Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1231

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/04071
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2852, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Uitlokking van medeplegen van dubbele moord op A en B in drugsmilieu van Bonaire. Voorwaardelijk opzet op uitlokking van moord op B? Hof heeft geoordeeld dat verdachtes opzet erop was gericht dat A zou worden vermoord. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte wist dat niet alleen A maar ook B bij de daartoe door de uitvoerders van de moord geplande ontmoeting aanwezig zou zijn en heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de kans aanmerkelijk was te achten dat zij B niet als getuige wilden van hun moord op A en dat zij daarom ook B zouden vermoorden, daartoe aangezet door de bedreigingen van verdachte, welke kans door verdachte is aanvaard. Dat oordeel is gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld m.b.t. de aanleiding voor het uitlokken van de moord op A - het kwijtraken van een partij cocaïne - niet onbegrijpelijk. Samenhang met 16/04061 en 16/05757.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/04071 A

Zitting: 26 september 2017

(bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij vonnis van 28 juli 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens 1 en 2 telkens “opzettelijke uitlokking van medeplegen van moord door bedreiging” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaren met aftrek van voorarrest. Het Gemeenschappelijk Hof heeft de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

  2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (nr. 16/04061) en [medeverdachte 1] (nr. 16/05757) waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Deze zaak gaat, zo blijkt uit de vaststellingen van het hof, om een dubbele moord in het drugsmilieu van Bonaire. Slachtoffers zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Het hof heeft bewezen geacht dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] (roepnaam [medeverdachte 1] ) hen om het leven hebben gebracht en dat de verdachte de moorden heeft uitgelokt. Het eerste middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof kennelijk leugenachtige verklaringen van de medeverdachten voor het bewijs heeft gebruikt. Het derde middel klaagt over het bewijs dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het uitlokken van de moord op [slachtoffer 1] . Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaringen en de relevante bewijsoverwegingen van het hof weer.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:

“Feit 1 subsidiair:

dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in de nacht van 23 op 24 januari 2014 op het eiland Bonaire (aan de [a-straat] ) tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben beroofd door na kalm beraad en rustig overleg,

- met een revolver kogels op hem af te vuren, en

- (vervolgens) met een mes hem in de keel of hals te snijden

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is komen te overlijden;

welk feit, hij, verdachte, in de periode van 1 december 2013 tot en met 23 januari 2014 op het eiland Bonaire opzettelijk heeft uitgelokt door bedreiging,

• door tegen [medeverdachte 3] - die vanwege een schuld door een drugstransactie al verplicht was voor verdachte te werken om zo die schuld terug te betalen en nadat hij, verdachte, had vernomen van [medeverdachte 3] dat zij ([medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]) niet betaald hadden gekregen bij een drugstransactie met [slachtoffer 2] - te zeggen, dat zij ([medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]) zaken hadden gedaan met [slachtoffer 2], en dat [slachtoffer 2] de vijand is van verdachte en dat er vandaag wat zou gaan gebeuren en dat hij (verdachte) de kop van [medeverdachte 3] of die van [slachtoffer 2] eraf zou gaan trekken; en

• door tegen die [medeverdachte 3] te zeggen, dat er een ontmoeting geregeld moest worden met [slachtoffer 2].

Feit 2 subsidiair:

dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in de nacht van 23 op 24 januari 2014 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven hebben beroofd door na kalm beraad en rustig overleg met een revolver één kogel op hem af te vuren, ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] is komen te overlijden;

welk feit, hij, verdachte, in de periode van 1 december 2013 tot en met 23 januari 2014 op het eiland Bonaire opzettelijk heeft uitgelokt door bedreiging

• door tegen [medeverdachte 3] - die vanwege een schuld door een drugstransactie al verplicht was voor verdachte te werken om zo die schuld terug te betalen en nadat hij, verdachte, had vernomen van [medeverdachte 3] dat zij ([medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]) niet betaald hadden gekregen bij een drugstransactie met [slachtoffer 2] - te zeggen, dat zij ([medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]) zaken hadden gedaan met [slachtoffer 2], en dat [slachtoffer 2] de vijand is van verdachte en dat er vandaag wat zou gaan gebeuren en dat hij (verdachte) de kop van [medeverdachte 3] of die van [slachtoffer 2] eraf zou gaan trekken en

• door tegen die [medeverdachte 3] te zeggen, dat er een ontmoeting geregeld moest worden met [slachtoffer 2].”

6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de gebezigde bewijsmiddelen weergegeven en aansluitend onder “Bewijsoverwegingen” onder meer het volgende overwogen:1

1. Het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het medeplegen

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en de medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) een ontmoeting hebben georganiseerd met [slachtoffer 2] bij de dam. Ten behoeve van die ontmoeting heeft [medeverdachte 3] een mes meegenomen uit de woning van [medeverdachte 1]. Samen zijn zij vertrokken naar de dam. [slachtoffer 2] is daar ook verschenen, samen met [slachtoffer 1] . Zij kwamen met de auto van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] waren als enigen aanwezig bij de dam toen de slachtoffers daar werden beschoten met een revolver. De schietpartij heeft plaatsgevonden om even voor 0:05 uur. Door getuigen zijn drie schoten gehoord. [slachtoffer 2] is overleden als gevolg van één kogel die hem van onder de kin schuin door het hoofd is geschoten van linksonder naar rechtsboven. Bij gebreke aan enig bloedspoor van [slachtoffer 2] op de dam, alsmede het feit dat onder zijn hals een (deel van een) kogel werd aangetroffen, moet het ervoor gehouden worden dat hij zich ten tijde van het schot in zijn hoofd in de auto van [slachtoffer 1] bevond. [slachtoffer 1] is beschoten met twee kogels, één in de rug en één in de zij. Beide slachtoffers zijn beschoten met dezelfde revolver. Korte tijd na de schietpartij is vervolgens gezien dat [medeverdachte 3] is uitgestapt uit de auto van [medeverdachte 1], op de plek waar [slachtoffer 1] de keel is doorgesneden met het door [medeverdachte 3] weggenomen mes uit het messenfoedraal van [medeverdachte 1]. In de plas met bloed van [slachtoffer 1] werd een stukje van een van de beschermkapjes van de messenset van [medeverdachte 1] aangetroffen. [medeverdachte 1] reed na de schietpartij weg in de auto van [slachtoffer 1] met het lijk van [slachtoffer 2] in de auto en [medeverdachte 3] reed, nadat hij weer was ingestapt, weg in de jeep van [medeverdachte 1]. Het lijk van [slachtoffer 1] is blijven liggen bij de dam. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben de auto van [slachtoffer 1] , met daarin het lijk van [slachtoffer 2], die nacht naar Arawak gebracht. Daarna hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het lijk van [slachtoffer 1] van de kleding ontdaan en in het water nabij de dam gelegd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn vervolgens teruggegaan naar Arawak en hebben daar de auto van [slachtoffer 1] , met daarin het lijk van [slachtoffer 2], in brand gestoken.

Het Hof acht deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als medeplegers kunnen worden aangemerkt van de opzettelijke levensberoving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Nu vast staat dat zij deze feiten in nauwe en bewuste samenwerking hebben gepleegd, kan in het midden blijven wie van hen de schoten met de revolver heeft gelost.

2. Uitlokking en voorbedachte raad

Het Hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft uitgelokt tot het plegen van voornoemde feiten en, daarmee samenhangend, de vraag of [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Van uitlokking is sprake als de uitlokker een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit, waarvoor de uitgelokte zelf kan worden gestraft. Voor een bewezenverklaring van uitlokking is vereist dat bewezen wordt (i) dat de uitlokker zowel opzet heeft gehad op de uitlokking als op het delict waartoe de ander is aangezet en (ii) dat de uitlokker de ander heeft doen besluiten - dus bij die ander het wilsbesluit heeft opgewekt - het delict te plegen, (iii) dat de uitlokker daartoe gebruik heeft gemaakt van een van de in de wet genoemde uitlokkingsmiddelen en (iv) dat het uitgelokte delict is gevolgd.

Voor voorbedachte raad is noodzakelijk dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Feiten

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het Hof de volgende feiten vast.

de organisatie

De verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] opereerden in de drugswereld. In de organisatie waarin zij werkzaam waren, bekleedde de verdachte een positie hoger in rang dan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. De verdachte trad daarbij op als “Maton” voor weer een hogere drugsbaas op Bonaire, genaamd [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] stonden in het krijt bij deze hogere drugsbaas en moesten in dat verband drugsgerelateerde klussen verrichten om hun schuld aan hem af te lossen. De verdachte zag daarop toe.

het incident

Op 23 januari 2014 werd de verdachte door [medeverdachte 3] in kennis gesteld van het feit dat zich een incident had voorgedaan; hij en [medeverdachte 1] waren een hoeveelheid cocaïne kwijtgeraakt. De verdachte werd razend toen hij van [medeverdachte 3] vernam dat de cocaïne was kwijtgeraakt door deze te verhandelen via [slachtoffer 2], zijn vijand. [medeverdachte 3] werd hiervoor persoonlijk verantwoordelijk gehouden door de verdachte. [medeverdachte 3] zou de prijs hiervoor betalen, zo maakte de verdachte [medeverdachte 3] duidelijk. Hij zou wel merken wat er met hem zou gebeuren. In de drugswereld wordt voor het niet nakomen van afspraken betaald met de dood, had de verdachte hem al eerder duidelijk gemaakt. De verdachte gaf hem te kennen dat er nog die dag wat zou gaan gebeuren, in die zin dat “hij ofwel de kop van [slachtoffer 2], ofwel de kop van [medeverdachte 3] eraf zou trekken”. [medeverdachte 3] werd te verstaan gegeven dat hij nog diezelfde dag een ontmoeting moest regelen met [slachtoffer 2]. De verdachte zei hem tevens uitdrukkelijk dat hij geen geld terug wilde van [slachtoffer 2], maar dat hij wraak wilde. Voor [medeverdachte 3] werd duidelijk dat de verdachte [slachtoffer 2] dood wilde hebben. Dit bleek voor [medeverdachte 3] uit de wijze waarop de verdachte over het gerezen probleem sprak. [medeverdachte 3] werd door de verdachte die dag met de dood bedreigd. Zou [medeverdachte 3] de ontmoeting met [slachtoffer 2] niet regelen, dan zou hij mogelijk zelf die avond het leven verliezen. [medeverdachte 3] was bang dat hij en [medeverdachte 1] die avond nog vermoord zouden worden als hij de ontmoeting met [slachtoffer 2] niet zou regelen.

de ontmoeting

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], die altijd alles met elkaar bespraken, besloten de ontmoeting met [slachtoffer 2] te organiseren. Zij hebben daartoe [slachtoffer 2] eerder die dag bij zijn huis opgezocht. Dezelfde middag heeft [medeverdachte 3] ook telefonisch contact gehad met [slachtoffer 2]. Daarna stelde hij de verdachte in kennis van hetgeen hij met [slachtoffer 2] had afgesproken. In de avonduren hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de verdachte ontmoet in Terras 2001 en daar met de verdachte in persoon gesproken over de aanstaande ontmoeting. Toen zij [slachtoffer 2] telefonisch hadden weten te bereiken, zijn zij onmiddellijk vertrokken onder de mededeling dat de verdachte alles verder in hun handen moest laten die avond. De ontmoeting met [slachtoffer 2], vergezeld van [slachtoffer 1] , vond vervolgens omstreeks middernacht plaats op de dam, een door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] uitgekozen stille plek. De ontmoeting met [slachtoffer 2] had een verloop zoals hiervoor is omschreven. Het lijk van [slachtoffer 1] werd op de dam achtergelaten. Het lijk van [slachtoffer 2] werd meegenomen, liggend in de auto van [slachtoffer 1] op de bijrijdersplek naast [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] reed in de witte jeep van [medeverdachte 1] achter hem aan.

telefonisch contact

Voorafgaand aan, tijdens en direct na de schietpartij hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] achtmaal telefonisch contact met de verdachte. De verdachte bevond zich toen in Terras 2001. De verbindingsduur van deze contacten varieerde van 9 tot 37 seconden, waarvan zesmaal sprake was van een contact langer dan 15 seconden.

tonen van het lijk van [slachtoffer 2]

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] reden na de schietpartij rechtstreeks van de dam naar Terras 2001, gelegen aan de Kaya Korona, alwaar de verdachte zich nog steeds bevond in gezelschap van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). [medeverdachte 3] gebaarde vanuit het geopende autoraam van de witte jeep naar de verdachte dat alles klaar was en riep hem toe dat hij moest komen kijken. De verdachte reed hierop meteen, samen met [betrokkene 2], achter hen aan. Even verderop, bij Mentor, is de verdachte uitgestapt en naar de auto van [slachtoffer 1] gelopen alwaar hem door [medeverdachte 1] het lijk van [slachtoffer 2] werd getoond. Tegen [betrokkene 2] zei de verdachte daarna dat er “zeker zeker” iemand in de auto lag en dat hij ([betrokkene 2]) zich rustig moest houden, immers “hij zat er niet in”, “hij wist van niks” en “hij was toch niet betrokken”. Toen [betrokkene 2] en de verdachte terug reden naar Terras 2001, belde [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] naar de verdachte met de mededeling dat er nog een persoon in de dam lag die opgeruimd moest worden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] staken die nacht de auto van [slachtoffer 1] met daarin het lijk van [slachtoffer 2] bij Arawak in brand en ontdeden het lijk van [slachtoffer 1] van de kleding, gooiden die weg, en legden dit lijk verderop in het water nabij de dam.

Overwegingen

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het Hof dat de door de verdachte afgedwongen “ontmoeting” van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met [slachtoffer 2] maar één oogmerk had, namelijk dat [slachtoffer 2] door hen gedood zou worden. Dit volgt in de eerste plaats uit de uitlatingen van de verdachte. [medeverdachte 3] was duidelijk gemaakt dat er die avond nog met een leven betaald moest worden: met dat van hem of dat van [slachtoffer 2]. Het “ontmoeten” van [slachtoffer 2] was daarmee voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], die hoe dan ook reeds uit hoofde van een drugsschuld gehouden waren opdrachten van de verdachte uit te voeren, de enige “oplossing” voor het ontstane “probleem”. Zouden zij dat niet doen, dan zouden zij dat mogelijk diezelfde avond nog met de dood bekopen. Als gevolg hiervan hebben zij besloten om de hen opgedragen ontmoeting tussen hen en [slachtoffer 2], waarvan de bedoeling hen op voorhand duidelijk was gemaakt, daadwerkelijk te organiseren.

Dat de ontmoeting bedoeld was om [slachtoffer 2] te doden en dat het oogmerk van de verdachte hierop was gericht, volgt uit de omstandigheden waaronder en de wijze waarop [slachtoffer 2] om het leven is gebracht, het voortdurend telefonisch contact van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met de verdachte en de daarna met het lijk van [slachtoffer 2] gepleegde handelingen. Het Hof overweegt in dit verband het volgende.

[slachtoffer 2] werd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar de dam, een door hen gekozen afgelegen en stille plek, geleid. Hij verscheen daar samen met [slachtoffer 1] . Dat sprake is geweest van ruzie, geschreeuw, een vechtpartij of van een anderszins onrustige gang van zaken valt uit de verklaringen van de aldaar in de buurt aanwezige getuigen niet op te maken. In totaal zijn drie, achter elkaar afgevuurde, schoten gehoord. Zittend op de bijrijdersplaats in de auto van [slachtoffer 1] werd [slachtoffer 2] met één kogel dood geschoten. Deze kogel is hem van onder de kin, schuin van linksonder naar rechtsboven, door zijn hoofd geschoten. Een dergelijk doelgericht schot duidt op de tenuitvoerlegging van een voorgenomen liquidatie, waarbij het slachtoffer volledig moet zijn verrast. De andere twee schoten raakten de, naar moet worden aangenomen, wegvluchtende [slachtoffer 1] in zijn rug. Daarna werd zijn halsslagader nog doorgesneden. Vlak voor, tijdens en direct na het doden van de slachtoffers heeft de verdachte nauw telefonisch contact onderhouden met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. De verdachte bevond zich toen in Terras 2001. Vrijwel onmiddellijk na de dodelijke schoten - getuige [getuige 1] spreekt over binnen vijf seconden - zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] weer vertrokken. Het lijk van [slachtoffer 2] werd door hen meegenomen naar Terras 2001. Terras 2001 is gelegen aan de Kaya Korona. Daarvan is algemeen bekend dat dit een drukke doorgaande hoofdweg van Bonaire is, waaraan verschillende horeca-etablissementen gelegen zijn. Voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de dam waren alternatieve routes beschikbaar indien zij het lijk van [slachtoffer 2] (en dat van [slachtoffer 1] ) zoveel mogelijk ongezien hadden willen wegmaken. In plaats daarvan kozen zij er echter voor om net na middernacht met het lijk van [slachtoffer 2], zichtbaar in de auto gelegen op de bijrijdersplaats naast [medeverdachte 1], te rijden over deze drukke - zeker op dit tijdstip - door uitgaanspubliek bezochte weg, met alle risico’s van dien. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] er doelbewust voor gekozen hebben om met het lijk van [slachtoffer 2] rechtstreeks naar Terras 2001 te rijden met de bedoeling dit lijk aan de verdachte te tonen. Het tonen van dit lijk had - blijkens hun handelingen - voor hen de eerste prioriteit. Het lijk van [slachtoffer 1] was in dit verband irrelevant. Dit lijk bleef immers achter op de dam en kon later worden opgeruimd. De verdachte werd hierover telefonisch in kennis gesteld. Aangenomen moet dan ook worden dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met het onmiddellijk tonen van het lijk van [slachtoffer 2] verantwoording hebben willen afleggen aan de verdachte van de tenuitvoerlegging van de moord waartoe hij hen had aangezet. Daarmee konden zij hun schuld inlossen en de “beloning ontvangen dat zij die avond zelf niet ook zijn vermoord”, aldus [medeverdachte 1]. De verdachte reageerde vervolgens, blijkens de verklaring van [betrokkene 2], tamelijk onbewogen op het zien van het lijk van [slachtoffer 2]. De verdachte maande [betrokkene 2] slechts zich rustig te houden, want “hij was toch niet betrokken”, “hij was er niet in” en “hij wist van niks”. Het lijk van [slachtoffer 2] werd, nadat het aan de verdachte was getoond, door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in brand gestoken.

In het licht van het voorgaande acht het Hof de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], inhoudende dat de ontmoeting - die volgens hen enkel tot doel had met [slachtoffer 2] te praten, respectievelijk aan [slachtoffer 2] een kilo cocaïne over te dragen - onverwachts uit de hand is gelopen waarbij plotseling (door anderen) is geschoten ongeloofwaardig, nog daargelaten dat hun verklaringen op essentiële punten niet met elkaar te verenigen zijn. Naar het oordeel van het Hof hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] met het afleggen van deze verklaringen slechts getracht te verhullen wat de werkelijke bedoeling van de opgedragen ontmoeting was, om daarmee te maskeren wat hun aandeel is geweest in het verloop ervan. Het Hof schuift deze verklaringen dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Het Hof acht voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bij het doden van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] hebben gehandeld conform een tevoren door hen genomen besluit om hen om het leven te brengen. Tussen het moment waarop de ontmoeting met de beide slachtoffers werd gepland teneinde hen te doden en voltrekking daarvan hebben zij zich in voldoende mate kunnen beraden op hun besluit. Zij hebben in de tussenliggende tijd ruimschoots de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve is ten aanzien van beide slachtoffers sprake van voorbedachte raad. Contra-indicaties zijn niet aannemelijk geworden.

Het Hof acht voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, tevens redengevend voor het bewijs dat de verdachte zowel opzet erop heeft gehad dat [medeverdachte 3] [slachtoffer 2] zou vermoorden als opzet erop dat [medeverdachte 3] daartoe zou worden aangezet door de bedreigingen die de verdachte jegens hem heeft geuit. Nu de verdachte wist dat [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 1] naar de plek van de "ontmoeting" zou gaan, heeft hij tevens opzet erop gehad dat deze met [medeverdachte 3] de moord op [slachtoffer 2] zou medeplegen, eveneens daartoe aangezet door de bedreigingen die de verdachte jegens [medeverdachte 3] heeft geuit. Verder volgt uit bewijsmiddel 45 dat [medeverdachte 3] tegen de verdachte heeft gezegd dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een plekje zou brengen waar niet zo veel mensen zouden zijn. Nu het oogmerk was om [slachtoffer 2] te vermoorden en de kans aanmerkelijk is te achten dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] niet zouden willen dat er een getuige van de moord zou zijn, moet worden aangenomen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ook [slachtoffer 1] zouden vermoorden, daartoe aangezet door de bedreigingen van de verdachte, zodat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] .”

7. Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging doordat, hoewel onder 1 en 2 subsidiair is ten laste gelegd dat de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] “heeft uitgelokt” om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven, het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] daartoe “opzettelijk heeft uitgelokt”.

7.1. De tenlastelegging onder 1 subsidiair luidt, voor zover hier van belang:

“dat [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] (…) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd (…);

welk feit, hij, verdachte, (…) heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, (…)”

7.2. De tenlastelegging onder 2 subsidiair luidt, voor zover hier van belang:

“dat [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] (…) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 2] van het leven heeft/hebben beroofd (…);

welk feit, hij, verdachte, (…) heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen (…)”

7.3. De hiervoor onder 5 weergegeven bewezenverklaringen houden in dat de verdachte het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2) “opzettelijk heeft uitgelokt”. Daarbij heeft het hof in zijn vonnis vermeld:

“Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.”

7.4. De vraag is of het hof door het woord ‘opzettelijk’ in de tenlasteleggingen in te lezen, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en dus iets anders heeft bewezenverklaard dan is tenlastegelegd. Ik meen van niet. Uit het feit dat het hof het woord “opzettelijk” in de bewezenverklaringen heeft gecursiveerd blijkt dat het hof het ontbreken daarvan in de tenlastelegging heeft beschouwd als een “taal- en/of schrijffout”, waaronder het hof blijkbaar ook een kennelijke misslag in de vorm van een omissie heeft verstaan. De rechter mag misslagen die in de tekst van een tenlastelegging voorkomen verbeteren, als de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo'n verbetering wordt niet als een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 355 Sv BES gezien, maar als een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist.2

Dat het hof heeft geoordeeld dat hier sprake is van een in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslag die zich leent voor een verbeterde lezing vind ik niet onbegrijpelijk. Het is immers duidelijk dat het gaat om een vergissing, het is ook duidelijk wat er eigenlijk had moeten staan en de verdediging is door het inlezen van het woord ‘opzettelijk’ ook niet in zijn verdediging geschaad. Over de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging kan in onderhavige zaak geen twijfel bestaan. Uit de bewoordingen van de tenlastelegging en de daaronder vermelde wettelijke voorschriften3 kan worden afgeleid dat de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde uitlokking is toegesneden op art. 49, aanhef en onder 2ᵒ, Sr BES op grond waarvan als dader van een strafbaar feit worden gestraft: zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.

Uit de gedingstukken volgt verder dat:

- het de toenmalige raadsman van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg duidelijk was wat de verdachte onder 1 en 2 subsidiair werd verweten;4

- het Gerecht in Eerste Aanleg het ontbreken van “opzettelijk” in de tenlastelegging ook al als een kennelijke omissie heeft beschouwd en heeft overwogen dat de verdachte door een verbeterde lezing op dit punt niet in zijn verdediging wordt geschaad omdat voor hem duidelijk is voor welke feiten hij terechtstaat;5

- de procureur-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd dat de verdachte de moorden opzettelijk heeft uitgelokt en daarbij heeft verwezen naar art. 49, aanhef en onder 2ᵒ, Sr BES6 en;

- bij de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep blijkens het gevoerde verweer ook geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen de verdachte onder 1 en 2 subsidiair werd verweten.7

7.5. Het middel faalt.

8. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft aangemerkt als kennelijk leugenachtige verklaringen om de waarheid te bemantelen dat zij tezamen en in vereniging de bewezen verklaarde moorden hebben gepleegd. Het hof heeft de desbetreffende verklaringen – inhoudende dat de ontmoeting met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] enkel tot doel had met [slachtoffer 2] te praten of aan [slachtoffer 2] een kilo cocaïne over te dragen, dat deze ontmoeting onverwachts uit de hand is gelopen en dat daarbij plotseling door anderen is geschoten – volgens de steller van het middel ten onrechte mede redengevend geacht voor de bewezenverklaring.

8.1. Het hof heeft de door de steller van het middel bedoelde verklaringen weergegeven in de volgende overweging, die ik hier voor het lezersgemak opnieuw citeer:

“In het licht van het voorgaande acht het Hof de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], inhoudende dat de ontmoeting - die volgens hen enkel tot doel had met [slachtoffer 2] te praten, respectievelijk aan [slachtoffer 2] een kilo cocaïne over te dragen - onverwachts uit de hand is gelopen waarbij plotseling (door anderen) is geschoten ongeloofwaardig, nog daargelaten dat hun verklaringen op essentiële punten niet met elkaar te verenigen zijn. Naar het oordeel van het Hof hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] met het afleggen van deze verklaringen slechts getracht te verhullen wat de werkelijke bedoeling van de opgedragen ontmoeting was, om daarmee te maskeren wat hun aandeel is geweest in het verloop ervan. Het Hof schuift deze verklaringen dan ook als ongeloofwaardig terzijde.”

8.2. De steller van het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat aan een leugenachtige verklaring van een medeverdachte geen redengevende kracht kan worden toegekend.8 De klacht dat het hof de in het middel bedoelde verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voor de bewezenverklaring heeft gebruikt als kennelijk leugenachtige verklaringen om de waarheid te bemantelen dat zij tezamen en in vereniging de bewezen verklaarde moorden hebben gepleegd, berust echter op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en mist daardoor feitelijke grondslag. In de eerste plaats heeft het hof die verklaringen niet in de bestreden uitspraak opgenomen onder het kopje “Bewijsmiddelen”. In de tweede plaats spreekt het hof in zijn overwegingen ook niet van kennelijk leugenachtige verklaringen, maar van ongeloofwaardige verklaringen. De door het hof gebruikte bewoordingen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] “met het afleggen van deze verklaringen slechts [hebben] getracht te verhullen wat de werkelijke bedoeling van de opgedragen ontmoeting was, om daarmee te maskeren wat hun aandeel is geweest in het verloop ervan” vertonen weliswaar enige gelijkenis met de bewoordingen “afgelegd om de waarheid te bemantelen”, zoals die in voorkomende gevallen worden gebruikt bij het tot het bewijs bezigen van kennelijk leugenachtige verklaringen van een verdachte,9 maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het hof de desbetreffende verklaringen als kennelijk leugenachtig tot het bewijs heeft gebezigd. Het hof heeft immers overwogen dat het die verklaringen als ongeloofwaardig terzijde schuift. Daarmee heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht dat het geen geloof hecht aan de in het middel bedoelde verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], zonder die verklaringen als kennelijk leugenachtig voor het bewijs te gebruiken.10 Hieraan doet niet af dat het hof in zijn daaropvolgende overwegingen tweemaal in algemene zin refereert aan “voornoemde feiten en omstandigheden” die het redengevend acht voor het bewijs van de voorbedachte raad bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] respectievelijk het opzet van de verdachte. Het is niet aannemelijk dat het hof hierbij het oog heeft gehad op de door het hof als ongeloofwaardig aangemerkte verklaringen van de beide medeverdachten. Daarbij moet worden bedacht dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden – hier de inhoud van de verklaringen van de medeverdachten – weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat en waarom daaraan moet worden voorbijgegaan.11

8.3. Het middel faalt.

9. Het derde middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] opzettelijk heeft uitgelokt om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het bewijs van het door het hof aangenomen voorwaardelijk opzet van de verdachte op de uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] schiet volgens de steller van het middel tekort, aangezien de enkele omstandigheid dat de verdachte wist dat [slachtoffer 1] ook bij de ontmoeting aanwezig zou zijn, niet betekent dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ook [slachtoffer 1] om het leven zouden brengen, terwijl ook niet blijkt dat de verdachte die kans welbewust heeft aanvaard.

9.1. De bewezenverklaring ten aanzien van het voorwaardelijk opzet op de (uitlokking van de) moord op [slachtoffer 1] steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen (de verdachte wordt hierin aangeduid als [verdachte]):

“43. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] , opgenomen in VD 2-15, p. 7 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft me in januari 2014 drie kilo cocaïne gegeven. Ik moest [verdachte] 7000 usd betalen per kilo cocaïne. [verdachte] vroeg aan mij hoe ik zou gaan betalen als ik de drugs kwijt zou raken. Kom je in de drugswereld je afspraken niet na, dan betaal je met je leven zei hij me. [medeverdachte 1] wist van de drie kilo cocaïne af, ik doe niks zonder overleg met hem. [medeverdachte 1] zou op pad gaan om te kijken of er mensen waren die de cocaïne wilden afnemen van ons. [medeverdachte 1] had een afspraak met [slachtoffer 1] , die wilde cocaïne van ons afnemen en hij zou ook cocaïne voor ons kunnen verkopen. Ik heb 800 gram cocaïne aan [slachtoffer 1] gegeven. Ik had op dat moment nog niets aan [verdachte] betaald. [slachtoffer 1] vertelde mij dat er een probleem was ontstaan doordat [slachtoffer 2] een deal had gemaakt die niet goed was gelopen. De drugs was verdwenen of afgepakt. [slachtoffer 2] had de deal laten mislukken. [medeverdachte 1] was ook op de hoogte van dit probleem. Ik heb [verdachte] op 23 januari 2014 op de hoogte gesteld van het probleem en dat het om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ging. Toen [verdachte] de naam [slachtoffer 2] hoorde werd hij razend. Toen begon [verdachte] mij te bedreigen met de dood. Hij zei dat ik de prijs ervoor zou betalen. Hij noemde mij een verrader. Hij zei dat ik zaken deed met zijn vijand. Hij zei mij dat er vandaag wat zou gaan gebeuren. Hij zei tegen mij dat hij mijn kop of die van [slachtoffer 2] eraf ging trekken. [slachtoffer 2] vertelde mij die dag dat hij geript was en niet kon betalen. [medeverdachte 1] zat bij dit gesprek. Die middag heb ik nog een ontmoeting gehad met [verdachte]. Ik moest hem volgen en naar de achterzijde van een woning gaan. [verdachte] begon mij te bedreigen. [verdachte] zei tegen mij dat ik er voor moest zorgen dat de ontmoeting die avond plaats zou vinden. Ik heb zowel telefonisch contact gehad met [slachtoffer 2] als met [verdachte]. Daarna zijn [medeverdachte 1] en ik naar Terras 2001 gegaan om [verdachte] te ontmoeten.

44. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] , opgenomen in VD 2-16, p. 3 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte 1] en ik hadden het erover gehad dat we iets mee moesten nemen. [medeverdachte 1] pakte een messenfoedraal uit de keuken. Ik pakte daar een mes uit. Het is hetzelfde mes dat jullie mij eerder hebben getoond met het bloed van [slachtoffer 1] erop. [medeverdachte 1] en ik zijn naar Terras 2001 gereden. Daar sprak ik [verdachte]. Ik heb hem gezegd dat ik de jongens zou gaan bellen, ik bedoelde [slachtoffer 2]. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een plekje zou brengen waar niet zoveel mensen zouden zijn. Het probleem is begonnen toen de drugs bij [slachtoffer 1] zijn beland. Het ging om 800 gram cocaïne. Het probleem is groter geworden toen [verdachte] er achter kwam dat ik indirect drugs aan het handelen was met een persoon, die een grote vijand van hem was. En dat [verdachte] hem wilde doden. Dit zeg ik, want op de wijze waarop [verdachte] over het probleem sprak en de manier waarop hij op het probleem reageerde, maakte ik op dat dit zijn bedoeling was. Als ik niet had meegewerkt aan de ontmoeting, dan was ik denk ik vermoord door [verdachte]. En ik denk dat [verdachte] dan evengoed naar [slachtoffer 2] toe was gegaan, want hij was woedend toen hij vernam dat [slachtoffer 2] bij het probleem betrokken was.”

9.2. Blijkens de hiervoor onder 6 weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof geoordeeld dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] medeplegen van moord op [slachtoffer 2]. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Het hof heeft vervolgens ten aanzien van de moord op [slachtoffer 1] het navolgende overwogen, waarbij het hof met bewijsmiddel 45 kennelijk bewijsmiddel 44 bedoelt:

“Verder volgt uit bewijsmiddel 45 dat [medeverdachte 3] tegen de verdachte heeft gezegd dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een plekje zou brengen waar niet zo veel mensen zouden zijn. Nu het oogmerk was om [slachtoffer 2] te vermoorden en de kans aanmerkelijk is te achten dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] niet zouden willen dat er een getuige van de moord zou zijn, moet worden aangenomen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ook [slachtoffer 1] zouden vermoorden, daartoe aangezet door de bedreigingen van de verdachte, zodat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] .”

9.3. In dit verband wil ik ook nog wijzen op de volgende passage uit de strafmotivering van het hof:

“De verdachte heeft twee medeverdachten opzettelijk uitgelokt tot het begaan van twee moorden en zich daarmee schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft een van de slachtoffers uit de weg willen ruimen, maar heeft daar zijn eigen handen niet aan vuil willen maken. De verdachte heeft vervolgens twee, in de drugswereld aan hem ondergeschikte, medeverdachten de opdracht gegeven deze moord te plegen door hen met de dood te bedreigen. De verdachte moet daarmee als de initiator van deze moord worden beschouwd.

De verdachte moet eveneens worden beschouwd als de initiator van de tweede moord, de moord op degene die bij het eerste slachtoffer was. Hij was ervan op de hoogte dat het tweede slachtoffer met het eerste slachtoffer mee zou gaan naar de ontmoeting met zijn medeverdachten en dat deze ontmoeting, op een afgelegen plek midden in de nacht, door zijn medeverdachten was georganiseerd om het eerste slachtoffer, daartoe aangezet door de verdachte, te vermoorden. Desondanks heeft de verdachte de ontmoeting door laten gaan. Hiermee heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachten, daartoe aangezet door de verdachte, ook dit slachtoffer zouden vermoorden.”

9.4. De vraag die bij dit middel centraal staat is of de wetenschap van de verdachte, dat [slachtoffer 1] bij de ontmoeting zou zijn waarbij [slachtoffer 2] zou worden vermoord, voldoende is voor de aanname van het hof dat hij (ook) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] . Bij uitlokking van een strafbaar feit geldt het vereiste dat het opzet van de uitlokker mede gericht moet zijn op het specifieke uitgelokte feit. Dat volgt uit het – met art. 47 Sr corresponderende12 – art. 49 Sr BES.13 Als het ten aanzien van dat feit uiteindelijk iets anders loopt dan de uitlokker heeft beoogd, dan is dat niet zo’n probleem voor het aannemen van opzet van de uitlokker, zeker niet als het gaat om niet-essentiële punten, bijvoorbeeld als de uitvoering anders is geweest dan afgesproken, als het (voorwaardelijk) opzet van de uitlokker maar gericht is geweest op de kern van de bestanddelen van het misdrijf.14 Dat het de verdachte in onderhavige zaak ging om het om het leven brengen van [slachtoffer 2], is overduidelijk. Maar of hij daarmee ook voorwaardelijk opzet heeft gehad op het laten ombrengen van [slachtoffer 1] omdat hij, naar het hof heeft vastgesteld, wist dat [slachtoffer 2] samen met [slachtoffer 1] naar de plek zou komen waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] van plan waren om [slachtoffer 2] om het leven te brengen is niet helemaal vanzelfsprekend. Het gaat hierbij immers niet alleen om het ombrengen van [slachtoffer 2], maar om het plegen van nóg een moord en dus het doden met voorbedachte rade van [slachtoffer 1] , waartoe volgens het hof de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad deze uit te lokken. Ik heb dan ook getwijfeld of het hof uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wist dat ook [slachtoffer 1] ter plekke zou zijn, het voorwaardelijk opzet van de verdachte op uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] kon afleiden. Uiteindelijk kom ik tot de conclusie dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dus in cassatie stand kan houden. Daarbij heb ik als volgt geredeneerd.

9.5. Het uitgangspunt is dat strafbare uitlokking dubbel opzet vereist: opzet op de uitlokkingshandeling en opzet op het gronddelict.15 Voorwaardelijk opzet volstaat.16 Aangenomen wordt wel dat het opzet van de uitlokker op het gronddelict in zekere zin een “eigen kleur” heeft. De Hullu wijst er in dit verband op dat de uitlokker kiest voor een teruggetrokken positie en het begaan van het strafbare feit aan anderen overlaat.17 Of zoals mijn ambtgenoot Harteveld stelt: aan een dader die zich op afstand bevindt, is inherent dat de daadwerkelijke uitvoerders naar gelang de zaak zich ontwikkelt bepaalde, voor de verdere uitvoering noodzakelijke acties zullen ondernemen. Voor zover die acties vallen binnen wat naar algemene ervaringsregels te verwachten valt in het kader van de “criminele onderneming”, zullen die aan het opzet van de deelnemer kunnen worden toegerekend.18 Zo heeft Knigge betoogd dat meer in het algemeen geldt dat wie anderen voor zijn criminele karretje spant, een zeker risico neemt omdat hij de zaak niet meer in eigen hand heeft. Aan het uit handen geven van de zaak is tot op zekere hoogte inherent dat de uitgelokte naar eigen inzichten handelt en anders te werk gaat dan de uitlokker wellicht zelf zou hebben gedaan.19

9.6. In voormelde gevallen gaat het echter steeds om iets dat tijdens de uitvoering van het delict gebeurt en wat de uitlokker tevoren niet geweten heeft. Het hof heeft echter in onderhavige zaak aangenomen dat de verdachte door zijn wetenschap dat [slachtoffer 1] bij de ontmoeting zou zijn, voorafgaand aan de twee moorden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook [slachtoffer 1] om het leven zou worden gebracht, terwijl bovendien uit alle overige bewijsmiddelen blijkt dat het de verdachte (uitsluitend) om [slachtoffer 2] te doen was.

9.7. Een zaak als de onderhavige, waarbij het plan is opgevat om een bepaald slachtoffer te doden en waarbij een ander, die met het beoogde slachtoffer ter plekke verschijnt, ook van het leven wordt beroofd, ben ik wat de deelnemingsvorm uitlokking betreft in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet tegengekomen. Wel een min of meer vergelijkbare casus waarbij het om het medeplegen van doodslag ging. In HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, NJ 2004/103 wilden de verdachte en zijn drie mededaders een man genaamd [A] doden, die zij daartoe bij de uitgang van een snookercentrum opwachtten. Het beoogde slachtoffer kwam echter niet alleen naar buiten, maar samen met een man genaamd [B]. Vervolgens werd ook deze [B] van het leven beroofd. De bewijsmiddelen hielden niet in dat de verdachte aan de doodslag op [B] actief had bijgedragen. De veroordeling van de verdachte wegens medeplegen van deze doodslag hield echter in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van een klacht over het bewijs van het opzet van de verdachte het volgende:

“3.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld:

a) dat de verdachte en zijn drie mededaders het plan hebben opgevat om [A] van het leven te beroven;

b) dat zij zich daartoe in de late avond of de nacht van 13 op 14 augustus 1997 naar een snookercentrum hebben begeven waar die [A] geregeld kwam en waar deze ook toen was en dat zij daar hebben gewacht tot [A] naar buiten zou komen;

c) dat een van verdachtes mededaders was gewapend met een geladen pistool en dat alle betrokkenen een mes bij zich hadden;

d) dat men met zijn vieren was gekomen om de vlucht van [A] te voorkomen;

e) dat toen vervolgens [A] naar buiten kwam in gezelschap van [B], verdachtes mededader eerst op [A] en vervolgens op [B] heeft geschoten die van de door [A] bereden fiets afvielen;

f) dat [B] heeft getracht te vluchten, doch deze is gevallen waarna hij door een van verdachtes mededaders, meermalen met een mes is gestoken;

e) dat de verdachte en een van zijn mededaders zodanig positie hadden gekozen dat de twee mannen niet konden wegvluchten.

3.5. 's Hofs klaarblijkelijke oordeel dat verdachtes opzet in elk geval in voorwaardelijke zin ook gericht was op de dood van [B], is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de betrokkenen, die allen gewapend waren, genoemde [A] bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hebben opgewacht en dat de verdachte, toen [A] in gezelschap van een ander, [B], naar buiten kwam zijn rol is blijven vervullen, ook toen [B] probeerde te vluchten en toen, nadat zulks was mislukt, deze door een van verdachtes mededaders meermalen met een mes werd gestoken.”

9.8. Mijn ambtgenoot Knigge heeft over deze zaak opgemerkt dat men zou kunnen zeggen dat het, bezien vanuit het oorspronkelijke plan, “logisch” was dat ook het tweede slachtoffer werd vermoord. Om hun oorspronkelijke doel ongestraft te bereiken, moesten de daders de ongewenste getuige ook wel uit de weg ruimen.20 De grondslag voor de aansprakelijkheid voor de dood van het tweede slachtoffer zou daarbij volgens Knigge niet zozeer gezocht moeten worden in de omstandigheid dat de verdachte in die zaak zijn rol is blijven vervullen, maar veeleer in het feit dat hij zich aan de criminele onderneming heeft gecommitteerd.21 Knigge is waar het gaat om het opzet van de deelnemer een voorstander van het uitgangspunt van redelijke toerekening terwijl De Hullu meer op de lijn zit dat het opzetvereiste dient te zijn gekoppeld aan het grondfeit. Doordat ook voorwaardelijk opzet op het grondfeit mogelijk is, zal het uiteindelijke resultaat, of nu uitgegaan wordt van de redelijke toerekening of van het aan het grondfeit gekoppelde opzetvereiste, qua strafrechtelijke aansprakelijkheid niet zoveel uitmaken.22

9.9. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 9.4 - 9.5 en 9.8 is opgemerkt, vind ik het verdedigbaar dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de levensberoving van [slachtoffer 1] . Het hof heeft immers vastgesteld en geoordeeld dat:

- het oogmerk van de verdachte was gericht op het door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] medeplegen van moord op [slachtoffer 2], waaruit volgt dat de verdachte zich heeft gecommitteerd aan deze door hemzelf geïnitieerde criminele onderneming, waarbij hij – in de woorden van het hof in de strafmotivering – zijn eigen handen niet vuil heeft willen maken;

- [medeverdachte 3] tegen de verdachte heeft gezegd dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een plek zou brengen waar niet veel mensen zijn;

- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], die waren gewapend met een mes en een revolver, tegen de verdachte hebben gezegd dat hij alles verder in hun handen moest laten die avond.

9.10. Met name vanwege het feit dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar een afgelegen plek werden gelokt, meen ik dat de overweging van het hof dat de kans aanmerkelijk was dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] niet zouden willen dat er een getuige van de moord op [slachtoffer 2] zou zijn en dat de kans dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ook [slachtoffer 1] om het leven zouden brengen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was, niet onbegrijpelijk is.

9.11. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het hof verder kunnen afleiden dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Daarbij betrek ik de omstandigheid dat [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] was betrokken bij het verloren gaan van de partij cocaïne, dat de verdachte dit wist en dat dit incident de directe aanleiding vormde voor de door de verdachte geïnitieerde moord op [slachtoffer 2]. De als bewijsmiddelen 43 en 44 gebezigde verklaringen van [medeverdachte 3] houden in dat het probleem is begonnen toen de drugs bij [slachtoffer 1] zijn beland en dat [medeverdachte 3] de verdachte op de hoogte heeft gesteld dat het bij de afnemers van de verloren gegane drugs om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ging en dat de verdachte heeft gezegd dat, als je in de drugswereld je afspraken niet nakomt, je met je leven betaalt.

9.12. Hoewel het mijns inziens hier gaat om een grensgeval en het hof zijn oordeel uitvoeriger had kunnen motiveren, neem ik toch de stelling in dat het middel faalt.

10. De middelen falen. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik laat in het citaat de voetnoten weg.

2 Vgl. HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494, m.nt. Reijntjes.

3 De ter terechtzitting van 3 juni 2015 door het Gerecht in Eerste Aanleg toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging vermeldt “(artikel 302 subs 300 jo 49 van het Wetboek van Strafrecht BES)” onder het 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde.

4 Zie p. 21-22 van de pleitnotities ter terechtzitting van 30 juni 2015.

5 Zie p. 25-26 van het vonnis van 21 juli 2015.

6 Zie de laatste twee ongenummerde pagina’s van het schriftelijke requisitoir ter terechtzitting van 11 en 12 juli 2016.

7 Zie p. 29-30 van de pleitnotities ter terechtzitting van 11 en 12 juli 2016.

8 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 5.2.

9 Zie bijvoorbeeld HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, rov. 6.2.

10 Vgl. HR 21 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0832, rov. 2.3. Zie voorts de conclusies van mijn ambtgenoten Hofstee (onder 11) voorafgaand aan HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:823 (81 RO) en Bleichrodt (onder 8-9) voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1398 (81 RO).

11 HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182, NJ 2008/612, rov. 2.6.

12 Daarom zoek ik hierna aansluiting bij de literatuur en jurisprudentie over art. 47 Sr.

13 Dat luidt: “Als dader van een strafbaar feit worden gestraft: 1°. (…) 2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.”

14 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 481-482.

15 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 443 en 480.

16 Bijvoorbeeld HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0148, NJ 1997/654. Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 34 op art. 47 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse t/m 17 juli 2017): “Wanneer dus tot moord van A is aangezet, en er wordt op A een geweer aangelegd maar B wordt getroffen, dan is de intellectuele dader niet aansprakelijk. Voor de dood van B kan ook de uitlokker echter aansprakelijk zijn, mits de uitlokker ook ten aanzien van de dood van B voorwaardelijk opzet mocht hebben gehad.”

17 J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 481.

18 Conclusie van Harteveld (onder 3.6) voorafgaand aan HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:648 (81 RO).

19 G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in: Glijdende schalen (Liber amicorum De Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 305.

20 Conclusie van Knigge (onder 6.8 en 6.9) voorafgaand aan HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581, NJ 2017/301, m.nt. Rozemond.

21 Conclusie van Knigge (onder 3.18 en 3.19) voorafgaand aan HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514, m.nt. Mevis.

22 G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in: Glijdende schalen (Liber amicorum De Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 304-307. Zie in dit verband ook A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen, Nijmegen 2014, p. 95-105; J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 443-447.