Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/03326
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2861, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedragen onder klager i.h.k.v. strafzaak tegen klager en zijn broers. 1. Termijn voor hernieuwd beklag, art. 552a.3 en 552a.4 Sv. 2. Ontvankelijkheid cassatieberoep na last tot teruggave, art. 134.1 en 116.1 Sv.

Ad 1. N.a.v. de in de CAG opgeworpen vraag of de termijnen van art. 552a.3 Sv en art. 552a.4 Sv ook van toepassing zijn in het geval van een hernieuwd beklag na inbeslagneming van de voorwerpen merkt de HR op dat mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 552a.3 tweede volzin Sv moet worden aangenomen dat de in art. 552a.3 Sv genoemde termijn ook van toepassing is in het geval van een hernieuwd beklag. Datzelfde geldt in voorkomende gevallen voor het bepaalde in art. 552a.4 Sv.

Ad 2. Op de gronden zoals weergegeven in de CAG kan klager niet worden ontvangen in het cassatieberoep, nu de OvJ een last tot teruggave aan klager van de inbeslaggenomen geldbedragen heeft gegeven. CAG: klager heeft geen afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat ze hem toebehoren. Met de door de OvJ gegeven last tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen geldbedragen is ex art. 134.1 Sv aan dat beslag een einde gekomen, ongeacht of dat voorwerp feitelijk is teruggeven. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/03326 B

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 14 juni 2016 de klager niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hem van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3 Procesgang en overige relevante feitelijke gang van zaken

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 24 februari 2016 dient mr. Y. Bouchikhi namens de klager een derde hernieuwd klaagschrift ex art. 552a Sv in, waarin de klager teruggave verzoekt van twee geldbedragen (€ 2.450,- en € 285,-) die onder hem in beslag zijn genomen. Eerdere door hem ingediende klaagschriften hebben niet daartoe geleid. Op hetgeen toen is voorgevallen kom ik later terug. Het namens de klager ingediende klaagschrift van 24 februari 2016 – waar het thans om gaat – is door de rechtbank in de raadkamer van 17 mei 2016 behandeld. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt in:

“De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

De strafzaak tegen cliënt is geseponeerd. Hij heeft pas een schadevergoeding op grond van artikel 89 Sv toegekend gekregen. Er is geen formeel sepot, maar u kunt hieruit opmaken dat hij niet vervolgd zal worden. Het derdenbeslag op de geldbedragen is kennelijk gelegd, omdat in het systeem stond dat het van [betrokkene 1] was. Dat is echter niet zo. Ik heb met een kennisgeving van inbeslagname moeten aantonen dat de bedragen van cliënt zijn. Het derdenbeslag had nooit gelegd mogen worden.

De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik weet niet of er een misverstand is geweest. Het geld is niet meer onder het openbaar ministerie, maar is uitbetaald aan de gemeente. Het precieze verloop weet ik niet precies en ik weet ook niet of er terecht derdenbeslag is gelegd. Ik zou graag tijd krijgen om dat uit te zoeken. Ik kan nu niet de precieze gang van zaken vaststellen, namelijk waarom en op welke titel er beslag is gelegd door de gemeente.

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik weet niet meer dan dat er derdenbeslag is gelegd en dat het geld naar de gemeente is gestort. Het gaat in deze zaak om twee familieleden, cliënt en zijn broer. Het geld van cliënt is als beslag onder de broer geregistreerd. Ik weet niet of dat een administratieve misser is geweest, maar het had niet zo mogen gebeuren. Er kan geen derdenbeslag worden gelegd op het geld van cliënt. Ik begrijp dat de officier van justitie om aanhouding vraagt. Cliënt vraagt echter al 5 jaar om zijn geld. Vorige keer is zijn klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard en daar ben ik niet over te spreken. Ik heb mijn klaagschrift toen ingetrokken na een ondubbelzinnige toezegging en vervolgens is mijn klaagschrift later alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Zo gaat het al langer in deze zaak. Primair verzoek ik u het klaagschrift gegrond te verklaren en het geld terug te geven aan cliënt. Subsidiair verzoek ik u de zaak aan te houden, zodat de officier van justitie de zaak verder kan uitzoeken.

De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Er moeten nog dingen uitgezocht worden. Er is een eerder beklag geweest. Dat is niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede klaagschrift uit 2016 ziet op artikel 552a Sv. De termijn daarvoor is 2 jaar.

De raadsman geeft aan dat er in 2011 ook al is geklaagd.

De officier van justitie geeft aan dat het klaagschrift toen ongegrond is verklaard.

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

In de wet staat niet dat de termijn van 2 jaar dan weer opnieuw gaat lopen. Aan de termijn van 2 jaar is voldaan. Er is daarna veel correspondentie geweest met cliënt over mogelijke vervolging.

De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Maar er is uiteindelijk na veel meer dan 2 jaar weer een klaagschrift ingediend. Ik zie dat niet in de wet terug. Als ik u goed begrijp, kun je tot in het oneindige blijven klagen als er aanvankelijk maar binnen 2 jaar geklaagd is.

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ja, maar op enig moment is er geen belang meer denk ik.

De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Dit formele punt is de eerste te nemen horde. Als die te nemen is, dan verzoek ik u om de zaak bij tussenuitspraak aan te houden, zodat kan worden uitgezocht hoe de feitelijke gang van zaken is geweest.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Na het eerste klaagschrift kreeg ik van de rechtbank te horen dat ik moest wachten tot het onderzoek was afgelopen. De officier van justitie was met vakantie en de invaller wist niks van de zaak. Ik heb met het openbaar ministerie gemaild en gebeld. Ineens hoorde ik dat het geld naar de gemeente was overgemaakt. Ik heb de gemeente aangeschreven en mijn advocaat ook, om te vragen waarom er beslag was gelegd. Volgens de gemeente was het geld in beslag genomen onder [betrokkene 1] . Ik kwam niet eens voor in de databank van de gemeente. Uiteindelijk kreeg ik een brief van de deurwaarder, waarin stond dat de gemeente op € 4.000,- beslag had gelegd. Ik heb aangetoond hoe ik aan het geld ben gekomen, met afschriften en dergelijke. Eerst moest ik wachten. Toen kreeg ik van het openbaar ministerie te horen dat ik naar de wijkagent moest en dat het geld mogelijk daar lag. De wijkagent had het geld niet, het was overgeboekt naar het openbaar ministerie. Drie jaar later kreeg ik te horen dat ik het maar moest uitvechten met mijn broertje. Hij zou hebben aangetoond dat het geld van hem was, maar dat is niet zo. Ik word elke keer van het kastje naar de muur gestuurd. Ik moet maar wachten tot alles is afgerond en ineens hoor ik dat alles allang is afgerond. Mijn broertje en ik zijn door elkaar gehaald.”

3.2.

Het hernieuwde beklag van de klager heeft hem ook niet mogen baten. De bestreden beschikking houdt als beslissing en motivering van de rechtbank het volgende in:

“Het klaagschrift is gericht tegen (het voortduren van) de inbeslagneming en (daarmee kennelijk tevens) tegen het uitblijven van een last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klager.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak (parketnummer 16/600826-11) en van voornoemd klaagschrift.

Het klaagschrift is behandeld in openbare raadkamer op 17 mei 2016. Gehoord zijn klager, de raadsman van klager, en de officier van justitie.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. onder klager is op 15 augustus 2011 in beslag genomen:

a. een geldbedrag van € 2.450,-;

b. een geldbedrag van € 285,-;

2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

Overwegingen

Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat er onterecht derdenbeslag is gelegd op de geldbedragen, omdat in het systeem stond dat de bedragen onder de broer van klager in beslag waren genomen. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat aan de termijn van artikel 552a Sv is voldaan, nu er reeds in 2011 is geklaagd. De termijn van 2 jaar gaat dan niet opnieuw lopen, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het klaagschrift niet is ingediend binnen de termijn die artikel 552a Sv stelt. Het klaagschrift dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de termijn die artikel 552a lid 4 Sv stelt, namelijk dat een klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming moet worden ingediend. De geldbedragen zijn op 15 augustus 2011 in beslag genomen. Sinds de inbeslagneming zijn meer dan vier jaren verstreken. De rechtbank zal het klaagschrift om die reden niet-ontvankelijk verklaren.”

3.3.

Zoals ik al zei kent de zaak een processuele voorgeschiedenis die de klager en zijn raadsman zowel in het klaagschrift als bij de behandeling in raadkamer aan de orde hebben gesteld. Het gaat om het volgende.

Nadat de geldbedragen op 15 augustus 2011 in beslag waren genomen, heeft mr. H. Brouwer op 7 september 2011 namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend tegen de voortzetting van het beslag op de geldbedragen en het uitblijven van een last tot teruggave daarvan aan de klager.1 Bij beschikking van 17 januari 2012 heeft de rechtbank dit klaagschrift ongegrond verklaard, op de grond dat – kort gezegd – het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de op de voet van art. 94 Sv onder de klager inbeslaggenomen geldbedragen aan de klager. Er moest nog – zo heeft de officier van justitie aangevoerd – beslist worden over het dagvaarden van de klager en niet hoogst onwaarschijnlijk was dat – zo heeft de rechtbank vervolgens ook geoordeeld – het geld door de later oordelende strafrechter verbeurd zal worden verklaard.2

3.4.

Op 21 oktober 2015 heeft mr. Y. Bouchikhi namens de klager opnieuw een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, met eenzelfde strekking als het eerste klaagschrift. In dit klaagschrift voerde hij namens de klager kort gezegd aan dat: de klager geen afstand heeft gedaan van de geldbedragen en ruim vier jaren zijn verstreken sinds de inbeslagneming; de plaatsvervangende OvJ bij schrijven van 24 juli 2015 aan de klager heeft medegedeeld dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zal worden en dus geen belang is bij de voortduring van het beslag op de geldbedragen; de gemeente Utrecht om onbegrijpelijke redenen derdenbeslag heeft gelegd op de onder de klager inbeslaggenomen geldbedragen van € 2.450,- en € 285,-, aangezien dit derdenbeslag zou zien op [betrokkene 1] , een broer van de klager en medeverdachte in de betreffende strafzaak.3

3.5.

In dit klaagschrift heeft de rechtbank de klager bij beschikking van 16 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Deze beschikking houdt als motivering van de rechtbank het volgende in:

“Overwegingen

De raadsman van klager heeft telefonisch, hetgeen later bij monde van zijn secretaresse schriftelijk is bevestigd in een e-mail aan de officier van justitie, in aanvulling op het klaagschrift het volgende aangevoerd.

Het klaagschrift is eerder ingetrokken, omdat de raadsman expliciet is medegedeeld dat het geldbedrag terug kon naar cliënt. Ook bij cliënt is het vertrouwen gewekt dat het geld terug zou gaan naar hem. Temeer hem is verzocht de verklaring van teruggave in te vullen en te ondertekenen. In het klaagschrift is reeds aangevoerd dat om onbegrijpelijk redenen op de geldbedragen door de gemeente Utrecht derdenbeslag is gelegd dat zou zien op medeverdachte [betrokkene 1] . Er is geen strafvorderlijk belang meer dat zich verzet tegen teruggave van de geldbedragen aan klager.

De officier van justitie heeft ter zitting het volgende aangevoerd.

Klager is niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift nu er reeds meer dan 4 jaren zijn verstreken sinds de inbeslagname van de goederen. De rechtbank is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift. Op 15 augustus 2011 zijn de goederen onder klager in beslag genomen. Dit klaagschrift dateert van 21 oktober 2015. Sinds de inbeslagneming zijn dus meer dan 4 jaar verstreken. Daarmee is niet voldaan aan de termijn dat artikel 552a lid 4 Wetboek van Strafvordering stelt, namelijk dat het indienen van het klaagschrift zo spoedig mogelijk wordt ingediend, doch uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming.”

3.6.

Met de ‘expliciete mededeling’ en de ‘verklaring van teruggave’ bedoelde de raadsman kennelijk de aan het klaagschrift van 24 februari 2016 gehechte e-mail van 16 november 2015 die een administratief medewerkster van het arrondissementsparket aan (het algemene kantoormailadres van) de raadsman heeft verzonden en de door de klager op 17 november 2015 ondertekende verklaring dat hij van de Staat heeft te ontvangen “een bedrag van € 2450 + € 285 inzake aan hem/haar terug te geven inbeslaggenomen geld + rente”.4 De e-mail, waarin de parketmedewerkster meedeelt dat “de OvJ opdracht [heeft] gegeven tot teruggave van het geld” en verzoekt om “bijgaande bijlage [in te vullen]”, werd kennelijk vergezeld door de voornoemde, nadien door de klager ingevulde verklaring en de – ook als bijlage 4 aan het klaagschrift van 24 februari 2016 gehechte – brief van het openbaar ministerie, gericht aan de klager. Deze brief5 houdt in:

“Geachte heer/mevrouw,

De rechtbank/Officier van Justitie heeft beslist dat een inbeslaggenomen geldbedrag van € 2450 + € 285 met rente aan u cliënt mag worden teruggegeven.

Ik verzoek u de bijgevoegde verklaring volledig en leesbaar in te vullen en ons te informeren op welk bank- of girorekeningnummer dit bedrag gestort moet worden. Tevens moet u een kopie van uw identiteitsbewijs en bankpas mee sturen, zodat wij kunnen controleren dat u diegene bent die de verklaring heeft ingevuld.

Indien het geld moet worden overgemaakt op een ander rekeningnummer dan van uzelf, dan dient u ook de volledige naam, adres en woonplaats aan te geven van de betreffende rekeninghouder en tevens een kopie van zijn/haar legitimatie eh bankpas bij te voegen. U moet de verklaring altijd zelf ondertekenen.

Ik verzoek u deze brief, de verklaring en kopieën te retourneren aan het Openbaar Ministerie.”

3.7.

Toegegeven moet worden dat het (feitelijke) verloop van de onderhavige zaak niet uitblinkt in helderheid. Uit de stukken die op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden kan daaromtrent in ieder geval het volgende worden afgeleid.

Naar aanleiding van een verdenking van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (twee broers van de klager) van handelen in verdovende middelen, vinden er op 11 augustus 2015 doorzoekingen plaats op de verblijfplaatsen van de twee verdachten.6 Bij de doorzoeking in de woning op het adres [a-straat 1] te Utrecht, alwaar [betrokkene 1] verblijft, wordt [betrokkene 1] voorafgaand aan de doorzoeking in de woning aangehouden. De klager en een andere broer van hen, [betrokkene 3] , worden tijdens de doorzoeking in de woning aangehouden. Naast onder meer drugs en mobiele telefoons worden in de woning aangetroffen geldbedragen in beslag genomen. Het van deze doorzoeking opgemaakte proces-verbaal van bevindingen vermeldt daarover het volgende:7

“Voorafgaand aan de doorzoeking waren in de woning aanwezig:

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1999;

- [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1981;

- [klager] , geboren op [geboortedatum] 1985.

[betrokkene 1] werd voorafgaand aan de doorzoeking aangehouden. [betrokkene 3] en [klager] werden tijdens de doorzoeking aangehouden. Hiervan zijn separate processen-verbaal van aanhouding opgemaakt. [betrokkene 1] lag in een bed in slaapkamer F. [klager] lag in bed in slaapkamer E en [betrokkene 3] zat tv te kijken in woonkamer C.

(…)

Tijdens de doorzoeking zijn goederen in beslag genomen vanuit de woonkamer (C), slaapkamer (D), slaapkamer (E) en slaapkamer (F).

Deze ruimten zullen nader beschreven worden.

Woonkamer (C)

(…)

Op de bank rechts van de toegangsdeur lag een spijkerbroek van het merk Boss Orange. In een van de zakken zat een bankpasje van de ING, rekeningnummer [001] , op naam van [betrokkene 3] . Tevens zat er een geldbedrag van € 1168,95 in de broek en een plastic zakje met daarin 7 ponypacks.

De spijkerbroek, het geld en het zakje met ponypacks werd in beslag genomen. (…)

Slaapkamer (D)

De toegangsdeur van de slaapkamer bevond zich aan de zijde van gang (D). Tegen de muur van de woonkamer C stond een kast. Tegen de muur van slaapkamer E stond een hoge linnenkast en naast de linnenkast stond een stapel kunststof opbergdozen. Aan de zijde van de keuken B stond een tweepersoonsbed met aan elke zijde een nachtkastje met daarin drie laden.

Nadat aan [klager] de uitlevering van vuurwapens gevorderd was en hem de vraag was gesteld of er grote geldbedragen in huis waren heeft hij geld uit het nachtkastje rechts van het bed gehaald. Dit was volgens hem een bedrag van 2500 euro en dat had hij gekregen van de woningbouwvereniging in verband met de renovatie van zijn woning. Tijdens de doorzoeking werd in het middelste laadje van het linkernachtkastje, zijde woonkamer, een zwarte zak met daarin licht poeder aangetroffen. Het geldbedrag bleek 2450 euro te zijn en werd net als de zak met poeder, vermoedelijk cocaïne, in beslag genomen.

Slaapkamer (E)

In slaapkamer E stond links tegen de muur een stapelbed. Rechts naast het bed stond een kast tegen de muur en daarnaast stond een afsluitbare ladekast. In de rechtermuur was een raam bevestigd en voor het raam stond een droogrek.

op het droogrek hing een spijkerbroek van het merk Diesel, maat 33-32 en daarin zat een portemonnee met een hoeveelheid (bank)passen onder andere op naam van [klager] , los in de broek zat een geldbedrag van 285 euro en een bolletje bruin. Samen met drie in de slaapkamer aanwezige telefoons werden deze goederen in beslag genomen.

Slaapkamer (F)

In slaapkamer F stond in het verlengde van de toegangsdeur aan de zijde van de woonkamer een bed. Voor het bed stond een soort ladenblokje. Links van de toegangsdeur stond een bed tegen de muur met aan de gangzijde een kastje. Tegenover de toegangsdeur stond aan de rechterzijde een hoge linnenkast en links in de hoek stond een televisie. Op de linnenkast lagen grote zakken/tassen met daarin opgeslagen spullen die minder vaak gebruikt worden. Vanuit een schoenendoos in de linnenkast werden twee gsm’s zonder accu in beslag genomen. Onder een van de zakken op de linnenkast een geldbedrag van 4000 euro. Vanaf het bed aan de linkerzijde twee gsm’s, van onder het bed een koffertje met daarin een weegschaal, zeef, lepel en verpakkingsmiddelen, vanaf de grond voor de televisie twee gsm’s en vanuit het ladenblokje een stukje “steen”, mogelijk crystalmet en een plastic zakje met daarin een potje waarin vermoedelijk cocaïne zat.

(…)”

3.8.

De andere doorzoeking vindt plaats op het adres [a-straat 2] te Utrecht, de verblijfplaats van broer [betrokkene 2] . Het van deze doorzoeking opgemaakte proces-verbaal houdt het volgende in:8

“Voorafgaande aan de doorzoeking werd in de woning als verdachte aangehouden:

[betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

Volgens GBA is [betrokkene 2] de enige ingeschreven persoon in genoemd perceel.

(…)

Tijdens het betreden van de woning was in de woning aanwezig:

[betrokkene 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

Wonende [woonplaats]

En

[betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 2010.

[betrokkene 4] is de vriendin van verdachte [betrokkene 2] , [betrokkene 5] is haar dochter.

De woning [a-straat 2] betreft een flatwoning, gelegen op de negende verdieping.

(…)

De in de woning aanwezige ruimten en de bij de woning behorende kelderbox werden doorzocht.

(…)

Ik, [verbalisant 1] , vroeg de verdachte naar een geldig identiteitsbewijs. Hij zei dat zijn rijbewijs en geld in een spijkerbroek zaten die in de slaapkamer op de grond lag voor de kledingkast.

Aantreffen en inbeslagneming van goederen.

In beslag genomen goederen kast 1 (hal van de woning)

In de hal zitten twee kasten. Een van deze kasten zat op slot en er zat geen sleutel in het slot. [betrokkene 4] gaf aan dat de kast altijd op slot was en dat [betrokkene 2] gebruik maakte van de kast. Ze zei niet te weten waarde sleutel was. Op het moment dat ik de scharnieren van de kast begon te demonteren zei ze dat ze wist waarde sleutel van de kast was. Vervolgens heeft zij de sleutel uit de spijkerbroek gehaald waarin het rijbewijs was [betrokkene 2] zat. Met deze sleutel heb ik, [verbalisant 1] , de kast geopend. Na opening zag ik, in aanwezigheid van collega [verbalisant 3] direct op de elektriciteitsmeter een grote hoeveelheid bankbiljetten liggen. Ik zag dat deze bankbiljetten uit 8 stapeltjes bestonden. Om een aantal bankbiljetten was steeds een ander bankbiljet dwars gevouwen. Bij telling samen met collegae [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , bleken 7 stapels elk 1000 euro te bevatten. 1 stapel bestond uit 2000 euro. De totale waarde van de bankbiljetten bedroeg 9000 euro. (…)

In beslag genomen goederen slaapkamer (ruimte 3):

- op de grond voor de kledingkast lag een spijkerbroek. In deze broek zaten een rijbewijs op naam van verdachte [betrokkene 2] . Uit de zak van deze broek werd de sleutel gehaald waarmee de kast in de hal werd geopend. Tevens zat los in een broekzak een geldbedrag van 945,- euro. Dit geld werd inbeslaggenomen.

- (…)

In beslag genomen goederen kinderslaapkamer (ruimte 6):

- (…)

-- Op de kledingkast stond een grote stoffen beer met een puntmuts op. In deze muts werd een geldbedrag aangetroffen van 2040,- euro.

(…)”

3.9.

Uit de twee weergegeven processen-verbaal volgt onmiskenbaar dat bij de doorzoeking van de woning gelegen de [a-straat 1] onder de klager in beslag zijn genomen een geldbedrag van € 2450,- en van € 285,-, onder zijn broer [betrokkene 1] een geldbedrag van € 4000,- en onder zijn broer [betrokkene 3] een geldbedrag van € 1168,95. Voorts zijn bij de doorzoeking in de woning van broer [betrokkene 2] gelegen aan de [a-straat 2] te Utrecht onder die [betrokkene 2] in beslag genomen een geldbedrag van € 9000,-, van € 2040,-9 en van € 945,-.

3.10.

Onmiskenbaar volgt ook uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken dat de gemeente Utrecht ten laste van haar schuldenaar [betrokkene 2] en ten laste van haar schuldenaar [betrokkene 1] civielrechtelijke derdenbeslagen heeft doen leggen onder het openbaar ministerie, op hetgeen die [betrokkene 2] respectievelijk [betrokkene 1] van het openbaar ministerie hebben te vorderen. Wat betreft [betrokkene 1] zou het blijkens een zich bij de stukken bevindende, hem betreffende ‘verklaring derdenbeslag’ gaan om de volgende geldbedragen: € 1168,95, € 285,-, € 2450,00 en € 4000,-. Wat betreft [betrokkene 2] zou het blijkens een zich bij de stukken bevindende, hem betreffende ‘verklaring derdenbeslag’ gaan om de volgende geldbedragen: € 9000,- en € 945,-.10

De officier van justitie heeft vervolgens op 5 juli 2012, respectievelijk 6 juli 2012 beslist dat de geldbedragen zullen worden teruggegeven, doch dat zij voor de uitvoering van de opdracht moeten worden overgedragen aan de gemeente Utrecht. Aan de opdracht zoals door de OvJ beslist is op 18 juli 2012 uitvoering gegeven.11

3.11.

Minder duidelijk is of het onderzoek in de zaak heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging van al de vier broers die allen bij de doorzoekingen zijn aangehouden ter zake van een verdenking van (o.m.) handelen in strijd met de Opiumwet.12 Het lijkt erop dat alleen broer [betrokkene 2] strafrechtelijk is vervolgd en – zoals blijkt uit de zich bij de stukken bevindende strafdossier en vonnis van de rechtbank Utrecht van 16 november 2011 – is veroordeeld ter zake van het plegen van kort gezegd opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en hasjiesj en witwassen van een geldbedrag van € 9945,-. De strafzaak tegen [betrokkene 2] , met parketnummer 16/600826-11, is ook de enige zaak waaraan de rechtbank in de bestreden beschikking en in de beschikking van 16 februari 2016 refereert. Voor de klager is het – mocht men uitgaan van de juistheid van hetgeen de raadsman bij de behandeling in raadkamer van 17 mei 2016 heeft aangevoerd (zie onder 3.1) – bij een informeel sepot gebleven. Enig stuk waaruit blijkt dat de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 1] nog worden vervolgd of zijn vervolgd bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het tegen [betrokkene 2] gewezen vonnis is overigens op 5 juni 2012 onherroepelijk geworden, nadat hij zijn daartegen ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken.13

3.12.

Wat er van de strafrechtelijke vervolgingen ook mag zijn, de klager heeft ongetwijfeld geen afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen van € 2450,- en € 285,- en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat ze hem toebehoren. Uit de onder 3.6 aangehaalde stukken kan voorts met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden afgeleid dat de officier van justitie in november 2015 – in ieder geval nadat het tweede klaagschrift namens de klager op 21 oktober 2015 was ingediend – een last zoals bedoeld in art. 116 lid 1 Sv heeft gegeven tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen.

3.13.

Die constatering heeft bepaaldelijk consequenties. Het is namelijk zo dat het beslag in de in art. 134 lid 1 Sv bedoelde zin ten einde komt, indien op de voet van art. 116 lid 1 Sv een last tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene is gegeven, ongeacht of dat voorwerp feitelijk is teruggegeven.14 Die zich in de onderhavige zaak voordoende omstandigheid moet naar ik meen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hiermee zou ik deze conclusie al snel kunnen beëindigen, maar vanwege het belang van de onderliggende rechtsvraag vervolg ik nu met een bespreking van het middel.

4 Het middel

4.1.

Het middel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hernieuwde beklag van 24 februari 2016, op de grond dat dit klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 4 Sv bepaalde termijn van twee jaren na de inbeslagneming is ingediend.

4.2.

Meer in het bijzonder bevat het middel de klacht dat

(i) het oordeel van de rechtbank uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat een herhaald c.q. hernieuwd beklag (ook) steeds binnen twee jaren na inbeslagneming moeten worden ingediend; en

(ii) de rechtbank heeft miskend dat in casu sprake is geweest van een vervolgde zaak, zodat niet de termijn van art. 552a lid 4 Sv van toepassing is, maar de termijn van art. 552a lid 3 Sv.

4.3.

Art. 552a Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“3. Het klaagschrift (…) wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift (…) is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, kennisneming (…) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (…) is geschied.(…)”

4.4.

Het stelt teleur dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven omtrent de ontvankelijkheid van klagers klaagschrift, zonder voldoende onderzoek te hebben verricht naar de in raadkamer en in het klaagschrift betrokken stellingen van de klager dat aan hem de mededeling is gedaan dat de geldbedragen aan hem zullen worden teruggegeven en dat de vervolging wordt geseponeerd. Beide omstandigheden raken immers het door de rechtbank gegeven oordeel dat het beklag niet-ontvankelijk is.

4.5.

Het wordt mij uit de motivering van de rechtbank bijvoorbeeld niet duidelijk waarom zij van oordeel is dat het (hernieuwde) klaagschrift binnen het in art. 552a lid 4 Sv bepaalde termijn van twee jaren sedert de inbeslagneming had moeten worden ingediend. Is in het onderhavige geval sprake van inbeslagneming in een zaak die, zoals de raadsman in raadkamer heeft aangevoerd, met een informeel sepot ‘ten einde’ is gekomen of is, gelet op de verwijzing van de rechtbank naar de strafzaak jegens broer [betrokkene 2] (zie onder 3.11), juist sprake van een al dan niet ten einde gekomen vervolgde zaak?

Het moge duidelijk zijn die vaststelling niet zonder betekenis is voor het antwoord op de vraag of het klaagschrift binnen de termijn van lid 3 dan wel lid 4 had moeten zijn ingediend en al dan niet tardief is ingediend; even daargelaten de in klacht (i) aan de orde gestelde vraag of die termijnen ook gelden voor een opnieuw ingediend klaagschrift, nadat een eerder beklag niet tot teruggave aan de klager van het inbeslaggenomen voorwerp heeft geleid.

4.6.

Enig onderzoek naar de van toepassing zijnde ‘beklagtermijn’ heeft de rechtbank niet verricht, althans bevatten haar overwegingen geen vaststellingen die hiervan blijk geven (zie onder 3.2). Hiermee is echter niet gezegd dat haar niet-ontvankelijkheidsoordeel op de grond dat het klaagschrift niet binnen de daarvoor openstaande termijn is ingediend, onjuist is. Ik vervolg daarom met de bespreking van het middel en begin met klacht (ii), nl. dat het oordeel van de rechtbank dat het vierde lid van art. 552a Sv van toepassing is onjuist is.

4.7.

In de toelichting op het middel wordt onder 12 gesteld dat “uit de stukken kan (…) worden afgeleid dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een vervolgde zaak die is geëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging d.d. 24 juli 2015”. In een voetnoot bij deze zin merkt de steller van het middel op dat “het schrijven van de hulpofficier van justitie waarin wordt aangegeven dat requirant niet verder zal worden vervolgd, geen onderdeel [uitmaakt] van het dossier in cassatie”, maar dat “het bestaan van dit schrijven kan worden afgeleid uit de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zp. Utrecht, d.d. 9 maart 2016 met rekestnummer 15/2606 en 15/2607 betreffende verzoekschriften ex artikel 89 Sv en 591a Sv, waaruit blijkt dat de rechtbank van dit schrijven uitgaat. De rechtbank oordeelde dan ook dat de strafzaak van requirant is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.”

4.8.

Is de stelling dat sprake is geweest van een vervolgde zaak die met een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in art. 243 en 246 Sv is geëindigd, dan is inderdaad art. 552a lid 3 Sv van toepassing.15 Is de zaak echter niet vervolgd (geweest) en is de zaak dus zonder dat een rechter daarin betrokken is geweest met een sepotmededeling ex art. 167 Sv geëindigd, dan is art. 552a lid 4 Sv van toepassing omdat zich aldus een situatie voordoet waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld in die bepaling; zo besliste de Hoge Raad al in 2008.16

4.9.

Ik merk ten eerste op dat de beschikking ex 89/591a Sv waaraan de steller van het middel refereert zich niet bevindt bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken. Het lijkt mij echter hoe dan ook niet zo te zijn dat uit het bestaan van een dergelijke beschikking17 zonder meer kan worden afgeleid dat de zaak waarin de inbeslagneming is geschied is geëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in de art. 243 en 246 Sv.

Immers, van een “geëindigde zaak” is voor de toepassing van art. 89 Sv en art. 591a Sv ook sprake indien ex art. 167 Sv een mededeling sepot is gegeven aan de gewezen verdachte.18

4.10.

Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de klager na diens aanhouding op 15 augustus 2011 in verzekering is gesteld voor de maximale duur van drie dagen en op 18 augustus 2011 heen is gezonden,19hetgeen betekent dat hij voor schadevergoeding ex art. 98 Sv in aanmerking kan komen.20 Dat hij nadien ook voorlopige hechtenis heeft moeten ondergaan blijkt niet uit de stukken. Dat de rechter op die wijze betrokken is geweest in de zaak of anderszins, bijvoorbeeld door een ingesteld GVO is niet gebleken. Wel blijkt uit de onder 3.3 genoemde beschikking van 17 januari 2012 dat nog moest worden beslist over de dagvaarding van de klager. Maar of de vervolging van de klager überhaupt is aangevangen en het desbetreffende schrijven van de OvJ dat de klager niet (verder) zal worden vervolgd niet meer dan een sepot ex art. 167 Sv betrof, dan wel de vorm had van een (ex art. 246 aan hem betekende) kennisgeving tot niet verdere vervolging als bedoeld in art. 243 Sv, blijft onopgehelderd.

4.11.

Nu een dergelijke kennisgeving – zoals de steller van het middel ook heeft aangegeven – zich niet bij de stukken bevindt en verder niet is vast te stellen dat de een rechter wat betreft de verdenking die jegens de klager bestond betrokken is geweest in de zaak, kan ik niet meegaan met de steller van het middel in zijn stelling dat de rechtbank om die reden ten onrechte het vierde en niet derde lid van art. 552a Sv heeft toegepast. Overigens merk ik op de raadsman zelf tijdens de raadkamerbehandeling van 17 mei 2016 heeft aangevoerd dat het “geen formeel sepot” betrof. Mocht hij hiermee niet hebben bedoeld een sepot ex art. 167 Sv, dan bevreemdt het dat hij toen niets heeft aangevoerd omtrent de ‘onjuistheid’ van de toegepaste termijn van lid 4, terwijl die termijn wel aan de orde is geweest in raadkamer en de klager al eerder niet-ontvankelijk is verklaard in zijn klaagschrift van 21 oktober 2015, op de grond dat dit klaagschrift ná de tweejaarstermijn van lid 4 en dus tardief was ingediend.

4.12.

Hiermee wil ik niet zeggen dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat in casu van toepassing is de termijn bepaald in het vierde en niet die bepaald in het derde lid van art. 552a Sv. Een andere denkrichting valt namelijk ook nog te beproeven. Zoals ik onder 3.11 heb opgemerkt, is hetgeen aanvankelijk begon met een verdenking van de broers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] van handelen in verdovende middelen, uiteindelijk geëindigd met de aanhouding van al de vier broers wegens een verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Alleen ten aanzien van broer [betrokkene 2] staat, zoals gezegd, vast dat hij in de onderhavige zaak waarin de inbeslagneming is geschied is vervolgd. Er is hier dus hoe dan ook sprake van een vervolgde zaak en uit art. 552a lid 3 Sv volgt dat een op de voet van art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is, zolang de vervolgde zaak niet tot een einde is gekomen, doch in ieder geval niet-ontvankelijk is indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

In geval – zo oordeelt de Hoge Raad in HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3132, NJ 2007/472, rov. 3.5.121 – het beslag is gelegd in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen, indien de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De beklagrechter dient dan vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen tot een einde zijn gekomen.

4.13.

Zoals ik ook heb opgemerkt, is de ‘stand van vervolging’ ten aanzien van de broers [betrokkene 1] en [betrokkene 3] niet duidelijk. In aanmerking genomen dat uit de stukken enkel blijkt van een vervolging van [betrokkene 2] en de rechtbank in haar beschikkingen enkel naar de strafzaak tegen [betrokkene 2] verwijst, is het niet waarschijnlijk dat tegen die twee broers een vervolging is ingesteld (zie onder 3.11).

4.14.

De vraag is wat rechtens juist is indien in een zaak met verscheidende verdachten slechts één van hen is vervolgd en die vervolging met een onherroepelijke uitspraak is geëindigd, maar nadien pas blijkt dat tegen (één van) de andere verdachten, zoals hier mogelijk het geval, uiteindelijk geen vervolging is c.q. wordt ingesteld. Geldt voor de niet vervolgde ex-verdachte die wenst te klagen over de voortduring van het beslag op een in de zaak inbeslaggenomen voorwerp de termijn van lid 3 of van lid 4 van art. 552a Sv? Om dit naar de onderhavige zaak te vertalen: kon de klager, gelet op art. 552a lid 3 Sv, nog uiterlijk binnen drie maanden nadat het vonnis gewezen in de strafzaak van broer [betrokkene 2] op 5 juni 2012 onherroepelijk was geworden een hernieuwd klaagschrift indienen, of gold, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de termijn van twee jaren na de inbeslagneming op 15 augustus 2011 - en dus ruim twee jaren voordat duidelijk werd dat deze termijn gold wegens de op 24 juli 2015 jegens hem genomen sepotbeslissing?

4.15.

Indien ik de lijn van NJ 2007/472 en NJ 2012/47 volg en ervan uitga dat ook tegen de broers [betrokkene 1] en [betrokkene 3] geen vervolging is ingesteld, dan had de klager uiterlijk binnen de in lid 3 gestelde termijn van drie maanden nadat het vonnis gewezen tegen broer [betrokkene 2] onherroepelijk is geworden een hernieuwd klaagschrift moeten indienen. Dat was dus uiterlijk op 5 september 2012. Enig soelaas voor de verdachte levert dit dus niet op. Wel kan men zich nog afvragen of de klager in redelijkheid kan worden gebonden aan deze termijn, terwijl de reden voor de ongegrondverklaring van zijn eerste klaagschrift op 17 januari 2012 juist was dat nog beslist moest worden of ook hij zou worden gedagvaard (en een latere verbeurdverklaring van de geldbedragen daarom niet hoogst onwaarschijnlijk was), waarover pas op 24 juli 2015 duidelijkheid is gekomen. Maar ook indien de termijn van lid 4 van toepassing zou zijn geweest, zou dat voor de klager – wederom - geen wezenlijk verschil hebben gemaakt nu die termijn, zoals gezegd, al ruim was verstreken voordat de sepotbeslissing werd genomen. In beide gevallen heeft de klager zijn hernieuwde klaagschriften van 21 oktober 2015 en 24 februari 2016 te laat ingediend. Is daarmee alles gezegd? Nee, want dit alles geldt slechts, indien moet worden aangenomen dat ook een hernieuwd klaagschrift binnen de termijnen die in art. 552a Sv zijn gesteld moet worden ingediend. Dat brengt mij bij de bespreking van klacht (i).

4.16.

Vaste rechtspraak is dat zolang het beslag niet is beëindigd, een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift kan indienen strekkende tot teruggave aan hem van het inbeslaggenomen voorwerp.22 Klagen en blijven klagen mag en het is – zoals de Hoge Raad het in o.a. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478, NJ 2009/ 178 formuleert – “zolang het beslag niet is geëindigd, niet (…) uitgesloten dat een belanghebbende opnieuw een klaagschrift indient strekkende tot teruggave aan hem van op de voet van art. 94 of art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen, indien een eerder door hem met datzelfde doel ingediend klaagschrift waarop ten gronde is beslist, niet heeft geleid tot teruggave aan hem”. Wel met dien verstande dat – zo overweegt uw Raad verder in rov. 4.3 – “[de klager] in een dergelijk hernieuwd beklag (…) niet-ontvankelijk [is] indien daarin enkel een beroep wordt gedaan op feiten en/of omstandigheden waarop hij in het eerdere klaagschrift of bij gelegenheid van de behandeling daarvan een beroep heeft gedaan”. Op zichzelf staat de onherroepelijkheid van een eerdere beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen niet in de weg aan een dergelijk hernieuwd beklag, mits daardoor het beslag niet is geëindigd.

4.17.

De vraag is – en die stelt het middel aan de orde – of de belanghebbende die voor de tweede, derde of zelfs vierde keer een klaagschrift indient daarbij gebonden is aan de uiterste termijnen bepaald in art. 552a lid 3 respectievelijk lid 4 Sv.

4.18.

Dat een hernieuwd klaagschrift enkel ontvankelijk is indien het binnen de van toepassing zijnde termijn van lid 3, respectievelijk lid 4 Sv is ingediend, lijkt wel de opvatting te zijn van mijn ambtgenoot Knigge. In zijn conclusie voorafgaand de HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8886 schrijft hij:

“4.6. Ten overvloede merk ik op dat de ook in de schriftuur geëtaleerde opvatting dat de wettelijke termijn wordt "veiliggesteld" door een tijdig ingediend klaagschrift waarop onherroepelijk is beslist, geen steun vindt in het recht. Een tweede klaagschrift is dus eveneens aan de beklagtermijn gebonden. Dat geldt, anders dan de steller van het middel meent, ongeacht de inhoud van de op het eerdere klaagschrift gegeven beschikking.”23

4.19.

In die zaak had de klaagster, nadat een door haar in 2001 ingediend klaagschrift ongegrond was verklaard, in 2010 opnieuw een klaagschrift ingediend waarin zij de teruggave verzocht van enkele goederen die onder haar levenspartner in beslag waren genomen. De raadsman was van oordeel dat het vierde lid van art. 552a Sv van toepassing was en meende dat de omstandigheid dat in 2010 de termijn van twee jaren na de inbeslagneming was verstreken geen punt was, aangezien die termijn door het tijdig in 2001 ingediende klaagschrift was veiliggesteld. De rechtbank had geoordeeld dat de inbeslagneming geschiedde in een strafzaak tegen de levenspartner. In het tegen hem gewezen veroordelend vonnis was weliswaar geen beslissing genomen op de goederen, maar de rechtbank achtte de klaagster toch niet-ontvankelijk in haar beklag, op de grond dat het klaagschrift dat zij in 2010 had ingediend niet was ingediend binnen de in art. 552a lid 3 Sv voorgeschreven termijn van drie maanden nadat de vervolgde zaak (lees: de onherroepelijke veroordeling van de levenspartner) was geëindigd.

4.20.

De Hoge Raad heeft deze beschikking met toepassing van art. 81 lid 1 RO afgedaan. Een uitspraak waarin de Hoge Raad zich expliciet heeft uitgelaten over hoe het zit met de termijnen van art. 552a lid 3 en 4 Sv bij een hernieuwd beklag, heb ik niet aangetroffen.

Als het is zoals mijn ambtgenoot Knigge veronderstelt, dan maakt het voor de belanghebbende die opnieuw wenst te klagen over de voorzetting van het beslag maar zich daarbij gesteld ziet voor de omstandigheid dat al twee jaren zijn verstreken sedert de inbeslagneming, minder uit indien de zaak waarin die inbeslagneming is geschied binnen die twee jaren of daarna alsnog wordt vervolgd. Indien het inbeslaggenomene ook na de vervolging nog niet terug is gegeven, kan hij binnen de in lid 3 gestelde termijn van drie maanden een hernieuwd klaagschrift indienen. 24

4.21.

Anders lijkt het te zijn in geval meer dan twee jaren zijn verstreken sedert de inbeslagneming en de zaak waarin die inbeslagneming is geschied niet in een vervolging eindigt maar met een informeel sepot. Mocht het zo zijn dat voor een hernieuwd beklag ook de tweejaarstermijn van lid 4 van art. 552a Sv geldt, dan komt het erop neer dat de belanghebbende die opnieuw wenst te klagen over de voorzetting van het beslag op de grond dat het beslag ondanks de sepotbeslissing niet is beëindigd, weliswaar nogmaals een klaagschrift kan indienen strekkende tot opheffing van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave, maar dat zijn beklag niet anders dan tardief kan zijn.

De door de Hoge Raad in het vooruitzicht gestelde mogelijkheid om ‘een klaagschrift in te dienen zolang het beslag niet is geëindigd’ heeft in geval als dit, waar het in een langlopende zaak uiteindelijk niet een vervolging komt, weinig betekenis. De beslagene/derde belanghebbende is in deze gevallen volledig aangewezen op het openbaar ministerie en moet dus teruggave aldaar voor elkaar zien te krijgen. Blijft teruggave achterwege dan lijkt enkel de civielrechtelijke weg open te staan.

4.22.

Voor de klager in de onderhavige zaak zou het betekenen dat indien hij aan de termijn van art. 552a lid 4 Sv gebonden zou zijn geweest voor het indienen van zijn hernieuwd beklag, hij min of meer in een patstelling komt te zitten. Klaagt hij, nadat zijn tijdig ingediende eerste klaagschrift van 2011 ongegrond is verklaard omdat hij mogelijk nog wordt gedagvaard en verbeurdverklaring van de geldbedragen daarom niet hoogst onwaarschijnlijk is, opnieuw bij binnen de tweejaarstermijn maar zonder dat hij nieuwe feiten en omstandigheden als onder 4.16 bedoeld kan aanvoeren, dan is zijn beklag niet-ontvankelijk. Wacht hij – zoals hij nu heeft gedaan – totdat een dergelijke omstandigheid zich voordoet, maar wel buiten de tweejaarstermijn en dient hij dan kort daarna een klaagschrift in, dan is hij ook dan niet-ontvankelijk. Zoals ik al zei, kan wel op goede gronden verdedigd worden dat hier de termijn van art. 552a lid 3 Sv heeft te gelden. Niet geldt dat de klager hiermee in het onderhavige geval iets opschiet, indien tevens moet worden aangenomen dat ook een hernieuwd beklag binnen deze termijn moet worden ingediend (zie onder 4.15).

4.23.

Men kan zich afvragen of de Hoge Raad met zijn oordeel dat zolang het beslag niet is beëindigd, een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift kan indienen strekkende tot teruggave aan hem van het inbeslaggenomen voorwerp, daarbij wel (of niet) voor ogen had dat dit wel binnen de in art. 552a Sv gestelde termijnen dient te geschieden. Mogelijk kan de gebondenheid aan de termijn van lid 3, ook in geval sprake is van een hernieuwd beklag, worden afgeleid uit de door de Hoge Raad geformuleerde ‘regel’ voor toepassing van art. 80a RO, die er op neerkomt dat een klacht dat het hof heeft verzuimd op de voet van art. 353 Sv een beslissing te nemen ten aanzien van inbeslaggenomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen, geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien hij binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a lid 1 Sv schriftelijk kan beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen.25 Dit doet vermoeden dat de uitkomst niet veel anders zal zijn indien sprake is van hernieuwd beklag tegen de voorzetting van het beslag gelegd in een (nog) niet vervolgde zaak, waardoor de termijn van art. 552a lid 4 Sv van toepassing is.

4.24.

Met een blik op de geschiedenis van de wet waarbij de laatste volzin van het derde lid van art. 552a Sv in de wet is gekomen, neigt mijn antwoord op de vraag of ook een hernieuwd beklag gebonden is aan de in art. 552a Sv gestelde termijnen voor het indienen van een klaagschrift naar een ja. De MvT op de desbetreffende wetswijziging houdt, voor zover hier van belang, in:

"De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van art. 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming der voorwerpen moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechterlijk en het civielrechterlijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van art. 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede is begrepen een s.f.o. en de ontnemingsprocedure, nog loopt. De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten.”26

4.25.

Wat de wetgever blijkbaar heeft willen voorkomen is dat in die gevallen waarin de vervolging nog niet is afgerond, het dossier tussen het strafrechtelijk en het civielrechtelijk circuit zal gaan circuleren omdat een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld en voor de belanghebbende alleen de gang naar de burgerlijke rechter open staat. Dit gevaar lijkt zich echter niet voor te kunnen doen in geval een zaak na een langlopend strafrechtelijk onderzoek (lees: langer dan twee jaren sedert de inbeslagneming) uiteindelijk wordt geseponeerd. Alleen de gang naar de burgerlijke rechter staat dan open voor de belanghebbende die een in de zaak inbeslaggenomen voorwerp waarop beslag nog rust, terugwenst.

Het gevaar dat het dossier tussen het strafrechtelijk en het civielrechtelijk circuit zal gaan circuleren, doet zich evenmin voor wanneer in een zaak met verscheidende verdachten vaststaat dat de vervolgingen ingesteld tegen een of meer verdachten zijn geëindigd, maar de zaak tegen de anderen nadien wordt geseponeerd. Na het verstrijken van de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn van drie maanden staat ook dan alleen de gang naar de burgerlijke rechter open voor de belanghebbende die een in de zaak inbeslaggenomen voorwerp waarop beslag nog rust, terugwenst.

4.26.

Wat het antwoord op de in het middel aan de orde gestelde vraag ook mag zijn, in de onderhavige zaak zal dat voor de klager niet veel uitmaken. Zoals ik onder 3.13 heb opgemerkt, is het beslag op de geldbedragen waarvan de klager teruggave verzoekt, met de door de officier van justitie in november 2015 gegeven last tot teruggave van die geldbedragen aan hem geëindigd. Het oordeel van de rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk is in het namens hem op 24 februari 2016 ingediende klaagschrift is dus – zij het dan op andere gronden – op zichzelf wel juist.

4.27.

Aangezien het beslag is geëeindigd door de last tot teruggave dient het cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.28.

Ten slotte veroorloof ik mij nog de opmerking dat de door de gemeente ten laste [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gelegde derdenbeslagen onder het openbaar ministerie kennelijk niet betrekking hebben op de geldbedragen die onder de klager in beslag zijn genomen en waarvan de officier van justitie teruggave aan de klager heeft gelast. Klaarblijkelijk is het openbaar ministerie, nu het die last heeft gegeven, niet van oordeel dat een ander dan de klager redelijkerwijs als rechthebbende van die geldbedragen moet worden aangemerkt. Het kan dan niet zo zijn dat de door de officier van justitie gegeven last tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen vanwege de feitelijke teruggave daarvan aan de gemeente Utrecht, niet zou behoeven te worden geëffectueerd.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijlage 2 bij het klaagschrift van 24 februari 2016.

2 Zie bijlage 2 bij het klaagschrift van 24 februari 2016.

3 Zie p. 2 van het namens de klager opnieuw ingediende klaagschrift van 21 oktober 2015 dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.

4 Beide stukken zijn bijlage 4 bij het klaagschrift.

5 De brief is gedagtekend 28 februari 2013, maar gezien de datum van de verzonden e-mail en de dagtekening van de verklaring door de klager, lijkt deze mij een foutieve vermelding.

6 Zie het stamproces-verbaal van 25 oktober 2011, met nummer 2011182457C, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , doorgenummerde p. 5 en 6.

7 Zie het proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2011, met nummer PL091A 2011182455-24, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , doorgenummerde p. 86-89.

8 Zie het niet-genummerde proces-verbaal van bevindingen van 15 augustus 2011 inzake doorzoeking [a-straat 2] te Utrecht d.d. 15 augustus 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende, doorgenummerde p. 48-51.

9 Dit geldbedrag is teruggeven aan [betrokkene 4] , zie de beslissing tot teruggave van 1 november 2011 dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.

10 Zie de ‘verklaring derdenbeslag’ die op 5 juli 12 is afgelegd en ondertekend door parketambtenaar [verbalisant 6] , welke verklaring een formulier als bedoeld in art. 475 lid 2 Rv betreft dat op 18 november 2011 op verzoek van de schuldeiser DE GEMEENTE UTRECHT is betekend ten laste van de schuldenaar [betrokkene 1] (geboren op 4 mei 1989), betreffende een derdenbeslag gelegd onder de derde HET OPENBAAR MINISTERIE/DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT. Zie ook de ‘verklaring derdenbeslag’ die op 5 juli 12 is afgelegd en ondertekend door parketambtenaar [verbalisant 6] , welke verklaring een formulier als bedoeld in art. 475 lid 2 Rv betreft dat op 18 november 2011 op verzoek van de schuldeiser DE GEMEENTE UTRECHT is betekend ten laste van de schuldenaar [betrokkene 2] (geboren op 17 juni 1979), betreffende een derdenbeslag gelegd onder de derde HET OPENBAAR MINISTERIE/DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT.

11 Zie de zich bij de stukken bevindende ‘beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen’ van 6 juli 2012 en ‘beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen’ van 7 juli 2012. De laatste beslissing vermeldt als verdachte “ [betrokkene 2] ” maar gelet op de gelbedragen waarop het betrekking heeft, kan het niet anders zijn dan dat het gaat om de gelbedragen die [betrokkene 1] volgens de onder 3.10 genoemde ‘verklaring derdenbeslag’ van het OM heeft te vorderen.

12 Zie naast de onder 3.7 en 3.8 weergegeven processen-verbaal van doorzoekingen de zich bij de stukken bevindende processen-verbaal van aanhoudingen van [betrokkene 2] (doorgenummerde p. 29-30), [betrokkene 1] (doorgenummerde p. 70-71), [betrokkene 3] (doorgenummerde p. 107-108) en [klager] (doorgenummerde p. 124-125).

13 Zie de zich bij de stukken bevindende “akte intrekken rechtsmiddel” van 5 juni 2012. Dat een s.f.o. is ingesteld, dan wel een ontnemingsprocedure loopt lijkt mij, gelet op de beslissing van de OvJ tot teruggave van de geldbedragen aan die in beslag zijn genomen (zie onder 3.10) erg onwaarschijnlijk.

14 Vgl. HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9916 en de daaraan voorafgegane conclusie ECLI:NL:PHR:2009:BJ9916, HR 25 oktober 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB5968, NJ 1967/175 en de daaraan voorafgegane conclusie ECLI:NL:PHR:1966:AB5968, HR 1 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9123, NJ 2003/6 en de daaraan voorafgegane conclusie ECLI:NL:PHR:2002:AE9123 en HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8215.

15 Vgl. HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9540, NJ 1999/106.

16 Vgl. o.a. HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9406, NJ 2008/250.

17 Zo leid ik mede af uit onder 3.1 weergeven proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 17 mei 2016.

18 Zie WvSv, Melai/ Groenhuijsen e.a., aant. 9 bij art. 89 Sv, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, NJ 2013/402 en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757, NJ 2016/6.

19 Zie het stamproces-verbaal van 25 oktober 2011, met nummer 2011182457C, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , doorgenummerde p. 11 en het bevel inverzekeringstelling van 15 augustus 2011, met nummer PL0910 2011182455-20, opgemaakt door [verbalisant 7] , doorgenummerde p. 128-129.

20 Zie art. 89 lid 1 Sv, alsook WvSv, Melai/ Groenhuijsen e.a., aant. 9 bij deze bepaling.

21 Zie ook HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8947, NJ 2012/47.

22 Vgl. HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667, NJ 2011/284.

23 Zie ECLI:NL:PHR:2011:BT8886. Een opmerking in die richting maakt hij ook in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2011:BP0208, voorafgaand aan de HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0208 (HR: art. 81 RO); hij schrijft: “Ingevolge art. 552a lid 3 Sv dient een eventueel nieuw klaagschrift binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, te worden ingediend. Nu het strafvonnis uiterlijk op 20 mei 2009 onherroepelijk is geworden, lijkt klaagster slechts tot 20 augustus 2009 de mogelijkheid te hebben gehad om opnieuw een klaagschrift in te dienen.”

24 Ik laat hier in het midden of het klaagschrift zo spoedig mogelijk is ingediend en op die grond wellicht niet-ontvankelijk is.

25 Zie (o.m.) HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7004, NJ 2013/243, herhaald in HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005.

26 Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 44-45.