Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1247

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/02073
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2871, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 359a Sv. Falende rechts- en motiveringsklacht over verwerping verweer dat sprake is van een vormverzuim (onrechtmatige vordering tot identificatie ex art. 2 Wet op de Identificatieplicht en daaropvolgende aanhouding van verdachte) begaan ‘bij het voorbereidend onderzoek’. 2. Falende strafmotiveringsklacht, art. 359.6 Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02073

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 maart 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met teruggave aan de uitgevende instantie van het in beslag genomen paspoort zoals in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat het gestelde verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Hij op 18 februari 2015 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Tsjechië met nummer [0001] , waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was, bestaande die vervalsing hierin dat de in voornoemd paspoort aangebrachte papierlaag over de zijde van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart (bestemd voor de persoons- en afgiftegegevens), de daaronder liggende originele bladzijde maskeert.”

3.3.

De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015039543-5 van 18 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 18 februari 2015 bevond ik mij in burger gekleed en met burgerdienst belast op de Willemsparkweg te Amsterdam. Ik zag een voertuig rijden waarin twee personen zaten. De bestuurder gaf mij het huurcontract van het voertuig alsmede zijn geldige rijbewijs. Hij bleek te zijn [betrokkene 1] . De bijrijder vertelde mij dat hij geen paspoort bij zich had en dat hij [betrokkene 2] heette. Ik heb [betrokkene 2] aangehouden ter zake Wet ID en hij is overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens is aan het politiebureau het paspoort gebracht van [betrokkene 2] . Ik zag dat het een Tsjechisch paspoort betrof voorzien van nummer [0001] . Uit een dactyloscopisch onderzoeksrapport is gebleken dat [betrokkene 2] in werkelijkheid moet zijn [verdachte] . Hierop heb ik het paspoort ter controle aangeboden bij de KMAR.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015039543-10 van 19 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 18 februari 2015 hoorde ik de verdachte het volgende aan [betrokkene 1] vragen: ‘Je weet waar ik leef toch? Hier is mijn huissleutel en ga mijn paspoort halen. Hij zit in mijn jaszak, welke hangt over de stoel ’. Vervolgens is [betrokkene 1] daadwerkelijk aan het politiebureau geweest en overhandigde hij aan een collega het paspoort.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met mutatienummer PL27QR/15-014656 van 18 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Onderzocht document: nationaal paspoort Tsjechië, nummer [0001] ten name van [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

Conclusie: de thans over de zijde, bestemd voor de persoons- en afgiftegegevens, van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart, aangebrachte papierlaag maskeert de daaronder liggende originele bladzijde. Het paspoort is derhalve vervalst.”

3.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 februari 2016 hebben de verdachte en diens raadsvrouw het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota bevat onder meer een opsomming van jurisprudentie die ter onderbouwing van het verweer van de verdediging van belang is geacht. In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw, voor zover van belang, nog het volgende aangevoerd:

“Mijn formele verweer is dat het vorderen van het identiteitsbewijs van mijn cliënt op grond van de Wet op de identificatieplicht onrechtmatig was en het aangetroffen vervalste paspoort daarom moet worden uitgesloten van het bewijs. De verbalisant heeft op klaarlichte dag een huurauto staande gehouden waar niets vreemds mee aan de hand was. Aan mijn cliënt, de bijrijder van de staande gehouden auto, is vervolgens door de verbalisant direct, zonder bekend te zijn met zijn naam, gevraagd of hij zijn paspoort kon overhandigen. De enige aanleiding daarvoor was dat de politie interesse had in de omgeving van de bestuurder van die auto. Het uiteindelijke ontdekken van het vervalste paspoort is een rechtstreeks gevolg van het eerdere vorderen van een identiteitsbewijs van mijn cliënt. Ik verzoek u mijn cliënt vrij te spreken.”

3.5.

Het hof heeft in het bestreden arrest onder de kop “Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting” (pag. 2) overwogen:

Standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het aangetroffen vervalste paspoort uitgesloten moet worden van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering aan de verdachte tot identificatie en de daaropvolgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig zijn geschied. Aangezien het overhandigen van het vervalste paspoort op het politiebureau het rechtstreekse gevolg is van deze onrechtmatige vordering en aanhouding dient dit uitgesloten te worden van het bewijs, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van het openbaar ministerie.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van een identiteitsbewijs door de verbalisant gerechtvaardigd was, aangezien deze de verdachte eerst heeft gevraagd zich te legitimeren, waarop er een aandachtsvestiging bleek te bestaan op de door de verdachte opgegeven naam. De hierop gevolgde vordering en aanhouding waren rechtmatig, er is dan ook geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), aldus de advocaat-generaal.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat geen rechtsreeks verband bestaat tussen de aanhouding van de verdachte en het later overhandigen van het vervalste paspoort en dat artikel 359a Sv aldus niet van toepassing is.
Overwegingen en oordeel van het hof.
Het hof overweegt dat de toepassing van art. 359a Sv beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. ‘Het voorbereidend onderzoek’ uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de tot de verdachte gerichte vordering van de verbalisant om een geldig identiteitsbewijs te tonen en de daarop volgende aanhouding van de verdachte enerzijds, en het op later moment op het politiebureau door de verdachte aanbieden van het vervalste paspoort anderzijds. De beweerde onregelmatigheden - wat daar ook van zij - hebben zich aldus niet voorgedaan in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde voorhanden hebben van een vervalst paspoort. Het verweer wordt verworpen.”

3.6.

Het middel klaagt in de kern dat de toepassing van de door artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht gegeven (controle)bevoegdheid in het licht van het gegeven dat het gebruik van voornoemde bevoegdheid kennelijk tot doel had ‘de omgeving van de bestuurder van de auto waarin de verdachte de passagier was’ in kaart te brengen mede een observerend en derhalve een strafvorderlijk karakter had, en dat nu het gevorderde tonen van het paspoort uiteindelijk heeft geleid tot de verdenking van overtreding van het ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde feit, het oordeel van het hof dat de beweerde onregelmatigheden zich niet hebben voorgedaan in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde voorhanden hebben van een vervalst paspoort getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

3.7.

Een blik over de papieren muur leert het volgende. Op woensdag 18 februari 2015 zag verbalisant [verbalisant 1] op de Willemsparkweg een voertuig rijden dat afkomstig bleek te zijn van een autoverhuurbedrijf. De verbalisant heeft op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 het voornoemde voertuig doen stilhouden. Hij heeft vervolgens de bestuurder gevorderd zijn rijbewijs en kentekenpapieren ter inzage af te geven. Daarop is door bestuurder [betrokkene 1] aan de verbalisant het huurcontract van het voertuig en een geldig rijbewijs overgelegd. Omdat de bestuurder veelvuldig bleek voor te komen in de voor verbalisant beschikbare politiesystemen heeft hij ook de bijrijder, die later bleek te zijn de verdachte, gevraagd of hij een geldig paspoort of identiteitsbewijs kon overhandigen. Laatstgenoemde heeft daarop geantwoord dat hij geen paspoort bij zich had. Verdachte heeft daarop zijn personalia opgeschreven en vertelde te zijn: [betrokkene 2] geboren op [geboortedatum] 1975 te Tsjechië. Omdat de naam [betrokkene 2] in de geraadpleegde politiesystemen bleek voor te komen in een aandachtsvestiging heeft de verbalisant [betrokkene 2] gevorderd een geldig identiteitsbewijs over te leggen, waarop verdachte nogmaals aangaf dat hij geen paspoort bij zich had. Bij een fouillering, die met toestemming van de verdachte heeft plaatsgevonden, werd eveneens geen paspoort aangetroffen. Daarop is de verdachte op grond van de Wet op de identificatieplicht aangehouden en is aan hem de cautie gegeven.1 Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling verkort arrest blijkt dat de verdachte zijn paspoort door [betrokkene 1] heeft laten ophalen en naar het politiebureau heeft laten brengen. Bij controle door de Koninklijke Marechaussee bleek dat het paspoort was vervalst.

3.8.

Het hof heeft in de voorliggende zaak in zijn overweging naar aanleiding van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in het midden gelaten of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de opsporingsambtenaar bij de uitoefening van de controlebevoegdheid op grond van de Wet op de identificatieplicht, en geoordeeld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de tot de verdachte gerichte vordering van de verbalisant om een geldig identiteitsbewijs te tonen en de daarop volgende aanhouding van de verdachte enerzijds, en het op later moment op het politiebureau door de verdachte aanbieden van het vervalste paspoort anderzijds. Het verweer stuit in het oordeel van het hof dus reeds af op het feit dat de toepassing van art. 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek.2

3.9.

Artikel 359a Sv vindt enkel toepassing op vormverzuimen begaan ‘bij het voorbereidend onderzoek’. Met ‘voorbereidend onderzoek’ wordt, in verbinding met artikel 132 Sv bedoeld “het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen”.3 In mijn conclusie voorafgaand aan de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454 inzake de dynamische verkeerscontrole heb ik mij op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het toepassingsbereik van art. 359a Sv uit de literatuur en jurisprudentie kan worden afgeleid dat handelen op grond van een controlebevoegdheid onder omstandigheden (ook) onder het voorbereidend onderzoek kan worden geschaard. Ik schreef daarover, voor zover van belang, (met weglating voetnoten):4

“(…) R. Kuiper merkt in zijn dissertatie “Vormfouten” op dat de Hoge Raad het toepassingsbereik van art. 359a Sv nader heeft vormgegeven en dat uit een tweetal arresten valt te concluderen dat “art. 359a Sv in beginsel alleen van toepassing is op vormfouten bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden in een onderzoek onder verantwoordelijkheid van politie en OM”. Als het gaat om aan de opsporing voorafgaande vormen van toezicht, controle of onderzoek (een grensvlak met het terrein dat door art. 359a Sv wordt bestreken), brengt deze scherpe afbakening van het toepassingsbereik van art. 359a Sv volgens Kuiper mee dat deze bepaling in veel van die situaties niet van toepassing is, nu - zo begrijp ik de auteur - “[het] bij de uitoefening van controlebevoegdheden immers niet [gaat] om uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden in een onderzoek onder verantwoordelijkheid van politie of OM” en “in de gevallen waarin het wel gaat om de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden, een beroep op art. 359a Sv [soms erop afstuit] dat het niet gaat om het voorbereidend onderzoek, zoals gedefinieerd in art. 132 Sv of dat het niet gaat om voorbereidend onderzoek in de aan de rechter ter beoordeling voorliggende zaak”. In die weergave van de stand van zaken valt op dat i) de uitkomst niet in alle gevallen zo strikt is en dat ii) de onderliggende vraag wel eens zou kunnen zijn of gehandeld is in een “onderzoek onder verantwoordelijkheid van de politie of OM.” Als ik het goed zie knoopt het handboek van Corstens/Borgers ook aan bij dat laatste aspect, dus de vraag naar de ‘gezagsautoriteit’. Het argument daarvoor is dat die omlijning van vormverzuimen aansluit bij de afbakening van het gezag van het openbaar ministerie over de opsporing. Dat betreft dan de vormverzuimen bij toepassing van bevoegdheden die als opsporing in de zin van art. 132a Sv kunnen worden gekwalificeerd. Deze als laatste genoemde standpunten houden als ik het goed zie dus in dat een ‘historische’ koppeling van een controlebevoegdheid aan het voorbereidend onderzoek wel mogelijk is. Dat is, zoals Kuiper het formuleert, een minder formele maar een meer pragmatisch ingekleurde benadering. Een kenmerk van die pragmatiek is dunkt mij dat eerst achteraf vastgesteld kan worden hoe sterk de band met het voorbereidend onderzoek in de strafzaak is geweest. Het beginpunt van de opsporing is dus meer een kwestie van terugblikken dan van vooruitzien. (…)”

3.10.

De steller van het middel ziet overeenkomsten tussen de voorliggende zaak en de zaak van Hoge Raad 13 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338, NJ 2013, 413 m.nt. Borgers. In die zaak ging het om observaties door een zgn. veelplegersteam in Tilburg. Ook voor zover die voorafgingen aan een verdenking tegen de observandus werden die tot het voorbereidend onderzoek gerekend door de Hoge Raad:

“3.6.2. Uit het zojuist overwogene vloeit voort dat het ontbreken van een verdenking in de zin van art. 27 Sv niet meebrengt dat dergelijke kortstondige en beperkte observaties onrechtmatig zijn aangevangen. Niettemin zullen zij, als berustend op wettelijke bepalingen waarin de opsporing van strafbare feiten aan de betrokken functionarissen is opgedragen, tot het voorbereidend onderzoek gerekend moeten worden ingeval (mede) door de observaties een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens het in art. 126g Sv bedoelde bevel uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo een geval worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.”

Daarbij wijst de steller van het middel voorts op hetgeen ik in het verlengde van de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2012 en de hiervoor onder punt 3.9 aangehaalde literatuur schreef in mijn conclusie in de zaak over de dynamische verkeerscontrole inhoudende – kort gezegd – dat waar de toepassing van de bevoegdheid van art. 160 WVW 1994 door de opsporingsambtenaren tot een strafvorderlijk gevolg heeft geleid het mij niet onjuist leek om dat eerdere handelen, ondanks het gegeven dat het een controlebevoegdheid betrof, als vallend onder het voorbereidend onderzoek te rekenen nu het handelen betrof van de politie zelf, waarbij zij naar aangenomen moet worden onder het gezag van het openbaar ministerie viel.5

3.11.

De voorliggende zaak verschilt mijns inziens van de zaak in Hoge Raad 13 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338 en van hetgeen ik opmerkte in mijn conclusie onder punt 5.5 voorafgaand aan HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454 over de dynamische verkeerscontrole in die zin dat de verdachte in die zaken door de observatie door een zgn. veelplegersteam respectievelijk de controlebevoegdheid van art. 160 WVW 1994 bij de politie in beeld kwam, waarna hij werd vervolgd voor de (middels observatie geconstateerde) winkeldiefstal respectievelijk op grond van de Opiumwet in verband met de in de door hem bestuurde auto aangetroffen drugs. In de voorliggende zaak – en daar wijst de steller van het middel zelf eveneens op – bleek uit de door verbalisant geraadpleegde beschikbare politiesystemen dat de politie geïnteresseerd was in informatie over de contacten die de bestuurder onderhield met andere personen. Die omstandigheid heeft ertoe geleid dat de verdachte de inzage in zijn identiteitsbewijs werd gevorderd, aan welke vordering hij vervolgens niet kon voldoen omdat hij zijn paspoort niet bij zich had. Hoewel er vanuit moet worden gegaan dat het in deze zaak (eveneens) handelen van de politie zelf betrof (en niet een andere overheidsdienst), waarbij zij naar aangenomen moet worden onder het gezag van het openbaar ministerie viel,6 is het de vraag of de inzet van deze controlebevoegdheid - de vordering tot inzage in het identiteitsbewijs van de verdachte - hoewel dus kan worden gezegd dat die vordering een strafvorderlijk karakter niet ontbeert, kan worden gekwalificeerd als een zogenaamd handelen dat tot ontdekking van het strafbare feit waarvoor de verdachte is vervolgd heeft geleid.7 Gelet op het navolgende meen ik van niet.

3.12.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op grond van artikel 8 Politiewet 2012 in verbinding met artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht de inzage gevorderd van het identiteitsbewijs van de verdachte. Laatstgenoemde bepaling brengt, voor eenieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, de verplichting mee om aan die vordering te voldoen. Degene die niet voldoet aan deze verplichting maakt zich schuldig aan overtreding van artikel 447e Sr. Het betreft hier derhalve een zelfstandig strafbaar feit. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de verdachte is aangehouden omdat hij niet aan de uit artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht heeft voldaan. Eenmaal op het bureau blijkt dan dat de verdachte in werkelijkheid moet zijn [verdachte] , en niet, zoals hij aanvankelijk heeft opgeschreven [betrokkene 2] . Dat is het moment waarop een nader onderzoek naar het paspoort van de verdachte wordt ingesteld en even later blijkt dat het paspoort vervalst is, waarmee de overtreding van art. 231 Sr in beeld komt. Dat de verdachte op het politiebureau is beland doordat hij niet heeft voldaan aan de voornoemde vordering in het kader van de Wet op de identificatieplicht doet daaraan niet af.

3.13.

De zaak vertoont meer gelijkenis met de zaken die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388 en Hoge Raad 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4439, NJ 2013, 309 m. nt. Keulen. In beide zaken was sprake van onderzoek in de auto van de verdachte met als doel het vaststellen van diens identiteit op grond van art. 55b Sv, waarna in de auto hennep werd aangetroffen en de verdachte daarvoor werd vervolgd. In beide zaken werd door de AG bij de Hoge Raad geconcludeerd dat het geconstateerde vormverzuim niet was begaan in het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit.8 De Hoge Raad sprak zich daarover minder expliciet uit, maar leek in zijn overwegingen wel afstand te nemen van het oordeel van het hof dat in voornoemde zaken art. 359a Sv van toepassing was.9

3.14.

Het hof heeft – anders dan de hiervoor onder 3.13 genoemde zaken - in de voorliggende zaak geoordeeld dat art. 359a Sv niet van toepassing is en daarbij derhalve (dus) in het midden gelaten of er sprake is geweest van onregelmatigheden in de toepassing van de controlebevoegdheid op grond van de Wet op de identificatieplicht. In het licht van de hiervoor aangehaalde jurisprudentie getuigt ‘s hofs oordeel dat de beweerde onregelmatigheden zich niet hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde en bewezenverklaarde voorhanden hebben van een vervalst paspoort, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.

3.15.

De steller van het middel voert in de toelichting daarop voorts nog aan dat ook indien art. 359a Sv niet van toepassing zou zijn, het hof zich van een oordeel over de rechtmatigheid van het handelen van de opsporingsambtenaar en de gevolgen daarvan niet heeft mogen onthouden. De steller van het middel wijst daartoe onder meer op de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388 onder punt 9 en 10. Nu ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging niet is aangevoerd op welke gronden het optreden, indien dat buiten het onderzoek in de zin van 359a Sv heeft plaatsgevonden, in strijd zou zijn met bijvoorbeeld 6 EVRM en dit standpunt in cassatie voorts niet nader wordt onderbouwd, is voornoemd oordeel van het hof ook in dit licht niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

3.16.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

4.2.

Het hof heeft in zijn arrest ter motivering van de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van twee maanden onder de kop “Oplegging van straf” (pag. 3) het volgende overwogen:

“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een vervalst paspoort in zijn bezit gehad. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de rechtsorde en het vertrouwen geschaad dat dient te kunnen worden gesteld in reisdocumenten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk is veroordeeld.


Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf conform het vonnis van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal passend en geboden.”

4.3.

In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het uit art. 359 lid 6, eerste volzin, Sv voortvloeiende vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.10

4.4.

Blijkens zijn hiervoor onder 4.2 weergegeven overwegingen heeft het hof niet slechts gebruik gemaakt van de standaardoverweging, maar is het ook ingegaan op het handelen van de verdachte dat inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde en het vertrouwen heeft geschaad dat dient te kunnen worden gesteld in reisdocumenten. Daarbij heeft het hof voorts laten meewegen dat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Het hof overweegt dat het, alles afwegende, een gevangenisstraf conform het vonnis van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal passend en geboden acht. Daarmee verwijst het hof naar de – uiteraard uit het dossier kenbare en op de terechtzitting van het hof ook door de advocaat-generaal expliciet gememoreerde – in eerste aanleg opgelegde straf van 2 maanden gevangenisstraf. Het hof heeft met deze overweging uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald.

4.5.

Het middel faalt.

5. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het voorgaande volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] met nummer PL1300-2015039543-5 van 18 februari 2015.

2 HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004, 376, rov. 3.4.2.

3 HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004, 376 (Loze afvoerpijp).

4 Zie mijn conclusie voorafgaand aan Hoge Raad 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, onder punt 5.4.

5 Zie mijn conclusie voorafgaand aan Hoge Raad 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, onder punt 5.5.

6 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan Hoge Raad 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, onder punt 5.5.

7 Vgl. HR 13 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338, m.nt. Borgers onder punt 3.

8 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388, onder punt 13 en de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4439, NJ 2013, 309 m.nt. Keulen, onder punt 2.6.

9 Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388 (rov. 2.6) en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4439, NJ 2013, 309 m.nt. Keulen (rov. 2.8).

10 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.