebruik van het gehuurde komt de huurder slechts gedurende de huurtijd toe. Indien de huurder bevoegd was tot onderhuur, eindigt ook deze bevoegdheid met de hoofdhuur. Het einde van de hoofdhuur brengt niet tegelijk ook de onderhuur tot een einde, zij het dat de hoofdhuurder [de onderhuurder] nadien niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen. Hij zal derhalve vanaf het einde van de hoofdhuur jegens de onderhuurder [een] toerekenbare tekortkoming in de nakoming plegen totdat ook de onderhuur is geëindigd, zulks met alle aan die toerekenbare tekortkoming in de nakoming verbonden gevolgen (art. 203 jo 205).”10

3.7

In deze lezing heeft beëindiging van de hoofdhuur tot gevolg dat de onderverhuurder aan de onderhuurder niet langer het overeengekomen gebruik van de zaak kan verschaffen.11 De onderverhuurder kan immers, in goederenrechtelijke termen uitgedrukt, niet meer rechten aan de onderhuurder verschaffen dan hij zelf heeft.12 Dat de onderverhuurder na het einde van de hoofdhuur niet langer het gebruik aan de onderhuurder kan verschaffen, heeft, aldus de Memorie van Toelichting, tot gevolg dat de onderverhuurder wanprestatie pleegt jegens de onderhuurder totdat de onderhuurovereenkomst is geëindigd.13Met het einde van de hoofdhuur kan de onderhuurder jegens de hoofdverhuurder ook niet langer een recht op gebruik van het gehuurde inroepen.14

3.8

Daarmee kom ik toe aan een bespreking van de verschillende subonderdelen.

3.9

Het hof heeft, aldus subonderdeel 1.1, miskend dat aan de beëindiging van de aan de hoofdhuur verbonden rechtsgevolgen binnen de rechtsbetrekking tussen RTL/curator en Paccar respectievelijk MAN geen directe werking in de onderhuurrelatie kan worden verbonden. Het oordeel strookt, volgens het subonderdeel, niet met het relativiteitsbeginsel dat zou inhouden dat een overeenkomst en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende rechtshandelingen slechts verbintenissen doen ontstaan tussen de partijen bij deze overeenkomst, en aldus geen werking hebben jegens derden. Dit ligt, aldus het subonderdeel, ook besloten in art. 7:221 BW, op grond waarvan de huurder in beginsel de bevoegdheid tot onderhuur toekomt en het einde van de hoofdhuur niet als zodanig en zonder meer meebrengt dat de onderhuurovereenkomsten tot een einde komen. Door te oordelen en verder tot uitgangspunt te nemen dat het einde van de hoofdhuur tussen RTL en Paccar respectievelijk MAN meebrengt dat zij als hoofdhuurder aan [verweerster] respectievelijk KAV niet meer het gebruik van de hen onderverhuurde/geleasete voertuigen kon verschaffen en reeds daarom jegens hen in de nakoming van haar verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst(en) toerekenbaar tekortschoot totdat ook de onderhuurovereenkomst was geëindigd, heeft het hof ten onrechte en in strijd met het relativiteitsbeginsel aan het einde van de hoofdhuur rechtsgevolgen verbonden die (door)werken binnen de rechtsbetrekking tussen RTL en [verweerster] respectievelijk KAV. De onderhavige situatie, waarin de hoofdhuur is beëindigd en de onderhuur nog (rechtens en feitelijk) doorloopt, is, aldus het subonderdeel, niet wezenlijk anders dan in door de wetgever bedoelde gevallen15 waarin het relativiteitsbeginsel meebrengt dat een door de hoofdhuurder aangegane ‘onbevoegde onderhuur’ de overeenkomst tussen de onderverhuurder en de onderhurende derde rechtens niet ongeldig doet zijn.

3.10

Subonderdeel 1.2 bepleit dat het hof zou hebben miskend dat de uit de ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen niet zonder meer meebrengen dat RTL aanstonds kon overgaan tot de ‘teruglevering’16 van de aan [verweerster] respectievelijk KAV onderverhuurde voertuigen waarvan de onderhuurovereenkomsten niet door het einde van de hoofdhuur waren geëindigd. Het hof zou verder hebben miskend dat de onderhuurovereenkomsten in de periode na de datum van beëindiging van de hoofdhuur rechtsgeldig doorliepen waardoor, rechtens en feitelijk, (de curator c.q. de boedel van) RTL het gebruik/genot van deze voertuigen aan [verweerster] c.s. respectievelijk KAV is blijven verstrekken zodat om die reden tegenover hen (nog) geen sprake kon zijn van de door het hof in rov. 6. en 11. ten onrechte aangenomen tekortkomingen van RTL.

3.11

Het hof heeft, aldus subonderdeel 1.3, ten onrechte geoordeeld dat het einde van de hoofdhuur betekent dat de hoofdhuurder niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen. Het hof is dan ook ten onrechte tot de slotsom gekomen dat RTL vanaf 30 november 2012 toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de onderhuurovereenkomsten en dat [verweerster] gerechtigd was de onderhuurovereenkomst per 30 november 2012 partieel te ontbinden. In de zaak tegen KAV zou het hof ten onrechte hebben geoordeeld dat het einde van de hoofdhuur impliceerde dat RTL niet meer kon voldoen aan haar verplichtingen jegens KAV vanaf de ontbindingsverklaring van MAN op 3 december 2012, waardoor KAV niet meer gehouden was de onderhuurtermijnen te voldoen (subonderdeel 1.4).

3.12

De subonderdelen 1.1 tot en met 1.4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze subonderdelen falen op de volgende gronden. Het hof heeft niet tot uitgangspunt genomen dat het einde van de hoofdhuurovereenkomst het einde van de onderhuurovereenkomst zou betekenen. Een miskenning van het contractuele relativiteitsbeginsel is dus niet aan de orde. Het hof heeft wel geoordeeld dat de beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst in die zin van belang is voor de onderhuurovereenkomst dat de onderverhuurder (hier RTL) niet langer aan de onderhuurder, in casu [verweerster] c.q. KAV, het overeengekomen gebruik van de zaak kon verschaffen. Dat oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel vindt in de eerste plaats steun in de parlementaire geschiedenis (randnummer 3.6). In de tweede plaats sluit het oordeel aan bij het uitgangspunt dat RTL als onderverhuurder – in goederenrechtelijke termen – niet meer rechten kan verschaffen dan zij zelf heeft. Het gegeven dat met het einde van de hoofdhuurovereenkomst de bevoegdheid van de hoofdhuurder om het gehuurde te gebruiken is geëindigd, brengt dus mee dat de hoofdhuurder/onderverhuurder dit gebruik ook niet langer aan de onderhuurder kan verschaffen. Daarmee schiet de onderverhuurder, vanaf het moment dat de hoofdhuurovereenkomst is geëindigd, jegens de onderhuurder tekort in de nakoming van zijn verplichtingen. 17 Dit geldt ook bij eventueel feitelijk gebruik van de voertuigen door [verweerster] en KAV. RTL was immers gehouden om het bedoelde gebruik van de voertuigen te verschaffen en RTL was hiertoe na het einde van de hoofdhuurovereenkomst rechtens niet langer in staat.

3.13

Subonderdeel 1.5 klaagt dat de in de subonderdelen 1.1 tot en met 1.4 geformuleerde klachten ook gelden waar het hof het in die subonderdelen bestreden, op ‘huur’ toegespitste, uitgangspunt van toepassing acht op ‘huurkoop’ voor zover naar het oordeel van het hof ook onder deze rechtsfiguur de huurverkoper gehouden is het gebruik van de zaak aan de huurkoper te verschaffen. Dit subonderdeel faalt aangezien in rechte vaststaat dat de onderhavige huurovereenkomst als huurovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Zie hiervoor randnummer 3.3.

3.14

Onderdeel 1 mist derhalve doel.

Onderdeel 2: is [verweerster] gehouden tot betaling van een vergoeding ?

3.15

Onderdeel 2 ziet slechts op de zaak tegen [verweerster] en richt zich tegen rov. 8. waar het hof inzake [verweerster] heeft geoordeeld dat nu de curator geen eigenaar van of beperkt gerechtigde op de verhuurde/geleasete voertuigen was, uitsluitend en alleen Paccar jegens [verweerster] aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding voor de periode dat [verweerster] tot de inlevering van de voertuigen nog het (huur)genot ervan had. Het hof zou hiermee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.16

Subonderdeel 2.1 is een voortbouwende klacht en houdt in dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 1 meebrengt dat voor zover het hof in rov. 8. ervan uitging dat [verweerster] de onderhuurovereenkomst met RTL per 30 november 2012 rechtsgeldig heeft ontbonden, daarop voortbouwende oordelen evenmin in stand kunnen blijven. Aangezien geen enkele klacht van onderdeel 1 doel treft, faalt subonderdeel 2.1 evenzeer.

3.17

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof er ten onrechte aan heeft voorbijgezien dat RTL/curator na het einde van de hoofdhuurovereenkomst met Paccar feitelijk het gebruik/genot van de onderverhuurde/geleasete voertuigen aan [verweerster] is blijven verschaffen en dat op grond van de onderhuurovereenkomsten RTL/curator recht heeft op betaling van een vergoeding over deze periode op grond van art. 6:271 jo. 6:272 BW.

3.18

Bij de bespreking van dit subonderdeel is het volgende van belang. In het onderhavige geval heeft [verweerster] de onderhuurovereenkomst bij fax van 13 mei 2014 (partieel) ontbonden vanaf het begin van de tekortkoming zijnde het moment waarop RTL/curator niet langer het overeengekomen kon verschaffen (30 november 2012) (randnummer 1.6). Een dergelijke ontbinding die uiteindelijk rechtsgevolgen heeft voor een periode die al achter ons ligt, is mogelijk.18 Ontbinding heeft weliswaar geen terugwerkende kracht (art. 6:269 BW), maar dat laat onverlet dat een duurovereenkomst partieel kan worden ontbonden en die ontbinding kan wel degelijk ook een periode in het verleden betreffen. Uw Raad oordeelt in Tyco Fire and Security Nederland/Delata:19

“3.5. (…) Een ontbinding bevrijdt immers de partijen van "de daardoor getroffen verbintenissen" (eerste zin van art. 6:271 BW), en blijkens de tweede zin van art. 6:271 BW kan een partij door ontbinding van de overeenkomst ook over een reeds verstreken periode van haar verbintenissen bevrijd worden (vgl. HR 6 juni 1997, LJN ZC2389, NJ 1998/128, rov. 3.5).”20

3.19

Een dergelijke ontbinding treft eventuele nog openstaande huurbetalingsverplichtingen over de periode na de datum waartegen de huurovereenkomst partieel wordt ontbonden; daarvan is de huurder ingevolge art. 6:271 BW bevrijd. Voor zover de door de ontbinding getroffen verbintenissen reeds zijn nagekomen, blijft, zo benadrukt dezelfde bepaling, de rechtsgrond voor de nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde van de prestatie op het tijdstip van de ontvangst (art. 6:272 lid 1 BW). Heeft de prestatie echter niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (art. 6:272 lid 2 BW).

3.20

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat [verweerster] de onderhuurovereenkomst bij fax van 13 mei 2014 heeft ontbonden per 30 november 2012. Zoals in het kader van onderdeel 1 is opgemerkt, heeft RTL per 30 november 2012 (de datum van het beëindigen van de hoofdhuur) het gebruik van de voertuigen niet meer aan [verweerster] kunnen verschaffen. Dat is uiteindelijk de grond voor ontbinding van de onderhuurovereenkomst per die datum geworden. Het gaat nu om de gevolgen van deze ontbinding. [verweerster] is derhalve vanaf 30 november 2012 bevrijd van haar verplichtingen op grond van de onderhuurovereenkomst. Vanaf die datum hoeft zij, mochten daartoe nog verplichtingen openstaan, geen huurpenningen meer te voldoen. Van die verplichtingen is zij door de ontbinding bevrijd (eerste zin van art. 6:271 BW). Iets vergelijkbaars geldt voor RTL/curator. Ook zij is nu op grond van art. 6:271 BW bevrijd van de nog openstaande op haar rustende verplichting om [verweerster] het gebruik te verschaffen.21 Voor zover RTL/curator en [verweerster] in de aangeduide periode reeds prestaties hebben verricht, zijn zij tot ongedaanmaking daarvan verplicht (tweede zin van art. 6:271 BW), hetgeen al naar gelang de aard van de prestatie, kan uitmonden in een waardevergoeding (art. 6:272 BW).

3.21

In dit subonderdeel gaat het uiteraard om de vraag of [verweerster] in het kader van art. 6:271 jo. 6:272 BW tot enige vergoeding gehouden is. Wat mij betreft is dat niet het geval: in het wettelijk stelsel gaat het om ongedaanmaking van (al dan niet deugdelijk) verrichte prestaties. Hier is van een verrichte prestatie echter geen (althans niet langer) sprake: RTL/curator kon vanaf 30 november 2012 geen gebruik meer verschaffen en heeft dat dus ook niet meer gedaan. Dat er één of meer voertuigen bij [verweerster] zijn blijven staan, houdt niet in dat er daarmee door RTL/curator een prestatie is verricht. Voor zover er sprake is van feitelijk gebruik door [verweerster] is dat gebruik niet door RTL verschaft. Aan waardevergoeding ex art. 6:272 (lid 2) BW komen we derhalve niet toe.22

3.22

Kortom, zoals hiervoor is geconcludeerd in het kader van de behandeling van onderdeel 1 is er sprake van wanprestatie aan de zijde van RTL. Op grond van deze wanprestatie heeft [verweerster] de huurovereenkomst per 30 november 2012 ontbonden. Vanaf dat moment zijn partijen bevrijd van hun verplichtingen. Aangezien [verweerster] over deze periode geen huur heeft betaald, valt er ook door RTL/curator in zoverre niets terug te betalen ex art. 6:271 BW. [verweerster] is op haar beurt evenmin een vergoeding op grond van art. 6:271 jo 6:272 lid 2 BW verschuldigd aangezien RTL over de onderhavige periode evenmin heeft gepresteerd: tot het verschaffen van gebruik was RTL immers niet meer in staat. Subonderdeel 2.2 faalt dan ook.

3.23

Subonderdeel 2.3 klaagt dat voor zover het hof in rov. 7. en 8. er terecht vanuit is gegaan dat [verweerster] de onderhuurovereenkomst met RTL per 30 november 2012 heeft kunnen ontbinden het hof niettemin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan RTL/curator geen gebruiksvergoeding toekomt, omdat alleen Paccar als eigenaar daarop aanspraak zou kunnen maken. Het hof zou hiermee art. 7:225 BW miskend hebben. Op grond van deze bepaling zou de onderverhuurder gerechtigd zijn over de tijd dat hij de onderverhuurde/geleasete voertuigen niet heeft terugontvangen een vergoeding gelijk aan de huurprijs te ontvangen. Voor toepassing van art. 7:225 BW is, aldus het subonderdeel, niet vereist dat RTL eigenaar van de voertuigen was om deze aan [verweerster] te kunnen onderverhuren en [verweerster] uit dien hoofde op grond van de onderhuurovereenkomst aan te spreken.

3.24

In dit kader zal ik eerst een enkele opmerking maken over betekenis en toepassingsbereik van art. 7:225 BW en over eventuele andere grondslagen voor een (gebruiks)vergoeding in de relatie tussen onderverhuurder en onderhuurder.

3.25

Wanneer een huurovereenkomst tot een einde komt, zo bepaalt art. 7:224 lid 1 BW, is de huurder verplicht het gehuurde weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. Als de huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, kan de verhuurder over de tijd dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs, onverminderd zijn recht op het meerdere als zijn schade hoger is (art. 7:225 BW).

3.26

Ingeval van onderhuur rust de verplichting jegens de verhuurder op grond van art. 7:225 BW op de hoofdhuurder en niet op een onderhuurder.23 Art. 7:225 BW is alleen van toepassing als er tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan. Is dat niet het geval dan wordt art. 7:225 BW niet naar analogie toegepast. In een dergelijk geval kan eventueel art. 6:212 BW als grondslag voor een zogenaamde gebruiksvergoeding in beeld komen. Zo overweegt Uw Raad in het arrest [A]/Grenkefinance: 24

“3.4.2 (…) Uitgaande van het bestaan van de onderhavige leaseovereenkomst (die in dit verband op een lijn gesteld kan worden met een huurovereenkomst), brengt art. 7:225 BW immers mee dat de lessee (huurder) die na het einde van de overeenkomst de zaak gedurende een bepaalde periode onrechtmatig onder zich houdt, een vergoeding verschuldigd is gelijk aan de leasetermijnen (huurprijs) over die periode. In zodanig geval wordt de schade van de lessor (verhuurder) derhalve naar objectieve maatstaven berekend (vgl. HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, NJ 2013/540).

3.4.3

Indien echter na verwijzing geconcludeerd wordt dat tussen [eiseres] en [verweerster] geen leaseovereenkomst tot stand is gekomen, bestaat geen grond voor (analoge) toepassing van art. 7:225 BW. Dan zal in het licht van de omstandigheden van het geval geheel opnieuw beoordeeld moeten worden of en in hoeverre is voldaan aan de maatstaven van art. 6:212 BW.”

In het arrest Credit Suisse/Subway vorderde de hoofverhuurder een vergoeding van de onderhuurder voor voortgezet gebruik. 25 Uw Raad overwoog als volgt:

“3.3 (…) Onder zodanige omstandigheden is voor dit voortgezet gebruik in beginsel een gebruiksvergoeding verschuldigd op de voet van art. 6:212 BW. Degene die het gebruik van de bedrijfsruimte voortzet is daardoor immers verrijkt, omdat het gebruik van andermans bedrijfsruimte in het maatschappelijk verkeer in de regel slechts tegen een vergoeding plaatsvindt, terwijl de onderhuurder is bevrijd van de met zijn wederpartij overeengekomen verplichting de huurprijs te voldoen, door de beëindiging van de overeenkomst van onderhuur. De eigenaar van de bedrijfsruimte lijdt door dat voortgezet gebruik schade, ook als hij niet elders vervangende bedrijfsruimte hoeft te huren en hij niet door dat gebruik is verhinderd de ruimte aan een derde te verhuren. Gelet op de analogie met de gevallen die zijn geregeld in de art. 7:225 en 7:230a BW, past het immers in het stelsel van de wet de schade van de eigenaar in het onderhavige geval naar objectieve maatstaven te berekenen. Het causaal verband tussen deze verrijking en verarming ligt in de omstandigheden van het geval besloten. Ten slotte is aanvaarding van een verrijkingsvordering in beginsel niet onredelijk omdat het gebruik van de bedrijfsruimte welbewust door de gebruiker is voortgezet, en het daaruit resulterende voordeel hem dus niet is opgedrongen, terwijl de vordering slechts toewijsbaar is tot het laagste bedrag van de verrijking en de verarming.”26

3.27

Voor zover subonderdeel 2.3 erover klaagt dat het hof art. 7:225 BW in de (onder)huurrelatie tussen RTL en [verweerster] heeft miskend, heeft het volgende te gelden. Op grond van art. 7:224 BW heeft de huurder na het einde van huurovereenkomst een teruggaveplicht. Op grond van art. 7:225 BW kan, wanneer de huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, de verhuurder een vergoeding vorderen over de tijd dat hij het gehuurde mist. Een onderhuurovereenkomst is niet uitgezonderd van toepassing van art. 7:225 BW. In het onderhavige geval kan een beroep op art. 7:225 BW RTL/curator echter geen soelaas bieden. De onderhavige zaak wordt er onder meer door gekenmerkt dat de onderverhuurder (RTL) wanprestatie pleegt, omdat hij het gebruik niet meer kan verschaffen, hetgeen aanleiding is voor onderhuurder [verweerster] om over te gaan tot ontbinding. Voor een dergelijke situatie is art. 7:225 BW niet geschreven: nu RTL na ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst het gebruik immers niet meer kan verschaffen en ontbinding van de overeenkomst voorts geen terugwerkende kracht heeft, valt zonder nadere onderbouwing van de zijde van de curator (die ontbreekt) bezwaarlijk in te zien waarom [verweerster] de voertuigen in de verhouding met RTL onrechtmatig onder zich zou hebben gehouden. Het hof heeft art. 7:225 BW dan ook niet miskend. Subonderdeel 2.3 treft geen doel.

3.28

Subonderdeel 2.4 klaagt dat het hof in rov. 8. heeft miskend dat tussen Paccar als eigenaar van de onderverhuurde/geleasete voertuigen en [verweerster] geen rechtsbetrekking bestond op grond waarvan Paccar als hoofdverhuurder tegenover [verweerster] aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding nu tussen RTL en [verweerster] de onderhuurovereenkomst in de voorliggende huurperiode niet was beëindigd/ontbonden en dus nog doorliep, waardoor [verweerster] niet bevrijd was van haar verplichtingen jegens RTL. Paccar had bij gebreke van een rechtsband met [verweerster] geen aanspraak op een gebruiksvergoeding.27

3.29

Deze klacht treft geen doel, omdat zij er vanuit gaat dat het hof zijn afwijzing van de vordering hierop heeft gebaseerd dat alleen Paccar jegens [verweerster] aanspraak kan maken op een vergoeding. Het hof heeft in rov. 8. weliswaar overwogen dat alleen Paccar als eigenaar (eventueel) recht heeft op een gebruiksvergoeding, maar blijkens rov. 7. heeft het hof in het bijzonder aan zijn oordeel, dat [verweerster] niet tot betaling van een gebruiksvergoeding aan RTL/curator gehouden was, ten grondslag gelegd dat [verweerster] gerechtigd was de overeenkomst met RTL te ontbinden zodat de vordering tot betaling van de huur/leasetermijnen ongegrond is. Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen, wordt dat oordeel vergeefs bestreden (randnummers 3.20-3.22). Dit oordeel kan de afwijzing van de vordering van RTL/curator dragen.

3.30

Ten overvloede (de verhouding tussen [verweerster] en Paccar ligt immers niet voor) merk ik op dat het in de overweging van het hof besloten liggende oordeel, dat Paccar wel een vordering op [verweerster] zou kunnen hebben, juist is. Uit de rechtspraak van Uw Raad valt weliswaar af te leiden dat een verhuurder als Paccar in een situatie als de onderhavige geen vordering uit hoofde van art. 7:225 BW toekomt (hiervoor randnummer 3.26), maar een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ligt wel in de rede. [verweerster] is immers als gevolg van de ontbinding van de onderhuurovereenkomst van haar verplichtingen jegens RTL/curator bevrijd.28

3.31

Ik vat het vorenstaande samen. Nu [verweerster] bij fax van 13 mei 2014 de overeenkomst per 30 november 2012 heeft ontbonden, zijn partijen vanaf die datum bevrijd van hun eventuele nog openstaande verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst. Aan een door [verweerster] aan RTL/curator te betalen waardevergoeding in de zin van art. 6:272 BW wordt niet toegekomen, omdat RTL/curator vanaf 30 november 2012 geen gebruik van de voertuigen heeft verschaft en dus niet heeft gepresteerd. Van ongedaanmaking van een reeds verrichte prestatie kan daarom geen sprake zijn. Omdat (1) een (gebruiks)vergoeding op basis van art. 6:271 jo. 6:272 BW niet aan de orde is en (2) art. 7:225 BW toepassing mist nu niet gezegd kan worden dat [verweerster] het voertuig in de verhouding met RTL onrechtmatig onder zich heeft gehouden in de zin van deze bepaling, faalt ook onderdeel 2.

Onderdeel 3: is de vordering op KAV terecht afgewezen?

3.32

Onderdeel 3 heeft betrekking op de afwijzing van de vordering jegens KAV en richt zich tegen rov. 11. Het hof zou blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van de curator op KAV aangaande de huurpenningen over de periode van 3 december 2012 tot en met 20 februari 2013 beslissende betekenis toe te kennen aan de brief van 3 december 2012 van MAN.

3.33

Subonderdeel 3.1 stelt voorop dat het hof in rov. 11. ervan uitgaat dat KAV vanaf 3 december 2012 niet meer op grond van de onderhuurovereenkomst gehouden is aan (de curator van) RTL te betalen. Vervolgens formuleert het subonderdeel de voortbouwende klacht dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 1 meebrengt dat de op het in rov. 11. gegeven oordeel voortbouwende overwegingen evenmin in stand kunnen blijven. Aangezien geen enkele klacht van onderdeel 1 doel treft, faalt subonderdeel 3.1 eveneens.

3.34

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof met rov. 11. heeft geoordeeld dat de ontbindingsverklaring van MAN van 3 december 2012 in de hoofdhuurrelatie met RTL meebracht dat deze laatste niet meer kon voldoen aan de uit de onderhuurovereenkomst voortvloeiende verplichting KAV het gebruik van het voertuig te verstrekken. Hiermee zou het hof hebben miskend dat aan deze ontbindingsverklaring van MAN geen directe rechtsgevolgen toekomen voor de huurovereenkomst tussen RTL/curator en KAV. Het hof heeft daarmee, aldus het subonderdeel, het eerdergenoemde relativiteitsbeginsel miskend. Dit subonderdeel faalt op de hiervoor in randnummer 3.12 besproken gronden.

3.35

Subonderdeel 3.3 richt een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 11. dat KAV vanaf 3 december 2012 niet meer gehouden was om haar betalingsverplichtingen uit de niet-ontbonden, bestaande en doorlopende onderhuurovereenkomst na te komen. De onderhuurovereenkomst is, aldus het subonderdeel, niet tegelijk met de hoofdhuurovereenkomst tot een einde gebracht.

3.36

Subonderdeel 3.3 slaagt. Dat heeft te maken met een relevant verschil tussen de zaak tegen [verweerster] en de zaak tegen KAV. In beide zaken is, zoals eerder aangegeven (randnummer 3.12), uitgangspunt dat het einde van de hoofdhuurovereenkomst niet tevens het einde van de onderhuurovereenkomst met zich brengt. Nu KAV echter, anders dan [verweerster], de onderhuurovereenkomst niet heeft ontbonden, hoewel zij daartoe net als [verweerster] vanwege de tekortkoming in de nakoming van RTL vanaf 3 december 2012 wel gerechtigd was, zijn voor haar de verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst, waaronder die tot het betalen van de huurpenningen, blijven bestaan. Van ‘actieve’ ontbinding door KAV is geen sprake: van een schriftelijke ontbindingsverklaring in de zin van art. 6:267 BW is niet gebleken en evenmin heeft het hof op haar vordering de ontbinding uitgesproken. Een ontbinding bij wege van verweer (aangesproken tot nakoming heeft KAV een succesvol beroep op ontbinding gedaan)29 is evenmin door het hof vastgesteld: het hof heeft in rov. 11. enkel geoordeeld ‘(...) dat het einde van de hoofdhuur impliceert dat RTL niet meer kan voldoen aan haar verplichting jegens KAV haar het gebruik van het voertuig te verstrekken. KAV was daarom vanaf 3 december 2012 niet meer gehouden huur aan RTL/de curator te betalen.’

3.37

Wanneer niet aangenomen kan worden dat het hof een beroep door KAV op ontbinding bij wege van verweer heeft gehonoreerd, bestond de onderhuurovereenkomst destijds nog en was KAV (nog) niet van haar verplichtingen bevrijd; van automatisch verval (en daarmee bevrijding) van verplichtingen vanwege tekortschieten door de wederpartij bij een wederkerige overeenkomst kan geen sprake zijn. Voor bevrijding van verplichtingen is behoudens andersluidende afspraak ontbinding noodzakelijk.30

3.38

Anderzijds valt er wel enig begrip op te brengen voor ’s hofs oordeel: waar RTL niet meer in staat was om het gebruik te verschaffen, ligt het niet aanstonds voor de hand om KAV huurpenningen aan de boedel te laten betalen. Ik heb mij de vraag gesteld of deze zaak direct zou kunnen worden afgedaan. Daarbij valt te denken aan het aannemen van bevrijding door te oordelen dat ‘alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen de eisen van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan’ dat de debiteur zich beroept op de regel dat bevrijding van een verplichting in geval van wanprestatie enkel door ontbinding kan geschieden zoals in de kern is gebeurd in de zaak Oosterhuis/Buitenhuis.31 Voorts kan van betekenis zijn dat KAV in de onderhavige procedure in haar memorie van antwoord (randnummer 31) een beroep op opschorting heeft gedaan. De memorie van antwoord was in dit geval het laatste processtuk. Per saldo meen ik dat, gezien deze stand van zaken, een dergelijke afdoening op dit moment niet mogelijk is, aangezien de curator niet (voldoende) op zodanige verweren heeft kunnen reageren.

3.39

Dit betekent dat subonderdeel 3.3 slaagt en moet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover gewezen in de verhouding met KAV.

3.40

Voor de procedure na cassatie en verwijzing is – naast de in randnummer 3.38 genoemde punten – tot slot van belang dat nog niet definitief is beslist op het verweer dat KAV het voertuig reeds op 5 december 2012 heeft ingeleverd bij MAN. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat naar zijn oordeel voldoende vast staat dat het voertuig op 5 december 2012 is ingeleverd. De curator heeft tegen dat oordeel gegriefd. Het hof heeft deze vraag, zoals volgt uit rov. 11., in het midden gelaten. Het hof heeft immers geoordeeld dat deze vraag niet beantwoord hoefde te worden, omdat het einde van de hoofdhuurovereenkomst impliceert dat RTL niet meer kon voldoen aan haar verplichting jegens KAV en dat KAV daarom niet meer gehouden was aan RTL/de curator te betalen.

3.41

Deze conclusie strekt ertoe dat onderdelen 1 en 2 ongegrond zijn. In de procedure tegen [verweerster] zijn niet meer klachten aangevoerd en dient het cassatieberoep om die reden te worden verworpen. In de procedure tegen KAV zijn verder de subonderdelen 3.1-3.3 aangevoerd. De subonderdelen 3.1-3.2 acht ik ongegrond, maar subonderdeel 3.3 slaagt mijns inziens. Op die grond dient in deze zaak vernietiging en verwijzing te volgen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot:

- verwerping voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het arrest in de procedure tegen [verweerster];

- vernietiging en verwijzing voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het arrest in de procedure tegen KAV.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan de, in cassatie niet bestreden, vaststelling in rov. 1. van het arrest van 13 september 2016.

2 De huur per maand per auto is € 1.465,-- maal vier auto’s maakt € 5.860,-- te vermeerderen met BTW is een totaalbedrag van € 7.090,60.

3 Zie conclusie van antwoord van [verweerster] van 5 juni 2014.

4 Het vonnis kent twee rov. 2.3 en 2.4. Dit citaat ziet op de tweede rov. 2.3 en 2.4.

5 Veel leaseovereenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als gewone huurovereenkomsten. Beslissend is niet het etiket dat partijen op de overeenkomst plakken; beslissend zijn de kenmerken van de overeenkomst. Aangezien de regels van het huurrecht voor een groot deel uit (semi)dwingend recht bestaan, zijn de regels uit titel 7.4 BW van toepassing wanneer de overeenkomst de elementen van huur bevat. Wanneer de concrete overeenkomst de elementen van art. 7:201 lid 1 BW (in gebruik verstrekken in ruil voor een tegenprestatie) bevat, is in ieder geval sprake van huur. Zie onder meer Asser/H.J. Rossel & A.H.T. Heisterkamp, Deel 7-II. Huur, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 12, H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 20, Asser/I.S.J. Houben, Deel 7-X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 50 en M.F.A. Evers, Huurrecht bedrijfsruimte, Deventer: Wolters Kluwer 2011, nr. 3.6.1.5

6 Zie onder meer memorie van grieven, randnummers 25, 35 en 40.

7 Zie Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 33. Zie onder meer A.R. de Jonge, Huurrecht, Den Haag: Bju 2013, p. 254.

8 Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34. Zie ook R.A. Dozy in Tekst & Commentaar BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, art. 221, aant. 1 en GS Huurrecht, artikel 221 Boek 7 BW, aant 35 (F. van der Hoek.

9 Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34.

10 Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34. Art 7:203 BW verplicht de verhuurder de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is, terwijl art. 7:205 BW bepaalt dat de huurder de hem uit de specifieke afdeling voortvloeiende rechten toekomen, onverminderd alle andere rechten en vorderingen.

11 H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, Deventer: Kluwer 2011, p. 390 en R.A. Dozy in Tekst & Commentaar BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, art. 221, aant. 1.

12 GS Huurrecht, artikel 221 Boek 7 BW, aant 34 (F. van der Hoek).

13 Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34. Zie overigens al HR 20 april 1916, NJ 1916, p. 586 (Hofma/Zandstra) en ook HR 29 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9134, NJ 1986/276 m.nt. P.A. Stein (Kayaalp/Klomp).

14 Vgl. in deze zin ook HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8838, NJ 2007/155 m.nt. P. van Schilfgaarde (Nebula).

15 In het subonderdeel is hier aan toegevoegd dat de verhuurder alsdan op grond van de hoofdhuurovereenkomst de hoofdhuurder kan aanspreken voor wanprestatie (onbehoorlijk gebruik van het gehuurde; art. 7:213 BW).

16 Bedoeld zal zijn het aan de verhuurder opleveren c.q. teruggeven van de voertuigen.

17 Zie randnummers 3.6 en 3.7 hiervoor. Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 34.

18 Zie Hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1069, rov. 3.9.5. Zie ook Asser/A.S. Hartkamp & C.H. Sieburgh, Deel 6-III Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, nr. 701, F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten, Mon.BW B58, Deventer: Kluwer 2011, nr. 35, F.B. Bakels, Ontbinding van wederkerige overeenkomsten, diss, Deventer: Kluwer 1993, p. 109, T. Hartlief, Ontbinding, diss., Deventer: Kluwer 1994, p. 151 e.v. en G.J.P. de Vries, ‘Ontbinding wegens tekortkoming en opzegging van wederkerige duurovereenkomsten en andere duurbetrekkingen’, in M.W. Hesselink, C.E. du Perron & A.F. Salomons (red.), Privaatrecht tussen autonomie en solidariteit, Den Haag: Bju 2003, p. 317 e.v. Zie ook HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389, NJ 1998/128 m.nt. P.A. Stein (Van Bommel/Ruijgrok) en over dit arrest C.A. Streefkerk, ‘Ontbinding en opschorting als reactie op onderhoudsgebreken bij huur’, NTBR 1998, p. 1-8.

19 Dit arrest ziet op een goed met de onderhavige situatie vergelijkbaar geval: bij conclusie van antwoord van 7 november 2007 is de overeenkomst ontbonden. Het hof overweegt vervolgens dat ontbinding geen terugwerkende kracht heeft (art. 6:269 BW) en daarom alleen kan zien op facturen over 2008 en 2009. Uw Raad acht de klacht gegrond met de motivering die in randnummer 3.18 wordt geciteerd.

20 HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584 (Tyco Fire and Security Nederland/Delata). Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1069, rov. 3.9.5 e.v.

21 Deze verplichting is immers niet door nakoming tenietgegaan.

22 Zou het gebruik wel verschaft zijn dan zou deze prestatie naar haar aard niet ongedaan te maken zijn en zou op [verweerster] een verplichting tot vergoeding van de waarde in de zin van art. 6:272 lid 2 BW rusten.

23 Zie Asser/H.J. Rossel & A.H.T. Heisterkamp, Deel 7-II. Huur, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 132.

24 HR 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:996, RvdW 2016/644.

25 In zijn annotatie bij het arrest Credit Suisse/Subway wijst Huydecoper ook nog op de grondslag van onverschuldigde betaling (met vergoeding van de waarde van de prestatie krachtens art. 6:210 lid 2 BW). Zie ook Rb. Gelderland 26 maart 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2093, JHV 2014/83 m.nt. H. Ferment en WR 2014/104 m.nt. M.F.A. Evers.

26 HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, NJ 2013/540 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Credit Suisse/Subway).

27 Het subonderdeel verwijst naar HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, NJ 2013/540 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Credit Suisse/Subway).

28 In het arrest Credit Suisse/Subway oordeelde Uw Raad dat een hoofdverhuurder een vordering op grond van art. 6:212 BW kan hebben indien de onderhuurder door de beëindiging van de overeenkomst van onderhuur is bevrijd van de met zijn wederpartij overeengekomen verplichtingen de huurprijs te voldoen. Zie hiervoor randnummer 3.26.

29 Zie in dit verband onder meer F.B. Bakels, Ontbinding van wederkerige overeenkomsten, diss., Deventer: Kluwer 1993, p. 142 e.v., F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten, Mon.BW B58, Deventer: Kluwer 2011, nrs. 10-11, T. Hartlief, Ontbinding, diss., Deventer: Kluwer 1994, p. 111 e.v. en Asser/A.S. Hartkamp & C.H. Sieburgh, Deel 6-III Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Kluwer 2014, nr. 690.

30 HR 19 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0206, NJ 1989/343 m.nt. C.J.H. Brunner (Droog/Bekaert). De regel dat voor bevrijding ontbinding noodzakelijk is, is onder meer herhaald in HR 2 november 1990 ECLI:NL:HR:1990:AB8146, NJ 1991/23 (Knoester/Hulsbergen) en HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0520, NJ 1992/337 (Xerox/Proexport). Zie ook A-G Keus in zijn conclusie voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2992, NJ 2017/26 (V/L), randnummer 2.13.

31 HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0822, NJ 1993/193 (Oosterhuis/Buitenhuis). Niet zonder betekenis in dit verband is uiteraard wel dat anders dan naar huidig recht ontbinding langs buitengerechtelijke weg (afwijkende afspraken daargelaten) onder het regime van art. 1302 BW (oud) niet mogelijk was.