Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1249

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17/03993
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2895, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Machtiging voortgezet verblijf. Stoornis van de geestvermogens? Daaruit voortvloeiend gevaar? Samenhang met zaak 17/04119.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03993

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 6 oktober 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over een verleende machtiging tot voortgezet verblijf. De klachten hebben betrekking op de vastgestelde stoornis van de geestvermogens en op de vraag of het gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoekster tot cassatie (geboren in 1966, hierna: betrokkene) is op grond van een voorlopige machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.2

Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Limburg ingekomen op 6 februari 2017, heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 15 – 17 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een op 31 januari 2017 ondertekende geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur gevoegd, die betrokkene met het oog hierop heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1].

1.3

Op 14 februari 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en haar advocaat alsmede de psychiater in opleiding (i.o.) [betrokkene 2]. Namens betrokkene is verzocht om een contra-expertise.

1.4

Bij beschikking van 28 februari 2017 heeft de rechtbank de psychiater [betrokkene 4] benoemd tot deskundige teneinde betrokkene te onderzoeken, aan de deskundige een aantal vragen voorgelegd en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.5

Op 19 april 2017 heeft de deskundige [betrokkene 4] schriftelijk rapport uitgebracht. Op 9 mei 2017 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling voortgezet in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat en de psychiater i.o. [betrokkene 2]. Tijdens de behandeling heeft de rechtbank telefonisch de behandelend psychiater [betrokkene 3] gehoord.1

1.6

Bij beschikking van 16 mei 2017 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn die eindigt op 19 februari 2018.

1.7

Namens betrokkene is – tijdig2 – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 16 mei 2017. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Art. 15 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter (a) de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en (b) het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

2,2 Onderdeel I mondt uit in de klacht dat het oordeel in rov. 1.8, dat in dit geval is voldaan aan de in art. 15 lid 2 Wet Bopz genoemde vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf, onjuist is, althans onbegrijpelijk nu betrokkene – blijkens de in het middelonderdeel genoemde gedingstukken, waaronder het rapport van de deskundige [betrokkene 4] − geen stoornis en geen daaruit voortvloeiend gevaar heeft laten zien sinds 10 februari 2017.

2.2

Zoals gezegd vereist art. 15 lid 2 Wet Bopz niet alleen de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens, maar ook dat deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken (voor zichzelf, voor een of meer anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen: zie art. 1 lid 1 Wet Bopz). De wet stelt niet de eis dat de stoornis van de geestvermogens alle gedragingen van de betrokkene beheerst – ik geef slechts het voorbeeld van suïcidegevaar −, noch de eis dat de symptomen van de stoornis permanent waarneembaar zijn.

2.3

In de geneeskundige verklaring die bij het verzoekschrift is gevoegd heeft de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] de diagnose ‘paranoïde schizofrenie’ gesteld. In de geneeskundige verklaring heeft deze psychiater vermeld dat zij betrokkene niet zelf heeft kunnen onderzoeken: zij heeft haar twee keer kort gesproken op de afdeling, betrokkene heeft te kennen gegeven haar niet te willen spreken en heeft de deur voor haar gesloten. Een weigering van de patiënt om de psychiater te spreken vormt op zichzelf geen beletsel om, op basis van informatie van anderen en uit het medisch dossier, tot een medisch oordeel te komen dat aan een machtiging tot voortgezet verblijf ten grondslag kan worden gelegd; wel stelt zo’n beperking aan het onderzoek bijzondere eisen aan de psychiatrische rapportage en aan de motivering van het daarop gebaseerde rechterlijk oordeel. Aan de wetgever heeft een onderzoek voor ogen gestaan, waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen (voorlopige) machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 2 (c.q. artikel 15) zich voordoet.3

2.4

Het oordeel in rov. 1.8, dat sprake is van schizofrenie van het paranoïde type met recidiverende psychotische episodes en dat het betrokkene ontbreekt aan ziekte-inzicht en ziektebesef, vindt steun in de verklaring van de psychiater [betrokkene 1]. Ter zitting is namens betrokkene aangevoerd dat deze psychiater de genoemde stoornis niet op basis van eigen waarneming heeft vastgesteld en dat zij deze diagnose niet heeft onderbouwd met actuele feiten of omstandigheden. Het eerste is slechts in zoverre juist dat deze psychiater betrokkene niet of nauwelijks heeft kunnen spreken en observeren, omdat betrokkene medewerking aan het onderzoek weigerde. Dit is geen beletsel voor de rechtbank om mede gebruik te maken van deze geneeskundige verklaring. Naar aanleiding van de bezwaren van betrokkene tegen de geneeskundige verklaring heeft de rechtbank bij beschikking van 28 februari 2017 een deskundige benoemd. Deze kwam tot de volgende conclusie:

“Bij eigen onderzoek d.d. 15 maart 2017 en 12 april 2017 neem ik geen symptomen waar van een psychose, noch van een andere psychiatrische ziekte. Bij betrokkene bestaat ook geen persoonlijkheidsstoornis en er is zeker geen sprake van een verstandelijke beperking. Hierbij dient echter te worden aangetekend dat een psychiatrische diagnose is samengesteld uit een actueel toestandsbeeld en de beloopskenmerken. Het feit dat er bij betrokkene op het moment van mijn onderzoek geen psychiatrisch toestandsbeeld bestaat wil nog niet zeggen dat er dan ook geen sprake is van een psychiatrische ziekte of stoornis.(…)

Wanneer de beloopskenmerken in ogenschouw worden genomen dan moet de conclusie zijn dat er bij betrokkene een recidiverende psychotische stoornis bestaat met een chronisch, progressief beloop. Gelet op het beloop en de familieanamnese betreft het zeer waarschijnlijk schizofrenie.”

2.5

Zoals de deskundige vermeldt, betekent het feit dat betrokkene op het moment van zijn onderzoek geen psychiatrisch toestandsbeeld liet zien, niet dat er geen sprake is van een stoornis van de geestvermogens. De deskundige heeft naar de beloopskenmerken gekeken en is aan de hand daarvan tot de conclusie dat bij betrokkene een recidiverende psychotische stoornis bestaat. De deskundige beantwoordt de vraag of sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz dan ook bevestigend.4 Volgens de deskundige doet deze stoornis betrokkene gevaar veroorzaken. Dat gevaar bestaat uit: “een gerede kans dat zich het sociale en maatschappelijk verval, dat zich al eerder voordeed in eerdere psychotische episodes, opnieuw zal voordoen en dat betrokkene ook door haar, dan meestentijds onaangepaste gedrag, agressie van derden over zich zal afroepen”. Dat het te duchten nadeel zich sinds 10 februari 2017 niet heeft verwezenlijkt doet aan die gerede kans niet af. Ter zitting heeft de psychiater i.o. aangegeven dat betrokkene sinds het laatste depot zich meer is gaan terugtrekken. Daarnaast heeft de psychiater verklaard dat er een verslechtering bij betrokkene te zien is nu zij geen medicatie gebruikt. Daar komt bij dat betrokkene sinds 1990 meermalen opgenomen is geweest en sinds 1998 bekend is met recidiverende psychotische episoden. De deskundige acht de kans op een nieuwe psychotische episode zonder meer groot indien betrokkene weigert de antipsychotische medicatie te accepteren. 5

2.6

De rechtbank heeft in de beschikking van 16 mei 2017 overwogen:

“Gelet op de gehouden verhoren en de voorhanden gedingstukken in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is van schizofrenie van het paranoïde type met recidiverende psychotische episodes. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en ziektebesef. In het verleden is gebleken dat toepassing van antipsychotische medicatie bij betrokkene heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van haar psychiatrische toestand. Tevens is uit het verleden bekend dat zodra betrokkene haar medicatie stopte zij toenemend psychotisch werd. Gesteld kan dan ook worden dat de geestesstoornis zonder adequate behandeling betrokkene gevaar doet veroorzaken.”

2.7

De rechter mag volstaan met een verwijzing naar bepaalde gedingstukken, mits de daaruit naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om voor de lezer duidelijk te maken op welke grond(en) de rechter heeft aangenomen dat aan de wettelijke vereisten m.b.t. het gevaar is voldaan6. In dit opzicht voldoet de motivering ten aanzien van de stoornis van de geestvermogens aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft niet volstaan met een verwijzing naar de wettekst, maar is inhoudelijk ingegaan op de vereiste stoornis en vereiste gevaar. Aan het gevoerde verweer omtrent de gestelde stoornis heeft de rechtbank bovendien gevolg gegeven door het gelasten van nader onderzoek door een deskundige. Aan de hand van het resultaat van het nader psychiatrisch onderzoek is het verweer op deugdelijke gronden verworpen. Onderdeel I faalt.

2.8

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis.

2.9

In rov. 1.7 heeft de rechtbank overwogen dat de behandelaar een extramuraal verblijf mogelijk acht indien betrokkene bereid is aan haar behandeling mee te werken, maar dat die bereidheid ontbreekt. De redengeving vervolgt in rov. 1.8:

“(…) In het verleden is gebleken dat toepassing van antipsychotische medicatie bij betrokkene heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van haar psychiatrische toestand. Tevens is uit het verleden bekend dat zodra betrokkene haar medicatie stopte zij toenemend psychotisch werd. Gesteld kan dan ook worden dat de geestesstoornis zonder adequate behandeling betrokkene gevaar doet veroorzaken.”

2.10

De voorwaarde die aan betrokkene is voorgelegd, is een behandeling met antipsychotica als medicatie. Betrokkene heeft ter zitting aangegeven wel aan een voorwaardelijke machtiging te willen meewerken indien de voorwaarde van medicatie wordt vervangen door een signaleringssysteem. De rechtbank heeft deze alternatieve mogelijkheid besproken ter zitting. De behandelende artsen, gehoord tijdens de mondelinge behandeling, hebben verklaard dat (zonder medicatie) een signaleringssysteem een te groot risico is; de psychiater verwacht dat zonder medicatie betrokkene snel weer zal worden opgenomen. De rechtbank heeft dat standpunt gevolgd en alternatieve mogelijkheden (zonder onvrijwillige medicatie) afgewezen. Deze overwegingen laten geen andere conclusie toe dan dat de rechtbank van oordeel is dat het gevaar niet door tussenkomst van instellingen of personen buiten een instelling kan worden weggenomen. Het onderdeel faalt.

2.11

Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 Op dezelfde dag heeft de rechtbank een klaagschrift van betrokkene over een beslissing tot voortzetting van dwangbehandeling met medicatie behandeld. Daarover heeft de rechtbank uitspraak gedaan bij beschikking van 23 mei 2017. Heden wordt conclusie genomen in het tegen die beschikking ingestelde cassatieberoep onder nr. 17/04119.

2 Een faxkopie van het verzoekschrift is op 16 augustus 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Het originele ondertekende verzoekschrift tot cassatie is op 22 augustus 2017 ontvangen.

3 Vaste rechtspraak. Zie onder meer: HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2766, NJ 1999/103; HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5860, NJ 2009/25, BJ 2009/6.

4 Antwoord op vraag 1.b; zie blz. 14 van het rapport van [betrokkene 4] van 14 april 2017.

5 Zie blz. 15 onder 2.b en onder 3 van het rapport van [betrokkene 4] van 14 april 2017.

6 HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2166, NJ 1997/359 m.nt. JdB; HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221 m.nt. JdB. Zie voor een geval waarin de motivering tekort schoot: HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4771, NJ 2000/260.