Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:125

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/02894
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:378, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht medeplegen van gebruikmaken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst door valse facturen in te dienen bij de gemeente Tiel, art. 225.2 Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02971, 15/03319, 15/03321 en 15/03322.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02894

Zitting: 17 januari 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 17 juni 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 (a) Sr. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander als weergegeven in het bestreden arrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 15/02971, 15/03319, 15/03321 en 15/03322. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat de door het hof gebezigde bewijsvoering de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet kan dragen.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

hij op tijdstippen in de periode van 13 januari 2011 tot en met 28 juli 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen, zijnde die facturen geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen

- als ware die geschriften telkens echt en onvervalst en bestaande die valsheid telkens hierin dat:

- op deze facturen cliënten stonden welke reeds waren uitgeschreven (uit het reïntegratiesysteem) bij de gemeente Tiel en

- op deze facturen bedrijven stonden welke reeds waren uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en

- telkens op deze facturen reeds verrichte werkzaamheden vermeld zijn en/of gefactureerd zijn, terwijl geen werkzaamheden verrichten zijn en niet verrichten zouden gaan worden, en bestaande die gebruikmaking telkens hierin dat verdachte en/of zijn mededader voormelde facturen:

- ter betaling hebben ingediend bij (de administratie van) de gemeente Tiel en/of waarna in veel gevallen (conform facturering) door de gemeente Tiel of de gemeente Neerijnen of de gemeente West Maas en Waal of de gemeente Neder-Betuwe werden uitbetaald.“

6. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv.

7. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangegeven dat de feiten 1 en 3 worden erkend. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat niet is gebleken van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is geweest van medeplegen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat verdachte de facturen heeft opgesteld en dat de facturen door hem zijn ingediend.

Het hof overweegt hierover als volgt.
Door de verdediging is ter terechtzitting van het hof niet bestreden dat de facturen vals zijn. De respectieve eigenaren van de bedrijven [A] , [B] en [C] hebben verklaard de bedrijven niet te kennen en nooit enige beschikkingsmacht te hebben gehad over de bedrijven en de bijbehorende bankgegevens. Daarnaast zijn in de woning van verdachte en zijn moeder, de woning van een buurman van verdachte en in de auto van verdachte diverse bescheiden aangetroffen die een directe link hebben met deze bedrijven. Verdachte heeft verklaard dat deze bescheiden van hem zijn en zijn buurman en moeder niets met deze zaken te maken hebben. Ook is verdachte door de drie eigenaren van de hiervoor genoemde bedrijven, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] herkend als de persoon die hen heeft benaderd om de betreffende bedrijven op te zetten. Tevens is in de woning van de buurman van verdachte (adres [a-straat 1] te Amsterdam) een factuur van [A] ten behoeve van klant [betrokkene 4] en een factuur van [B] met daarop handgeschreven het rugnummer van [medeverdachte 1] aangetroffen. Ook blijkt uit onderzoek naar de telefoongegevens dat [medeverdachte 1] en verdachte veelvuldig contact hadden. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting van het hof als (op verzoek van de verdediging gehoorde) getuige in de zaak tegen verdachte onder meer verklaard dat zij verdachte opbelde om hem de gegevens - te vermelden op de facturen - aan te reiken en de rekeningnummers op de facturen te controleren, voordat zij de gegevens in het GWS-systeem van de gemeente Tiel inbracht.

Het hof is van oordeel dat uit deze bewijsmiddelen volgt dat het niet anders kan dan dat verdachte nauw betrokken is geweest bij de oprichting van de verschillende bedrijven, dat de bedrijven, die op naam van zogenoemde katvangers staan, zijn opgericht om strafbare feiten te kunnen plegen, dat verdachte feitelijk de beschikking had over de bedrijfsgegevens en bijbehorende bankgegevens van deze bedrijven en dat verdachte samen met [medeverdachte 1] deze gegevens en bedrijven heeft gebruikt ten behoeve van het opmaken van valse facturen (en het vervolgens kunnen wegsluizen van gelden). Verdachte was ook in het bezit van een valse factuur. Alle betrokken facturen zijn met daarop handgeschreven het zogenoemde rugnummer van [medeverdachte 1] in het GWS systeem gebracht en gefiatteerd. Op basis van deze valse facturen zijn de gemeenten Tiel, Neerijnen, West Maas en Waal en Neder-Betuwe overgegaan tot betaling van een geldbedrag van in totaal € 262.265,-.

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voldoende vaststaan dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de valse facturen door deze facturen ter betaling bij de gemeente Tiel in te dienen. Hierna werden ze door [medeverdachte 1] - met gebruikmaking van haar eigen rugnummer - in het GWS-systeem gebracht en vervolgens werd door haar de uitbetaling bewerkstelligd.”

8. Uit de toelichting volgt dat het middel zich toespitst op het medeplegen van het gebruikmaken. Volgens de steller van het middel kan de verdachte niet als medepleger van het gebruikmaken van de valse facturen worden beschouwd, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte een (actieve) rol heeft gespeeld bij het indienen van de facturen en het verwerken daarvan. Evenmin blijkt dat hij überhaupt wist hoe dit in zijn werk ging. Dat de gegevens op de factuur bij hem werden gecontroleerd en dat gegevens die op de factuur moesten staan aan hem werden doorgegeven, maakt dit niet anders, aldus de steller van het middel.

9. Blijkens de vaststellingen van het hof gaat het in deze zaak om (onder meer) het indienen van valse facturen bij de administratie van verschillende gemeenten. Door middel van deze valse facturen werden de gemeenten opgelicht, waarvoor de verdachte eveneens is veroordeeld. De valse facturen werden door een medeverdachte bij de administratie van de gemeente ingediend. De vraag die het middel aldus opwerpt is of de verdachte strafbaar is voor het medeplegen van gebruikmaken van de valse facturen, terwijl hij zelf de facturen niet heeft ingediend. De vraag is derhalve of er voldoende andere omstandigheden zijn op basis waarvan de verdachte als medepleger van het tenlastegelegde gebruik van valse geschriften kan worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring hiervan is uiteraard niet noodzakelijk dat verdachte het geschrift vals heeft opgemaakt. De vraag wie de valse facturen heeft vervaardigd, is dus niet beslissend.

10. Vooropgesteld moet worden dat van het gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst – een en ander in de zin van art. 225, tweede lid, Sr – sprake is indien de gebruiker het geschrift bezigt als middel tot misleiding van hem ten aanzien van wie hij daarvan gebruikmaakt en zich dus tegenover deze gedraagt als ware het geschrift echt en onvervalst.1 Daaruit volgt dat met de gebruikmaking een zeker doel wordt bewerkstelligd.2 In dat kader omvat het gebruikmaken van art. 225, tweede lid, Sr dus meer dan de fysieke handeling (in casu het indienen) waarbij het gebruikmaken tot uiting komt. In tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt is voor het medeplegen van het gebruikmaken van de valse facturen dan ook niet zonder meer vereist dat de verdachte op de hoogte was van de manier waarop de facturen bij de gemeente werden ingediend.3

11. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 juni 2015 heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting naar voren gebracht dat het feitencomplex waarop deze zaak betrekking heeft uit drie stappen bestaat, die overeenkomen met de drie tenlastegelegde feiten valsheid in geschrift, oplichting en witwassen.4 Deze drie stappen kunnen echter niet zonder meer uit elkaar worden getrokken en moeten in onderlinge samenhang met elkaar worden bezien. De tenlastegelegde en bewezenverklaarde (en door verdachte ook niet betwiste) oplichting vond plaats middels het gebruik van de valse facturen. Dat gebruik betrof dus een onderdeel van het vooropgezette plan dat moest leiden tot de oplichting. Dit heeft het hof mijns inziens ook tot uitdrukking gebracht in de hierboven weergegeven overweging.

12. Zoals bekend heeft de Hoge Raad in de overzichtsarresten van december 2014 enkele aandachtspunten ten aanzien van medeplegen geformuleerd.5 Voor medeplegen is in elk geval vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht.

13. In aanmerking genomen dat het hof heeft overwogen dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de oprichting van de verschillende bedrijven, dat deze bedrijven zijn opgericht om strafbare feiten te kunnen plegen, dat de verdachte feitelijk de beschikking had over de bedrijfsgegevens en bijbehorende bankgegevens van deze bedrijven en dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] deze gegevens en bedrijven heeft gebruikt ten behoeve van het opmaken van valse facturen, dat verdachte ook in het bezit was van een valse factuur en dat verdachte een deel van de op basis van het gebruik van de valse facturen uitgekeerde gelden contant opnam (zie bijvoorbeeld bewijsmiddel 7), kan het medeplegen van het gebruik van de valse facturen door verdachte uit de gebezigde bewijsvoering worden afgeleid.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0790 en HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006: AW2428.

2 F.C. Bakker, Valsheid in geschrift (diss. Groningen) Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985, p. 126.

3 Ik wijs er overigens op dat de bewezenverklaring van feit 3 onder meer inhoudt het tezamen en in vereniging met een ander indienen en inbrengen in het systeem van de gemeente Tiel (enz.) van (nep)facturen. In het licht van de erkenning van dit feit door verdachte is het middel zonder nadere toelichting omtrent die erkenning op zijn minst curieus. Desondanks wordt het hier serieus besproken.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15 juni 2015, p. 2.

5 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:3637, NJ 2015/391 beide m.nt. Mevis.