Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/00835
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:376, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Verdachte heeft grote contante geldbedragen gestort op de bankrekening van zijn eigen B.V. (rechtspersoon X en diens rechtsopvolger rechtspersoon Y) en is daarvoor deels in persoon en deels als feitelijk leidinggever aan zijn B.V. veroordeeld.

1. “overdragen en omzetten”; 2. “verwerven en voorhanden hebben”.

Ad 1. Bewezen verklaard is o.m. dat rechtspersonen X en/of Y geldbedragen hebben “overgedragen en omgezet”, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Uit de bewijsvoering kan niet volgen dat rechtspersonen X of Y geldbedragen hebben “overgedragen”. Het Hof heeft de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte een groot aantal contante geldbedragen heeft gestort op een bankrekening van rechtspersonen X en Y is de bewezenverklaring v.zv. die betrekking heeft op het “omzetten” van die geldbedragen toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Bewezen verklaard is voorts dat rechtspersonen X en/of Y geldbedragen hebben “verworven en voorhanden gehad”, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Indien vaststaat dat het enkele “verwerven” of “voorhanden hebben” door verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd. Deze rechtsregel geldt slechts indien aannemelijk is dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt niet dat door of namens verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij verdachte hetzij rechtspersonen X en/of Y begaan misdrijf, terwijl uit de bewijsvoering van het Hof evenmin rechtstreeks voortvloeit dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij verdachte hetzij X en/of Y begaan grondmisdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen i.c. niet van toepassing zijn. Samenhang met 15/00832.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00835

Zitting: 17 januari 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens, onder 3, “witwassen, meermalen gepleegd” en “witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentachtig dagen.

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/00832 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel bevat een tweetal klachten over respectievelijk de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing van het hof.

4.1. Alvorens de klachten afzonderlijk te bespreken, geef ik hieronder de – voor de beoordeling van de klachten relevante – inhoud van het bestreden arrest weer.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij, in de periode van 14 december 2001 tot en met 18 december 2006, in Nederland, geld, te weten,

- een geldbedrag van in totaal 25.810 euro (in het jaar 2002) en

- een geldbedrag van in totaal 142.250 euro (in het jaar 2004) en

- een geldbedrag van in totaal 79.150 euro (in het jaar 2005)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

de rechtspersonen [A] BV en/of [medeverdachte], in de periode van 14 december 2001 tot en met 18 december 2006, in Nederland, geld, te weten,

- een geldbedrag van in totaal 4.000 gulden (in het jaar 2001) en

- een geldbedrag van in totaal 25.810 euro (in het jaar 2002) en

- een geldbedrag van in totaal 142.250 euro (in het jaar 2004) en

- een geldbedrag van in totaal 79.150 euro (in het jaar 2005)

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en omgezet, terwijl zij wist(en) dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, toen en aldaar feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.”

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt proces-verbaal van onderzoek in beslaggenomen goed d.d. 23 april 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077/2006, documentcode 0704231200.OIG, onderzoek Besar, deelonderzoek Witwassen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 41-42):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bij een door mij, verbalisant, ingesteld onderzoek naar de goederen die in beslag werden genomen in het kader van het onderzoek Besar, zag ik dat was geregistreerd: administratieve bescheiden, [A] 2000-2003.

Onder deze administratieve bescheiden bevonden zich onder meer 27 stortingsbewijzen van de ING-bank. Het betreft contante storingen verricht door [verdachte] ten gunste van rekeningnummer [001] ten name van [A] B.V..

Datum storting

Bedrag storting

Specificatie storting

20-12-2001

fl. 4.000,-

03 X fl. 1.000,-

Datum storting

Bedrag storting

Specificatie storting

27-02-2002

€ 3.500,-

11X € 200,-

02 X € 100,-

02 X € 50,-

50 X € 20,-

19-03-2002

€ 1.850,-

01 X € 500,-

04 X € 100,-

19 X € 50,-

18-04-2002

€ 6.000,-

80 X € 50,-

100 X € 20,-

21-05-2002

€ 1.200,-

23 X € 50,-

02 X € 20,-

01 X € 10,-

28-05-2002

€ 1.000,-

20 X € 50,-

19-06-2002

€ 2.000,-

01 X € 500,-

01 X € 200,-

01 X € 100,-

24 X € 50,-

08-07-2002

€ 2.280

10 X € 200,-

02 X € 100,-

01 X € 50,-

01 X € 20,-

01 X € 10,-

23-08-2002

€ 2.380

04 X € 500,-

01 X € 200,-

08 X € 20,-

02 X € 10,-

25-09-2002

€ 500,-

05 X € 100,-

22-10-2002

€ 2.000,-

03 X € 500,-

10 X € 50,-

12-11-2002

€ 600,-

01 X € 200,-

08 X € 50,-

20-12-2002

Totaal euro's

€ 2.500

€ 25.810,-

5 X € 500,-

2. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt zaaksproces-verbaal deelonderzoek "witwassen" d.d. 21 mei 2007 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077—2006, onderzoek Besar, Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12 van 24 - 15 van 24):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Omvang inbreng privé gelden in [medeverdachte].

Contante stortingen

In de gegevens van de Belastingdienst Rotterdam bleek dat [verdachte] in het jaar 2004 kasstortingen vanuit privé ten gunste van [medeverdachte] voor een totaalbedrag van € 142.250,- verrichte.

Het betreft de navolgende kasstortingen vanuit privé

 08 april 2004 € 20.000,00

 03 juni 2004 € 15.000,00

 25 juni 2004 € 15.000,00

 13 juli 2004 € 15.000,00

 07 september 2004 € 15.000,00

 16 september 2004 € 10.000,00

 29 september 2004 € 25.000,00

 01 november 2004 € 15.000,00

 17 november 2004 € 10.000,00

 01 december 2004 € 2.250,00

 Totaal € 142.250,00

Contante stortingen

Met betrekking tot Grootboek Bank over 2005 kon worden opgemaakt dat € 79.150,- werd gestort op de bankrekening [001] t.n.v. [medeverdachte].

3. Een geschrift, zijnde een document van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor Rotterdam, als bijlage C, voorlopige bevindingen boekenonderzoek [medeverdachte] d.d. 24 april 2006 gevoegd in het onderzoek Besar, deelonderzoek Witwassen. Het houdt onder meer in -, zakelijk weergegeven - (blz. 25):

Betreft "boekenonderzoek".

Blijkens de administratie zijn gedurende het jaar 2004 op de hieronder vermelde data door u kasstortingen verricht vanuit privé.

 08 april 2004 € 20.000,00

 03 juni 2004 € 15.000,00

 25 juni 2004 € 15.000,00

 13 juli 2004 € 15.000,00

 07 september 2004 € 15.000,00

 16 september 2004 € 10.000,00

 29 september 2004 € 25.000,00

 01 november 2004 € 15.000,00

 17 november 2004 € 10.000,00

 01 december 2004 € 2.250,00

 Totaal € 142.250,00

Tijdens het gesprek op 2 maart 2006 deelde [verdachte] mede dat het geld afkomstig is van verstrekte (contante) geldlening van USD 150.000,- uit Ecuador. Dit geld zou in een kluis bij de ING zijn gedeponeerd.

4. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 13 september 2006 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077/2006, documentcode 0609130900.FIN, met als bijlage een uittreksel van de Kamer van koophandel. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6-9):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Naar aanleiding - van een online bevraging van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende [medeverdachte] bleek het navolgende:

Naam: [medeverdachte]

Rechtsvorm: Besloten vennootschap

Akte laatste statutenwijziging: 10-06-2000

Enig aandeelhouder/bestuurder: [verdachte]

Titel: Directeur

Bevoegdheid: alleen/zelfstandig bevoegd

Oude statutaire namen:

Naam: [A] B.V.

Datum ingang: 14-03-2000

Datum einde: 10-06-2004

5. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 februari 2007 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077/2006, documentcode 0702121500.V09. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1-5) :

als de op 12 februari 2007 .afgelegde verklaring van de verdachte:

Wie vertegenwoordigt [medeverdachte]?

Ik.

Jij alleen?

Ja.

Wie treden er als verantwoordelijke namens [medeverdachte] naar buiten?

Ik alleen.

(...) Waarom ben je pas in 2004 met [medeverdachte] begonnen en niet eerder?

Ik was in die tijd nog directeur van [A] B.V..

6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 januari 2013, voor zover inhoudende:

U vraagt mij naar [A] B.V.. Dat was een B.V. waarvan ik directeur was. Het klopt dat ik toen een bijstandsuitkering had. [A] is overgegaan in [medeverdachte].

7. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt proces-verbaal van ambtshandeling met bijlagen d.d. 13 november 2006 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077/2006, documentcode 0611131300.FIN. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 458-465):

Bij de FIOD/ECD te Haarlem zijn de inkomensgegevens van [verdachte] opgevraagd. Hieruit bleek dat [verdachte] de navolgende bedragen aan loon/uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet had ontvangen:

Jaar Netto loon

2001 € 12.169,00

2002 € 12.697,00

2003 € 4.011,00

2004 € 9.090,00.

8. Een voor kopie conform origineel gewaarmerkt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1.2 februari 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 077/2006, documentcode 0702121.000.V09. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 153-160):

als de op 18 december 2006 afgelegde verklaring van de

verdachte:

Bij [medeverdachte] krijg ik 1.050, euro netto per maand aan salaris.”

4.4. In het bestreden arrest heeft het hof naar aanleiding van een door de raadsman gevoerd vrijspraakverweer het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman vrijspraak bepleit, nu volgens hem geen sprake is geweest van witwassen. De raadsman heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er een plausibele verklaring is voor de herkomst van een groot deel van de ten laste gelegde geldbedragen. Immers, de verdachte heeft verklaard dat hij een geldbedrag van 150.000 Amerikaanse dollars heeft geleend van de vader van [betrokkene] in Ecuador. Het Openbaar. Ministerie heeft onvoldoende onderzoek gedaan om deze verklaring van de verdachte te kunnen weerleggen. Voorts is volgens de raadsman niet onaannemelijk dat de verdachte eerder geld heeft ontvangen door verkoop van goederen en een erfenis en/of geleend geld van zijn vader.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Conform de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdediging heeft aangevoerd spreekt het hof de verdachte vrij van het witwassen van de opbrengsten van de teelt van hennep in Veenendaal en Rotterdam.

Uit de bewijsmiddelen in het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat in de jaren 2001 - 2005 diverse stortingen van grote contante geldbedragen op rekeningen van twee bedrijven plaatsvinden waarbij de verdachte betrokken is. Het gaat dan om stortingen ten bedrage van 4.000 gulden in 2001 en € 25.810,- in 2002 op de rekening van [A] B.V. en kasstortingen van in totaal € 142.250,- in 2004 en een storting in 2005 van € 79.150,- in contanten op de bankrekening van [medeverdachte]. Uit de bedrijfsadministratie volgt dat dit geld contant is gestort door de verdachte. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen kan de verdachte als feitelijk leidinggevende van [A] B.V. en, na de wijziging bij statuten van de naam van het bedrijf in [medeverdachte] in juni 2004, van laatstgenoemd bedrijf worden aangemerkt.

De verdachte heeft over grote geldbedragen beschikt en deze bedragen overgedragen aan [A] B.V. en [medeverdachte]. De transacties staan niet in verhouding tot de toenmalige inkomsten van de verdachte, die zichzelf destijds een deel van deze periode geringe inkomsten uit zijn bedrijf toeschreef en een deel van deze periode een bijstandsuitkering genoot. Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen en in dat licht bezien mag van de verdachte worden verwacht dat hij een aannemelijke verklaring geeft over de herkomst van het geld.

De verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag van € 142.250,- (verdachtes inbreng in [medeverdachte] in 2004) grotendeels te verklaren is vanuit een geldlening ten bedrage van 150.000 Amerikaanse dollars, welke lening hij is aangegaan met de vader van [betrokkene] in 2001, in Ecuador. De geleende dollars zou hij tot 2004 contant in een bankkluis hebben bewaard en vervolgens hebben gewisseld in euro's. Hij heeft sinds het aangaan van de lening geen contact meer met de geldverstrekker gehad, dan wel enig deel van het geleende geld afgelost. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte bij dit ingenomen standpunt blijft.

De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij geen concrete verklaring heeft voor het gegeven dat het totale bedrag dat in [A] B.V. en [medeverdachte] is ingebracht veel hoger is dan de door de verdachte opgegeven lening van Amerikaanse 150.000 dollars, anders dan de mededeling dat hij via [A] B.V. wel eens wat heeft geëxporteerd, wel eens een autootje heeft verkocht en een bedrag van € 20.000,- van zijn vader heeft geërfd. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer wist waar het bedrag van € 25.810,- vandaan kwam, die in 2002 in [A] B.V. is gestort.

Uit de mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat er ook thans geen nadere stukken voorhanden zijn van de beweerdelijke erfenis of lening van de vader of van de verkoop van auto's, althans, deze stukken zijn niet aan het hof overgelegd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat het Openbaar Ministerie onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte omtrent de lening die de verdachte zou zijn aangegaan in Ecuador.

Dit onderzoek heeft echter niet geleid tot enige concrete ondersteuning van de verklaring van de verdachte. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het door het Openbaar Ministerie gedane onderzoek als voldoende kan worden beschouwd. Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de lening' in Ecuador niet aannemelijk geworden. Het hof merkt daarbij op, dat zelfs indien het hof deze verklaring zou aannemen, het de kans dat de vertegenwoordiger van de verdachte het geld heeft ontvangen van een bonafide geldverstrekker, verwaarloosbaar klein acht.

Evenmin is de verklaring dat de verdachte geld heeft ontvangen uit de erfenis of lening van zijn vader of uit de verkoop van auto's naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden. Er zijn geen stukken ten bewijze van de erfenis of lening van de vader overgelegd en evenmin is aan de hand van stukken onderbouwd dat de verdachte auto's zou hebben verkocht die de (aanzienlijke) bedragen zouden kunnen verklaren.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de stortingen van 4.000 gulden in 2001.en € 25.810,- in 2002 op de rekening van [A] B.V., noch van de storting van € 79.150,- op de rekening van [medeverdachte] in 2005.

De verdachte heeft naar het oordeel van het hof dan ook het bestaan van een legale inkomstenbron op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De verklaringen van de verdachte over het in bezit zijnde geld zijn onvoldoende concreet, vinden geen steun in andere bewijsmiddelen en zijn hoogst onwaarschijnlijk te noemen. Het hof komt op grond van deze. omstandigheden tot de conclusie dat de bewezen verklaarde geldbedragen die de verdachte in [A] B.V. en [medeverdachte] heeft ingebracht onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn geweest, nu, gelet op de algemene ervaringsregels, de criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Voorts komt het tot de slotsom dat de verdachte wist van die criminele herkomst van het geld.

Het hof verwerpt het verweer.”

4.5. Het hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde in het arrest gekwalificeerd als:

“witwassen, meermalen gepleegd

en

witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.”

4.6. De eerste klacht houdt in dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat door de rechtspersonen [A] en/of [medeverdachte] uit misdrijf afkomstige geldbedragen zijn overgedragen of omgezet.

4.7. Inderdaad houden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet (zonder meer) in dat door [A] en/of haar rechtsvoorganger [medeverdachte] bepaalde geldbedragen zijn overgedragen. Anders dan de steller van het middel meent, kan uit deze bewijsmiddelen echter wel worden afgeleid dat door [A] en/of [medeverdachte] geldbedragen zijn omgezet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [A] en/of [medeverdachte] in de tenlastegelegde periode verschillende contante geldbedragen op haar bankrekening heeft laten storten. Daarmee hebben deze rechtspersonen een omzetting van contant geld naar giraal geld bewerkstelligd.1

4.8. De eerste klacht van het middel slaagt voor zover zij betrekking heeft op het overdragen van geldbedragen. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat door een partiële vernietiging de aard en de ernst van dit gedeelte van de bewezenverklaring als geheel niet wordt aangetast en daarom voor een hierop gebaseerde terugwijzing en nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat.2

4.9. Dan de tweede klacht van het middel. Deze is zowel in het middel zelf als – op meer uitgebreide wijze – onder 1.7 van de schriftuur verwoord. Bij de verdere bespreking van de klacht zal ik uitgaan van de onder 1.7 van de schriftuur opgenomen formulering daarvan:

“Nu in de onderhavige zaak het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door geldbedragen op bankrekeningen te storten van rechtspersonen waarvan hij zelf directeur is geweest, en vervolgens eveneens bewezen te verklaren dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door deze rechtspersonen plegen van witwassen door de door de verdachte zelf gestorte geldbedragen te verwerven en voorhanden te hebben, heeft het hof verdachte ter zake het feitelijk leiding geven aan witwassen ten onrechte niet van alle rechtsvervolging ontslagen, althans is de kwalificatiebeslissing op dit punt onvoldoende met alle redenen omkleed.”

4.10. Het is mij niet helemaal duidelijk waar de steller van het middel met deze klacht precies op doelt. Als ik het goed begrijp, richt het bezwaar zich tegen de kwalificatiebeslissing ten aanzien van de aan de door de rechtspersonen [A] BV en/of [medeverdachte] verrichte witwasgedragingen. Kennelijk houdt deze klacht verband met de daaraan voorafgaande onder 1.6 weergegeven bespreking van de jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan extra motiveringseisen worden gesteld aan een oordeel dat er sprake is van witwassen, wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp, dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.3 In dergelijke gevallen wordt de eis gesteld dat er sprake moet zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht is.4 Deze jurisprudentie is echter slechts relevant als van het verwerven of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen sprake is.

4.11. Omdat het onder 1.7 gestelde niet nader wordt onderbouwd, kan ik niet volgen waarom het bij de gedragingen van de rechtspersonen in onderhavige zaak zou gaan om het verwerven of voorhanden hebben van gelden van een door deze rechtspersonen c.q. de verdachte zelf begaan misdrijf. Wordt er bedoeld dat het hof de witwashandelingen van de verdachte uit het eerste gedeelte van de bewezenverklaring heeft aangemerkt als de handelingen waaraan de door [A] en/of [medeverdachte] witgewassen geldbedragen hun criminele herkomst ontlenen en dat het daarom zou gaan om door eigen misdrijf verkregen gelden? Ik kom er niet uit.

4.12. Het hof heeft op basis van met name de bewijsmiddelen 7 en 8 overwogen dat:

“de bewezen verklaarde geldbedragen die de verdachte in [A] B.V. en [medeverdachte] heeft ingebracht onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn geweest, nu, gelet op de algemene ervaringsregels, de criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.”

Nu het arrest van het hof geen andere relevante bewijsoverwegingen bevat, lees ik deze overweging zo dat het hof zowel wat betreft het eerste gedeelte van de bewezenverklaring (de door de verdachte zelf verrichte witwashandelingen) als wat betreft het tweede gedeelte van de bewezenverklaring (het feitelijk leidinggeven door de verdachte aan de witwashandelingen van [A] en/of [medeverdachte]) is uitgegaan van een niet nader aangeduide maar wel verder weg gelegen criminele herkomst en dus niet van uit eigen misdrijf verkregen geldbedragen. In dat geval zijn de hiervoor genoemde nadere motiveringseisen met betrekking tot de kwalificatiebeslissing, die gelden voor het voorhanden hebben of verwerven van uit eigen misdrijf afkomstige gelden, niet van toepassing en faalt de klacht.

4.13. Aanvullend wordt in de toelichting op de klacht nog betoogd dat uit de bewijsvoering van het hof onvoldoende blijkt dat het omzetten, verwerven of voorhanden hebben van bepaalde geldbedragen door [A] en/of [medeverdachte] daadwerkelijk gericht was op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van diezelfde geldbedragen. Daarbij wordt in de schriftuur, wederom, verwezen naar jurisprudentie die betrekking heeft op het enkele storten van door eigen misdrijf verkregen geldbedragen op eigen bankrekeningen.5 Nu zoals hiervoor vermeld het hof hierover niets heeft vastgesteld, kan worden aangenomen dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld heeft dat de gelden die de verdachte en vervolgens [A] en/of [medeverdachte] voorhanden hebben gehad niet afkomstig zijn uit eigen misdrijf. In het kader van de strafbaarstelling van art. 420bis, eerste lid en onder b, Sr, waarop de bewezenverklaring van onderhavige feiten zijn gebaseerd, speelt dan de gerichtheid van het handelen op een vorm van verbergen of verhullen geen (rechtstreekse) rol en hoeft deze gerichtheid in voorkomende gevallen dus ook niet uit de bewijsmiddelen te blijken.6

4.14. Dan blijft er nog over de opmerking op het einde van de toelichting op het middel dat “in zaken als de onderhavige, waarin de feitenrechter heeft vastgesteld dat geldbedragen op een bankrekening zijn gestort van een rechtspersoon welke geldbedragen klaarblijkelijk vervolgens mogelijk zouden moeten worden doorgeboekt, niet twee keer witwassen oplevert maar één keer. Ook om deze reden is dan ook het arrest, althans de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen omkleed.”

4.15. Ook hier heb ik mij afgevraagd waarop de steller van het middel doelt. Dat slechts de gedragingen van de verdachte zelf als witwassen kunnen worden gekwalificeerd en de aan de rechtspersonen toegerekende niet? Een dergelijk verweer is ten overstaan van het hof niet gevoerd. Hoe dan ook, naar mijn mening gaat het in onderhavige zaak om een geval van meerdaadse samenloop zoals bedoeld in art. 57 Sr, van welk artikel het hof in zijn arrest ook melding maakt. Waar de rechtspersonen [A] en/of [medeverdachte] op de voet van art. 51 Sr als de eigenlijke plegers van de witwashandelingen uit het tweede gedeelte van de bewezenverklaring moeten worden aangemerkt, zijn de witwashandelingen uit het eerste gedeelte van de bewezenverklaring gepleegd door de verdachte zelf. Ik geef toe dat het mij wel bevreemdt dat het OM ervoor gekozen heeft de verdachte in de onderhavige zaak zowel in zijn hoedanigheid van pleger van de witwashandelingen als in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan de witwashandelingen gepleegd door de rechtspersonen te vervolgen.7 Maar dat is een kwestie van opportuniteit. Een juridisch-technisch bezwaar kan hiertegen mijns inziens niet worden ingebracht. Meerdaadse samenloop kan zich voordoen doordat simultaan meermalen hetzelfde delict wordt gepleegd.8 Het bijzondere in het onderhavige geval is, dat de gedragingen van de verdachte als fysieke pleger worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat de strafbaarheid van de verdachte als de feitelijk leidinggever in de zin van art. 51 lid 2 Sr, doordat deze gekoppeld is aan het daderschap van de rechtspersoon, een accessoir karakter heeft. Dat staat er echter los van, dat naast de rechtspersoon niet alleen de feitelijk leidinggever9, maar – als hij alle delictsbestanddelen vervult – ook de pleger in de zin van art. 47 Sr kan worden vervolgd.10 Al lijkt dit laatste intuïtief een dubbele vervolging en aansprakelijkheidstelling voor wat in wezen hetzelfde feit is11; op de keper beschouwd is het dat niet. De witwasgedragingen uit het eerste gedeelte van de bewezenverklaring en de witwasgedragingen uit het tweede gedeelte van de bewezenverklaring hebben (voor het grootste deel) weliswaar betrekking op dezelfde geldbedragen, maar kunnen qua gedragingen in juridische zin niet aan elkaar gelijk worden gesteld. De verdachte is daarbij als het ware in twee hoedanigheden opgetreden, als pleger en als feitelijk leidinggever van de rechtspersonen. Ten aanzien van de witwastransactie kunnen aan hem verschillende gedragingen worden toegerekend, die ook qua tijd niet helemaal synchroon hebben gelopen met zijn gedragingen als feitelijk leidinggever: het door hem zelf verwerven, voorhanden hebben, overdragen en omzetten van uit misdrijf afkomstige gelden en het door [A] en/of [medeverdachte] verwerven, aanwezig hebben en omzetten van diezelfde gelden. Daarbij heeft de feitenrechter bij de strafoplegging uiteraard wel rekening kunnen houden met de verwevenheid tussen deze feiten. Aangezien de witwasgedragingen van de verdachte uit het eerste gedeelte van de bewezenverklaring niet als eigen misdrijven van de rechtspersonen [A] en/of [medeverdachte] kunnen gelden, getuigt de kwalificatiebeslissing van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is deze beslissing ontoereikend gemotiveerd.

4.16. De tweede klacht faalt en daarmee ook het eerste middel.

5. Het tweede middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

5.1. Namens de verdachte is 6 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld, terwijl de stukken van het geding pas op 14 maart 2016 door de Hoge Raad zijn ontvangen. De in casu toepasselijke inzendtermijn van acht maanden is derhalve met ruim vijf maanden overschreden, welke overschrijding niet meer kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Dit dient tot strafvermindering te leiden.

6. Het eerste middel faalt in zijn geheel. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze duur in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in dit verband HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.4-2.5.2.

2 Vgl. bijv. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160 en 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. N. Keijzer.

3 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702 NJ 2014/302, m.nt. N. Keijzer; HR 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1356, NJ 2014/74 en 75, m.nt. M.J. Borgers; HR 2 juli 2013, NJ 2013/515, m.nt. J.M. Reijntjes.

4 Zie ook het onlangs gewezen overzichtsarrest HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, rov. 2.4.1.

5 Verwezen wordt naar HR 17 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83, m.nt. B.F.Keulen en HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. N.Keijzer.

6 Zie in dit verband bijv. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16 m.nt. M. J. Borgers, rov. 3.4 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. Borgers, rov. 2.4.2.

7 Ik heb in de jurisprudentie overigens geen vergelijkbaar geval kunnen vinden. Er is wel jurisprudentie over de (zich hier niet voordoende) vraag of de feitelijk leidinggever tevens als medepleger kan worden aangemerkt. Daarvan heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de enkele omstandigheid dat het strafbare feit van de verdachte als feitelijk leidinggever aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, nog niet met zich brengt dat de verdachte het strafbare feit met de rechtspersoon heeft medegepleegd, HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140, rov. 3.4. Nan schrijft daarover in zijn noot bij dit arrest in NBSTRAF 2013/55: “Het komt me niet logisch voor de handelingen van de pleger zo – als het ware – te ‘verdubbelen’ naar medeplegen. Per saldo zou de pleger dan met zichzelf hebben samengewerkt, hetgeen onmogelijk is.” Zie ook HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, NJ 2014/513 m.nt. Mevis.

8 Zie C.M. Pelser, T&C Strafrecht, aant. 1 op art. 57 Sr.

9 HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9529, NJ 1987/362, rov. 5.4. en de conclusie van AG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2007:BA7261 voorafgaand aan HR 18 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7261; de Hoge Raad deed de zaak op de voet van art. 81 RO af.

10 Zie A.N. Kesteloo, De rechtspersoon in het strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 72-73, die daarbij verwijst naar R. van Elst, Strafbare rechtspersonen en hun leidinggevers, Ars Aequi Cahiers, Strafrecht, deel 8, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1997, p. 50, A.J.M. Machielse, Corporatieve aansprakelijkheid, in: Fraudedelicten, tweede druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 14-32 en F.G.H. Kristen, Maatschappelijk verantwoord ondernemen en strafrecht, Preadvies Maatschappelijk verantwoord ondernemen, Handelingen Nederlandse Juristen-vereniging 2010, deel I, Deventer: Kluwer 2010, p.139.

11 Waarover De Hullu schrijft dat hiervoor gewaakt moet worden. J. de Hullu, Materieel Strafrecht, zesde druk, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 502 en VIII.