Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1232

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/05757
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2853, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Medeplegen van dubbele moord in drugsmilieu van Bonaire en medeplegen van overtreding Vuurwapenwet BES. Falende klachten over medeplegen, voorbedachte raad en voorhanden hebben vuurwapen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/04061 A en 16/04071 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/05757 A

Zitting: 26 september 2017

(bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij vonnis van 28 juli 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens 1 en 2 telkens “medeplegen van moord” en 3 “medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3 van de Vuurwapenwet BES gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaren met aftrek van voorarrest. Het Gemeenschappelijk Hof heeft de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen en drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

  2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (nr. 16/04061) en [medeverdachte 2] (nr. 16/04071) waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Mr. D.G. Kock, advocaat te Oranjestad, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Deze zaak gaat, zo blijkt uit de vaststellingen van het hof, om een dubbele moord in het drugsmilieu van Bonaire. Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte en [medeverdachte 3] deze moorden hebben gepleegd, daartoe aangezet door [medeverdachte 2]. De eerste twee middelen klagen over het bewijs van het medeplegen respectievelijk de voorbedachte raad bij de feiten 1 en 2. Het derde middel klaagt over het bewijs van het voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 3). Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaringen en de relevante bewijsoverwegingen van het hof weer.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:1

“Feit 1 primair impliciet primair:

dat hij in de nacht van 23 op 24 januari 2014 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door na kalm beraad en rustig overleg (aan de [a-straat]),

- met een revolver kogels op hem af te vuren, en

- (vervolgens) met een mes hem in de keel of hals te snijden

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

feit 2 primair impliciet primair:

dat hij in de nacht van 23 op 24 januari 2014 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd door na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver één kogel op hem af te vuren, tengevolge waarvan [slachtoffer 2] is komen te overlijden;

feit 3

dat hij op of omstreeks 24 januari 2014 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad een revolver.”

6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de gebezigde bewijsmiddelen weergegeven en aansluitend onder “Bewijsoverwegingen” onder meer het volgende overwogen:2

1. Het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het medeplegen

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) een ontmoeting hebben georganiseerd met [slachtoffer 2] bij de dam. Ten behoeve van die ontmoeting heeft [medeverdachte 3] een mes meegenomen uit de woning van de verdachte. Samen zijn zij vertrokken naar de dam. [slachtoffer 2] is daar ook verschenen, samen met [slachtoffer 1]. Zij kwamen met de auto van [slachtoffer 1]. De verdachte en [medeverdachte 3] waren als enigen aanwezig bij de dam toen de slachtoffers daar werden beschoten met een revolver. De schietpartij heeft plaatsgevonden om even voor 0:05 uur. Door getuigen zijn drie schoten gehoord. [slachtoffer 2] is overleden als gevolg van één kogel die hem van onder de kin schuin door het hoofd is geschoten van linksonder naar rechtsboven. Bij gebreke aan enig bloedspoor van [slachtoffer 2] op de dam, alsmede het feit dat onder zijn hals een (deel van een) kogel werd aangetroffen, moet het ervoor gehouden worden dat hij zich ten tijde van het schot in zijn hoofd in de auto van [slachtoffer 1] bevond. [slachtoffer 1] is beschoten met twee kogels, één in de rug en één in de zij. Beide slachtoffers zijn beschoten met dezelfde revolver. Korte tijd na de schietpartij is vervolgens gezien dat [medeverdachte 3] is uitgestapt uit de auto van de verdachte, op de plek waar [slachtoffer 1] de keel is doorgesneden met het door [medeverdachte 3] weggenomen mes uit het messen foedraal van de verdachte. In de plas met bloed van [slachtoffer 1] werd een stukje van een van de beschermkapjes van de messenset van de verdachte aangetroffen. De verdachte reed na de schietpartij weg in de auto van [slachtoffer 1] met het lijk van [slachtoffer 2] in de auto en [medeverdachte 3] reed, nadat hij weer was ingestapt, weg in de jeep van de verdachte. Het lijk van [slachtoffer 1] is blijven liggen bij de dam. De verdachte en [medeverdachte 3] hebben de auto van [slachtoffer 1], met daarin het lijk van [slachtoffer 2], die nacht naar Arawak gebracht. Daarna hebben de verdachte en [medeverdachte 3] het lijk van [slachtoffer 1] van de kleding ontdaan en in het water nabij de dam gelegd. De verdachte en [medeverdachte 3] zijn vervolgens teruggegaan naar Arawak en hebben daar de auto van [slachtoffer 1], met daarin het lijk van [slachtoffer 2], in brand gestoken.

Het Hof acht deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend voor het bewijs dat de verdachte en [medeverdachte 3] als medeplegers kunnen worden aangemerkt van de opzettelijke levensberoving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Nu vast staat dat zij deze feiten in nauwe en bewuste samenwerking hebben gepleegd, kan in het midden blijven wie van hen de schoten met de revolver heeft gelost.

2. Voorbedachte raad

Het Hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte en [medeverdachte 3] hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Voor voorbedachte raad is noodzakelijk dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Feiten

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het Hof de volgende feiten vast.

de organisatie

De medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), de verdachte en [medeverdachte 3] opereerden in de drugswereld. In de organisatie waarin zij werkzaam waren, bekleedde [medeverdachte 2] een positie hoger in rang dan de verdachte en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] trad daarbij op als “Maton” voor weer een hogere drugsbaas op Bonaire, genaamd [betrokkene 1]. De verdachte en [medeverdachte 3] stonden in het krijt bij deze hogere drugsbaas en moesten in dat verband drugsgerelateerde klussen verrichten om hun schuld aan hem af te lossen. [medeverdachte 2] zag daarop toe.

het incident

Op 23 januari 2014 heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] in kennis gesteld van het feit dat zich een incident had voorgedaan; hij en de verdachte waren een hoeveelheid cocaïne kwijtgeraakt. [medeverdachte 2] werd razend toen hij van [medeverdachte 3] vernam dat de cocaïne was kwijtgeraakt door deze te verhandelen via [slachtoffer 2], zijn vijand. [medeverdachte 3] werd hiervoor persoonlijk verantwoordelijk gehouden door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] maakte [medeverdachte 3] duidelijk dat hij hiervoor de prijs zou betalen. [medeverdachte 2] liet [medeverdachte 3] weten dat hij wel zou merken wat er met hem zou gebeuren. In de drugswereld wordt voor het niet nakomen van afspraken betaald met de dood, had [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] al eerder duidelijk gemaakt. [medeverdachte 2] gaf [medeverdachte 3] te kennen dat er nog die dag wat zou gaan gebeuren, in die zin dat “hij ofwel de kop van [slachtoffer 2], ofwel de kop van [medeverdachte 3] eraf zou trekken”. [medeverdachte 3] werd te verstaan gegeven dat hij nog diezelfde dag een ontmoeting moest regelen met [slachtoffer 2]. [medeverdachte 2] zei hem tevens uitdrukkelijk dat hij geen geld terug wilde van [slachtoffer 2], maar dat hij wraak wilde. Voor [medeverdachte 3] werd duidelijk dat [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] dood wilde hebben. Dit bleek voor [medeverdachte 3] uit de wijze waarop [medeverdachte 2] over het gerezen probleem sprak. [medeverdachte 3] werd door [medeverdachte 2] die dag met de dood bedreigd. Zou [medeverdachte 3] de ontmoeting met [slachtoffer 2] niet regelen, dan zou hij mogelijk zelf die avond het leven verliezen. [medeverdachte 3] was bang dat de verdachte en hij die avond nog vermoord zouden worden als hij de ontmoeting met [slachtoffer 2] niet zou regelen.

de ontmoeting

De verdachte en [medeverdachte 3], die altijd alles met elkaar bespraken, besloten de ontmoeting met [slachtoffer 2] te organiseren. Zij hebben daartoe [slachtoffer 2] eerder die dag bij zijn huis opgezocht. Dezelfde middag heeft [medeverdachte 3] ook telefonisch contact gehad met [slachtoffer 2]. Daarna stelde hij [medeverdachte 2] in kennis van hetgeen hij met [slachtoffer 2] had afgesproken. In de avonduren hebben de verdachte en [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] ontmoet in Terras 2001 en daar met [medeverdachte 2] in persoon gesproken over de aanstaande ontmoeting. Toen zij [slachtoffer 2] telefonisch hadden weten te bereiken, zijn zij onmiddellijk vertrokken onder de mededeling dat [medeverdachte 2] alles verder in hun handen moest laten die avond. De ontmoeting met [slachtoffer 2], vergezeld van [slachtoffer 1], vond vervolgens omstreeks middernacht plaats op de dam, een door de verdachte en [medeverdachte 3] uitgekozen stille plek. De ontmoeting met [slachtoffer 2] had een verloop zoals hiervoor is omschreven. Het lijk van [slachtoffer 1] werd op de dam achtergelaten. Het lijk van [slachtoffer 2] werd meegenomen, liggend in de auto van [slachtoffer 1] op de bijrijdersplek naast de verdachte. [medeverdachte 3] reed in de witte jeep van de verdachte achter hem aan.

telefonisch contact

Voorafgaand aan, tijdens en direct na de schietpartij hadden de verdachte en [medeverdachte 3] achtmaal telefonisch contact met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] bevond zich toen in Terras 2001. De verbindingsduur van deze contacten varieerde van 9 tot 37 seconden, waarvan zesmaal sprake was van een contact langer dan 15 seconden.

tonen van het lijk van [slachtoffer 2]

De verdachte en [medeverdachte 3] reden na de schietpartij rechtstreeks van de dam naar Terras 2001, gelegen aan de Kaya Korona, alwaar [medeverdachte 2] zich nog steeds bevond in gezelschap van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). [medeverdachte 3] gebaarde vanuit het geopende autoraam van de witte jeep naar [medeverdachte 2] dat alles klaar was en riep hem toe dat hij moest komen kijken. [medeverdachte 2] reed hierop meteen, samen met [betrokkene 2], achter hen aan. Even verderop, bij Mentor, is [medeverdachte 2] uitgestapt en naar de auto van [slachtoffer 1] gelopen alwaar hem door de verdachte het lijk van [slachtoffer 2] werd getoond. Tegen [betrokkene 2] zei [medeverdachte 2] daarna dat er “zeker zeker” iemand in de auto lag en dat hij ([betrokkene 2]) zich rustig moest houden, immers “hij zat er niet in”, “hij wist van niks” en “hij was toch niet betrokken”. Toen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] terug reden naar Terras 2001, belde de verdachte of [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] met de mededeling dat er nog een persoon in de dam lag die opgeruimd moest worden. De verdachte en [medeverdachte 3] staken die nacht de auto van [slachtoffer 1] met daarin het lijk van [slachtoffer 2] bij Arawak in brand en ontdeden het lijk van [slachtoffer 1] van de kleding, gooiden die weg, en legden dit lijk verderop in het water nabij de dam.

Overwegingen

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het Hof dat de door [medeverdachte 2] afgedwongen “ontmoeting” van de verdachte en [medeverdachte 3] met [slachtoffer 2] maar één oogmerk had, namelijk dat [slachtoffer 2] door hen gedood zou worden. Dit volgt in de eerste plaats uit de uitlatingen van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] was duidelijk gemaakt dat er die avond nog met een leven betaald moest worden: met dat van hem of dat van [slachtoffer 2]. Het “ontmoeten” van [slachtoffer 2] was daarmee voor de verdachte en [medeverdachte 3], die hoe dan ook reeds uit hoofde van een drugsschuld gehouden waren opdrachten van [medeverdachte 2] uit te voeren, de enige “oplossing” voor het ontstane “probleem”. Zouden zij dat niet doen, dan zouden zij dat mogelijk diezelfde avond nog met de dood bekopen. Als gevolg hiervan hebben zij besloten om de hen opgedragen ontmoeting tussen hen en [slachtoffer 2], waarvan de bedoeling hen op voorhand duidelijk was gemaakt, daadwerkelijk te organiseren.

Dat de ontmoeting bedoeld was om [slachtoffer 2] te doden en dat het oogmerk van [medeverdachte 2] hierop was gericht, volgt uit de omstandigheden waaronder en de wijze waarop [slachtoffer 2] om het leven is gebracht, het voortdurend telefonisch contact van de verdachte en [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en de daarna met het lijk van [slachtoffer 2] gepleegde handelingen. Het Hof overweegt in dit verband het volgende.

[slachtoffer 2] werd door de verdachte en [medeverdachte 3] naar de dam, een door hen gekozen afgelegen en stille plek, geleid. Zoals de verdachte en [medeverdachte 3] wisten, verscheen [slachtoffer 2] daar samen met [slachtoffer 1]. Dat sprake is geweest van ruzie, geschreeuw, een vechtpartij of van een anderszins onrustige gang van zaken valt uit de verklaringen van de aldaar in de buurt aanwezige getuigen niet op te maken. In totaal zijn drie, achter elkaar afgevuurde, schoten gehoord. Zittend op de bijrijdersplaats in de auto van [slachtoffer 1] werd [slachtoffer 2] met één kogel dood geschoten. Deze kogel is hem van onder de kin, schuin van linksonder naar rechtsboven, door zijn hoofd geschoten. Een dergelijk doelgericht schot duidt op de tenuitvoerlegging van een voorgenomen liquidatie, waarbij het slachtoffer volledig moet zijn verrast. De andere twee schoten raakten de, naar moet worden aangenomen, wegvluchtende [slachtoffer 1] in zijn rug. Daarna werd zijn halsslagader nog doorgesneden. Vlak voor, tijdens en direct na het doden van de slachtoffers heeft [medeverdachte 2] nauw telefonisch contact onderhouden met de verdachte en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] bevond zich toen in Terras 2001. Vrijwel onmiddellijk na de dodelijke schoten - getuige [getuige 1] spreekt over binnen vijf seconden - zijn de verdachte en [medeverdachte 3] weer vertrokken. Het lijk van [slachtoffer 2] werd door hen meegenomen naar Terras 2001. Terras 2001 is gelegen aan de Kaya Korona. Daarvan is algemeen bekend dat dit een drukke doorgaande hoofdweg van Bonaire is, waaraan verschillende horeca- etablissementen gelegen zijn. Voor de verdachte en [medeverdachte 3] op de dam waren alternatieve routes beschikbaar indien zij het lijk van [slachtoffer 2] (en dat van [slachtoffer 1]) zoveel mogelijk ongezien hadden willen wegmaken. In plaats daarvan kozen zij er echter voor om net na middernacht met het lijk van [slachtoffer 2], zichtbaar in de auto gelegen op de bijrijdersplaats naast de verdachte, te rijden over deze drukke - zeker op dit tijdstip - door uitgaanspubliek bezochte weg, met alle risico’s van dien. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de verdachte en [medeverdachte 3] er doelbewust voor gekozen hebben om met het lijk van [slachtoffer 2] rechtstreeks naar Terras 2001 te rijden met de bedoeling dit lijk aan [medeverdachte 2] te tonen. Het tonen van dit lijk had - blijkens hun handelingen - voor hen de eerste prioriteit. Het lijk van [slachtoffer 1] was in dit verband irrelevant. Dit lijk bleef immers achter op de dam en kon later worden opgeruimd. [medeverdachte 2] werd hierover telefonisch in kennis gesteld. Aangenomen moet dan ook worden dat de verdachte en [medeverdachte 3] met het onmiddellijk tonen van het lijk van [slachtoffer 2] verantwoording hebben willen afleggen aan [medeverdachte 2] van de tenuitvoerlegging van de moord waartoe hij hen had aangezet. Daarmee konden zij hun schuld inlossen en de “beloning ontvangen dat zij die avond zelf niet ook zijn vermoord”, aldus de verdachte. [medeverdachte 2] reageerde vervolgens, blijkens de verklaring van [betrokkene 2], tamelijk onbewogen op het zien van het lijk van [slachtoffer 2]. [medeverdachte 2] maande [betrokkene 2] slechts zich rustig te houden, want “hij was toch niet betrokken”, “hij was er niet in” en “hij wist van niks”. Het lijk van [slachtoffer 2] werd, nadat het aan [medeverdachte 2] was getoond, door de verdachte en [medeverdachte 3] in brand gestoken.

In het licht van het voorgaande acht het Hof de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 3], inhoudende dat de ontmoeting - die volgens hen enkel tot doel had met [slachtoffer 2] te praten, respectievelijk aan [slachtoffer 2] een kilo cocaïne over te dragen - onverwachts uit de hand is gelopen waarbij plotseling (door anderen) is geschoten ongeloofwaardig, nog daargelaten dat hun verklaringen op essentiële punten niet met elkaar te verenigen zijn. Naar het oordeel van het Hof hebben de verdachte en [medeverdachte 3] met het afleggen van deze verklaringen slechts getracht te verhullen wat de werkelijke bedoeling van de opgedragen ontmoeting was, om daarmee te maskeren wat hun aandeel is geweest in het verloop ervan. Het Hof schuift deze verklaringen dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Het Hof acht voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend voor het bewijs dat de verdachte en [medeverdachte 3] bij het doden van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] hebben gehandeld conform een tevoren door hen genomen besluit om hen om het leven te brengen. Tussen het moment waarop de ontmoeting met de beide slachtoffers werd gepland teneinde hen te doden en voltrekking daarvan hebben zij zich in voldoende mate kunnen beraden op hun besluit. Zij hebben in de tussenliggende tijd ruimschoots de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve is ten aanzien van beide slachtoffers sprake van voorbedachte raad. Contra-indicaties zijn niet aannemelijk geworden.”

7. Het eerste en tweede middel richten zich tegen de oordelen van het hof dat de verdachte en [medeverdachte 3] als medeplegers van de levensberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kunnen worden aangemerkt (eerste middel) en dat de verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld (tweede middel). Deze oordelen geven volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, of zijn ontoereikend gemotiveerd. Aangezien beide middelen opkomen tegen de feitelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen die het hof aan de bewezenverklaringen ten grondslag heeft gelegd, lenen zij zich voor een gezamenlijke bespreking.

7.1. In de eerste plaats wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet de verdachte, maar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de drugstransactie met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Deze klacht faalt gelet op de bewijsmiddelen 43, 50 en 53 bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7.2. In de tweede plaats wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er enig plan met de verdachte was beraamd om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ook deze klacht faalt. Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid dat de door [medeverdachte 2] afgedwongen “ontmoeting” van de verdachte en [medeverdachte 3] met [slachtoffer 2] maar één oogmerk had, namelijk dat [slachtoffer 2] door hen gedood zou worden, en dat de verdachte en [medeverdachte 3] hebben besloten die ontmoeting, waarvan de bedoeling hen op voorhand duidelijk was gemaakt, daadwerkelijk te organiseren alsmede dat zij bij het doden van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] hebben gehandeld conform een tevoren door hen genomen besluit om hen om het leven te brengen. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten is dat niet onbegrijpelijk. In dit verband wijs ik er in het bijzonder op dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 3] altijd alles met elkaar bespraken, dat [medeverdachte 3] uit de woning van de verdachte een mes heeft meegenomen, dat zij tegen [medeverdachte 2] hebben gezegd dat hij alles verder in hun handen moest laten die avond, dat zij [slachtoffer 2] omstreeks middernacht naar een door hen gekozen afgelegen en stille plek hebben geleid, dat zij wisten dat [slachtoffer 2] daar samen met [slachtoffer 1] zou verschijnen, dat [slachtoffer 2] daar zittend op de bijrijdersplaats in de auto van [slachtoffer 1] met één kogel van onder de kin door het hoofd is geschoten – door het hof niet onbegrijpelijk aangemerkt als een doelgericht schot dat duidt op de tenuitvoerlegging van een voorgenomen liquidatie – en dat de andere twee schoten de wegvluchtende [slachtoffer 1] in zijn rug raakten, waarna zijn halsslagader nog werd doorgesneden, dat zij het lichaam van [slachtoffer 2] hebben getoond aan [medeverdachte 2] en dat zij vervolgens het lichaam van [slachtoffer 1] in het water hebben gelegd en de auto van [slachtoffer 1] met daarin het lichaam van [slachtoffer 2] in brand hebben gestoken.

7.3. De in de toelichting op het eerste middel betrokken stelling dat het voor de verdachte volledig als een verrassing kwam dat [medeverdachte 2] ook ter plekke verscheen en met een vuurwapen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] doodschoot, stuit af op het feit dat het hof dit door de verdediging geschetste scenario ongeloofwaardig heeft bevonden. Het hof heeft immers – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 3], inhoudende dat de ontmoeting onverwacht uit de hand is gelopen en dat daarbij plotseling (door anderen) is geschoten, ongeloofwaardig zijn en zijn afgelegd om te verhullen wat de werkelijke bedoeling van de ontmoeting was en te maskeren wat hun aandeel in het verloop ervan is geweest.

7.4. De klacht dat nergens uit blijkt dat de verdachte een rol heeft gehad in of een bijdrage heeft geleverd aan de onder 1 en 2 bewezen verklaarde moorden faalt eveneens. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk op grond van de uit de bewijsmiddelen blijkende betrokkenheid van de verdachte vóór, tijdens en na de moorden geoordeeld dat hij daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. In dit verband heeft het hof kunnen oordelen dat, nu vaststaat dat de verdachte en [medeverdachte 3] de levensberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in nauwe en bewuste samenwerking hebben gepleegd, in het midden kan blijven wie van hen de schoten heeft gelost. Het accent ligt bij medeplegen immers op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.3 Voor zover nog wordt betoogd dat het niet distantiëren niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake was van medeplegen, wordt miskend dat het hof een dergelijk niet distantiëren niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

7.5. Kortom, het hof heeft zowel het medeplegen als de voorbedachte raad uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. De oordelen van het hof op deze punten geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd.

7.6. De middelen falen.

8. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

8.1. Gelet op de bespreking van de eerste twee middelen, kan ik over het derde middel kort zijn. Onder 3 is bewezen verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een revolver voorhanden heeft gehad, waarmee het hof onmiskenbaar het oog heeft gehad op het vuurwapen dat werd gebruikt bij de onder 1 en 2 bewezen verklaarde moorden. Nu het hof de verdachte en [medeverdachte 3] als medeplegers van die moorden heeft kunnen aanmerken en uit de bewijsmiddelen4 volgt dat daarbij een vuurwapen is gebruikt, heeft het hof het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat het hof in het midden heeft gelaten wie de schoten heeft gelost. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.5

8.2. Het middel faalt.

9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Abusievelijk is in de bewezenverklaring van feit 1 “althans opzettelijk” niet uitgestreept en is in de bewezenverklaring van feit 2 het woordje “meer” blijven staan. Ik geef hier de bewezenverklaringen weer na herstel van deze misslagen, waarover in cassatie (terecht) niet wordt geklaagd.

2 Ik laat in het citaat een voetnoot weg.

3 Zie onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

4 Zie in het bijzonder bewijsmiddel 14.

5 Vgl. HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1760, NJ 2007/342.