Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:123

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
16/03014
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:377, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan bevoegd opzicht van 16-jarig onder toezicht gesteld meisje door 25-jarige verdachte (art. 279.1 Sr) en aan de nasporing van politieambtenaren onttrekken van dat minderjarige meisje (art. 280.1 Sr). Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan verzoek tot opnieuw horen van aangeefster ttz. in h.b., nadat zij in e.a. reeds bij RC was gehoord. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03014

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 10 december 2014 de verdachte in de zaak met parketnummer 18/730226-13 wegens 1. “opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent” en 2. “het aan de nasporing van de ambtenaren van politie onttrekken van een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent” en in de zaak met parketnummer 18/730706-13 wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in de zaak met parketnummer 18/730226-13 - kort gezegd - om het volgende. De toentertijd zestienjarige [betrokkene 1] , die door de rechter onder toezicht was gesteld met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdijinstelling, verbleef sinds 5 december 2012 in een opvanghuis van de instelling “Fier Fryslân”. Op 16 februari 2013 heeft de toentertijd 25-jarige verdachte [betrokkene 1] , die nadat zij bij ene [betrokkene 2] was geweest niet meer terug durfde naar “Fier Fryslân”, meegenomen naar zijn kamer in een woning in Leeuwarden. Vervolgens heeft de verdachte het minderjarige meisje meer dan drie weken onderdak geboden, terwijl hij wist dat zij door de politie en door “Fier Fryslân” werd gezocht. [betrokkene 1] kon niet weg bij de verdachte, aangezien hij de deur van de kamer waarin zij verbleef op slot deed als hij weg ging. Op 12 maart 2013 kwam de politie bij de verdachte aan de deur. De verdachte heeft toen aanvankelijk niet open gedaan en later heeft hij tegenover de politie ontkend dat hij wist waar [betrokkene 1] verbleef. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor de onttrekking van de minderjarige [betrokkene 1] aan het bevoegde opzicht in de periode van 16 februari 2013 tot en met 12 maart 2013 (feit 1, art. 279, eerste lid, Sr) en voor het aan de nasporing van ambtenaren van politie onttrekken van het minderjarige meisje op 12 maart 2013 (feit 2, art. 280, eerste lid, Sr).

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 1] op de terechtzitting in hoger beroep als getuige te horen, heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

  5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De aangeefster [betrokkene 1] is op 13 maart 2013 door de politie als getuige (aangeefster) gehoord. Deze verklaring heeft het hof als bewijsmiddel 2.3 tot het bewijs gebezigd en houdt onder meer het volgende in. Op 16 februari 2013 werd [betrokkene 1] door de neef van ene [betrokkene 2] met de auto teruggebracht naar “Fier Fryslân”. Aldaar aangekomen durfde [betrokkene 1] uit angst voor een reactie van de begeleiding van die instelling niet meer terug te gaan naar “Fier Fryslân”. Zij is toen met de verdachte (“ [verdachte] ”), die ook in de auto zat, meegegaan naar zijn huis. Iedere keer als de verdachte wegging, deed hij de deur op slot. [betrokkene 1] kon en durfde niet weg te gaan bij de verdachte.

(ii) Bij faxbericht van 10 april 2013 heeft de raadsman van de verdachte aan de rechter-commissaris verzocht om [betrokkene 1] als getuige te horen, aangezien de verdachte haar verklaring op belangrijke onderdelen betwist en het horen van deze getuige van belang is voor de toetsing van haar betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 22 april 2013 toegewezen.

(iii) Op 16 september 2013 is [betrokkene 1] , in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte, als getuige gehoord door de rechter-commissaris. De raadsman is daarbij in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan de getuige en heeft ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het hof heeft deze verklaring als bewijsmiddel 2.4 voor het bewijs gebruikt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij de bewuste dag niet durfde terug te keren naar “Fier Fryslân”, omdat zij bang was voor de leiding van die instelling, en dat ze vervolgens naar de kamer van de verdachte zijn gereden, waar de politie haar later heeft gevonden.

(iv) De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij vonnis van 14 februari 2014 de verdachte (op tegenspraak) veroordeeld. De rechtbank heeft alleen de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] tot het bewijs gebezigd. Namens de verdachte is op 27 februari 2014 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

(v) De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 13 maart 2014 verzocht de aangeefster [betrokkene 1] als getuige te horen in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van haar, door de rechtbank voor het bewijs gebruikte, verklaring.

(vi) In reactie op het verzoek in de appelschriftuur heeft de advocaat-generaal bij het hof bij brief van 25 april 2014, gericht aan de raadsman van de verdachte, meegedeeld dat hij geen reden ziet om de aangeefster ter zitting als getuige te horen, aangezien de verdediging hierdoor niet in haar belangen wordt geschaad. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 januari 2014 heeft de verdachte de verklaring van de aangeefster grotendeels bevestigd. Het horen van de minderjarige aangeefster ter terechtzitting is bovendien onwenselijk, omdat zij een kwetsbare persoon is, aldus de advocaat-generaal.

(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2014 heeft de raadsman van de verdachte het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen gehandhaafd en dit verzoek als volgt nader onderbouwd. Ondanks het feit dat [betrokkene 1] ook bij de rechter-commissaris is gehoord, is het belangrijk om haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen. [betrokkene 1] wordt in juli 2014 achttien jaar. De eigen waarneming van het hof is belangrijk, juist omdat [betrokkene 1] kwetsbaar is. Aan [betrokkene 1] dient te worden gevraagd of zij een andere keuze had, of de verdachte een beslissende invloed op haar keuze heeft gehad en waarom zij niet terug durfde te gaan naar “Fier Fryslân”.

(viii) Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2014 afgewezen op de grond dat de noodzaak tot het horen van de getuige (ook ambtshalve) niet is gebleken. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het verzoek dient te worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium, aangezien [betrokkene 1] op 16 september 2013 ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige is gehoord. Door de verdediging zijn geen nieuwe omstandigheden aangevoerd die een nader verhoor rechtvaardigen.

(ix) De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014. Op die terechtzitting heeft de (gemachtigde) raadsman van de (niet verschenen) verdachte het getuigenverzoek niet herhaald. Vervolgens heeft het hof op 10 december 2014 uitspraak gedaan.

6. In een geval als het onderhavige, waarin de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, mag van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van een getuige.1 Bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 heeft de raadsman het verzoek tot het horen van de [betrokkene 1] als getuige niet herhaald, terwijl evenmin bezwaren zijn aangevoerd tegen de (motivering van de) afwijzing van het verzoek door het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2014. De steller van het middel betoogt dat in redelijkheid van een raadsman niet kan worden gevergd dat hij verzoeken waarop al is beslist blijft herhalen. De Hoge Raad volgt evenwel een andere koers dan de steller van het middel voorstaat, terwijl ik in de schriftuur geen bijzondere omstandigheid kan lezen die noopt tot afwijking van deze koers. Reeds daarop strandt het middel.2

7. Ook op inhoudelijke gronden lijdt het middel schipbreuk. Ik wijs daartoe op het volgende.

8. Bij tijdig ingediende appelschriftuur van 13 maart 2014 heeft de raadsman van de verdachte verzocht om de aangeefster [betrokkene 1] als getuige te horen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2014 heeft de raadsman dit verzoek gehandhaafd. In aanmerking genomen dat de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en [betrokkene 1] voorafgaande aan de terechtzittingen in eerste aanleg van 19 september 2013 en 31 januari 2014 op 16 september 2013 door de rechter-commissaris als getuige is gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van het verzoek ingevolge art. 418, tweede lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.3

9. Zoals hiervoor onder 5 sub viii is weergegeven, heeft het hof het getuigenverzoek afgewezen op de grond dat de noodzaak tot het horen van de getuige (ook ambtshalve) niet is gebleken, aangezien [betrokkene 1] door de rechter-commissaris als getuige is gehoord en door de verdediging geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die een nader verhoor rechtvaardigen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.

10. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot het nader horen van [betrokkene 1] als getuige slechts aangevoerd dat het belangrijk is om haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen, dat [betrokkene 1] binnenkort achttien jaar wordt en dat de eigen waarneming van het hof belangrijk is, juist omdat [betrokkene 1] kwetsbaar is. [betrokkene 1] is bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van de verdachte (een kantoorgenoot van de raadsman van de verdachte in hoger beroep) als getuige gehoord. De raadsman is bij dat verhoor in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen en heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 januari 2014 afgelegde verklaring van de verdachte komt in grote lijnen overeen met de bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] . De raadsman heeft niet aangevoerd welke onderdelen van de verklaringen van de aangeefster niet juist zouden zijn.

11. Voorts is het verzoek kennelijk gedaan in het kader van het door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 gevoerde tot vrijspraak strekkende verweer, inhoudende dat de verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op het onttrekken aan het gezag door [betrokkene 1] . Het hof heeft dit verweer in de bestreden uitspraak onder “overwegingen met betrekking tot het bewijs” op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen.4 Bij die verwerping heeft het hof onder meer betrokken dat het hof de verklaringen van [betrokkene 1] geloofwaardig en betrouwbaar acht, aangezien zij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris op vergelijkbare wijze heeft verklaard over de aanleiding om mee te gaan naar de woning van de verdachte. Deze lezing weerspreekt hetgeen de raadsman aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd, aldus het hof. Vervolgens heeft het hof de bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] als bewijsmiddelen 2.3 en 2.5 tot het bewijs gebezigd.5

12. Gelet op het voorgaande, geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het horen van de gevraagde getuige niet is gebleken, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen evenmin onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.6

13. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:12, NJ 2016/141 aangevoerd dat de motivering die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van het getuigenverzoek, inhoudende dat door de verdediging geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die een nader verhoor rechtvaardigen, onbegrijpelijk is.

14. In de door de steller van het middel aangehaalde zaak oordeelde de Hoge Raad dat de afwijzing van het verzoek om de aangeefster als getuige te horen, niet zonder meer begrijpelijk was. Het desbetreffende oordeel van de Hoge Raad steunde echter niet slechts op de omstandigheid dat het hof het verzoek had afgewezen op de grond dat er niets nieuws was opgeworpen ten opzichte van de eerdere keer dat het verzoek was gedaan en dat het verzoek ertoe strekte de verklaringen van de aangeefster op haar betrouwbaarheid te toetsen. De Hoge Raad nam bij zijn oordeel immers ook in aanmerking dat de aangeefster bij de rechter-commissaris haar bij de politie afgelegde verklaringen had ingetrokken, dat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken, dat de advocaat-generaal bij het hof het horen van de aangeefster noodzakelijk achtte en dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steunde op de ingetrokken aangifte van de aangeefster. Deze omstandigheden doen zich in de onderhavige zaak niet voor. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, kan uit de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] niet worden afgeleid dat de aangeefster is teruggekomen van haar eerder bij de politie afgelegde verklaring. [betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat onderdelen van de verklaringen van de verdachte niet juist zijn en dat een onderdeel van de verklaring van [betrokkene 3] niet klopt. Zij heeft evenwel niet verklaard dat haar eigen bij de politie afgelegde verklaring niet juist zou zijn.

15. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat [betrokkene 1] bij haar verhoor door de rechter-commissaris niet als getuige is beëdigd. Ingevolge art. 215 Sv, in verbinding met art. 216 Sv, is het uitgangspunt van de wetgever dat een getuige bij het verhoor door de rechter-commissaris niet wordt beëdigd.7 Zoals blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] door de rechter-commissaris, heeft zij bij aanvang van het verhoor wel verklaard dat zij naar waarheid zal verklaren.

16. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, brengt de enkele stelling dat “door het EHRM aan een cross-examination voor een zittingsrechter grote waarde wordt toegekend”, niet mee dat een getuigenverhoor dat niet ter terechtzitting heeft plaatsgevonden voor de zittingsrechter herhaald dient te worden. De rechtspraak van het EHRM is in dit opzicht niet zo eenduidig als de steller van het middel doet voorkomen. De Wilde merkt in dit verband op dat het EHRM onder een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid niet in alle gevallen slechts een ondervraging ter zitting verstaat.8

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in de zaak met parketnummer 18/730226-13 ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een onderdeel van een verklaring van [betrokkene 1] , omdat dit onderdeel niet redengevend kan worden geacht voor het bewijs dat de verdachte opzet heeft gehad op het bewezen verklaarde onttrekken aan het opzicht van degene die het gezag over [betrokkene 1] uitoefende.

19. Het middel doelt op de, als bewijsmiddel 2.3 voor het bewijs gebruikte, bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] van 13 maart 2013, voor zover inhoudende:

“V: Wanneer ben je bij Fier Fryslân geplaatst?

A: 5 december 2012.

V: Wat was de datum dat je bij [verdachte] in huis kwam?

A: 16 februari 2013.

V: Hoe kwam je daar terecht?

A: Ik was toen weer bij [betrokkene 2] en de neef van [betrokkene 2] zou me weer terugbrengen naar Fier. Er zaten nog twee andere jongens in de auto. Dat waren [verdachte] en een Russische jongen genaamd [betrokkene 4] of zo. Toen we bij Fier waren durfde ik niet uit te stappen omdat ik bang was voor de reactie van de begeleiding.

De begeleiding was al op zoek geweest naar mij en ik durfde niet meer terug naar Fier. Die rus zei toen dat ik wel met hem mee kon komen. Toen zei [verdachte] dat hij wel plek in zijn huis had en toen gingen we naar zijn huis toe.

V : Je hebt gisteren verteld datje niet weg kon uit zijn huis. Wat kun je daarover vertellen?

A: Elke keer als hij wegging deed hij de deur op slot en ik durfde zelf ook niet weg daar.

V: Kon jij van binnen de deur open maken als deze op slot was?

A: Nee, want hij sloot de deur af met een sleutel aan de buitenkant. Hij zei wel: ‘Je mag gaan als je wilt’, maar ik kon niet weg en ik durfde niet weg.

O: Verbalisanten laten een foto zien van de verdachte [verdachte] .

V: Is dit de persoon die jij bedoelt met ‘ [verdachte] ’?

A: Ja.”

20. Volgens de steller van het middel is de vaststelling van het hof in zijn nadere bewijsoverweging dat de verdachte door het afsluiten van de deur van de kamer waarin [betrokkene 1] verbleef beslissende invloed heeft gehad op de voortduring van de situatie onverenigbaar met de voornoemde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende dat zij mocht gaan als zij dat wilde.

21. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “overwegingen met betrekking tot het bewijs” in reactie op het subsidiair gevoerde, tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman van de verdachte het volgende overwogen:

“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van het in de zaak met parketnummer 18-730226-13 onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. (…) Indien het hof van oordeel is dat haar minderjarigheid wel kan worden bewezen, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte op het moment dat [betrokkene 1] zich onttrok aan het gezag van Fier Fryslân op 16 februari 2013, hierop geen beslissende invloed heeft gehad. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] zelf niet terug wilde naar Fier Fryslân. Verdachte heeft daar geen aandeel in gehad. Op het moment dat zij de beslissing nam om niet terug te gaan had zij verdachte nog niet eens ontmoet. Dat verdachte [betrokkene 1] onderdak heeft geboden is onvoldoende voor een bewezenverklaring ter zake van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht, zo heeft de raadsman aangevoerd.

(…)

Bij de beoordeling van het subsidiair gevoerde verweer gaat het hof uit van de verklaring van aangeefster. Het hof acht haar verklaring geloofwaardig en betrouwbaar. [betrokkene 1] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op 16 februari 2013 door [betrokkene 2] zou worden teruggebracht naar Fier Fryslân. Toen ze daar waren aangekomen durfde [betrokkene 1] echter niet uit te stappen, omdat ze bang was voor de reactie van de begeleiding. [betrokkene 4] , een vriend van verdachte die ook in de auto zat, zei vervolgens dat [betrokkene 1] wel met hen mee kon gaan en verdachte zei toen dat hij wel plek in zijn huis had. Hierop is [betrokkene 1] meegegaan naar verdachtes woning.

Het voorgaande weerspreekt hetgeen de raadsman aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd, te weten dat [betrokkene 1] verdachte nog niet eens had ontmoet toen zij de beslissing nam om niet terug te keren naar Fier Fryslân. Het hof is van oordeel dat verdachte gezien het voorgaande een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen [betrokkene 1] en het bevoegd opzicht (Fier Fryslân). Daarnaast merkt het hof op dat ook al zou verdachte op het moment van het al dan niet terugkeren naar Fier Fryslân geen beslissende invloed hebben gehad dit op zichzelf niet tot vrijspraak had geleid. Ook in het geval de minderjarige zelf het initiatief neemt zich te onttrekken aan het bevoegde gezag/opzicht, kan er ter zake van artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een veroordeling volgen indien de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de voortduring van die situatie. Door het afsluiten van de deur van de kamer waarin [betrokkene 1] verbleef, had verdachte in elk geval ook op het voortduren van de situatie een beslissende invloed. Dit is door de raadsman miskend.

Het verweer wordt verworpen.”

22. Bij de beoordeling van de in het middel bedoelde passage uit de verklaring van [betrokkene 1] dient haar volledige verklaring te worden betrokken. Zij heeft niet alleen verklaard dat de verdachte tegen haar had gezegd dat zij mocht gaan als zij dat wilde maar zij heeft daaraan toegevoegd dat zij niet kon weggaan en dat zij niet durfde weg te gaan. Deze volledige verklaring strookt met de, als bewijsmiddel 1 tot het bewijs gebezigde, op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte. De verdachte heeft aldaar verklaard dat hij de deur van de kamer, waarin [betrokkene 1] verbleef, op slot deed als hij wegging, zodat zij niet weg kon. Ook in zijn, als bewijsmiddel 2.4 voor het bewijs gebruikte, bij de politie afgelegde verklaring heeft de verdachte verklaard dat hij de deur op slot deed. Hieruit kan worden afgeleid dat het voor [betrokkene 1] feitelijk onmogelijk was om zelfstandig de kamer van de verdachte te verlaten, ook al zei de verdachte dat zij wel weg zou mogen gaan. Wanneer de in het middel bedoelde passage uit de verklaring van [betrokkene 1] in onderling verband en samenhang wordt beschouwd met haar volledige verklaring, kon het hof ook dit onderdeel van haar verklaring redengevend achten voor de bewezenverklaring van feit 1 in de zaak met parketnummer 18/730226-13. Aldus beschouwd is van de in het middel bedoelde tegenstrijdigheid geen sprake. Voorts acht ik de feitelijke vaststelling van het hof dat de verdachte door het afsluiten van de deur van de kamer waarin [betrokkene 1] verbleef een beslissende invloed heeft gehad op de voortduring van de situatie, in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel behelst de klacht dat het hof in de zaak met parketnummer 18/730226-13 ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, aangezien het hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte het minderjarige meisje heeft verborgen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken.

25. Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 18/730226-13 onder 2 ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Leeuwarden, opzettelijk een minderjarige te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1996) die onttrokken is of zich heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent (Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel) heeft verborgen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte

- voornoemde minderjarige in een kamer van een woning gelegen aan [de a-straat] vastgehouden/ondergebracht en/of

- toen de politie daar aan de deur kwam de deur niet open gedaan en/of

- tegenover de politie ontkend dat hij wist waar die [betrokkene 1] verbleef en/of

- niet tegen de politie gezegd dat die [betrokkene 1] in een kamer van de woning gelegen aan [de a-straat] verbleef.”

26. Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Leeuwarden, opzettelijk een minderjarige te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1996) die onttrokken is of zich heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, immers heeft verdachte

- voornoemde minderjarige in een kamer van een woning gelegen aan [de a-straat] vastgehouden/ondergebracht en

- toen de politie daar aan de deur kwam de deur niet open gedaan en

- tegenover de politie ontkend dat hij wist waar die [betrokkene 1] verbleef en

niet tegen de politie gezegd dat die [betrokkene 1] in een kamer van de woning gelesen aan [de a-straat] verbleef.”

27. Het hof heeft dit feit gekwalificeerd als “het aan de nasporing van de ambtenaren van politie onttrekken van een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent”. Voorts heeft het hof art. 280 Sr aangehaald onder de “toepasselijke wettelijke voorschriften”. In de strafmotivering heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte heeft ontkend dat hij wist waar [betrokkene 1] verbleef toen de politie bij hem daarnaar informeerde.

28. Gelet op de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit, het door het hof toegepaste wetsartikel en de overweging van het hof in zijn strafmotivering, moet worden aangenomen dat het hof ten gevolge van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring de woorden "aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken" niet heeft opgenomen. Daarbij wijs ik er nog op dat de rechtbank deze woorden in eerste aanleg wel in de bewezenverklaring heeft opgenomen.9 De Hoge Raad kan de bewezenverklaring van feit 2 in de zaak met parketnummer 18/730226-13 met herstel van deze misslag lezen. Deze verbeterde lezing brengt mee dat het middel feitelijke grondslag mist, zodat het niet tot cassatie kan leiden.10

29. Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

30. Namens de verdachte, die zich zowel ten tijde van het instellen van het cassatieberoep als ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie niet in voorlopige hechtenis bevond, is op 23 december 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 8 juni 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

31. Het vierde middel slaagt. De overige middelen falen, terwijl in elk geval het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.75.

2 Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450 m.nt. Borgers, rov. 2.5-2.7.

3 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.48 en HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.2.5.

4 Deze overwegingen zijn hierna onder 21 bij de bespreking van het tweede middel opgenomen.

5 Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8951, NJ 2012/84, rov. 2.

6 Vgl. voor het belang in cassatie van de vraag of de beslissing van het hof begrijpelijk is in het licht van (als waren het communicerende vaten) enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76. Vgl. voorts voor zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

7 Vgl. G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 387-388.

8 Zie B. de Wilde, Stille getuigen: Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (dissertatie Vrije Universiteit Amsterdam 2015), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 231. Nan is iets stelliger ten aanzien van de voorkeur van het EHRM voor het horen van getuigen op een openbare zitting, maar stelt ook dat een uitzondering bestaat in geval van kwetsbare getuigen. Vgl. J.S. Nan, Moderne onmiddellijkheid, onmiddellijkheid “light”’, in: Strafblad 2015, nr. 4, p. 331-341 (2015/47). Dat de getuige in dezen kwetsbaar is, is door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2014 als zodanig benadrukt.

9 De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat: “hij op 12 maart 2013 te Leeuwarden, opzettelijk een minderjarige te weten [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1996, die onttrokken is aan het wettig over haar gestelde gezag aan de nasporing van de ambtenaren van politie heeft onttrokken, (…).”

10 Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3667, rov. 4, HR 29 januari 2008, nr. 02814/06 (niet gepubliceerd), rov. 4, HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0220, NJ 2007/248, rov. 4 en HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4763, rov. 3.