Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1242

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/01003
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2865, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde diefstal met geweld. 1. Falende klacht u.o.s. betrokkenheid verdachte bij de overval. 2. Falende motiveringsklacht medeplegen. 3. Falende strafmotiveringsklacht, art. 359.6 Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01003

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 februari 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden. Voorts heeft het hof het openbaar ministerie in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 07-660016-12 niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 januari 2013 in de gemeente Almere, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kassalade (met daarin een geldbedrag van ongeveer 500,- euro en een leeg parfumflesje), toebehorende aan [betrokkene 1] of V.O.F. [A] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader meermalen,
- een vuurwapen, in ieder geval een soortgelijk voorwerp, heeft gepakt en
- dat vuurwapen zichtbaar voor die [slachtoffer] heeft vastgehouden en
- dat vuurwapen, in ieder geval dat soortgelijke voorwerp, op/in de richting van de romp, in ieder geval in de richting van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gehouden en
- (vervolgens) dat vuurwapen, in ieder geval dat soortgelijke voorwerp, heeft doorgeladen, terwijl hij, verdachte, dat vuurwapen, in ieder geval dat soortgelijke voorwerp, gericht hield in de richting van de romp, in ieder geval in de richting van het lichaam, van die [slachtoffer] en

- (daarbij/daarna) die [slachtoffer] de volgende woorden heeft toegevoegd: "Geld" en "Kassa" en "Meer geld" en "Nog meer geld, jouw zak" en "Telefoon", terwijl hij, verdachte, en zijn mededader hun gezicht of hoofd hadden gecamoufleerd/bedekt door het dragen van capuchons/(bivak)mutsen over/op het hoofd.”

3.2.

Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

“1. Een in de wettelijke vorm door de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, opgemaakt proces-verbaal verhoor van getuige d.d. 3 augustus 2015, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [slachtoffer] (aangever)
Ik heb gezegd dat de stem mogelijk niet van een Nederlander is, maar van een donkere man of een buitenlander. Dat kon ik horen aan het accent. De taal was wel Nederlands, maar niet van een oorspronkelijke Nederlander.

2. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal verhoor van aangifte d.d. 27 januari 2013, opgenomen op pagina 21 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [slachtoffer] (aangever)
Ik ben werkzaam bij [B] in de functie van bedrijfsmedewerker. (..). Het pand is gelegen aan een plein, genaamd [a-straat] . (..). Op zondag 27 januari 2013 omstreeks 01.40 uur, bevond ik mij, gekleed in voornoemde kleding, in het kookgedeelte achterin de zaak. (..). Ik hoorde dat de voordeur open ging. (..). Ik zag een persoon, vanaf nu genoemd dader 1, degene was die deze voordeur opende. (..). Ik zag dat dader 1 was gekleed in een grijskleurig tot zwarte lange stoffen jas met capuchon. (..) Ik zag dat dader 1 een capuchon van zijn jas en een donkergroene bivakmuts over zijn hoofd droeg. Deze bivakmuts bedekte vrijwel zijn hele gezicht. (..) Ik zag dat dader 1 onder deze jas een donker roodkleurig tot auberginekleurig shirt droeg. (..) Ik zag dat dader 1, uit het niets, een voorwerp te voorschijn pakte met zijn rechterhand, vanuit de linkervoorzijde van zijn broeksband. (..)
Ik zag meteen dat dit voorwerp een op een vuurwapen gelijkend voorwerp was. (..) Ik zag dat het een geheel licht zilverkleurig, niet glimmend, vuurwapen gelijkend voorwerp betrof. Ik zag dat het vuurwapen gelijkende voorwerp best lang was. Ik vermoed dat het ongeveer twintig centimeter lang was over de gehele loop gezien. (..) Ik zag dat dader 1, dit vuurwapen gelijkende voorwerp op mij richtte. (..) Ik zag dat dader 1, welke nog steeds het vuurwapen gelijkende voorwerp op mij richtte, naar mij keek en met luide stem tegen mij zei: ‘Geld. Kassa’. (..) Ik heb hierop de kassa geopend. Ik heb direct heel de zwarte kassalade uit de kassa gehaald en op de bar gelegd voor dader 1. (..). Ik hoorde dat dader 1 hierop tegen mij schreeuwde: 'Meer geld'. Ik zag dat dader 1, wederom het vuurwapen gelijkende voorwerp doorlaadde (..) Ik hoorde dat dader 1 daarop tegen mij riep: ‘Nog meer geld, jouw zak jouw zak’ of woorden van gelijke strekking. (..) Ik antwoordde de dader 1 : 'Ik heb helemaal niets, kijk maar'. (..) Ik hoorde daarop dader 1 tegen mij schreeuwen: ‘Telefoon, telefoon'. (..) Ik pakte daarop mijn telefoon en liet deze aan dader 1 zien. Ik zag dat dader 1 naar deze telefoon keek en tegen mij over deze telefoon zei: ‘Nee, nee. Hoeft niet. Terug.' Ik zag dat dader 1, nog steeds het vuurwapen gelijkende voorwerp op mij gericht hield. Ik zag dat dader 1, vervolgens met zijn linkerhand, welke hij vrij had, naar de kassalade reikte en deze pakte met zijn linkerhand. (..) Toen ik zag dat dader 1 de kassalade vastpakte met zijn linkerhand, zag ik vlak daarna dader 2 in het pand staan. (..). Ik zag dat dader 1, vervolgens van mij wegliep richting deze toegangsdeur. In de richting van waar dader 2 stond. Ik hoorde dat dader 2 mij aankeek en zei: 'Sorry, sorry meneer.' (..) Ik zag dat dader 1 en dader 2 wegrenden, rechtsaf richting [...]. (..)
Weggenomen goederen:
De kassalade van ijzerachtig materiaal, zwart van kleur en ongeveer dertig centimeter breed bij ongeveer veertig centimeter lang en ongeveer 10 centimeter hoog. (..) Ik heb van te voren niet geteld wat er precies in de kassalade zat op dat moment. Ik vermoed ongeveer vijfhonderd euro. (..) In ieder geval ongeveer 70 euro aan twee euro munten. En in ieder geval maar een (1) vijftig eurobiljet, dat zag ik ook. Ook zaten er meerdere biljetten van vijf euro, tien euro en twintig euro in deze kassalade zag ik. (..) Opvallend was dat er een glazen potje parfum in deze kassalade zat. (..)
Ik kan de twee daders voor u omschrijven:
Dader 1 gedurende de overval:
- man
- blanke huidskleur
- leeftijd tussen 25-30 jaar oud. Niet ouder dan 30 jaar oud.
- 185 - 190 centimeter lang
- normaal postuur; niet gespierd (..)
- lichtgroen/grijskleurige ogen (..)
- Nederlands gesproken
- geen accent (..)
- donkergrijs tot zware stoffen lange jas tot op bovenbeenhoogte
- grijze tot zwarte jas met lange capuchon zelfde kleur als jas. (..) Capuchon over de bivakmuts over het gezicht tot in de nek. Het was een bivakmuts waarvan het stuk tussen de ogen zichtbaar was. Ik zag de ogen, een stukje huid van de neus. En de mond bij een afzonderlijke opening. (..)

Dader 2 gedurende overval:
- man (..)
- leeftijd tussen 25-30 jaar oud. Wellicht ouder dan dader 1
- 170 - 175 centimeter lang
- dikker postuur dan dader 1 (..)
- accent/stem klonk donker. Het kan zijn dat deze dader van buitenlandse komaf is. (..)
- donkere stoffen jas tot op bovenbeenhoogte
- vermoedelijke capuchon over het hoofd.

3. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal verhoor van aangever d.d. 29 januari 2013, opgenomen op pagina 29 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [slachtoffer] (aangever)
U laat mij een zwarte kassalade zien. Dat is de kassalade die bij de overval op [B] buit is gemaakt door de overvallers.

4. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 januari 2013, opgenomen op pagina 32 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [betrokkene 2]

Op zondag 27 januari 2013 omstreeks 01.36 uur zat ik samen met [betrokkene 3] , mijn buurman, in een auto. Wij waren onderweg naar huis en reden op dat moment de busbaan over bij het [a-straat] . (..) Aldaar zag ik een personenauto geparkeerd staan. Ik zag dat het een zwarte auto was. (..) Ik zag dat er twee mannen bij deze auto stonden. (..) Ik zag dat een van de mannen welke uitstapte een negroïde man was. Dit was de persoon die schrok. Ik zag dat hij donker gekleed was. De ander was een blanke man. Ik zag dat de mannen hierop via de zijde van de busbaan het [a-straat] opliepen. (..) Kort hierop zag en hoorde ik dezelfde zwarte auto snel onze richting op komen rijden. (..) Vervolgens zag ik twee mannen vanaf het [a-straat] aan komen rennen. Ik zag dat de langste van de twee iets in zijn hand hield. Ik vermoed dat dit een tas was. Ik zag dat deze man een slank postuur had. Ik zag dat zij in de genoemde zwarte auto sprongen. (..) Ik kan u verklaren dat het kenteken [AA-00-AA] was. Het tijdstip was toen 01.41 uur.

5. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 januari 2013, opgenomen op pagina 40 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [betrokkene 3]
Ik ben in de nacht van zaterdag 26 op zondag 27 januari 2013 samen met mijn buurmeisje Kimberley van een feestje thuis gekomen. In de Bouwmeesterbuurt zagen we een VW Golf staan. (..) twee stapten uit de auto. De negroïde man schrok van ons. (..) Daarna zag ik dezelfde auto de straat in rijden. Ze parkeerden op de stoep en de verlichting werd uit gedaan. (..) Het duurde ongeveer 2 à 3 minuten en er kwamen twee mannen aan rennen. Ze hadden capuchons op. (..)
V. Omschrijft u beide mannen eens? (..)
1. Negroïde man. Droeg een capuchon. Zwarte jas. (..) Geen dik persoon. (..) Lengte ongeveer 175 - 178 cm lang.
2. Blanke man. Iets korter van lengte dan de negroïde man. Droeg ook een capuchon.

6. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor bevindingen, opgenomen op pagina 51 van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende — zakelijk weergegeven — :
als relaas van verbalisanten:
Op zondag 27 januari 2013, omstreeks 01.50 uur, hoorden wij verbalisanten, van de meldkamer dat er zojuist een grillroom op het [a-straat] was overvallen door 3 personen. De personen waren weggereden in een zwarte auto voorzien van kenteken [AA-00-AA] . De meldkamer gaf ons vervolgens door dat dit een Volkswagen Polo moest zijn op naam van [betrokkene 4] , wonende [b-straat 1] te [plaats] . Omstreeks 02.00 uur komen de verbalisanten ter plaatse op de [b-straat] te [plaats] en zien de verbalisanten het voertuig met het kenteken [AA-00-AA] staan.

7. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor bevindingen, opgenomen op pagina 68 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisanten:
Nadat de eerste verdachte, [betrokkene 5] , de woning had verlaten en deze door een andere politie eenheid was aangehouden zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , op zondag 27 januari 2013 omstreeks 02.24 uur een negroïde persoon vanuit perceel 1 komen. (..) Ik zag dat de verdachte mij in mijn ogen aankeek en dat hij vervolgens omdraaide en weer de woning in liep en de voordeur dicht deed. Deze negroïde verdachte bleek later genaamd te zijn: [verdachte] . (..) Op zondag 27 januari 2013 omstreeks 02.40 uur zag ik dat de voordeur werd geopend en dat verdachte [betrokkene 6] uit de woning liep. Nadat [betrokkene 6] was aangehouden zag ik dat de negroïde mannelijke verdachte, genaamd [verdachte] , uit de woning kwam.
8. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 27 januari 2013 opgenomen op pagina 70 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende — zakelijk weergegeven — :
als relaas van verbalisant:
Voor een doorzoeking ter inbeslagneming is binnengetreden in de woning gevestigd, [b-straat 2] te [plaats] . Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: In de hal: (..) Zwarte kassalade (in de afgesloten kruipruimte).

9. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2013, met proces- verbaalnummer PL2562 2013006951-73, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als bevindingen van verbalisant:
Ik heb de kassalade onderworpen aan een dactyloscopisch onderzoek. Bij dit onderzoek werden twee voor identificatie geschikte dactyloscopische sporen aangetroffen. Deze sporen heb ik gefotografeerd en als volgt gewaarmerkt en omschreven:
AAEN0387NL vanaf kassalade;
AAEN0388NL vanaf kassalade.

10. Een schriftelijk stuk houdende een rapport dactyloscopisch sporenonderzoek, opgemaakt door J.A.J.M. Riemen, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als bevindingen van de rapporteur:
Naar aanleiding van uw verzoek tot het instellen van een dactyloscopisch onderzoek in de zaak met SIN AAEN0388NL is het spoor met behulp van het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem geanalyseerd en op onderscheidende kenmerken gecodeerd. Op basis van deze analyse heeft het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem met behulp van een vergelijkingsalgoritme de meest gelijkende vingerafdrukken geselecteerd.
De resultaten zijn, in de vorm van een respondentenlijst van meest gelijkende afdrukken voorkomend in de strafrechtdatabase, aan een dactyloscopisch deskundige aangeboden. Bij analyse van de resultaten door de deskundige is vastgesteld dat het spoor sterke overeenkomsten vertoont met een vergelijkingsafdruk die voorkomt in de respondentenlijst.

Op grond van deze bevinding is het spoor, conform de voorgeschreven procedure, aangeboden aan twee andere dactyloscopisch deskundigen. Deze hebben, ieder voor zich, het spoor geanalyseerd en onderzocht of dit kan worden geïndividualiseerd volgens de daarvoor geldende forensisch-technische normen. Hierbij is gekeken naar aard en hoeveelheid van overeenkomsten en naar eventuele dactyloscopische verschillen.
Beide dactyloscopisch deskundigen zijn, afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar, tot de conclusie gekomen dat individualisatie mogelijk is.

Individualisatie
Dit heeft geleid tot de gedragen conclusie dat het spoor geïndividualiseerd is op een afdruk voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1982.

11. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 januari 2013, opgenomen op pagina 241 en verder van een dossier met registratienummer 2013006951, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als verklaring van verdachte

Ik heb alleen met [betrokkene 6] en [betrokkene 7] in de auto gezeten. (..) Ik heb er alleen in gezeten met [betrokkene 6] en [betrokkene 7] samen. In de middag en avond. We waren met z'n drieën in de woning. (..) Er is geen enkel moment dat ik alleen met [betrokkene 7] was. Of alleen met [betrokkene 6] . Ik ben al die tijd met z'n drieën geweest.”

3.3.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder het kopje “Bewijsoverweging” als volgt overwogen (pag. 2):

“De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en hiertoe aangevoerd dat verdachte niet één van de drie personen is die betrokken zijn geweest bij de overval. Verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij niet de gehele tijd samen met de medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is geweest. In dit verband stelt de raadsvrouw dat sprake is van een aannemelijk alternatief scenario, waarbij mogelijk de buurjongen, die in het proces-verbaal aan de orde komt, de tweede overvaller is geweest. Bij wijze van subsidiair standpunt is door de raadsvrouw betoogd dat verdachtes rol niet gekwalificeerd kan worden als medeplegen.

Uit de hierna weer te geven bewijsmiddelen blijkt dat aangever heeft verklaard dat de overval heeft plaatsgevonden op 27 januari 2013 omstreeks 01.40 uur. De getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben verklaard dat zij op zondag 27 januari 2013 omstreeks 01.36 uur een negroïde man en een blanke man op verdachte wijze uit een auto zien stappen. Deze twee mannen komen even later weer terug rennen naar de auto. Omstreeks 01.41 uur rijdt de auto met gedoofde lichten weg. Getuige [betrokkene 2] heeft het kenteken [AA-00-AA] aan de politie doorgegeven.

Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op zondag 27 januari 2013 omstreeks 01.50 uur een melding krijgen van de overval op de grillroom. Getuigen geven het kenteken door van een mogelijk bij de overval betrokken voertuig, te weten [AA-00-AA] . AI omstreeks 02.00 uur wordt dit voertuig met het kenteken [AA-00-AA] door de verbalisanten aangetroffen op de [b-straat] . Vervolgens komt medeverdachte [betrokkene 5] omstreeks 02.20 uur uit het perceel [b-straat 2] lopen in de richting van het voertuig met het kenteken [AA-00-AA] . Medeverdachte [betrokkene 5] wordt aangehouden. Omstreeks 02.24 uur ziet verbalisant een negroïde persoon uit perceel 1 komen. Deze persoon blijkt verdachte te zijn. De verbalisant ziet dat verdachte hem aankijkt en vervolgens terug de woning ingaat. Daarna komt omstreeks 02.40 uur medeverdachte [betrokkene 6] de woning uitlopen. Nadat medeverdachte [betrokkene 6] is aangehouden komt de negroïde mannelijk persoon wederom naar buiten. Verdachte wordt vervolgens aangehouden.


Op grond van na te noemen bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij de overval en dat verdachte degene was die in (de nabijheid van) de deuropening van de grillroom heeft gestaan. Het hof acht hierbij van belang dat politie binnen een zeer kort tijdsbestek na de overval voornoemd voertuig heeft aangetroffen in de nabijheid van de woning van medeverdachte [betrokkene 6] . Hierbij is geconstateerd dat verdachte, medeverdachte [betrokkene 5] en medeverdachte [betrokkene 6] zich in deze woning bevonden. Het hof stelt vast dat van deze personen verdachte de enige negroïde man is. Tijdens de doorzoeking in voornoemde woning is in de kruipruimte van de woning de kassalade aangetroffen die is weggenomen tijdens de overval. Op deze kassalade zijn vingerafdrukken aangetroffen van medeverdachte [betrokkene 6] .

Het door de raadsvrouw besproken alternatieve scenario wordt naar het oordeel van het hof weersproken door de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft van meet af aan en bij herhaling tegenover de politie verklaard dat hij de gehele tijd samen met medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is geweest. De verklaring van verdachte dat hij destijds driekwartier is weggeweest om drugs te kopen, zoals hij voor het eerst ter zitting bij de rechtbank heeft afgelegd, acht het hof niet aannemelijk.

Wat het subsidiaire standpunt van de raadsvrouw betreft, te weten dat mocht verdachtes betrokkenheid bij de overval worden bewezen diens rol niet kan worden gekwalificeerd als medeplegen, dient te worden vooropgesteld dat bij medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Bij zijn oordeel kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten gericht op de overval van de grillroom. Verdachte is immers tezamen met zijn mededader met dezelfde auto gekomen en daarna de grillroom binnengekomen. Verdachte was voorzien van zijn gezicht bedekkende kleding. Aangever spreekt over een vermoedelijke capuchon die verdachte over zijn hoofd droeg. Verdachte heeft gedurende de overval in (de nabijheid van) de deuropening van de grillroom gestaan en is vervolgens samen met zijn van de buit voorziene mededader weggerend. Daarna is verdachte samen met zijn mededader weer in dezelfde auto vertrokken. Afgezet tegen de hierboven genoemde aspecten die het oordeel kunnen dragen dat gesproken kan worden van medeplegen, acht het hof medeplegen bewezen.”

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot een afwijzing van het standpunt van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat de verdachte bij de overval betrokken was.

4.2.

Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft raadsvrouw aldaar het woord gevoerd aan de hand van haar pleitnotities. Deze houden in, voor zover van belang:

“(…)
I. Bewijsverweren
1. Verklaring cliënt
Cliënt heeft bij de rechtbank verklaard dat hij niet de gehele tijd samen met de medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is geweest. Hij is op enig moment weggegaan om drugs te gaan kopen (proces-verbaal zitting 17 juni 2014).
Bij de politie heeft cliënt hieromtrent niet een heel erg duidelijke verklaring afgelegd. Dit kan mede worden verklaard door het drugsgebruik van die nacht ervoor. Voorts geldt dat cliënt jarenlang verslaafd is geweest aan de harddrugs. Hierdoor kan hij soms wat warrig overkomen.
Bij de politie geeft hij in ieder geval wel duidelijk aan dat hij bij de Deen supermarkt uit de auto van [betrokkene 6] is gestapt. Dit was dus om drugs te gaan kopen. Zij (de medeverdachten) reden vervolgens samen weg. Hiermee geeft cliënt dus reeds bij de politie aan dat hij niet de hele tijd samen met de medeverdachten is geweest. Cliënt heeft vervolgens later op de avond een lift gekregen naar de woning van [betrokkene 6] . Hij kwam binnen en zag twee personen weglopen. Hij heeft weed gerookt in de woning van [betrokkene 6] . Hij is ongeveer een half uur tot drie kwartier in de woning van [betrokkene 6] geweest, aldus steeds cliënt bij zijn politieverhoor (p. 238).

Als we kijken naar het moment waarop cliënt de woning heeft verlaten, zijnde 02:24 uur (p.68) dan moet cliënt dus tussen 01:45 uur en 02:00 uur bij de woning van [betrokkene 6] zijn aangekomen. De politie was rond 02:00 uur bij de woning van [betrokkene 6] . Cliënt was toen al in de woning. Zoals blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen zien verbalisanten rond 02:00 uur in zowel de woning met nummer 1 als de woning met nummer 3 personen lopen. Ik kom hier later nog wat uitgebreider op terug. Het door de woningen lopen is toch een sterke aanwijzing dat personen wellicht zojuist de betreffende woningen hebben betreden, met andere woorden dat zij zojuist thuis zijn gekomen. De overval is gepleegd tussen 01:40 en 01:48 uur zo heeft aangever verklaard. De getuige [betrokkene 2] heeft in dit verband verklaard dat de auto om 01:41 uur met hoge snelheid wegreed. Met de auto is het van de shoarmazaak naar de woning van [betrokkene 6] slechts 1 minuut rijden. Achter mijn pleitnota heb ik een uitdraai van Google Maps gevoegd waaruit dit blijkt. Het kan aldus goed zijn dat de medeverdachten de betreffende overval hebben gepleegd toen cliënt weg was om drugs te gaan kopen.

Maar dan hoor ik u wellicht denken wie was dan de negroïde persoon waarover door de getuigen is verklaard?

Alvorens deze vraag te beantwoorden, wens ik eerst nader in te gaan op de verklaring van de betreffende getuigen.

2. Verklaringen getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
Beide getuigen hebben verklaard dat zij op enig moment een blanke en een negroïde man uit een Volkswagen Polo zagen stappen. De getuigen zijn in hun auto blijven zitten en rookten nog even een sigaretje. Op enig moment zagen ze twee mannen vanaf het [a-straat] aan komen rennen. De twee mannen sprongen in de Volkswagen Polo.

Beide getuigen hebben niet verklaard dat de blanke en negroïde man die ze eerder uit de auto zagen stappen, dezelfde mannen betreffen die later aan kwamen rennen en in de auto sprongen. Dit is toch wel een essentieel punt. Er ontbreekt een belangrijke schakel in de bewijsvoering. Naar mijn mening kan op grond van deze verklaringen niet worden bewezen dat - ik beperk mij even tot de negroïde man - de negroïde man waarover eerder is verklaard, ook de persoon is geweest die aan kwam rennen vanuit de richting van de shoarmazaak en in de betreffende auto sprong. De getuige [betrokkene 3] heeft in dit verband verklaard dat de personen die in de auto sprongen hun capuchon op hadden. Hij kon niet precies zien wie de personen waren (p.43). Wat mij verder nog in dit verband is opgevallen is het feit dat het door de getuige [betrokkene 3] opgegeven signalement van de blanke en negroïde persoon strijdig is met het door aangever opgegeven signalement van de daders. [betrokkene 3] heeft namelijk verklaard dat de blanke man iets korter was van de negroïde man. Aangever daarentegen heeft verklaard dat de blanke man een stuk langer was dan de andere man. Deze tegenstrijdigheden bieden steun voor de stelling dat niet zondermeer, dus niet zonder aanvullend bewijs, kan worden aangenomen dat de blanke en negroïde persoon waarover door de getuigen is verklaard, ook de naar de auto rennende overvallers moeten zijn geweest. Is er dan nog ander aanvullend bewijs waaruit zou kunnen blijken dat de negroïde persoon één van de overvallers is geweest?
(…)”

4.3.

Het alternatieve scenario zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep geschetst, houdt – kort gezegd - in dat de verdachte niet bij de gepleegde diefstal met bedreiging met geweld aanwezig is geweest, omdat hij op dat moment elders drugs aan het kopen was. Ter onderbouwing van dit alternatieve scenario heeft de raadsvrouw van de verdachte er in hoger beroep op gewezen dat het door de getuige [betrokkene 3] , in zijn ten overstaan van de politie afgelegde verklaring, opgegeven signalement van de blanke en negroïde persoon strijdig is met het door aangever opgegeven signalement van de daders. Het hof heeft voornoemd alternatief scenario onvoldoende gemotiveerd verworpen met de enkele overweging dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de gehele tijd bij medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is geweest, terwijl die verklaring is gedenatureerd, aldus de steller van het middel. Nu het hof in zijn arrest niet voldoende gemotiveerd op deze geconstateerde tegenstrijdigheid heeft gerespondeerd en de voornoemde verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd, laat het arrest de mogelijkheid open dat de verdachte niet bij de overval betrokken is geweest, zo begrijp ik aldus het middel.

4.4.

Ten aanzien van de geconstateerde tegenstrijdigheid in de door de steller van het middel genoemde bewijsmiddelen 2 en 5 heeft mijns inziens het volgende te gelden. Getuige [betrokkene 3] heeft in zijn getuigenverklaring de beide personen die hij op straat heeft zien rennen beschreven (bewijsmiddel 5). Nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat verdachte [verdachte] een negroïde persoon is, en het alternatieve scenario betrekking op hem heeft, is het van belang de omschrijvingen van verdachte [verdachte] in beide bedoelde bewijsmiddelen naast elkaar te leggen. Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat de negroïde man een capuchon droeg, een zwarte jas, geen dik persoon is en ongeveer 175-178 cm lang is. Uit de verklaring van aangever volgt dat hij ‘dader 2’, voor zover van belang, als volgt heeft omschreven: vermoedelijke capuchon over het hoofd, donkere stoffen jas tot op bovenbeenhoogte, dikker postuur dan dader 1, en 170-175 centimeter lang. Het middel voert aan dat de aangever heeft verklaard dat de blanke man aanmerkelijk langer is dan de negroïde man, terwijl getuige [betrokkene 3] de blanke man als (iets) korter beschrijft dan de negroïde man. Het middel constateert dat terecht. De aangever heeft ‘dader 1’ als 185 – 190 cm lang omschreven, en ‘dader 2’ als 170 – 175 cm lang, terwijl getuige [betrokkene 3] de (eerstgenoemde) blanke man als ‘iets korter van lengte dan de negroïde man’ heeft omschreven. Door voornoemde inconsistentie staat niet vast dat het om dezelfde negroïde man gaat, die betrokken was bij de overval, aldus het middel. Die gevolgtrekking deel ik niet, nu die meer zegt over de ‘blanke verdachte’ dan over verdachte [verdachte] . De beschrijving die getuige [betrokkene 3] van verdachte [verdachte] geeft, komt immers vrijwel overeen met de beschrijving die aangever van hem geeft, op de punten waarover, naast de lichaamslengte, wordt verklaard. Dat die lengte in beide omschrijvingen schommelt tussen de 170-178 cm maakt dat mijns inziens niet anders. Voornoemde onderbouwing lijkt het geschetste alternatieve scenario derhalve niet zelfstandig te kunnen dragen.

4.5.

De vraag is voorts of het hof de verklaring die de verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd, inhoudende dat hij de gehele tijd samen met medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is geweest, heeft gedenatureerd. Volgens de steller van het middel dient de verklaring die de verdachte op 29 januari 2013 bij de politie heeft afgelegd, zo gelezen te worden dat de verdachte weliswaar veel in het gezelschap van de andere verdachten is geweest, maar dat er ook momenten zijn geweest dat dit niet het geval was, en dat die verklaring niet uitsluit dat hij ten tijde van de overval niet bij zijn medeverdachten was.

4.6.

Vooropgesteld moet daarbij worden dat ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die -behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.1 Deze vrijheid van de feitenrechter om het bewijsmateriaal te waarderen en te selecteren, brengt eveneens mee dat een afgelegde verklaring mag – en soms misschien wel moet – worden ‘gesplitst’ in een bruikbaar en een onbruikbaar gedeelte. De rechter kan immers slechts een gedeelte van de verklaring relevant achten, of enkel aan een gedeelte van de verklaring geloof hechten.2 Niet elke splitsing is daarbij toelaatbaar. De grens van de hiervoor bedoelde vrijheid wordt overschreden indien de verklaring of het gedeelte van de verklaring in de uitspraak een denaturering vormt van de oorspronkelijke verklaring. Daarvan is sprake indien die in de uitspraak weergegeven verklaring een wezenlijk andere strekking heeft dan de, in dit geval, in het ambtsedig proces-verbaal van politie opgetekende verklaring.3

4.7.

Ik heb de verklaring zoals opgenomen in het ambtsedig proces-verbaal van 29 januari 2013 vergeleken met de verklaring die het hof onder bewijsmiddel 11 in zijn arrest heeft opgenomen. Uit de eerstgenoemde verklaring volgt dat de verdachte onder meer heeft verklaard dat hij met zijn medeverdachten tussen 22.30 uur en 01.00 uur naar zijn woning is gereden, alwaar de verdachte kort zijn vriendin heeft gesproken, en dat hij tussen dat moment en zijn aanhouding aan de [b-straat] naar de woning van [betrokkene 6] is gereden en daar weed heeft gekregen. Medeverdachte [betrokkene 5] is toen even weggegaan, waarna de politie even daarna voor de deur staat. In diezelfde verklaring wordt de verdachte geconfronteerd met de door medeverdachte [betrokkene 6] afgelegde verklaring dat ze met zijn drieën nog een uurtje weg zijn geweest. Daarop antwoordt verdachte dat dat niet kan, nu verdachte [betrokkene 5] in de woning niet aanwezig was. Wel verklaart verdachte vervolgens dat hij op de momenten dat hij die dag in de auto zat, daar met medeverdachten in zat. Voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde heeft het hof kennelijk slechts het in bewijsmiddel 11 opgenomen onderdeel van de verklaring van de verdachte relevant geacht, terwijl die verklaring geen wezenlijk andere strekking heeft dan de in het ambtsedig proces-verbaal van politie opgetekende verklaring van de verdachte. Van het denatureren van de voornoemde verklaring is derhalve geen sprake. In zoverre faalt het middel.

4.8.

Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging uitvoerig uiteen gezet op grond van welke bewijsmiddelen het heeft geoordeeld dat bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij de overval en dat verdachte degene was die in (de nabijheid van) de deuropening van de grillroom heeft gestaan ten tijde van de overval. Die overweging dient in onderling verband en samenhang te worden gelezen met hetgeen het hof overweegt over de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd omtrent zijn aanwezigheid bij de medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . Daarmee heeft het hof zijn oordeel derhalve niet gestoeld op de ‘enkele’ overweging dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de gehele tijd bij de medeverdachten was. In dat oordeel van het hof ligt voorts niet onbegrijpelijk besloten dat de inconsistentie in de signalementen in de bewijsmiddelen 2 en 5 niet in de weg staat aan het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval, terwijl die signalementen voorts geen beslissende rol binnen de door het hof gehanteerde bewijsconstructie vervullen.4 Het oordeel van het hof dat het alternatieve scenario niet aannemelijk is, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk, en voldoende gemotiveerd.

4.9.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

5.2.

Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft raadsvrouw aldaar het woord gevoerd aan de hand van haar pleitnotities. Deze houden in, voor zover van belang:

“9. Geen medeplegen
Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat indien u meent dat wel kan worden bewezen dat cliënt de tweede persoon is geweest, dat alsdan geen sprake is geweest van medeplegen.

De Hoge Raad heeft vrij recentelijk nog enkele arresten gewezen aangaande het medeplegen waaruit toch de conclusie kan worden getrokken dat de Hoge Raad wat strenger is geworden ten aanzien van het aannemen van medeplegen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt in ieder geval dat de kwalificatie van medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. De verdachte moet naar het oordeel van de Hoge Raad een voldoende significante of wezenlijke bijdrage leveren aan het strafbare feit. De Hoge Raad heeft in een arrest van 2 december 2014 overwogen dat waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/ of materiële bijdrage, is het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. (NJ 2015/390).

Als we dit nu toetsen op onze zaak dan kunnen we vaststellen dat aangever heeft verklaard dat hij eigenlijk pas op het eind van de overval de tweede dader opmerkt. Hij heeft het in eerste instantie enkel over dader 1. Hij heeft zich niet bedreigd gevoeld door dader 2. Dader 2 stond bij de ingang, zo blijkt ook uit de situatieschets (p. 50). Dader 2 is niet verder de zaak ingelopen. Aangever heeft bij deze dader geen wapen gezien. Deze dader heeft geen bedreigingen geuit. Hij heeft enkel zijn excuses aangeboden.

De handeling van cliënt dient alsdan te worden beschouwd als het op de uitkijk staan. Dit betreft een typische medeplichtigheidshandeling. Niet kan worden geoordeeld dat het handelen van cliënt van voldoende gewicht is geweest om hem alsdan als medepleger aan te merken. Cliënt heeft geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan het strafbare feit. Opmerking bij dit alles verdient ook nog het feit dat niet is gebleken dat cliënt heeft gedeeld in de buit. Cliënt had slechts twee tientjes bij zich. Het enkel ter plaatse zijn op plaats delict is onvoldoende voor het aannemen van medeplegen.

Gelet op dit alles verzoek ik u om cliënt vrij te spreken.”

5.3.

Uit Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015, 390 m. nt. P.A.M. Mevis volgt onder meer dat voor de kwalificatie medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen vereist is. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Het voorgaande geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’. De overwegingen in voornoemd arrest zijn in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering.5 Indien het tenlastegelegde medeplegen bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, en in de kern dus niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, rust op de rechter de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.6

5.4.

Hiervoor is gebleken dat de verdachte ten tijde van de overval bij de deur van de grillroom is blijven staan, terwijl de medeverdachte de aangever bedreigde met een vuurwapen en het geldbedrag afhandig heeft gemaakt. Derhalve was de verdachte wel aanwezig ten tijde van de verwezenlijking van het delict, maar hij heeft geen uitvoeringshandelingen verricht. De enkele aanwezigheid ten tijde van de verwezenlijking van het delict is in beginsel onvoldoende.7 Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is het aannemen van medeplegen in deze situatie echter niet uitgesloten. Daarvoor dient dan méér te worden vastgesteld, bijvoorbeeld de betrokkenheid bij het plan, de actieve aansporing van de feitelijke uitvoerder(s), een rechtsplicht tot handelen die opzettelijk wordt veroorzaakt, de relevantie van die aanwezigheid of een combinatie van dergelijke elementen.8 Dat roept in deze zaak dus de vraag op of naast de fysieke aanwezigheid van de verdachte, zijn bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is geweest. De onderhavige zaak vertoont overeenkomsten met die van het Brusselse wisselkantoor-arrest uit 1975.9 De verdachte heeft in die zaak samen met zijn mededader een bankoverval gepleegd, waarbij de mededader het geld fysiek heeft weggenomen en daartoe de kassier heeft bedreigd met een vuurwapen en hem een jas over het hoofd heeft gegooid. De verdachte bleef gedurende de overval bij de deur staan. Niettemin werd ten aanzien van de verdachte het medeplegen van de bankoverval bewezen verklaard. Uit de bewijsconstructie bleek dat de verdachte twintig minuten na de overval op weg van Brussel naar Antwerpen in zijn auto is gesignaleerd en later met een tas vol bankbiljetten, die onmiskenbaar afkomstig waren van de diefstal, in Den Haag is gearriveerd bij zijn levensgezel. A-G Remmelink stelde in zijn conclusie zich op het standpunt dat het voorgaande op grond van de menselijke ervaringsregels moeilijk anders kan worden uitgelegd dan dat de verdachte als belangrijk participant bij het delict betrokken geweest moet zijn. De verdachte heeft, in de woorden van Remmelink, ‘daadwerkelijk aan het eigenlijke, vuile, werk van de overval meegedaan’. De Hoge Raad liet de veroordeling in stand en wees daarbij in het bijzonder nog op de verklaring over de medeverdachte die ‘in het gezelschap was van een ander persoon die bij de deur bleef’, en een verklaring waaruit bleek dat de kassier door twee personen was aangevallen. De Hullu merkt hierover op dat het bij de deur blijven staan in de voornoemde casus nogal dicht bij de uitvoering staat.10

5.5.

Het hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die was gericht op de overval van de grillroom. Met zijn overweging dat – kort gezegd – de verdachte tezamen met de medeverdachte met dezelfde auto is gekomen, en daarna met een capuchon over zijn hoofd11 de grillroom is binnengekomen, terwijl zijn medeverdachte was voorzien van gezichtbedekkende kleding en de verdachte gedurende de overval (in de nabijheid van) de deuropening van de grillroom heeft gestaan en nadien samen met zijn medeverdachte is weggerend en in dezelfde auto is vertrokken, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat er sprake is geweest van een planmatig karakter van de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte. De steller van het middel ontwaart in de onderhavige zaak ‘opmerkelijke overeenkomsten’ met de casus in het overzichtsarrest medeplegen Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, en wijst erop dat niet blijkt van voorafgaande besluitvorming waarbij de verdachte betrokken is geweest. Anders dan in voornoemde zaak, blijkt in de onderhavige zaak echter niet dat de verdachte op geen enkele wijze bij de plannen voor de overval betrokken was. Net als in het Brusselse wisselkantoor-arrest volgt uit de bewijsmiddelen, naast de door het hof in zijn nadere bewijsoverweging genoemde omstandigheden, in de onderhavige zaak dat de verdachte en zijn medeverdachte vlak na de overval op de grillroom op dezelfde locatie worden aangetroffen, terwijl op die locatie voorts de buitgemaakte kassalade aanwezig blijkt te zijn. Dit kan, om met Remmelink te spreken, moeilijk anders worden uitgelegd dan dat de verdachte als belangrijk participant bij het delict betrokken geweest moet zijn.12 Voorts wijst de omstandigheid dat de verdachte na zijn medeverdachte de grillroom binnen is gekomen en gedurende de overval in (de nabijheid van) de deuropening is blijven staan, zelfs al zag de aangever dat pas later, erop dat hij volledig op de hoogte moet zijn geweest van het delict en een functie vervulde in het geheel, al was het misschien slechts het waarschuwen voor en het in bedwang houden van eventuele ‘derden’.13 Gelet op de bewijsmiddelen kan worden aangenomen dat het hof de verdachte kennelijk als vervuller van die rol heeft aangemerkt. De nadere bewijsoverweging en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht ik het oordeel van het hof dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en het (impliciet) aan die overweging ten grondslag liggende oordeel dat er sprake is geweest van betrokkenheid van verdachte bij het plan de grillroom te overvallen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.6.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het derde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

6.2.

Het hof heeft in zijn arrest ter motivering van de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van vierentwintig maanden onder de kop “Oplegging van straf en/of maatregel” (pag. 9) het volgende overwogen:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 27 januari 2013 samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van een overval, waarbij gebruikt is gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Naar algemeen bekend is kunnen de slachtoffers van een overval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden. Dergelijke overvallen veroorzaken bovendien onrust in de samenleving. Verdachte en zijn medeverdachte hebben kennelijk enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van eigen gewin en zich van deze mogelijke gevolgen geen rekenschap gegeven. Verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 december 2015 blijkt dat verdachte veelvuldig eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Kennelijk hebben de verdachte in dat kader opgelegde (gevangenis)straffen hem niet ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het hof neemt voorts in aanmerking hetgeen de raadsvrouw omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht, alsmede het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 13 maart 2013 zijn gebleken.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, alsmede de ernst van het bewezen verklaarde, acht het hof een gevangenisstraf van gelijke duur als in eerste aanleg opgelegd en als in hoger beroep gevorderd, passend en noodzakelijk, bezien vanuit het oogpunt van vergelding en beveiliging van de maatschappij.”

6.3.

In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het uit art. 359 lid 6, eerste volzin, Sv voortvloeiende vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.14

6.4.

Blijkens zijn hiervoor onder 6.2 weergegeven overwegingen heeft het hof niet slechts gebruik gemaakt van de standaardoverweging, maar is het ook ingegaan op de ernst van het feit en de impact op slachtoffers en de samenleving en daarbij heeft het hof voorts laten meewegen dat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij veelvuldig eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, maar dat de in dat kader aan hem opgelegde (gevangenis)straffen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen hetgeen de raadsvrouw omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, alsmede het reclasseringsrapport dat omtrent de verdachte is opgemaakt. Het hof overweegt dat het gelet op voornoemde omstandigheden, een gevangenisstaf van gelijke duur als in eerste aanleg opgelegd passend en noodzakelijk acht, bezien vanuit het oogpunt van vergelding en beveiliging van de maatschappij. Daarmee verwijst het hof naar de – uiteraard uit het dossier kenbare en op de terechtzitting van het hof ook door de advocaat-generaal expliciet gememoreerde – in eerste aanleg opgelegde straf van 24 maanden gevangenisstraf.
Het hof heeft met deze overweging uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald.

6.5.

Het middel faalt.

7. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05061 (rov. 3.7).

2 B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 493.

3 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 206.

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8211, en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9254.

5 Zie ook Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883 (rov. 3.3), Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1808 (rov. 2.4).

6 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015, 390.

7 Zie J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 455.

8 Zie J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 454- 455.

9 HR 25 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5915, NJ 1975, 270.

10 J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 455.

11 De in de nadere bewijsoverweging van het hof opgenomen zinssnede inhoudende dat (ook) de ‘verdachte was voorzien van zijn gezicht bedekkende kleding’, berust blijkens het zinsverband op de door het hof aangehaalde verklaring van de ‘aangever [die] spreekt over een vermoedelijke capuchon die verdachte over zijn hoofd droeg’. Voor zover het middel daarover klaagt, kan dit vanwege de niet onbegrijpelijke duiding door het hof van dat bewijsmiddel niet tot cassatie leiden.

12 HR 25 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5915, NJ 1975, 270.

13 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Remmelink voorafgaand aan HR 25 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5915, NJ 1975, 270.

14 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.