Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:124

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/01483
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:375, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Openlijke geweldpleging tegen politie op Bonaire, “met verenigde krachten”, art. 147.1 Sr BES. Deze bepaling komt overeen met art. 141.1 (oud) Sr. Voor een veroordeling t.z.v. art. 141.1 (oud) Sr is vereist dat betrokkene deel uitmaakt van een groep die geweld heeft gepleegd en dat van betrokkene zelf in dat verband enige gewelddadige handeling is uitgegaan (ECLI:NL:HR:2001:AD8636, NJ 2001/687). Er bestaat geen grond t.a.v. de vergelijkbare bepaling van het Wetboek van Strafrecht BES anders te oordelen. Het Hof heeft in de bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tlgd. "tezamen en in vereniging" met anderen, openlijk "met verenigde krachten" geweld plegen bewezen is. ’s Hofs oordeel dat de in aanmerking genomen f&o in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. V.zv. het middel klaagt dat van verdachte zelf niet in voornoemde zin enige gewelddadige handeling is uitgegaan nu het aannemen van een gevechtshouding niet als zodanig is te beschouwen, kan het niet tot cassatie leiden omdat het miskent dat het Hof heeft vastgesteld dat het aannemen van een dreigende gevechtshouding gepaard ging met het opzoeken van de confrontatie en zich agressief gedragen, en het daarbij gedurende enige tijd meegaan in een aanvalsgolf van een groep schoppende, slaande en met flessen gooiende personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01483 A

Zitting: 17 januari 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij vonnis van 5 maart 2015 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van drie jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. De eerste twee middelen hebben betrekking op de bewijsvoering.

  3. Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen, geef ik de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“dat hij op 20 september 2014 op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen ter hoogte van de parkeerplaats naast de MCB te Playa, te weten op de naamloze verbindingsweg tussen Kaya Princes Marie en Kaya L.D. Gerharts, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd

- tegen [verbalisant 1] ,

- tegen het politievoertuig met kenteken [A-000] en/of het politievoertuig met kenteken [B-000] welk geweld heeft bestaan uit het gewelddadig, in elk geval met kracht, meermalen althans éénmaal:

- met geschoeide voet schoppen tegen de arm van die [verbalisant 1] en

- slaan van die [verbalisant 1] en duwen van die [verbalisant 1] en

- gooien van flessen in de richting van die [verbalisant 1] ,

- gooien van flessen tegen het politievoertuig met kenteken [A-000] en/of het politievoertuig met kenteken [B-000] en

- in een groep/menigte met een agressieve vechthouding dreigend achter die [verbalisant 1] aanlopen en op die [verbalisant 1] en die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] afgaan en die [verbalisant 1] omsingelen.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2014, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant, de hoofdagent van politie, [verbalisant 1] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland:

Op zaterdag 20 september 2014, omstreeks 01.05 uur, ben ik, verbalisant, in burger gekleed en in mijn vrije tijd, naar mijn privé voertuig gelopen welke geparkeerd stond op de parkeerplaats van de Maduro & Curiel’s Bank. Ik zag dat om en rond mijn auto meerdere personen stonden. Ik zag een groep jongens om mij heen. [verdachte] en anderen schreeuwden tegen mij dat ik als mariku, makamba terug naar Hulanda moest. Op een gegeven moment zag en voelde ik de menigte steeds dichterbij komen. Ik voelde namelijk dat zij mij aanraakten. Ik heb vervolgens van iemand met kracht een tik, stoot, op mijn linker wang gekregen. Vervolgens zag en voelde ik dat [betrokkene 1] met gestrekt been op mij afkwam, en dat toen ik deze trap met mijn arm probeerde af te weren, zijn voet met schoeisel mijn arm raakte. Ik voelde een brandende pijn. Ik voelde glas tegen mijn blote armen komen. Tevens hoorde ik dat glazen flessen tegen voertuigen gegooid worden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2014, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant, [verbalisant 2] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland:

Op zaterdag 20 september 2014, omstreeks 01.00 uur, was ik samen met mijn collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op patrouille. Wij ontvingen een melding van de meldkamer dat er een auto aan het feveren was ter hoogte van de parkeerplaats naast de MCB gelegen aan de Kaya Grandi te Playa in Bonaire, op de naamloze verbindingsweg tussen Kaya Princes Marie en Kaya L.D. Gerharts. Bij aankomst op de plaats van de melding, omstreeks 1.10 uur, zag ik een grote menigte staan waarvan een deel een blanke man, die ik later herkende als [verbalisant 1] en die onze richting opliep, volgde en uitschold. Ik zag en hoorde dat [verbalisant 1] ernstig bedreigd werd. De personen die het meest agressief tegen [verbalisant 1] waren herkende ik als: [betrokkene 1] , [verdachte] , [betrokkene 2] en een man met rastaharen die later bleek te zijn [betrokkene 3] . Toen de menigte en [verbalisant 1] zich bij ons surveillanten hadden gevoegd, richtten zich een groot aantal personen tegen ons, geüniformeerde collega’s. Op enig moment zag ik dat een voor mij onbekende persoon zijn arm uithaalde en [verbalisant 1] een klap tegen zijn hoofd gaf. Vervolgens zag ik dat [betrokkene 1] met een gestrekt been tegen [verbalisant 1] trapte. Ik zag dat [verdachte] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zich ook met het gevecht gingen bemoeien. Ik zag dat een groot deel van de menigte op ons af kwam. Ik zag dat er flessen in mijn (onze) richting werden gegooid. Ik hoorde deze flessen tegen het dienstvoertuig kapotslaan. Ik voelde mij op dat moment ernstig bedreigd en vreesde voor mijn leven en dat van mijn collega’s.

[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verdachte] kwamen terug naar ons en begonnen wederom tegen ons te schreeuwen en te schelden. Ik zag dat collega [verbalisant 3] werd belaagd door [verdachte] en heb mij bij haar gevoegd om haar te verdedigen. Vervolgens richtte [verdachte] zich tegen mij. Hij was zeer agressief en nam een zeer dreigende houding aan tegen mij. Tijdens het wegrijden werden er flessen naar ons gegooid welke ik op het dienstvoertuig kapot hoorde slaan.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2014, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant, [verbalisant 3] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland:

Op 20 september 2014, omstreeks 01.03 uur, was ik samen met [verbalisant 2] en [verbalisant 4] in de dienstauto [A-000] . Wij ontvingen een melding van feveren en reden richting Kaya Grandi. Wij reden de straat bij de parkeerplaats van de MCB bank in en ik zag dat een groep jongens met een Nederlandse man aan het discussiëren was. Ik zei tegen mijn collega dat de Nederlandse man [verbalisant 1] is. Toen [verbalisant 1] in onze richting kwam, kwam de groep jongens achter [verbalisant 1] aan en begonnen allerlei dingen tegen ons te schreeuwen. Zij werden steeds agressiever. Ik zag [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en ene [betrokkene 5] voor mij. [betrokkene 1] had [verbalisant 1] geslagen. Op dat moment kregen de andere jongens de moed om [verbalisant 1] te duwen. Ik zag dat een fles in onze richting werd gegooid. Toen wij wegreden zagen wij dat ze flessen gooiden op onze dienstauto.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2014, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant, [verbalisant 5] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland:

Op 20 september 2014 bevond ik verbalisant [verbalisant 5] samen met [verbalisant 6] in dienstvoertuig [B-000] . Wij ontvingen een melding van de Centrale Meldkamer om te gaan naar de naamloze verbindingsweg tussen Kaya Princes Marie en Kaya L.D. Gerharts wegens feveren. Bij aankomst ter plaatse zag ik dat een groep jongens een woordenwisseling had met mijn collega [verbalisant 1] . Vervolgens zag ik dat een onbekende man [verbalisant 1] met een gebalde vuist tegen zijn linkerzijde van zijn gezicht had geslagen. Hierna zag ik [betrokkene 1] [verbalisant 1] met gestrekt been slaan. Hierna zag ik dat, een groep mensen samen met [verdachte] en [betrokkene 2] op [verbalisant 1] afging in een dreigende gevechtshouding, om de veiligheid van [verbalisant 1] en mijn andere collega’s had ik [verdachte] gepeperd om zijn agressieve gedrag af te breken. Een onbekende had een bierfles op ons gegooid. Hierna zag ik dat [verdachte] op collega [verbalisant 3] afging met een agressieve houding alsof hij met [verbalisant 3] wilde vechten. Ik zag dat [verdachte] kort hierna op [verbalisant 2] afging met een agressieve houding. Op een gegeven moment liepen wij allemaal naar onze dienstvoertuig en reden weg van het plaats delict. Tijdens het weggaan gooiden verschillende mensen bierflessen op de dienstvoertuigen.

5. De eigen waarneming van het Hof van de camerabeelden ter terechtzitting van 12 februari 2015. Op de beelden was te zien:

dat een groep mensen zich bevindt ter hoogte van de parkeerplaats naast de MCB te Playa, te weten op de naamloze verbindingsweg tussen Kaya Princes Marie en Kaya L.D. Gerharts. Dat vanaf het tijdstip 1:22:32 uur een confrontatie tussen de groep en een aantal politieagenten in uniform en politieagent in burger [verbalisant 1] aanvangt. Dat op het tijdstip 1:22:32 uur, 1:23:22 en 1:26:12 uur een man is te zien die zeer op verdachte lijkt. Dat deze man zich in de groep bevindt, op het moment dat [verbalisant 1] door één van de groepsleden wordt geduwd. Dat deze man nadien met een agressieve vechthouding, dreigend op [verbalisant 1] afloopt.

6. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -:

Ik was aanwezig toen het incident te Playa plaatsvond. Ik herken mezelf op de camerabeelden op het tijdstip 1:22:32 uur, 1:23:22 en 1:26:12 uur.”

6. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Verdachtes raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde openlijke geweldpleging en derhalve dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft tevens - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte tijdens het geweld niet aanwezig was, althans zich niet met het geweld heeft bemoeid. De verdachte werd ineens door een agent gepepperd en stapte nadien alleen op de politieagenten af om te vragen wat er aan de hand was, aldus de verdediging. Het Hof overweegt het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat van ‘met verenigde krachten’ plegen van geweld in de zin van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht BES sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Uit de verklaringen van agenten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 7] blijkt dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd. Immers, de verdachte heeft met anderen de gewelddadige confrontatie met de agenten opgezocht en heeft daarbij een dreigende gevechtshouding aangenomen en zich agressief gedragen. De agenten zijn door de groep, waaronder de verdachte, ernstig bedreigd en er is door de groep, waaronder de verdachte, fysiek geweld jegens de agenten toegepast in de vorm van trappen en slaan en het gooien van flessen in de richting van de agenten.

Het Hof constateert uit eigen waarneming ter terechtzitting van de camerabeelden dat een groep mensen zich bevindt ter hoogte van de parkeerplaats naast de MCB te Playa, te weten op de naamloze verbindingsweg tussen Kaya Princes Marie en Kaya L.D. Gerharts. Voorts constateert het Hof dat vanaf het tijdstip 1:22:32 uur het openlijk geweld aanvangt door een confrontatie tussen de groep en een aantal politieagenten in uniform en politieagent in burger [verbalisant 1] . Het Hof heeft uit eigen waarneming geconstateerd dat op het tijdstip 1:22:32 uur, 1:23:22 en 1:26:12 uur een man is te zien die zeer op verdachte lijkt. De verdachte heeft de juistheid van dit vermoeden bevestigd en herkent zichzelf ter terechtzitting van 12 februari 2015 op de camerabeelden. Op grond van het voorgaande stelt het Hof vast dat de in het donker geklede man die zichtbaar is in de tijdspanne 1:22:32 en 1:26:12, verdachte is. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte zich in de groep bevindt op het moment dat [verbalisant 1] door één van de groepsleden wordt geduwd. De verdachte loopt nadien met een agressieve vechthouding, dreigend af op [verbalisant 1] . Uit de gebezigde bewijsmiddelen is voorts gebleken dat door de groep tevens met flessen is gegooid.

Het Hof is van oordeel dat de verdachte een voldoende significante rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Immers, hij bevindt zich in een groep die jegens politieagenten geweld heeft toegepast, heeft welbewust de confrontatie opgezocht, heeft zich agressief gedragen, is samen met anderen op de agenten afgestapt en heeft een gevechtshouding aangenomen en is bovendien vervolgens gedurende enige tijd meegegaan in de aanvalsgolf van de groep en heeft dusdoende deze groep getalsmatig versterkt. De verdachte is enige tijd van die groep deel uit blijven maken. Verdachtes eigen verklaring dat hij dit niet wist en zelf niet agressief heeft gehandeld, wordt door het vorenstaande weerlegd.”

7. Het eerste middel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de eigen waarneming van het hof op de ter terechtzitting vertoonde camerabeelden, terwijl het hof die waarneming niet ter sprake heeft gebracht, waardoor de verdachte door dat gebruik voor het bewijs is verrast. Het middel doelt op de waarneming dat de verdachte “met een agressieve vechthouding, dreigend” op [verbalisant 1] afloopt.

7.1. Bij de beoordeling van het middel staat voorop dat de eigen waarneming van de rechter ingevolge art. 382 Sv BES voor het bewijs kan worden gebruikt, wanneer deze waarneming tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gedaan, zo volgt uit art. 383 Sv BES. De ratio hiervan is dat alle procespartijen de gelegenheid moeten hebben gehad om die waarneming ook te doen en zich daarover bij de behandeling van de zaak uit te laten.1 Het is niet vereist dat de rechter een eigen – bij het onderzoek ter terechtzitting gedane – waarneming op de terechtzitting ook ter sprake brengt, tenzij de procespartijen door het gebruik van de betreffende waarneming zou worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of in een gegeven zaak sprake is van een waarneming die wel expliciet naar voren moet worden gebracht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband tussen die waarneming en het voorhanden bewijsmateriaal.2

7.2. In de voorliggende zaak zijn de volgende omstandigheden van belang.

7.2.1. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft de verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen dat het er niet van overtuigd is dat de verdachte een voldoende significant aandeel heeft gehad in het openlijk geweld. De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

7.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015 houdt in dat de voorzitter de stukken heeft voorgehouden die in het dossier van de verdachte zijn gevoegd. Bij die stukken bevindt zich een appelschriftuur van de officier van justitie, waarin de officier van justitie onder verwijzing naar diverse processen-verbaal uiteenzet waarom hij van oordeel is dat de verdachte wel een voldoende significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd. De officier van justitie citeert onder meer het door het hof als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] dat inhoudt dat een groep mensen samen met de verdachte en [betrokkene 2] “in een dreigende gevechtshouding” op [verbalisant 1] afging. Ook citeert de officier van justitie een “PV beelden d.d. 27 september 2014” dat inhoudt dat bij het tijdstip 1:22:31 uur op de camerabeelden is te zien dat de verdachte “in een dreigende houding” voor [verbalisant 1] staat.3

7.2.3. Bij de ondervraging van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep is vervolgens uitdrukkelijk ingegaan op de vraag of de verdachte al dan niet een dreigende of agressieve houding heeft aangenomen. Daarbij verklaarde de verdachte:

“De politie zegt dat ik agressief deed, maar uit de camerabeelden blijkt dat ik met mijn handen in mijn zij stond. (…) Ik heb geen vechthouding aangenomen. Ik heb geen bedreigingen geuit.”

7.2.4. Aansluitend werden de camerabeelden vertoond. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt daarover het volgende in:

“U toont mij de camerabeelden. Ik kan u vertellen dat ik in het zwart gekleed was en zwarte gympen aan had. Ik herken mezelf op de camerabeelden op het tijdstip 1:22:32 uur, 1:23:22 en 1:26:12 uur, maar ik vind niet dat ik op een agressieve manier naar de politie ben gelopen.”

7.2.5. De raadsvrouw heeft zich bij pleidooi uitgelaten over de beschrijving van de camerabeelden in het proces-verbaal van bevindingen. Blijkens haar pleitnota heeft zij onder meer betoogd dat volgens de beschrijving onder één van de foto’s de verdachte in een dreigende houding voor [verbalisant 1] staat. Dit is volgens de raadsvrouw echter niet te zien. De raadsvrouw voert aan dat de verdachte gewoon met zijn armen naar beneden staat en dat niet duidelijk is wat daar dreigend aan is.

7.3. In aanmerking genomen dat:

i. de tenlastelegging inhoudt dat het geweld onder meer heeft bestaan uit het “(in een groep/menigte) (met een agressieve vechthouding) dreigend” achter [verbalisant 1] aanlopen;

ii. bij de gedingstukken zich processen-verbaal bevinden waarin wordt gerelateerd dat de verdachte tegenover [verbalisant 1] een dreigende (gevechts)houding heeft aangenomen;

iii. de officier van justitie in de appelschriftuur uitdrukkelijk naar die processen-verbaal heeft verwezen;

iv. op de terechtzitting in hoger beroep is ingegaan op de vraag of de houding van de verdachte als zodanig kan worden aangemerkt;

v. de camerabeelden op die terechtzitting zijn vertoond in aanwezigheid van alle betrokkenen4 en

vi. de verdachte en zijn raadsvrouw de gelegenheid hebben gehad, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt, om zich uit te laten over de vraag of de houding van de verdachte op de beelden als een agressieve vechthouding of als dreigend kan worden aangemerkt;5

heeft het hof, zonder gehouden te zijn ter terechtzitting mededeling te doen van zijn in het middel bedoelde waarneming, die waarneming zonder schending van enige rechtsregel tot het bewijs kunnen bezigen. Gelet op de tenlastelegging, de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep moet het immers voor de verdediging op die terechtzitting duidelijk zijn geweest dat de vraag of de houding van de verdachte, zoals waarneembaar op de beelden, als een agressieve vechthouding en als bedreigend kan worden aangemerkt, van belang was voor het oordeel van het hof of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het impliciete oordeel van het hof dat het gebruik voor het bewijs van de door het hof gedane waarneming voor de verdachte geen verrassing kan zijn geweest, is dan ook niet onbegrijpelijk. Dat achteraf bezien is gebleken dat het hof de houding van de verdachte op de beelden anders heeft uitgelegd dan de verdediging, betekent niet dat de verdediging kan zijn verrast door het gebruik voor het bewijs van de eigen waarneming van het hof op die beelden. Immers, juist bij een waarneming als de onderhavige, waarbij het in verband met de aard van de waarneming aankomt op een interpretatie van de houding van de verdachte op de beelden, had de verdediging ermee rekening moeten en kunnen houden dat het hof die beelden anders zou interpreteren dan de verdediging. Die interpretatie is van feitelijke aard en behoort tot het domein van de feitenrechter. Daar wordt in het middel ook niet over geklaagd.

7.4. Het middel faalt.

8. Het tweede middel komt met een aantal deelklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ‘met verenigde krachten’ geweld heeft gepleegd.

8.1. De eerste klacht houdt in dat de bewijsvoering ontoereikend is, voor zover de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan tezamen en in vereniging met anderen openlijk met verenigde krachten plegen van geweld (door daaraan een voldoende significante bijdrage te leveren).

8.2. Een complicerende factor bij de beoordeling van deze klacht is dat zowel de steller van het middel als het hof, bij de vraag of er sprake is van ‘met verenigde krachten’ kennelijk uitgaan van de maatstaf die geldt voor art. 141 Sr, welke bepaling spreekt van het ‘in vereniging’ plegen van geweld. Het hof heeft immers overwogen dat van ‘met verenigde krachten’ plegen van geweld in de zin van art. 147 Sr BES sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Daaruit blijkt dat het hof kennelijk de maatstaf heeft gehanteerd die geldt voor art. 141 Sr. 6 Ook de steller van het middel verwijst naar jurisprudentie over art. 141 Sr.7 De vraag is echter of dit de juiste maatstaf is.

8.3. De tenlastelegging is namelijk toegesneden op art. 147 lid 1 Sr BES dat luidt:

“Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen worden gestraft met (…)”

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden ‘met verenigde krachten’ moeten dan ook geacht worden daar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis die daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.

Nu kwamen deze bewoordingen ook voor in art. 141 (oud) Sr, dat luidde:

“Zij die openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met (…)”

8.4. Art. 141, eerste lid, Sr is bij wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173) gewijzigd en luidt thans als volgt:

“Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met (…)”

8.5. Het verschil tussen de betekenis van de bewoordingen ‘met verenigde krachten’ in de oude tekst van art. 141, eerste lid, Sr en ‘in vereniging’ in de huidige tekst komt naar voren uit de Memorie van Toelichting waar deze wijziging als volgt is toegelicht:8

“De verruiming van de reikwijdte van artikel 141 WvSr krijgt gestalte door de vervanging van de woorden «met verenigde krachten» door de woorden «in vereniging». De woorden «in vereniging» drukken uit dat de samenwerkingseis van artikel 141 WvSr onverkort blijft gelden: het «verenigde» van de krachten wordt voortgezet in de eis dat in vereniging geweld moet zijn gepleegd. (…) Het verschil met de huidige delictsomschrijving zit uitsluitend in het ontbreken van het woord «krachten». Anders dan thans is niet langer doorslaggevend of de verdachte «krachten» heeft aangewend die met die van anderen verenigd zijn. Voldoende is, dat hij deel uitmaakt van de groep die het openlijke geweld heeft gepleegd, en een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Die bijdrage kàn bestaan in het plegen van een gewelddadige handeling, dat hoeft echter niet. (…) De consequentie van de wijziging van artikel 141, eerste lid, WvSr is, dat ook degene die zelf geen gewelddadige handeling verricht, het openlijke geweld in vereniging kan plegen.”

8.6. Kortom, voor een veroordeling ter zake van art. 141, eerste lid (oud), Sr was vereist dat de betrokkene deel uitmaakte van een groep die geweld heeft gepleegd en dat van betrokkene zelf in dat verband ‘enige gewelddadige handeling’ is uitgegaan.9 Dit betekende overigens niet dat uit de bewijsmiddelen moest volgen dat alle geweld, zoals dat is bewezen verklaard, van de verdachte zelf is uitgegaan.10

8.7. Aangezien art. 147 Sr BES, evenals art. 141 (oud) Sr, het bestanddeel ‘met verenigde krachten’ bevat, moet bij de beoordeling van het middel dus worden aangesloten bij de jurisprudentie over de laatstgenoemde bepaling. Daaruit volgt dat de overweging van het hof dat de bijdrage die de verdachte aan het geweld heeft geleverd niet zelf van gewelddadige aard hoeft te zijn, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘met verenigde krachten’ in art. 147 Sr BES. Hierover wordt in het middel echter niet geklaagd.

8.8. Maar ook al zou de klacht zo moeten worden opgevat dat deze mede betrekking heeft op de (onjuiste) interpretatie van het hof van de betekenis van het begrip ‘met verenigde krachten’, dan hoeft dit naar mijn mening niet tot cassatie te leiden, als uit de bewijsvoering van het hof kan volgen dat de verdachte niet alleen deel uitmaakte van de groep die geweld heeft gepleegd, maar dat van de verdachte zelf in dat verband ook enige gewelddadige handeling is uitgegaan. Hierbij is van belang welke feitelijke gedragingen van de verdachte uit de bewijsvoering kunnen volgen en wat in dit verband moet worden verstaan onder ‘enige gewelddadige handeling’.

8.9. De bewezenverklaring bevat een omschrijving van het gepleegde openlijke geweld zoals hiervoor onder 4 is aangehaald. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte zelf [verbalisant 1] heeft geschopt, geslagen of geduwd en flessen in diens richting en tegen politievoertuigen heeft gegooid. In dit verband wijs ik erop dat het hof in de strafmotivering heeft overwogen dat niet bewezen is verklaard dat de verdachte zelf personen heeft geslagen of geschopt of met voorwerpen heeft gegooid. Over blijft dan de bewezenverklaring van het “in een groep/menigte met een agressieve vechthouding dreigend achter die [verbalisant 1] aanlopen en op die [verbalisant 1] en die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] afgaan en die [verbalisant 1] omsingelen” en de vraag of deze handelingen kunnen worden aangemerkt als ‘enige gewelddadige handelingen’.

8.10. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdachte zich bevond in een groep die jegens politieagenten geweld heeft toegepast, welbewust de confrontatie heeft opgezocht, zich agressief heeft gedragen, samen met anderen op de agenten is afgestapt en een gevechtshouding heeft aangenomen, gedurende enige tijd is meegegaan in de aanvalsgolf van de groep en dusdoende de groep getalsmatig heeft versterkt. Bewijsmiddel 2 houdt in dit verband in dat een deel van een grote menigte [verbalisant 1] volgde en uitschold, dat [verbalisant 1] ernstig werd bedreigd en dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de verdachte behoorden tot de personen die het meest agressief tegen [verbalisant 1] waren. Nadat [verbalisant 1] was geslagen en door [betrokkene 1] was getrapt, gingen [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en de verdachte zich ook met het gevecht bemoeien. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte begonnen te schreeuwen en te schelden tegen de politieambtenaren. De verdachte heeft politieambtenaar [verbalisant 3] belaagd en, toen haar collega [verbalisant 2] zich bij haar voegde om haar te verdedigen, richtte de verdachte zich op [verbalisant 2] . De verdachte was zeer agressief en nam een zeer dreigende houding aan tegen hem. Bewijsmiddel 4 houdt in dat, nadat [verbalisant 1] was geslagen, een groep mensen samen met [betrokkene 2] en de verdachte op [verbalisant 1] afging in een dreigende gevechtshouding. De politieambtenaar [verbalisant 5] heeft hierop de verdachte ‘gepeperd’ om zijn agressieve gedrag te breken. Vervolgens ging de verdachte met een agressieve houding op [verbalisant 3] af, alsof hij met haar wilde vechten. Kort hierna ging hij ook met een agressieve houding af op [verbalisant 2] .

8.11. De wetgever heeft bij de totstandkoming van art. 141 (oud) Sr niet tot uitdrukking gebracht wat onder ‘geweld’ in de zin van die bepaling moet worden verstaan.11 In de literatuur is wel betoogd dat het moet gaan om aanwending van fysieke kracht tegen personen of goederen met zo’n hevigheid dat het door art. 141 Sr beschermde rechtsgoed – de openbare orde – in gevaar wordt gebracht. Min of meer ‘onschuldig gedoe’ zou niet als voldoende ‘krachtig’ voor toepasselijkheid van art. 141 Sr kunnen worden aangemerkt, temeer wanneer dit de enige vorm van geweld is. Daaraan wordt toegevoegd dat de rechtspraak bevestigt dat het geweld een zekere intensiteit moet hebben, maar dat er geen hoge eisen aan worden gesteld.12

8.12. Voor de onderhavige zaak is van belang of de gedragingen van de verdachte, die in de kern bestaan uit het in groepsverband belagen van politieambtenaren en het daarbij aannemen van een agressieve en dreigende vechthouding, zonder dat is gebleken dat de verdachte zelf fysiek geweld heeft aangewend, als ‘enige gewelddadige handeling’ kunnen worden aangemerkt.

8.13. In dit verband is HR 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9146, NJ 1993/292, van belang. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat de gedragingen van de verdachte, bestaande uit het dreigend opdringen tegen de in de bewezenverklaring genoemde personen en daarbij een nunchakuwapen omhoog houden, geweld in de zin van het eerste lid van art. 141 (oud) Sr opleveren. Daaraan voegde de Hoge Raad toe dat, voor zover in het middel werd betoogd dat het dreigend omhoog heffen van een nunchakuwapen niet is te beschouwen als geweld in vorenbedoelde zin, werd miskend dat het dreigend omhoog heffen van dit wapen gepaard ging met het in een groep schoppende, slaande en schietende personen opdringen tegen anderen. De Hoge Raad volgde daarmee de conclusie van AG Fokkens die zich op het volgende standpunt had gesteld:13

“(…) de verdachte die met anderen dreigend met een nunchakuwapen opdringt en die anderen aldus terzijde staat bij de door hen gepleegde daden van geweld, verricht (…) een gewelddadige handeling. Als er sprake was geweest van dreigen met wapens, was dit onvoldoende geweest voor geweld. Nu dit dreigen plaatsvond door dreigend op te dringen en in samenhang met het schieten, slaan, trappen etc. kan dit als deelnemen aan het geweld worden bestempeld.”

8.14. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat het feit dat een verdachte zelf niet daadwerkelijk is overgegaan tot het aanwenden van fysiek geweld tegen personen of goederen, op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een veroordeling wegens art. 141 (oud) Sr. De vraag is of het dreigend omhoog heffen van een wapen doorslaggevend is geweest om dit aan te merken als geweld in de zin van art. 141 (oud) Sr. Ik meen van niet, omdat naar mijn mening vooral de combinatie van de dreiging met het in een groep personen, die fysiek geweld plegen, opdringen tegen anderen, zoals de Hoge Raad overweegt en Fokkens ook betoogt, zwaar weegt. Voor het aannemen van een gevechtshouding, zonder dat met een wapen wordt gedreigd, zoals in onderhavige zaak, ligt dat naar mijn mening niet wezenlijk anders.

8.15. Het aanmerken van de gedragingen van de verdachte, zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, als ‘enige gewelddadige handeling’ is naar mijn mening dan ook niet in strijd met het aan art. 141 (oud) Sr ten grondslag liggende beginsel dat slechts van individuele personen uitgaande gedragingen worden gestraft.14 In het licht van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden gezegd dat de verdachte geen enkele daad van geweld in de betekenis van art. 141 (oud) Sr heeft verricht.

8.16. Ook al is het hof blijkbaar niet van de juiste maatstaf uitgegaan, is de bewezenverklaring dat de verdachte ‘met verenigde krachten’ geweld heeft gepleegd niet ontoereikend gemotiveerd. Daaruit volgt dat het middel voor zover daarin geklaagd wordt over de verwerping van het tot vrijspraak strekkende verweer niet tot cassatie hoeft te leiden.

8.17. Het middel klaagt verder dat de bewijsvoering van het hof innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof enerzijds in het kader van de openlijke geweldpleging heeft overwogen dat de agenten door de groep, waaronder de verdachte, ernstig zijn bedreigd en anderzijds de verdachte heeft vrijgesproken van de onder B ten laste gelegde bedreiging van de agenten, terwijl die tenlastelegging grotendeels overeenkomt met de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging.

8.18. De tenlastelegging houdt onder A in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Zij houdt onder B in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging (art. 298 Sr BES). De onderdelen A en B van de tenlastelegging worden van elkaar gescheiden door “EN/OF”. Het hof heeft het onder A ten laste gelegde bewezen verklaard, zoals hiervoor weergegeven, en heeft de verdachte vrijgesproken van het onder B ten laste gelegde.

8.19. Het hof, dat zowel heeft geoordeeld over de onder A ten laste gelegde openlijke geweldpleging als over de onder B ten laste gelegde bedreiging, heeft de onderhavige "en/of”-tenlastelegging kennelijk opgevat als een cumulatieve tenlastelegging. Die uitleg is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, zodat deze in cassatie moet worden geëerbiedigd.15

8.20. De klacht richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder A ten laste gelegde, welke motivering niet te verenigen zou zijn met de vrijspraak van het onder B ten laste gelegde. Die vrijspraak en de daaraan gegeven motivering zijn echter niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen. Dat brengt mee dat de vraag of de motivering van de bewezenverklaring zich verdraagt met die vrijspraak in cassatie niet getoetst kan worden.16 Reeds daarom faalt de klacht.

8.21. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, valt niet in te zien dat de bewijsvoering op onderdelen niet redengevend is voor het bewezen verklaarde.

8.22. Het middel klaagt ook dat niet blijkt dat is voldaan aan het voorschrift van art. 395, tweede lid eerste volzin, Sv BES dat in hoger beroep slechts met eenparigheid van stemmen kan worden bewezen verklaard datgene waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Deze klacht faalt omdat geen wetsbepaling voorschrijft dat in een in hoger beroep gewezen uitspraak uitdrukkelijk moet worden vermeld dat aan de bepaling van de eerste volzin van het tweede lid van art. 395 Sv BES is voldaan.17

8.23. Ten slotte klaagt het middel op zichzelf terecht dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft verwezen naar een verklaring van [verbalisant 7] , terwijl deze verklaring niet als bewijsmiddel is opgenomen en het hof evenmin de redengevend geachte inhoud van die verklaring in zijn bewijsoverweging heeft weergegeven. De verwijzing naar de verklaring van [verbalisant 7] is echter, gelet op hetgeen het hof overigens heeft vastgesteld, van zo ondergeschikte betekenis is dat de klacht niet tot cassatie hoeft te leiden.18

8.24. Het middel faalt.

9. Het derde middel klaagt dat het vonnis (i) in strijd met art. 402, vijfde lid, Sv BES niet in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de keuze van een voorwaardelijke gevangenisstraf hebben geleid en (ii) in strijd met art. 401, vierde lid, Sv BES niet de wettelijke voorschriften vermeldt waarop de strafoplegging is gegrond.

9.1. Ingevolge art. 402, vijfde lid, Sv BES geeft het vonnis, voor zover hier relevant, bij de oplegging van een straf die vrijheidsontneming meebrengt in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. De klacht onder (i) faalt, omdat zij miskent dat de door het hof opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf naar haar aard niet is aan te merken als een straf die vrijheidsontneming meebrengt.19

9.2. De klacht onder (ii) kan evenmin tot cassatie leiden, omdat de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang heeft bij een klacht over het verzuim inzake de vermelding van de in art. 401, vierde lid, Sv BES bedoelde wettelijke voorschriften.20

9.3. Het middel faalt.

10. De middelen falen. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414, NJ 2007/134, m.nt. Reijntjes.

2 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1405, HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4990 en HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, NJ 2011/78, m.nt. Reijntjes.

3 Het betreft hier kennelijk het zich bij de gedingstukken bevindende proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 27 september 2014.

4 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1405.

5 Vgl. HR 18 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1610, NJ 1993/28, m.nt. Schalken, rov. 5.1.

6 Zie HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209.

7 De schriftuur noemt – naast HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209 – ook HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1819 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320, NJ 2016/418, m.nt. Rozemond onder NJ 2016/420.

8 Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3, p. 6-7.

9 Vgl. HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7623, HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD8636, NJ 2001/687, m.nt. Buruma en HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8600, NJ 1991/30, m.nt. ’t Hart.

10 Vgl. HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7623, rov. 3.6.

11 W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, Arnhem 1992, p. 100.

12 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 2 op art. 141 Sr (bijgewerkt door J.W. Fokkens tot en met 14 oktober 2014).

13 Onderdeel 7 van de conclusie.

14 Zie voor dit beginsel: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 op art. 141 Sr (bijgewerkt door J.W. Fokkens tot en met 14 oktober 2014).

15 Vgl. HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8393 en HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4196.

16 Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3370 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117, m.nt. Keijzer. Zie voor het spiegelbeeldige geval van een OM-cassatie: HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466, m.nt. Keijzer.

17 Vgl. t.a.v. art. 424, eerste lid (oud), Sv: HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9717, NJ 1994/613. Zie ook HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS1874 (art. 424, tweede lid (oud), Sv) en HR 27 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2498, NJ 2001/297 (art. 424, derde lid (oud), Sv).

18 Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. Reijntjes, rov. 5.4.

19 Vgl. t.a.v. art. 359, zesde lid, Sv: HR 16 september 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9001, NJ 1986/726, m.nt. Melai. Zie ook HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191: Uit de strafmotivering moet expliciet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.

20 Vgl. t.a.v. art. 358, vierde lid, Sv: HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.3 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.2.