Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1250

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/05549
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2904, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Onteigening SNS-aandeelhouders. Verzoek van Stichting Beheer SNS Reaal tot voorlopig getuigenverhoor met het oog op mogelijke schadevordering tegen SNS Reaal. Onaanvaardbare doorkruising van voor Ondernemingskamer aanhangige procedure tot waardevaststelling onteigende aandelen (art. 6:11 Wft)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/124 met annotatie van mr. J.W.P.M. van der Velden
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/05549

mr. L. Timmerman

Zitting: 25 augustus 2017

Conclusie inzake:

Stichting Beheer SNS Reaal

tegen

1. SRH N.V. (voorheen SNS Reaal N.V.)

2. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën)

Partijen zullen worden aangeduid als Stichting Beheer, SNS Reaal en de Staat.

1 De feiten

1.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1

1.2.

Stichting Beheer hield tot 1 februari 2013 een aantal aandelen in het kapitaal van SNS Reaal. SNS Reaal houdt alle aandelen in het kapitaal van SNS Bank N.V. (hierna: SNS Bank), welke vennootschap het bankbedrijf uitoefent. SNS Bank hield tot 31 december 2013 alle aandelen in het kapitaal van SNS Property Finance B.V.

1.3.

Als gevolg van de kredietcrisis in 2008 zijn bij SNS Bank problemen ontstaan. Deze problemen hebben zich vanaf 2009 verdiept.

1.4.

Bij de periodieke beoordeling van de kapitalisatie van SNS Bank door middel van het zogenoemde ‘Supervisory Review and Evaluation Process’ (hierna: SREP) eind 2011 heeft De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) geconcludeerd dat SNS Bank niet voldeed aan de eisen voor de kapitalisatie na een stress-scenario.

1.5.

Nadat DNB bij brief van 18 januari 2013 aan SNS Bank mededeling had gedaan van haar voornemen een SREP-besluit te nemen, heeft zij op 27 januari 2013 een definitief SREP-besluit genomen en SNS Bank meegedeeld dat DNB gebruik zou maken van haar bevoegdheden op grond van de Wet op het financieel toezicht (hierna ook: Wft) indien SNS Bank niet in staat zou blijken haar kapitaalpositie tijdig (dat wil zeggen uiterlijk 31 januari 2013 om 18:00 uur) en voldoende te versterken, althans daartoe een finale oplossing te presenteren (hierna: het SREP-besluit).

1.6.

SNS Reaal heeft bij DNB tijdig bezwaar gemaakt tegen het SREP besluit.

1.7.

Bij brief van 1 februari 2013 heeft DNB aan SNS Bank bericht dat zij een door SNS Bank gepresenteerd Memorandum of Understanding, dat volgens SNS Reaal en SNS Bank voorzag in herkapitalisatie in lijn met het SREP-besluit, afwees en dat zij het niet langer verantwoord achtte dat SNS Bank het bankbedrijf uitoefende. Bij besluit van dezelfde datum van de Minister van Financiën (hierna ook: de minister) zijn op de voet van hoofdstuk 6 van de Wft de effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal en SNS Bank in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel onteigend. Tot de onteigende effecten behoren de hiervoor onder 1.2 vermelde aandelen.

1.8.

Op 4 maart 2013 heeft de minister op de voet van art. 6:10 Wft de rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen een aanbod tot schadeloosstelling gedaan, neerkomende op een bedrag van € 0,-- per effect of vermogensbestanddeel. Bij verzoekschrift van dezelfde dag heeft de minister op de voet van art. 6:10 Wft de ondernemingskamer van dit hof verzocht de schadeloosstelling overeenkomstig het aanbod vast te stellen.

1.9.

In de daarop gevolgde schadeloosstellingsprocedure, waarin Stichting Beheer als belanghebbende is verschenen, heeft de ondernemingskamer op 11 juli 2013 een (tussen)beschikking gegeven, waarvan tussentijds cassatieberoep is opengesteld. De Hoge Raad heeft de beschikking van de ondernemingskamer bij beschikking van 20 maart 2015 vernietigd. Vervolgens heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 26 februari 2016 een deskundigenonderzoek bevolen en drie deskundigen benoemd.2

2 Het procesverloop

2.1.

Op 11 november 2013 heeft Stichting Beheer de Rechtbank Amsterdam verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.

2.2.

SNS Reaal en de Staat hebben ieder verweer gevoerd.

2.3.

Bij beschikking van 15 januari 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.3

2.4.

Stichting Beheer heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij beschikking van 16 augustus 2016 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.4 Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:

“3.3 Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge artikel 186 juncto artikel 166 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als hoofdregel dat de rechter een getuigenbewijs beveelt zo vaak één der partijen dit verzoekt, de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en deze feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, evenwel te worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, alsmede op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar. Voorts bestaat geen aanleiding om het verzoek onttrokken te achten aan de in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt.

3.4

Stichting Beheer wenst door middel van een voorlopig getuigenverhoor feiten te bewijzen die volgens haar van belang kunnen zijn voor een door haar tegen SNS Reaal aanhangig te maken civiele procedure tot vergoeding van door Stichting Beheer geleden schade. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Stichting Beheer benadrukt dat de schade, waarvoor zij SNS Reaal aansprakelijk houdt, uitsluitend ziet op de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen (door de Minister gewaardeerd op nihil). In dit licht bezien, is het hof van oordeel dat Stichting Beheer onvoldoende belang heeft bij het onderhavige verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. In de schadeloosstellingsprocedure op de voet van artikel 6:11 Wft, die bij de Ondernemingskamer aanhangig is, en waarin Stichting Beheer als betrokkene is verschenen, stelt de Ondernemingskamer, voor zover zij aannemelijk acht dat het aanbod van de Minister geen volledige vergoeding vormt voor de door betrokkene geleden schade, voor betrokkene een hogere schadeloosstelling vast. Die schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor de schade die betrokkene rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn vermogensbestanddeel, effect of vordering of vervallen recht lijdt (artikel 6:8 lid 1 Wft). De Ondernemingskamer heeft met het oog op de vaststelling van de schadeloosstelling in het onderhavige geval deskundige voorlichting wenselijk geacht en heeft bij beschikking van 26 februari 2016 een deskundigenonderzoek gelast naar de werkelijke waarde, in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft, van (onder meer) de (onteigende) effecten en vermogensbestanddelen van Stichting Beheer. Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer de deskundigen opgedragen alle omstandigheden in aanmerking te nemen die voor die waarde (van de effecten en vermogensbestanddelen) bepalend zijn. Dat betekent dat alle aspecten die volgens Stichting Beheer noodzakelijk zijn voor de waardebepaling en waarover zij in het voorlopig getuigenverhoor getuigen wil laten horen, in het kader van het deskundigenonderzoek in de schadeloosstellingsprocedure door Stichting Beheer aan de orde kunnen worden gesteld. Bij deze stand van zaken, heeft Stichting Beheer niet een rechtens te respecteren belang bij het doen horen van de door haar bedoelde getuigen in een voorlopig getuigenverhoor.”

2.5.

Bij op 16 november 2016 – en dus tijdig – bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft Stichting Beheer cassatieberoep ingesteld. SNS Reaal en de Staat hebben ieder verzocht het beroep te verwerpen.

3 Inleiding

3.1.

Zoals bekend heeft de onteigening van de SNS-aandeelhouders in 2013 tot diverse procedures geleid. Ik noem allereerst de schadeloosstellingsprocedure op grond van art. 6:8-6:10 Wft. In deze zaak heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 26 februari 2016 een deskundigenonderzoek gelast (zie ook hiervoor onder 1.9). Ten tweede noem ik het enquêteverzoek van de Vereniging van Effectenbezitters en anderen. De ondernemingskamer heeft bij beschikking van 8 juli 2015 geoordeeld dat de verzoekers enquêtebevoegd zijn, ondanks het feit dat strikt genomen niet was voldaan aan de kapitaalseisen van art. 2:346 BW.5 De tegen dit oordeel gerichte cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad verworpen.6 Dan is er de onderhavige zaak: een verzoek aan de gewone burgerlijke rechter tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Bij al deze zaken7 is sprake van “onontgonnen terrein” omdat (voor wat betreft onteigening op grond van deel 6 van de Wet op het financieel toezicht) precedenten ontbreken.8

3.2.

In de onderhavige procedure verzoekt Stichting Beheer op de voet van art. 186 e.v. Rv het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Dit getuigenverhoor is volgens Stichting Beheer nodig in verband met een voorgenomen schadevergoedingsprocedure bij de burgerlijke rechter op grond van wanprestatie en/of onrechtmatige daad. Stichting Beheer verwijt SNS Reaal (1) dat zij ten onrechte informatie heeft verzwegen over de gang van zaken die uiteindelijk heeft geleid tot de onteigening en (2) dat zij haar bezwaar tegen het SREP-besluit van DNB heeft ingetrokken.9 De als gevolg hiervan te lijden schade bestaat er volgens Stichting Beheer in (zie de cassatiedagvaarding, p. 4, onder D) dat zij beperkt en benadeeld is bij het bepleiten van haar standpunt inzake de juiste hoogte van de werkelijke waarde van respectievelijk de volledige vergoeding voor de onteigende effecten in de schadeloosstellingsprocedure van art. 6:8-6:10 Wft.

3.3.

In formeel opzicht staat de onderhavige procedure los van de schadeloosstellingsprocedure van art. 6:8-6:10 Wft. Het verzoek van Stichting Beheer tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor zal “gewoon” moeten worden beoordeeld aan de hand van art. 186 Rv. De achterliggende vraag is echter of een procedure bij de gewone burgerlijke rechter zich wel verdraagt met de schadeloosstellingsprocedure. De onderhavige procedure heeft dus wel veel met de schadeloosstellingsprocedure te maken. De schadeloosstellingsprocedure loopt overigens momenteel nog.

3.4.

Het hof heeft (evenals de rechtbank) het verzoek afgewezen omdat Stichting Beheer daarbij onvoldoende (rechtens te respecteren) belang heeft. De motivering van het oordeel van het hof komt erop neer dat de door de ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure vast te stellen schadeloosstelling een volledige vergoeding van de schade vormt en dat Stichting Beheer haar punten in het door de ondernemingskamer bevolen deskundigenonderzoek naar voren kan brengen.

3.5.

Ik wijs erop dat het hof heeft vastgesteld dat, volgens Stichting Beheer zelf, de door haar mogelijk te lijden schade uitsluitend ziet op de waarde van de onteigende effecten.10 In cassatie is dit niet bestreden.

4 De bespreking van het cassatiemiddel

4.1.

De klacht van het cassatiemiddel is dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering het verzoek van Stichting Beheer tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen wegens het ontbreken van voldoende belang.

4.2.

De toelichting op het middel in de cassatiedagvaarding vat ik als volgt samen:

- In cassatie moet veronderstellenderwijs worden aangenomen dat Stichting Beheer een lagere schadeloosstelling voor haar onteigende effecten zal (kunnen) worden toegekend dan indien SNS Reaal de verzwegen informatie wel volledig en tijdig aan Stichting Beheer zou hebben verstrekt.

- Aan het belang van Stichting Beheer doet niet af dat door het voorlopig getuigenverhoor informatie zal vrijkomen die nog in de schadeloosstellingsprocedure zal kunnen worden ingebracht.

- De suggestie dat het verloop van het deskundigenonderzoek moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen of er wel sprake is van verzwegen informatie, miskent dat dan verborgen blijft welke aanvullende informatie uit het (immers alsdan niet gehouden) voorlopig getuigenverhoor had kunnen komen.

- Ondanks het feit dat de door de ondernemingskamer vast te stellen schadeloosstelling tussen Stichting Beheer en de Minister van Financiën gezag van gewijsde zal krijgen, kan SNS Reaal, als zelf niet bij de ondernemingskamerprocedure betrokken partij, worden veroordeeld tot vergoeding van schade aan Stichting Beheer op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.

- Stichting Beheer zal in de schadeloosstellingsprocedure alle naar haar inzicht relevante aspecten wel mogen aandragen, maar Stichting Beheer zal dit door het verzwijgen door SNS Reaal niet kunnen doen.

- Het hof heeft miskend dat de ‘geen belang, geen actie’-barrière slechts met grote terughoudendheid mag worden ingeroepen.

- Waar in de schadeloosstellingsprocedure (op basis van art. 6:10 en 11 Wft en art. 198 Rv) de regie in handen is van de benoemde deskundigen, zou Stichting Beheer in een voorlopig getuigenverhoor tot op grote hoogte zelf de regie hebben. Het getuigenverhoor kan bovendien op relatief korte termijn worden georganiseerd, hetgeen niet geldt voor het deskundigenonderzoek.

- Stichting Beheer zal in het getuigenverhoor de vragen mede specifiek kunnen richten op de rechtsplicht tot het verschaffen van informatie. Die kwestie speelt in de ondernemingskamerprocedure geen relevante rol.

4.3.

Ik meen dat het cassatiemiddel ongegrond is. Ik licht dit als volgt toe.

4.4.

Het voorlopig getuigenverhoor is geregeld in art. 186 e.v. Rv. Volgens lid 1 van art. 186 Rv kan de rechter, in gevallen waarin de wet getuigenbewijs mogelijk maakt, een voorlopig getuigenverhoor bevelen voordat een zaak aanhangig is. Op grond van lid 2 is dit ook mogelijk tijdens een lopende procedure. Een verzoek dat aan de eisen voldoet wordt door de rechter toegewezen, tenzij sprake is van een afwijzingsgrond.11 De in de jurisprudentie erkende afwijzingsgronden zijn het ontbreken van belang, misbruik van bevoegdheid, strijd met een goede procesorde of de aanwezigheid van een ander zwaarwichtig bezwaar.12 Deze afwijzingsgronden kunnen niet altijd nauwkeurig van elkaar worden onderscheiden; er kan sprake zijn van overlap.13 Bij de afwijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wegens strijd met een goede procesorde kan mede een rol spelen dat in het hoofdgeding mogelijk een concrete bewijsopdracht zal worden gegeven.14

4.5.

Over de schadeloosstellingsprocedure heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 20 maart 201515 het volgende overwogen:

“4.2.2 Art. 6:2 Wft bevat een bijzondere regeling voor de onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van financiële ondernemingen die in buitengewone omstandigheden verkeren. In art. 6:2 lid 7 Wft is daarom bepaald dat de Onteigeningswet niet van toepassing is (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 059, nr. 3, p. 70).

Uit het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Interventiewet volgt dat bij het opstellen van Deel 6 van de Wft waar mogelijk is aangesloten bij de wijze waarop vergelijkbare onderwerpen in de Onteigeningswet zijn geregeld (vgl. Kamerstukken II, 2011-2012, 33 059, nr. 3, p. 35).

4.2.3

Art. 6:8 Wft bepaalt dat de rechthebbende ten aanzien van een krachtens art. 6:2 onteigend vermogensbestanddeel of effect recht heeft op schadeloosstelling, dat de schadeloosstelling een volledige vergoeding vormt voor de schade die de rechthebbende rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn vermogensbestanddeel of effect (lid 1), en dat vergoed wordt de werkelijke waarde die het onteigende vermogensbestanddeel of effect, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt, heeft (lid 2). Ingevolge art. 6:9 Wft wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde van een onteigend vermogensbestanddeel of effect, uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de betrokken financiële onderneming in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (lid 1). Indien de betrokken onderneming voorafgaand aan het besluit tot onteigening van overheidswege financiële steun heeft ontvangen, wordt de waarde die deze steun vertegenwoordigt in bedoelde prijs verdisconteerd (lid 2).

(…)

4.8.1

Art. 6:10 Wft bepaalt dat de schadeloosstelling wordt vastgesteld door de ondernemingskamer (lid 1) en dat de Minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zeven dagen nadat het besluit tot onteigening onherroepelijk is geworden, een aanbod tot schadeloosstelling doet en de ondernemingskamer verzoekt de schadeloosstelling overeenkomstig dat aanbod vast te stellen (lid 2). Ingevolge art. 6:11 Wft behandelt de ondernemingskamer het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken (lid 1) en stelt de ondernemingskamer de schadeloosstelling vast overeenkomstig het aanbod van de Minister, tenzij zij aannemelijk acht dat het aanbod geen volledige vergoeding vormt van de door betrokkene geleden schade (lid 2). Indien het aanbod geen volledige vergoeding vormt van de door betrokkene geleden schade, stelt de ondernemingskamer met inachtneming van de art. 6:8 en 6:9 Wft – weergegeven hiervoor in 4.2.3 – voor betrokkene een hogere schadeloosstelling vast (lid 3).

4.8.2

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de art. 6:10 en 6:11 Wft kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de ondernemingskamer zelfstandig de schadeloosstelling vaststelt (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 059, nr. 3, p. 75-76). Met art. 6:10 lid 1 Wft is gewaarborgd dat de schadeloosstelling in alle gevallen door de rechter wordt bepaald, ongeacht of de onteigende partij in de procedure verschijnt (Kamerstukken II, t.a.p.). Het aanbod van de Minister dient in de procedure tot vaststelling van de schadeloosstelling tot uitgangspunt, in die zin dat de onteigenden op basis van het aanbod hun positie kunnen bepalen zonder dat de ondernemingskamer zich eerst een (voorlopig) oordeel behoeft te vormen over wat een passende schadeloosstelling zou kunnen zijn:

“Bij de vaststelling van de schadeloosstelling mag de ondernemingskamer uitgaan van het door de minister gedane aanbod (artikel 6:11, tweede lid). Zij behoeft zich niet eerst zelf een (voorlopig) oordeel te vormen over wat een passende schadeloosstelling zou kunnen zijn. Het feit dat de ondernemingskamer van het aanbod van de minister mag uitgaan, heeft tevens als voordeel dat onteigenden niet eerst het oordeel van de ondernemingskamer behoeven af te wachten, maar in beginsel meteen nadat het verzoekschrift tot vaststelling van de schadeloosstelling is ingediend, hun positie kunnen bepalen. Als zij het aanbod van de minister te laag vinden, kunnen zij zich bij verweerschrift tot de ondernemingskamer wenden met het verzoek om een hogere schadeloosstelling vast te stellen.

De ondernemingskamer kan een hogere schadeloosstelling vaststellen, als zij aannemelijk acht dat de door de minister aangeboden schadeloosstelling geen volledige vergoeding vormt voor de ten gevolge van de onteigening geleden schade. Dit betekent dat onteigenden niet noodzakelijk ieder voor zich behoeven aan te tonen dat de aangeboden schadeloosstelling hun schade niet volledig dekt. De ondernemingskamer kan zich bij de vaststelling van de schadeloosstelling ook baseren op feiten en omstandigheden die door andere onteigenden zijn aangedragen of op een door haar zelf bevolen deskundigenrapport (artikel 194 Rv). De vrijheid die de ondernemingskamer heeft in de bewijsmiddelen die zij aan de vaststelling van de schadeloosstelling ten grondslag legt, betekent overigens niet dat zij ook in andere opzichten vrij is in het toekennen van schadeloosstellingen. De schadeloosstellingen dienen binnen de grenzen van de artikelen 6:8 en 6:9 te blijven.” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 059, nr. 3, p. 76)

Uit deze passage volgt dat het aanbod weliswaar (om proceseconomische redenen) tot uitgangspunt mag dienen, maar dat de ondernemingskamer – ongeacht of verweer is gevoerd en binnen de grenzen van art. 6:8 en 6:9 Wft – de hoogte van de schadeloosstelling zelfstandig vaststelt, en dat zij zich daarbij kan baseren op alle in de procedure gebleken feiten en omstandigheden of op een door haar zelf bevolen deskundigenbericht. Hierbij verdient opmerking dat de keuze van de wetgever voor de ondernemingskamer is ingegeven door de expertise die deze kamer heeft in procedures waarin waarderingsaspecten spelen, terwijl zij ook beschikt over waarderingsdeskundigen onder haar raden. (Kamerstukken II t.a.p. en Kamerstukken I, 2011-2012, 33 059, C, p. 3). (…)”

4.6.

Zoals hiervoor onder 3.2 al vermeld, staat Stichting Beheer voor ogen bij de gewone burgerlijke rechter schadevergoeding te vorderen op grond van de stelling dat de door de ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure vast te stellen schadeloosstelling te laag zal zijn omdat Stichting Beheer beperkt is/wordt in het bepleiten van haar standpunt inzake de werkelijke waarde van de effecten. Die doelstelling staat mijns inziens op gespannen voet met de regeling van de schadeloosstellingsprocedure. Het oordeel over de vergoeding die de onteigenden toekomt is in beginsel een exclusieve bevoegdheid van de ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure. Als gezegd, vormt de in deze procedure vast te stellen schadeloosstelling een volledige vergoeding van alle als gevolg van de onteigening geleden schade.16 De uitspraak van de ondernemingskamer is bovendien voor alle betrokken partijen bindend. Ook al is de financiële onderneming waarvan de aandelen zijn onteigend zelf geen partij in de schadeloosstellingsprocedure, het lijkt mij ongewenst dat de onteigenden buiten de schadeloosstellingsprocedure om tegen deze onderneming procederen over de schade als gevolg van de onteigening.17

4.7.

Gelet op het voorgaande heeft het hof naar mijn mening geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het verzoek af te wijzen wegens gebrek aan (rechtens te respecteren) belang. De beschikking is ook niet ontoereikend gemotiveerd. In de beschikking van het hof klinkt terecht door dat het verzoek van Stichting Beheer een kwestie betreft die in de schadeloosstellingsprocedure thuishoort. Ik begrijp de beschikking van het hof overigens zo, dat het verzoek ook afstuit op de eisen van een goede procesorde.18

4.8.

Het volgende is nog van belang. Op grond van art. 6:11 lid 1 Wft behandelt de ondernemingskamer het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken (zie ook het hiervoor opgenomen citaat van de beschikking van de Hoge Raad). Het gaat dus om een verzoekschriftprocedure als bedoeld in titel III van boek 1 Rv. Daarop is op grond van art. 284 lid 1 Rv het bewijsrecht (boek I, titel 2, afdeling 9 Rv) van toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

4.9.

Duidelijk is dat de ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen kan benoemen op de voet van art. 194 Rv. Ik zou willen verdedigen dat de ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure ook getuigen kan horen, ambtshalve dan wel op verzoek van een partij of een belanghebbende. Aan een (voorlopig) getuigenverhoor kan behoefte bestaan naast het deskundigenonderzoek. Deskundigen kunnen bijvoorbeeld niet onder ede getuigen horen. Dat – ook – het horen van getuigen in de schadeloosstellingsprocedure mogelijk is, is in lijn met de opmerking in de memorie van toelichting bij de Interventiewet dat de ondernemingskamer vrijheid heeft “in de bewijsmiddelen die zij aan de vaststelling van de schadeloosstelling ten grondslag legt”.19

4.10.

Of de regelingen omtrent het getuigenverhoor (art. 163 e.v. Rv) en het voorlopig getuigenverhoor (art. 186 e.v. Rv) in de schadeloosstellingsprocedure ook van overeenkomstige toepassing zijn in die zin dat er een recht op getuigenbewijs bestaat, is een andere vraag. Betoogd kan worden dat dit in strijd is met het feit dat de ondernemingskamer de schadeloosstelling zelfstandig vaststelt.20 Toch kan de ondernemingskamer mijns inziens niet zomaar aan een deugdelijk gemotiveerd verzoek tot het horen van getuigen voorbij gaan. Ik acht dit van belang omdat, als gezegd, in de schadeloosstellingsprocedure de door de onteigening geleden schade definitief en voor alle betrokkenen bindend wordt vastgesteld. De vaststelling van de schadeloosstelling moet daarom heel zorgvuldig gebeuren. Ik merk daarbij op dat de schadeloosstellingsprocedure niet een procedure is waarbij de voortvarende afhandeling voorop staat, zoals de enquêteprocedure en de procedure op grond van de Onteigeningswet.21

Ik meen daarom dat, wanneer in de schadeloosstellingsprocedure een partij of een belanghebbende een verzoek doet tot het bevelen van een (voorlopig) getuigenverhoor, de ondernemingskamer zal moeten beoordelen of het voor de vaststelling van de schadeloosstelling van belang is dat de feiten waarover de getuigen kunnen verklaren komen vast te staan. Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, zal deze beslissing deugdelijk moeten worden gemotiveerd.

4.11.

Tot slot nog een opmerking ten overvloede. In de toelichting op het cassatiemiddel is opgemerkt dat SNS Reaal zelf geen partij is bij de schadeloosstellingsprocedure en daarom niet verplicht is aan het deskundigenonderzoek mee te werken (art. 198 lid 3 Rv). Stichting Beheer heeft hiermee op zichzelf een interessant punt aangesneden. SNS Reaal valt, hoewel zij de onderneming is waarvan de effecten zijn onteigend, zelf strikt genomen niet onder de werking van art. 198 lid 3 Rv. 22

Dit gegeven mag mijns inziens niet nadelig uitpakken voor de onteigenden, in die zin dat de ondernemingskamer door een eventueel gebrek aan medewerking van de zijde van SNS Reaal moeilijkheden zou ondervinden bij het vaststellen van de schadeloosstelling. Ik meen dat, ook al is SNS Reaal formeel geen partij, de ondernemingskamer in geval van een gebrek aan medewerking van die zijde, daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht (art. 198 lid 3 Rv).

5 De conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking van 16 augustus 2016 onder 2. Tegen de feitenvaststelling is in cassatie niet opgekomen.

2 Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 8 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1966, JOR 2013/250; HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361; Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:594, JOR 2016/98. Zie ook de nadere beschikking van de ondernemingskamer van 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3366.

3 Rb Amsterdam 15 januari 2015, JOR 2015/73 m.nt. K. Frielink.

4 ECLI:NL:GHAMS:2016:3360.

5 Zie Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 8 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2779, JOR 2015/260.

6 Zie HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2456, NJ 2017/74 en HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2518.

7 Zie ook nog HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:546, over het intrekken door SNS Reaal en SNS Bank van de zogenoemde 403-verklaringen.

8 Het onteigeningsbesluit en de in verband daarmee bij de ondernemingskamer aanhangig gemaakte schadeloosstellingsprocedure zijn gebaseerd op Deel 6 Wft, welk deel is ingevoerd bij gelegenheid van de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen van 24 mei 2012 (Interventiewet). Deze wet is ten aanzien van de hier aan de orde zijnde bepalingen van de Wft, in werking getreden op 13 juni 2012 en werkt terug tot en met 20 januari 2012 (vgl. art. VI, Stb. 2012/241). Zie rov. 4.1 van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361) en par. 5 van mijn conclusie in die zaak.

9 Zie het verzoekschrift tot cassatie p. 3.

10 Zie rov. 3.4, tweede volzin van de bestreden beschikking.

11 Aangenomen wordt dat de rechter hier geen discretionaire bevoegdheid heeft. Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 3 2013/242 en Evelyne Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (diss. VU, 2015), nr. 228 en T&C Rv, commentaar op art. 186 Rv (Van Nispen, 2016), aant. 4.

12 Zie HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005/442 (Frog/Floriade) en HR 21 november 2008, ECLI:NL:2008:BF3938, NJ 2008/608 (Udo/Renault). Zie ook Evelyne Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (diss. VU, 2015), nr. 227 e.v.

13 Zie het al genoemde arrest Udo/Renault. Het hof had het verzoek afgewezen wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad overwoog dat het hof tot uitdrukking had gebracht dat het verzoek strijdig was met een goede procesorde. Zie ook Evelyne Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (diss. VU, 2015), nr. 233-234.

14 Zie het al genoemde arrest Udo/Renault en Asser Procesrecht/Asser 3 2013/243.

15 HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361.

16 Zie ook Kamerstukken II, 2011-2012, 33059, nr. 3, p. 73: “een volledige vergoeding voor alle schade”.

17 Het onderhavige geval wijkt duidelijk af van hetgeen speelde in HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1273, NJ 2017/57. In dit laatste geval vorderde de onteigende van de Gemeente Tiel in de onteigeningsprocedure schadevergoeding vanwege volgens de onteigende door de Gemeente veroorzaakte bodemverontreiniging. Die bodemverontreinigingsschade was duidelijk geen schade die het gevolg was van de onteigening. Die schade kon niet in de onteigeningsprocedure worden gevorderd.

18 Vgl. het al genoemde arrest HR 21 november 2008, ECLI:NL:2008:BF3938, NJ 2008/608 (Udo/Renault), rov. 3.3.

19 Kamerstukken II, 2011-2012, 33059, nr. 3, p. 76. Ook geciteerd door de Hoge Raad in de beschikking van 20 maart 2015 onder rov. 4.8.2 (zie het hiervoor onder 4.5 opgenomen citaat).

20 Vgl. HR 6 mei 1960, NJ 1960/426 (Volksbelang/Eindhoven) en hierover Van der Gouw & Sluysmans, Onteigeningsrecht (MM SBR) 2015/4.3.

21 Voor de (tweede fase van de) enquêteprocedure heeft de Hoge Raad in de Laurus-beschikking geoordeeld dat de ondernemingskamer niet gehouden is om in te gaan op een aanbod tot bewijslevering. De Hoge Raad nam daarbij, behalve het spoedeisende karakter van de enquêteprocedure, onder meer in aanmerking dat de vaststelling door de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is, nog niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat beleid impliceert. Zie HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443 (Laurus), rov. 3.8 en 3.9. Voor de gewone onteigeningsprocedure heeft de Hoge Raad in de zaak Volksbelang/Eindhoven (HR 6 mei 1960, NJ 1960/426) geoordeeld dat de rechter niet verplicht is op verzoek een getuigenverhoor te bevelen omdat dat niet overeenstemt met de aard van de procedure. De Hoge Raad overwoog dat de rechter zelfstandig de schadeloosstelling vaststelt en dat art. 31 en 33 Onteigeningswet een bijzondere regeling geeft omtrent het horen van personen wier inlichtingen voor een betere beoordeling van de zaak nodig zijn. Zie over de aard van de onteigeningsprocedure: Van der Gouw & Sluysmans, Onteigeningsrecht (MM SBR) 2015/4.3.

22 Deze kwestie is, voor wat betreft het verstrekken van gegevens, ook aan de orde gekomen in de beschikking van de ondernemingskamer van 26 februari 2016. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.77 overwogen dat de minister zich bereid heeft verklaard zich ervoor in te spannen dat voor zover noodzakelijke gegevens berusten onder SNS Reaal, SNS Bank of Propertize, die gegevens door deze partijen aan de deskundigen worden verstrekt. In rov. 3.80 is overwogen dat de ondernemingskamer er vanuit gaat dat de minister ervoor heeft zorg gedragen dat hij in staat is alle door de deskundigen op te vragen informatie met betrekking tot SNS Reaal en haar (toenmalige) groepsmaatschappijen te verstrekken.