Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1237

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/01279
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2860, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen gekwalificeerde diefstal. Falende klachten m.b.t. medeplegen, grondslagverlating en motivering bewezenverklaring. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01279

Zitting: 26 september 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 28 januari 2015 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een televisie (merk: Panasonic), parfum (merk: Gucci), kinderkleding (merk: Armani, Marco Polo, McGregor en Burberry), een tas met daarin Chinese thee, een zilverkleurig geldkistje en pasjes (KLM), toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak door met zijn mededaders naar voornoemde woning te gaan en het cilinderslot uit de toegangsdeur van die woning te verwijderen.”

3.2.

De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis van 1 juli 2015, behorende bij het verkort vonnis van 22 april 2015 waarvan beroep, die hierbij wordt aangehecht, onder de nummers 1 tot en met 6.

Het hof voegt toe het volgende bewijsmiddel.

7. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015022187-14 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 18 en 19).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2015 reden wij, belast met surveillancedienst (AD3422), in de richting van Amstelveen. Wij zagen een voertuig ons tegemoet rijden. Daarachter reed een politievoertuig dat het voertuig een stopteken gaf. Het voertuig gaf hieraan geen gehoor. Hierop hebben wij ons aangesloten achter het politievoertuig. Wij zagen dat het voertuig snelheid minderde en de portieren werden geopend terwijl het voertuig nog rolde. Ik, verbalisant Hessels, zag dat uit dit voertuig 2 personen stapten en wegrenden. Ik zag dat 1 persoon wegrende over de parallelweg. Deze man is later aangehouden en gaf op te zijn [verdachte]. Ik riep op luide en niet mis te verstane wijze “Stop politie”. Ik zag dat hij hierop niet reageerde en doorrende in zuidelijke richting, de parallelweg overstak en over het gras rende. Ik riep hierop nogmaals tegen de verdachte [verdachte]: “Stop politie, dit is je laatste waarschuwing!”. Hierop zag ik dat [verdachte] doorrende. Ik zag dat het politievoertuig hem van voren naderde en dat de verdachte [verdachte] stilhield. Hierop heb ik verdachte [verdachte] vastgepakt. Hierop hebben wij verdachte [verdachte] aangehouden.”

3.3.

De bewijsmiddelen onder de nummers 1 tot en met 6, zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis van 1 juli 2015, behorende bij het verkort vonnis van 22 april 2015 waarvan beroep, houden in:

“1. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015022187-13 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina’s 13 en 14).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2015 omstreeks 21:35 uur kregen wij verbalisanten de melding te gaan naar de Sint Janskruidlaan te Amstelveen, in de omgeving waarvan 4 jongens in een grijze Opel Astra zich verdacht zouden gedragen. Ter plaatse aangekomen hoorden wij dat andere collega’s achter het voertuig aan zaten. Even later hoorden wij dat verdachten vanuit het voertuig op de vlucht waren geslagen, maar dat wel een aantal aanhoudingen waren verricht. Wij belden de meldster en die begeleidde ons naar de woning waarbij zij de jongens had zien rommelen. Wij zagen dat de voordeur van de woning [a-straat 1] te Amstelveen openstond. Wij zagen dat het slot onbruikbaar was gemaakt en uit de deur was gehaald. Wij zagen dat de woning helemaal donker was. Enkele ogenblikken later kwam een voertuig de oprit op gereden waarin de bewoners zaten. Wij hebben de woning met de bewoners betreden. Zij gaven tijdens de ronde in de woning aan dat er diverse goederen waren weggenomen, waaronder een grote flatscreen-tv.

2. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015022187-4 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerde pagina’s 15 t/m 17).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij bevonden ons op 28 januari 2015 omstreeks 21:41 te Amstelveen. Aldaar hoorden wij de melding verdachte omstandigheden op de Sint Janskruidlaan te Amstelveen, waar een zilveren Opel Astra met daarin 4 personen zich verdacht zou ophouden. Wij zijn ten spoedigste naar de opgegeven locatie gereden. Bij de kruising Korianderlaan/Korenbloemlaan zagen wij een zilverkleurige Opel Astra voorzien van het kenteken [AA-00-BB] ons tegemoet rijden. Hierop zijn wij dit voertuig gaan volgen. Wij hebben dit voertuig een stopteken gegeven en zagen het voertuig stoppen. Waarna het rechter voorportier openging en achter elkaar 3 personen uit het voertuig stapten en wegrenden. Hierop heb ik verbalisant [verbalisant 6], de in het voertuig achtergebleven bestuurder aangehouden, die later bleek te zijn genaamd [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1988. Door de onderwijl ter plaatse gekomen eenheid 3422 van Uithoorn is een tweede persoon aangehouden die uit het voertuig was gevlucht en later bleek te zijn [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986. Ik, [verbalisant 6], zag op de achterbank een groot model flatscreen televisie liggen. Wij vernamen van de meldkamer dat een inbraak gepleegd was op de [a-straat 1] te Amstelveen, waarbij in ieder geval een flatscreen weggenomen zou zijn.

3. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015022187-12 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (doorgenummerde pagina 22).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2014 (de rechtbank begrijpt: 2015) hebben wij [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986, verdachte van woninginbraak overgenomen en overgebracht naar het politiebureau Van Leijenberghlaan te Amsterdam. Aldaar zag ik, [verbalisant 8], dat in de rechterbroekzak van verdachte 2 pasjes zaten op naam van: [betrokkene 1].
4. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015022187-1 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 23 en 24).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van diefstal uit de woning [a-straat 1] te Amstelveen op 28 januari 2015. Ik ben de eigenaar van de woning. De woning was deugdelijk afgesloten. Bij de woning is geen buitenverlichting aanwezig en de verlichting binnen was niet aan gelaten. Ik ben omstreeks 14:00 uur richting mijn zoon gegaan en ben omstreeks 22:00 uur naar mijn woning gereden, waar ik omstreeks 22:15 uur aan kwam. Bij aankomst zag ik politie staan, die mij vertelde dat er ingebroken was. Ik zag dat de cilinder van mijn voordeurslot op de grond lag. Alle ruimtes in de woning zijn doorzocht. Uit de woning is weggenomen:
- een flatscreen-televisie van Panasonic
- parfum van Gucci
- een Armani vest voor kinderen
- McGregor kinderbroek kaki kleur
- kinderpolo van het merk Marco Polo
- 2 witte kinderjurkjes van het merk Burberry.
De weggenomen kleding is gekocht als cadeau en zaten in cadeauverpakking. Deze goederen behoren mij geheel in eigendom toe. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5. Proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer PL1300-2015022187-45 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (doorgenummerde pagina’s 27 en 28).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] en verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik wil nog aangifte doen van meer bij de diefstal weggenomen goederen, namelijk een tas met daarin Chinese thee en een zilverkleurig geldkistje.
Noot verbalisant: Hierop toont verbalisant diverse in beslag genomen goederen die in het voertuig van verdachte zijn aangetroffen.
Ik zie het geldkistje. Deze is zeker weten van mij. Ik herken het gele Louis Vuitton zakje ook als mijn eigendom, daarin zat mijn tasje met de thee. Ik herken ook de televisie. U toont mij foto’s van de KLM-pasjes met mijn naam er op. Dit zijn mijn pasjes.

6. Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2015022187-46 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (doorgenummerde pagina’s 32 en 33).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:

Ik leg een verklaring af over wat op 28 januari 2015 is gebeurd. Mijn woning staat tegenover de woning waar is ingebroken. Ik keek naar buiten en zag dat op de parkeerplaats een zilvergrijze Opel Astra stond met daarin 4 donkere jongens, waaronder een iets langere jongen met een slank postuur en een soort vlechtjes. Hij droeg een zwarte Canada Goose jas. Ik zag dat de jongens precies op de woning in de Korianderlaan konden kijken. Op een bepaald moment zag ik de grijze Opel door de Korianderlaan rijden. Hij reed langzaam, stopte even voor de woning en reed verder naar de bocht. Om de hoek bleef hij staan. Toen zag ik dat twee jongens uit de woning [a-straat 1] kwamen. Een jongen kwam met plastic tasjes in de hand naar buiten lopen. Van de andere jongen weet ik het niet meer. Zij liepen gehaast en keken steeds om zich heen. Zij liepen naar de bocht waar de grijze Opel stond. Ik zag het licht in de auto oplichten en begreep dat de portieren openstonden en dat de jongens instapten. Ik zag dat de auto wegreed. Binnen enkele seconden zag ik hem weer, toen hij wederom de Korianderlaan in reed. De auto stopte iets voorbij woning [1]. Ik zag dat de jongen met het soort rasta haar was uitgestapt en naar de deur van de woning liep. Ik heb niet gezien wat hij daar heeft gedaan. Daar is het heel donker. Ik zag dat hij terugkwam en wenkte naar de bestuurder om achteruit te rijden. Ik zag dat de auto achteruit reed tot nummer [1]. Ik zag dat de jongen met het soort rasta haar de kofferbak opende en daar iets inlegde. Vervolgens stapte hij in.”

3.4.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder het kopje “Bewijsoverweging” als volgt overwogen (pag. 2):

“De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig zijn pleitnota vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit. Hiertoe voert de raadsman - kort weergegeven - aan dat de verdachte niets te maken heeft gehad met de ten laste gelegde diefstal. Daarnaast voert de raadsman het verweer dat medeplegen niet kan worden bewezen. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat de verdachte betrokken is geweest bij het maken van een taakverdeling dan wel dat hij een rol heeft gespeeld in de voorbereiding en/of uitvoering van het misdrijf.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Op 28 januari 2015 omstreeks 21.30 uur stond een Opel Astra met daarin vier donker gekleurde personen op een parkeerplaats op of nabij de Korianderlaan te Amstelveen. Korte tijd later reed het voertuig door de Korianderlaan, stopte kort voor de woning aan de [a-straat 1] en reed vervolgens naar de hoek van de straat, alwaar het voertuig stopte. Op dat moment kwamen twee jongens gehaast en om zich heen kijken uit de woning aan de [a-straat 1] lopen. Zij liepen richting de Opel en stapten in. De Opel reed vervolgens weg, maar reed korte tijd later de Korianderlaan weer in. De Opel stopte kort voorbij de woning aan de [a-straat 1]. Een jongen stapte uit en wenkte naar de bestuurder om achteruit te rijden tot nummer [1], tot net voor de carport. De jongen opende de kofferbak en legde daar iets in. Vervolgens reed de Opel weg. Later blijkt dat in de woning aan de [a-straat 1] is ingebroken. Korte tijd nadat de Opel Astra (met kenteken [AA-00-BB]) uit de Korianderlaan is weggereden, is het voertuig door de politie waargenomen. Aan de bestuurder van dit voertuig is een stopteken gegeven. Nadat het voertuig tot stilstand was gekomen, zijn drie inzittenden weggerend; de bestuurder, medeverdachte [betrokkene 2], is aangehouden. Een van de wegrennende inzittenden, naar later blijkt: de verdachte, rende in zuidelijke richting en reageerde niet op een maning van de politie om te stoppen. De verdachte rende de parallelweg over en rende over het gras. Ook op een herhaalde maning reageerde de verdachte niet en rende door. Toen een politievoertuig de verdachte van voren naderde, stopte hij. De verdachte is aangehouden en later zijn in zijn broekzak 2 pasjes aangetroffen die bij de inbraak waren weggenomen. Ook in de Opel Astra zijn goederen aangetroffen die bij de inbraak waren weggenomen, waaronder een flatscreen-tv die op de achterbank is aangetroffen, alwaar de verdachte had gezeten.

De verdachte heeft verklaard dat hij een lift kreeg toen een van de anderen werd gebeld om iets op te halen. Het voertuig waarin hij zat, werd achteruit ingeparkeerd en nog geen halve minuut later kwam een van de jongens met een televisie. Die had enige moeite met het inladen van de televisie, omdat hij ook een telefoon en pasjes vast had. Desgevraagd zou de verdachte de telefoon en de pasjes hebben aangepakt en in zijn zak hebben gedaan. De verdachte zou de Opel niet hebben verlaten op de plaats waar de televisie is ingeladen en zou niets van de inbraak hebben geweten.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring/alternatieve lezing van de verdachte, mede nu deze op punten aantoonbaar onjuist is. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat de Opel Astra waarin hij zat bij de Korianderlaan is gestopt, vervolgens is weggereden en even later weer is teruggekeerd. Dit is in strijd met hetgeen getuige [betrokkene 3] heeft verklaard. Dat de getuige mogelijk twee verschillende voertuigen heeft gezien, zoals door de raadsman betoogd, is niet aannemelijk geworden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, nadat de Opel tot stilstand was gebracht en hij had gezien dat politie aanwezig was, ‘slechts een paar stappen uit de auto’ had gezet, vooraleer hij werd aangehouden. Ook dit verdraagt zich niet met de bevindingen van de politie, waaruit blijkt dat de verdachte, ondanks maningen van de politie om te blijven staan, is weggerend.


De alternatieve lezing van de verdachte is dan ook kennelijk bedoeld om de waarheid te bemantelen, te weten dat hij nauw en bewust betrokken is geweest bij de inbraak. Dat van nauwe en bewuste betrokkenheid sprake is blijkt naar het oordeel van het hof uit de uiterlijke kenmerken van de genoemde feiten en omstandigheden, met name dat de verdachte met anderen naar de betreffende woning is gereden, dat het voertuig bij die woning is gestopt om twee personen te laten instappen die kennelijk met buit uit die woning waren gekomen, dat het voertuig korte tijd later is teruggekeerd, kennelijk om het inladen van de televisie mogelijk en makkelijk te maken en dat de verdachte is aangetroffen met pasjes in zijn broekzak die zijn ontvreemd uit die woning.”

4 Het middel

4.1.

Het middel, dat uiteen valt in twee deelklachten, komt op tegen de bewezenverklaring. Uit de bewijsmiddelen zou ten eerste niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte de diefstal met braak tezamen en in vereniging heeft gepleegd, nu, zo begrijp ik aldus het middel, daaruit niet volgt dat de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie van medeplegen te kunnen rechtvaardigen, terwijl het hof de grondslag van de tenlastelegging zou hebben verlaten doordat het onder de voor het bewijs van medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kennelijk ook de ‘nauwe en bewuste betrokkenheid’ bij de inbraak heeft begrepen. Ten tweede is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd, nu het hof ten aanzien van de vaststelling dat de verdachte op de achterbank van de auto zou hebben gezeten heeft nagelaten met een voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel het hof dat feit heeft ontleend, terwijl dit voorts niet kan volgen uit de door het hof in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen.

4.2.

Uit Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m. nt. P.A.M. Mevis volgt onder meer dat voor de kwalificatie medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen vereist is. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.1 Het voorgaande geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ of ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’.2 De overwegingen in voornoemd arrest zijn in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering.3

4.3.

Voor de beoordeling van de eerste deelklacht van het middel is mijns inziens Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016, 413 m. nt. Rozemond van belang. De overeenkomst in casuïstiek is namelijk treffend. In die zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte die een negroïde uiterlijk heeft, kort na de bewezenverklaarde diefstal van een hoeveelheid laptops uit een bedrijfspand door drie à vier negroïde mannen, tezamen met drie negroïde mannen in de bij de diefstal betrokken auto – met in de kofferbak de gestolen laptops – heeft gezeten en daaruit is gevlucht. Voorts heeft het hof geoordeeld dat het geen enkele waarde hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij eerst na afloop van de door anderen gepleegde diefstal in de auto was gestapt. Toen de auto vervolgens klem werd gereden door de politie is de verdachte met de anderen uit de auto gesprongen en via een sloot een weiland in gevlucht. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen “tezamen en in vereniging met anderen”, oftewel het medeplegen, ontoereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof, dat het niet anders kan dan dat de verdachte en drie mededaders de diefstal gezamenlijk hebben uitgevoerd en derhalve zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde diefstal, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is. Daarbij nam de Hoge Raad – kort gezegd – de hiervoor genoemde vaststellingen van het hof in aanmerking dat de diefstal was gepleegd door drie of vier negroïde mannen en de verdachte een negroïde uiterlijk heeft, terwijl hij voorts tezamen met drie negroïde mannen in de bij de diefstal betrokken auto heeft gezeten en daaruit is gevlucht en het hof het alternatieve scenario van de verdachte expliciet terzijde heeft geschoven. Voorts heeft de Hoge Raad bij de beoordeling van het middel in deze zaak nog het volgende betrokken:

“4.2.1. (…) Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.
4.2.2. Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).
4.2.3. In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.”

4.4.

Het middel in de onderhavige zaak klaagt in de toelichting daarop ten eerste dat het hof feitelijk niet méér heeft kunnen vaststellen dan dat de verdachte kort na de melding dat er een inbraak in een woning aan de [a-straat 1] te Amstelveen had plaatsgevonden zich als bijrijder in een auto bevond tezamen met drie personen en dat hij bij de inbraak weggenomen pasjes in zijn broekzak had, terwijl op grond van die vaststellingen geen conclusies kunnen worden getrokken over de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

4.5.

Uit de bewijsconstructie van het hof in de voorliggende zaak blijkt niet dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht ten aanzien van de gepleegde diefstal met braak. Wel heeft de verdachte zich met enkele andere personen in een auto bevonden waarin meerdere uit de woning aan de [a-straat 1] gestolen goederen zijn aangetroffen en is de verdachte toen de politie in beeld kwam uitgestapt en weggerend. Daarnaast worden in de broekzak van verdachte twee pasjes aangetroffen die op naam staan van aangever [betrokkene 1] Hu. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 blijkt dat de verdachte aldaar onder meer heeft verklaard dat hij een lift had gekregen toen een van de anderen een telefoontje kreeg om iets op te halen, de auto bij de woning aan de [a-straat 1] achteruit werd ingeparkeerd en vervolgens binnen een halve minuut een van de jongens met een televisie kwam terwijl de verdachte op verzoek de pasjes en de telefoon van die man in zijn zak heeft gedaan, omdat laatstgenoemde enige moeite had met het inladen van de televisie. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij er niets achter heeft gezocht. Blijkens zijn nadere bewijsoverweging heeft het hof geoordeeld aan die verklaring geen geloof te hechten, nu deze op punten aantoonbaar onjuist is. Zo acht het hof de ontkenning van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat de Opel Astra waarin hij zat bij de Korianderlaan is gestopt, vervolgens is weggereden en even later weer is teruggekeerd, onjuist in het licht van hetgeen getuige [betrokkene 3] heeft verklaard, en de verklaring van verdachte dat hij na de staandehouding door de politie ‘slechts een paar stappen uit de auto [heeft] gedaan’ verdraagt zich voorts niet met de bevindingen van de politie, waaruit blijkt dat de verdachte is weggerend. Het hof leidt uit de vaststellingen dat verdachte samen met anderen naar de betreffende woning is gereden, dat het voertuig bij die woning is gestopt om twee personen te laten instappen die kennelijk met buit uit die woning waren gekomen, dat het voertuig korte tijd later is teruggekeerd, kennelijk om het inladen van de televisie mogelijk en makkelijk te maken, en dat verdachte is aangetroffen met pasjes in zijn broekzak die zijn ontvreemd uit die woning, af dat de verdachte nauw en bewust betrokken is geweest bij de inbraak.

4.6.

In het licht van Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016, 413 m.nt. Rozemond moet worden opgemerkt dat (ook)4 voor het medeplegen van diefstal geldt dat het niet zo is dat aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen, nu voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht de feiten en omstandigheden van het geval van belang zijn. Bij die beoordeling kan echter een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. Indien sprake is van het geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel kan worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar niet direct kan worden vastgesteld door wie precies, terwijl de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden en die situatie op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, in de voorliggende zaak het tenlastegelegde medeplegen van de diefstal met braak, mag de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat de verdachte voor die omstandigheid geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

4.7.

In de onderhavige zaak is de verdachte, gelet op de bewijsconstructie van het hof, kort na de diefstal aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het hof geoordeeld dat de verdachte ten aanzien van die omstandigheden geen geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd die duidelijkheid verschaffen over zijn betrokkenheid bij de inbraak. In het oordeel van het hof ligt derhalve besloten dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring van belang is geweest voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte en drie mededaders de diefstal gezamenlijk hebben uitgevoerd en derhalve zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde diefstal is, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval zoals die blijken uit de bewijsconstructie van het hof en mede in het licht van het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.5 Dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft opgenomen dat de verdachte ‘nauw en bewust betrokken’ is geweest bij de inbraak, maakt het voorgaande niet anders nu dat, anders dan de steller van het middel betoogt, mijns inziens niet een ruimer begrip impliceert dan het begrip samenwerking.6

4.8.

In zoverre faalt het middel.

4.9.

De tweede deelklacht, waarin wordt opgekomen tegen de vaststelling van het hof dat de verdachte op de achterbank van de auto heeft gezeten mist mijns inziens belang, nu deze passage onmiskenbaar ten overvloede in de nadere bewijsoverweging is opgenomen. Het betreft een bijkomstigheid die zonder meer kan worden losgemaakt uit de bewijsmotivering. Deze tweede klacht kan evenmin tot cassatie leiden. 7

4.10.

Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3474, m.nt. Mevis (rov. 3.1 en 3.2.1).

2 Zie onder meer HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 (rov. 3.2.2) en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3474, m.nt. Mevis (3.2.1).

3 Zie ook Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883 (rov. 3.3), Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1808 (rov. 2.4).

4 Zie voor algemene beschouwingen van de Hoge Raad over het bewijs van het (enkelvoudig) plegen van diefstal, ook in verhouding tot heling en (schuld)witwassen, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644.

5 Zie ook, in vergelijkbare zin, HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:415.

6 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860, onder punt 11. En zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, onder punt 6.1.

7 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (tweede overzichtsarrest 80a RO), onder 2.5.2.