Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1218

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
17/03129
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Verzekeringsrecht (WAM). Art. 11 lid 1 en art. 13 lid 7 WAM. Is de in het RDW-register vermelde WAM-assuradeur jegens een benadeelde verplicht dekking te verlenen voor een schadevoorval dat heeft plaatsgevonden op de dag waarop volgens het register de overeenkomst is gesloten, ook als dat voorval heeft plaatsgevonden voor het tijdstip dat de dekking volgens de overeenkomst een aanvang heeft genomen (welk tijdstip in het register niet kan worden vermeld)? Geldt hieromtrent iets anders als het Waarborgfonds Motorverkeer de verzekeraar aanspreekt dan als de benadeelde dat doet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03129

mr. W.L. Valk

Zitting: 3 november 2017

Conclusie inzake:

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

tegen

1. N.V. Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij

2. Reaal Schadeverzekeringen N.V.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als het respectievelijk als de , dan wel afzonderlijk als Bovemij en Reaal.

Het Gerechtshof Den Haag heeft in twee bij dat hof aanhangige zaken aan uw Raad prejudiciële vragen gesteld. Die vragen betreffen vooral de uitleg van enkele bepalingen van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Volgens art. 13 lid 2 WAM houdt de Dienst Wegverkeer een register aan waarin onder meer worden aangetekend kennisgevingen van verzekeraars van het sluiten van een WAM-verzekering (het RDW-register). Dit online toegankelijke register is tot op heden zo ingericht dat daarin alleen de kalenderdag van het sluiten van de verzekering wordt aangetekend en niet het uur en de minuut. Leidt dit in verband met art. 11 lid 1 WAM en/of art. 13 lid 7 WAM ertoe dat de WAM-verzekeraar tegenover benadeelden aansprakelijk is met betrekking tot een schadeveroorzakende gebeurtenis die vóór het sluiten van de verzekering, maar op dezelfde kalenderdag heeft plaatsgevonden?

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In de zaak bij het Gerechtshof Den Haag aanhangig onder nummer 200.192.239/01 zijn het Waarborgfonds en Bovemij partij. In die zaak staan de volgende feiten vast:1

1.1.1.

Op 11 juli 2013 heeft omstreeks 12.55 uur op de Stadhoudersweg te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen een minderjarige fietser, [betrokkene 1], en een bromfiets met kenteken [AA-00-BB] (verder: de bromfiets). De bromfiets werd bestuurd door [betrokkene 2] (verder: [betrokkene 2]). [betrokkene 1] heeft bij het ongeval ernstig letsel opgelopen.

1.1.2.

De politie heeft kort na het ongeval het RDW-register geraadpleegd en geconstateerd dat de bromfiets ten tijde van het ongeval niet WA-verzekerd was, zoals blijkt uit het door de politie Rotterdam-Rijnmond na het ongeval opgemaakte proces-verbaal.

1.1.3.

Op 11 juli 2013 om 20.06 uur heeft [betrokkene 3], de echtgenote van [betrokkene 2], een aansprakelijkheidsverzekering (hierna: de verzekering) voor de bromfiets aangevraagd bij Enra Verzekeringen B.V., als gevolmachtigd agent van Bovemij.

1.1.4.

De onder 1.1.3 genoemde aanvraag is verwerkt op vrijdag 12 juli 2013 om 9.31 uur.

1.1.5.

Bij brief van 12 juli 2013 heeft Enra aan [betrokkene 2]-Switser bericht dat haar aanvraag voor de verzekering in goede orde was ontvangen en dat haar motorrijtuig ‘vanaf dit moment’ in voorlopige dekking was genomen.

1.1.6.

De verzekering bood dekking vanaf 11 juli 2013 om 20.06 uur.

1.1.7.

Uit het RDW-register blijkt dat voor de bromfiets tussen 8 juni 2013 en 11 juli 2013 geen aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten; na aanmelding van de verzekering door Bovemij is de verzekering in dat register geregistreerd met ingang van 11 juli 2013.

1.1.8.

Bij brief van 23 juli 2013 heeft de raadsman van [betrokkene 1] Enra aansprakelijk gesteld voor de schadelijke gevolgen van het ongeval, welke brief Enra heeft doorgezonden aan Bovemij.

1.1.9.

Bij e-mail van 2 september 2013 heeft Bovemij aan de raadsman van [betrokkene 1] en haar wettelijke vertegenwoordiger bericht dat de verzekering pas na het ongeval is aangevraagd en dat de bromfiets ten tijde van het ongeval dus niet was verzekerd en hem doorverwezen naar het Waarborgfonds.

1.1.10.

Bij brief van 5 september 2013 heeft het Waarborgfonds de raadsman van [betrokkene 1] laten weten de zaak niet in behandeling te nemen, omdat zelfs in het geval een verzekeraar op de schadedatum dekking verleent ná het ongeval, de WAM-verzekeraar ook het ‘voorrisico’ meeverzekert gedurende die gehele dag vanaf 00.00 uur.

1.1.11.

Bovemij heeft de schadeafwikkeling tegen cessie ter hand genomen en het Waarborgfonds de gelegenheid geboden bij de schadeafwikkeling betrokken te zijn.

1.2.

In de zaak bij het Gerechtshof Den Haag aanhangig onder nummer 200.192.240/01 zijn het Waarborgfonds en Reaal partij. In die zaak staan de volgende feiten vast:2

1.2.1.

Op 4 mei 2010 heeft [A] (hierna: [A]) een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid (WAM-verzekering) afgesloten bij Proteq, rechtsvoorgangster van Reaal, voor een aan haar toebehorende Fiat 500.

1.2.2.

Vanaf 14 mei 2010 was [A] ook in het bezit van een Opel Corsa.

1.2.3.

Op 3 augustus 2010 om 13.56 uur is met de Opel Corsa een ongeval veroorzaakt. De linker voorband van de Opel Corsa is lek geraakt, waardoor de Opel Corsa begon te slingeren en een kettingbotsing heeft veroorzaakt. Door het ongeval zijn vijf motorrijtuigen beschadigd geraakt en heeft een aantal automobilisten letsel opgelopen.

1.2.4.

De politie heeft diezelfde dag kort na het ongeval het RDW-register geraadpleegd en geconstateerd dat voor de Opel Corsa ten tijde van het ongeval geen verzekering was afgesloten.

1.2.5.

[A] heeft eveneens op diezelfde dag om 14.07 uur Proteq/Reaal telefonisch verzocht de Opel Corsa in plaats van de Fiat 500 in dekking te nemen, aan welk verzoek Proteq/Reaal heeft voldaan.

1.2.6.

De verzekering bood dekking voor de Opel Corsa vanaf 3 augustus 2010 om 14.07 uur.

1.2.7.

Uit op 23 september 2010 opgevraagde gegevens blijkt dat Proteq/Reaal in het RDW-register is opgenomen als WAM-verzekeraar van de Opel Corsa Reaal met ingang van 3 augustus 2010.

1.2.8.

De benadeelden hebben zich tot Reaal gewend om hun (letsel)schade te verhalen. Reaal heeft uitkering geweigerd, waarna de benadeelden zich hebben gewend tot het Waarborgfonds, dat aan de benadeelden heeft uitgekeerd.

1.2.9.

Het Waarborgfonds heeft Reaal verzocht de schade die zij heeft geleden, te vergoeden en de schadebehandeling over te nemen. Reaal heeft dit geweigerd.

1.3.

In beide zaken staat bovendien tussen partijen vast dat het RDW-register niet de mogelijkheid biedt een tijdstip te registreren met ingang waarvan een verzekering dekking biedt. Slechts een ingangsdatum kan worden geregistreerd.3

1.4.

In de zaak Waarborgfonds/Bovemij heeft Bovemij, voor zover nog van belang, gevorderd verklaringen voor recht dat Bovemij ten tijde van het ongeval niet de WAM-verzekeraar van de bromfiets was en, kort gezegd, dat het Waarborgfonds dient te dragen de door Bovemij als gevolg van het ongeval aan [betrokkene 1] en eventuele overige benadeelden vergoede schade, alsmede verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van de financiële gehoudenheid van het Waarborgfonds jegens Bovemij. Bij vonnis van 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1478, heeft de Rechtbank Den Haag deze vorderingen toegewezen.

1.5.

In de zaak Waarborgfonds/Reaal heeft het Waarborgfonds onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat Reaal als WAM-verzekeraar moet opkomen voor de geleden en te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval, met veroordeling van Reaal om aan het Waarborgfonds te betalen al hetgeen het Waarborgfonds naar aanleiding van het ongeval heeft uitgekeerd en nog zal uitkeren. Bij vonnis van eveneens 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1474, heeft de Rechtbank Den Haag deze vorderingen afgewezen.

1.6.

In beide zaken is door het Waarborgfonds hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arresten van 12 juli 2016 in beide zaken een comparitie na aanbrengen bevolen. Die comparitie heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden. Hoewel de partijen in beide zaken het niet eens zijn geworden over een gezamenlijke vraagstelling, hebben zij wel allen aan het Gerechtshof Den Haag verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Dat heeft vervolgens plaatsgevonden bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1721.

1.7.

Op 29 juni 2017 is een afschrift van het arrest van 27 juni 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Op 10 juli 2017 zijn de processtukken ingekomen.

1.8.

De partijen zijn ingevolge art. 393 lid 1 Rv en art. 7.1 Reglement prejudiciële vragen4 in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Zowel het Waarborgfonds als de WAM-verzekeraars hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Partijen hebben bovendien nog schriftelijk gereageerd op elkaars schriftelijke opmerkingen.

2 De prejudiciële vragen

Het Gerechtshof Den Haag heeft aan uw Raad de volgende vragen gesteld:

Is in één of beide zaken sprake van een geval waarin ‘de registratie ten onrechte is geschied’ in de zin van art. 13 lid 7 WAM?

Kan de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar de benadeelde tegenwerpen dat hij weliswaar voor een later gedeelte van de eerste registratiedag de verzekeraar is, maar niet vanaf de aanvang van die dag en niet ten tijde van het ongeval? Of moet (jegens de verzekerde, althans tegenover de benadeelde) de dekking geacht worden te zijn ingegaan om 00.00 uur van de ingangsdatum als vermeld in de kennisgeving door de verzekeraar aan de Dienst Wegverkeer en opgenomen in het RDW-register?

Staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar aan de benadeelde tegenwerpt dat de verzekering(sdekking) nog niet was ingegaan op het moment dat het schadeveroorzakende feit zich voordeed?

Staat art. 11 lid 1 WAM eraan in de weg dat de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar aan de benadeelde tegenwerpt dat bij het aangaan van de verzekering geen sprake was van een ‘onzeker voorval’ in de zin van art. 7:925 lid 1 BW?

Verschilt de beantwoording van één of meer van de voorgaande vragen naar gelang:

 de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis een WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van een ander motorrijtuig dan waarmee de schade is veroorzaakt en na het ongeval op verzoek van de verzekeringnemer wijziging van het verzekerde motorrijtuig plaatsvindt zodat het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt, wordt verzekerd

dan wel

 de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis geen WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van enig motorrijtuig?

Maakt het voor de beantwoording van één of meer van de voorgaande vragen verschil of de verzekeraar tegenover de benadeelde staat of tegenover het Waarborgfonds, dat de benadeelde schadeloos heeft gesteld en dientengevolge in diens rechten is getreden?

3 Bespreking van de prejudiciële vragen

3.1.

De WAM strekt ter bescherming van benadeelden. Die bescherming heeft onder meer gestalte gekregen in de vorm van de regels van art. 11 lid 1 WAM en art. 13 lid 7 WAM. Beide regels verschillen voor het overige in strekking en inhoud.

3.2.

Volgens art. 11 lid 1 WAM kan geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door de verzekeraar aan de benadeelde worden tegengeworpen. De tweede volzin van lid 1 maakt een uitzondering met betrekking tot het bedrag waarmee het van de verzekeraar gevorderde de krachtens art. 22 WAM vastgestelde som of sommen overschrijdt. De achtergrond van de bepaling is, in de woorden van de toelichting op het ontwerp van de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse studiecommissie tot eenmaking van het recht, als volgt:

‘De waarborgen, welke een wet op de verplichte verzekering aan de slachtoffers van het verkeer biedt, zouden niet ten volle hun doel treffen, indien de excepties, die de verzekeraar aan zijn verzekerden kan tegenwerpen, ook aan de slachtoffers zouden kunnen worden tegengeworpen.’5

3.3.

Als voorbeelden van gevallen waarin de verzekeraar in verband met art. 11 lid 1 WAM zijn aansprakelijkheid tegenover de benadeelde niet kan ontkennen, noemt dezelfde toelichting6 het geval dat de verzekeringnemer de premie niet op de vervaldag heeft betaald, het verzekerde motorrijtuig voor een ander doel is gebruikt dan in de overeenkomst is voorzien, het geval dat het ongeval is veroorzaakt door dronkenschap van de bestuurder en het geval dat het ongeval is veroorzaakt door iemand die volgens de wet geen motorrijtuig mag besturen. Uiteraard kan deze opsomming niet als limitatief worden beschouwd. Naar zijn strekking heeft art. 11 lid 1 WAM betrekking op alle nietigheden, verweren en gronden van verval waarmee de verzekeraar een aanvankelijk gevestigde verzekeringsdekking alsnog zou willen ontkennen. In de parlementaire stukken worden als voorbeelden van gevallen waarop art. 11 lid 1 WAM van toepassing is, mede genoemd: nietigheid voortvloeiende uit art. 251 K (oud) (verzwijging) of art. 276 K (oud) (eigen schuld van de verzekerde), polisbedingen die de verzekeraar van zijn aansprakelijkheid ontheffen, formele excepties zoals een arbitragebeding of een bewijsregeling7 en onbevoegde vertegenwoordiging van de verzekeraar bij het aangaan van de overeenkomst.8 In de rechtspraak zijn onder meer ook onder de werking van art. 11 lid 1 WAM gebracht: opzet van de verzekerde,9 veranderingen of risicoverzwaringen aangebracht aan het verzekerde motorrijtuig (denk aan opgevoerde bromfietsen)10 en in de verzekeringsovereenkomst opgenomen beperkingen (in de zin dat de verzekering slechts dekking gaf indien de verzekerde zijn auto onder toezicht bestuurde en binnen een straal van 20 km van zijn woonplaats of woning).11 Ook het verweer dat ten tijde van het sluiten van de verzekering de in art. 7:925 BW bedoelde onzekerheid niet bestond, omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis toen reeds had plaatsgehad – een geval dat in verband met het karakter van de WAM-verzekering als aansprakelijkheidsverzekering veronderstelt dat partijen terugwerkende kracht van de verzekering zijn overeengekomen – is een verweer dat ongetwijfeld binnen het bereik van art. 11 lid 1 WAM valt en dat dus niet aan een benadeelde kan worden tegengeworpen.12

3.4.

Ik zei dat de bepaling van art. 11 lid 1 WAM betrekking heeft op alle nietigheden verweren en gronden van verval waarmee een aanvankelijk gevestigde dekking wordt ontkend. Noch de formulering noch de strekking van de bepaling wijst erop dat zij mede betrekking zou hebben op het ingangstijdstip van de verzekering. Een andere uitleg van art. 11 lid 1 WAM lijkt mij zelfs niet goed mogelijk. Er bestaat geen verband tussen de regel van art. 11 lid 1 WAM en de registratie van het sluiten van de verzekering op grond van art. 13 lid 1 onder a WAM. Dat verband is er reeds niet in historische zin, omdat art. 11 lid 1 WAM wél berust op de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen13 en art. 13 lid 1 onder a WAM níét. De Gemeenschappelijke bepalingen kennen uitsluitend een verplichting tot mededeling door de verzekeraar van de beëindiging, de nietigverklaring, de ontbinding en de schorsing van de verzekering of van de dekking,14 en niet ook een verplichting tot mededeling van het sluiten van de overeenkomst. Onze nationale wetgever heeft terecht ingezien dat in verband met de controle op de naleving van de verzekeringsplicht en in het belang van het verstrekken van juiste inlichtingen aan benadeelden, wezenlijk is dat registratie van het sluiten van de verzekering plaatsvindt.15 Dat heeft hem niet gebracht tot een andere formulering van art. 11 lid 1 WAM (daargelaten of dit in verband met de verplichtingen uit hoofde van de Benelux-Overeenkomst zou zijn toegelaten). Het heeft hem wel gebracht tot de opneming in art. 13 WAM van een verplichting tot kennisgeving van het sluiten van een WAM-verzekering en tot een stelsel van registratie van zulke kennisgevingen. Daarover onder 3.7 e.v. nader.

3.5.

Waar de bepaling van art. 11 lid 1 WAM tot op de dag van vandaag geen verband legt met de melding en registratie van verzekeringen op de voet van art. 13 lid 1 onder a WAM, zou de consequentie van de opvatting die verweren omtrent het ingangstijdstip van de verzekering binnen het bereik van die bepaling brengt, zijn dat ieder verweer van de WAM-verzekeraar strekkende ten betoge dat ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis de verzekering nog niet van kracht was, ontoelaatbaar is en niet slechts het verweer dat betrekking heeft op de beperkte tijd die verloopt tussen het uur en de minuut op de dag waarop de verzekering ingaat en het begin van die kalenderdag. Anders gezegd, die opvatting zou er noodzakelijk toe leiden dat een WAM-verzekeraar een ‘voorrisico’ loopt voor álle schade die voorafgaand met het motorrijtuig is veroorzaakt en waarvoor de verzekeringnemer als bezitter van dat motorrijtuig aansprakelijk is, zonder enige beperking. Die opvatting is absurd, wordt door niemand verdedigd en zou het gevaar oproepen dat verzekeraars in verband met dat voorrisico niet bereid zullen zijn een WAM-verzekering af te sluiten met een persoon die reeds daaraan voorafgaand bezitter van het te verzekeren motorrijtuig was.

3.6.

In het verband van art. 11 lid 1 WAM ten slotte nog: in België16 is de algemene opvatting dat de regel dat geen uit de wet of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan een benadeelde kan worden tegengeworpen (art. 16 lid 1 van de Belgische Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) geen betrekking heeft op het al dan niet (reeds of nog) bestaan van de verzekeringsovereenkomst.17 Anders gezegd, de toepasselijkheid van die regel veronderstelt het bestaan van een verzekeringsovereenkomst, en is dus niet van toepassing in een geval waarin er (nog) geen verzekering is.18

3.7.

Na deze verkenning van de regel van art. 11 lid 1 WAM, maak ik nu enkele opmerkingen over het karakter van de registratie van afgesloten WAM-verzekeringen op de voet van art. 13 lid 1 onder a WAM. Ik zei al dat die registratie niet berust op de Gemeenschappelijke bepalingen, maar in plaats daarvan op een keuze van onze nationale wetgever.19 Art. 13 lid 1 WAM luidde aanvankelijk als volgt:

‘De verzekeraar is verplicht aan het overheidsorgaan of de persoon, door onze Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe aangewezen, kennis te geven van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst tot het dekken van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe aanleiding wordt gegeven door een motorrijtuig dat een kenteken als bedoeld in artikel 9 eerste lid der Wegenverkeerswet behoeft.’

3.8.

Vervolgens had het tweede lid betrekking op de kennisgeving door de verzekeraar van de beëindiging, de nietigverklaring en de ontbinding van de verzekering, alsmede van de schorsing van de verzekering of van de dekking. Ik duidde reeds aan dat die kennisgeving wél op de Gemeenschappelijke bepalingen berustte. Dat onze nationale wetgever ervoor koos verzekeraars te verplichten tot kennisgeving van het sluiten van een WAM-verzekering en ook meteen het belang heeft ingezien van de registratie van zulke kennisgevingen, betekent niet dat die wetgever óók bedoeld zou hebben dat die registratie beslissend zou zijn voor het aanvangsmoment van de verzekeringsdekking, althans ten opzichte van benadeelden. De Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer houdt ondubbelzinnig het tegendeel in:20

‘De verzekering wordt van kracht op het tijdstip dat door partijen is overeengekomen; de kennisgeving volgens het eerste lid is een administratieve handeling die op de werking van de verzekeringsovereenkomst geen invloed heeft.’

3.9.

Per 30 november 1983 is het stelsel van kennisgeving en registratie gewijzigd. Die wijziging hield verband met de omstandigheid dat aanvankelijk van de beëindiging, de nietigverklaring en de ontbinding van de verzekering, alsmede van de schorsing van de verzekering of van de dekking, wel op grond van art. 13 lid 2 WAM (oud) door verzekeraars verplicht kennis werd gegeven, maar die rechtsfeiten, anders dan het sluiten van de verzekering, niet werden geregistreerd. Het spreekt vanzelf dat dit ernstig afbreuk deed aan de betrouwbaarheid van de registratie.21 Die registratie vermeldde vele afgesloten verzekeringen, maar of een verzekering nog gelding had, viel op basis van de registratie niet te zeggen, zodat navraag bij de geregistreerde verzekeraar moest worden gedaan. Uiteraard was dit zowel voor de politie (in verband met controle op de verzekeringsplicht) als voor benadeelden bezwaarlijk. Bij gelegenheid van de wetswijziging per 30 november 198322 werden de leden 1 en 2 van art. 13 WAM in elkaar geschoven en werd in een nieuw tweede lid aan de Dienst Wegverkeer opgedragen om een register bij te houden, te koppelen aan het kentekenregister, waarin alle kennisgevingen van lid 1 (nieuw) worden aangetekend, dus behalve die van het sluiten van de verzekering, ook die van de beëindiging, de nietigverklaring, of de ontbinding van de verzekering, dan wel van de schorsing van de verzekering of van de dekking.

3.10.

Bij deze stelselwijziging stond de wetgever klaarblijkelijk geen sluitende, realtime registratie van WAM-verzekeringen voor ogen. Ik citeer de Memorie van Toelichting bij het toenmalige ontwerp van wet:23

‘De voorgestelde wijzigingen strekken ertoe te bereiken dat het centraal register W.a.m. in de toekomst een zuiverder beeld zal geven met betrekking tot de nakoming van de verzekeringsplicht.’ (cursivering toegevoegd)

En iets verder zegt dezelfde memorie:24

‘De hiervoor genoemde wijzigingen in de W.a.m.-registratie en de nieuwe regeling van de kentekenregistratie, alsmede de koppeling van het centraal register W.a.m. met het kentekenregister zullen naar het oordeel van de ondergetekenden bijdragen tot een doelmatiger en betrouwbaarder informatieverschaffing omtrent de nakoming van de verzekeringsplicht, welke niet alleen voor de opsporingsambtenaren, maar ook voor de benadeelden van groot belang zullen zijn.’ (cursivering toegevoegd)

Er is een voor de hand liggende reden waarom het RDW-register onmogelijk steeds de juiste toestand kan vermelden; die reden is gelegen in de termijn waarbinnen de WAM-verzekeraar de relevante rechtsfeiten dient te melden. Dit is thans een termijn van 30 dagen. Het is dus steeds mogelijk dat een voor het bestaan van verzekeringsdekking wezenlijke omstandigheid uit het register nog niet kenbaar is. Het dunkt mij niet onwaarschijnlijk dat het thans technisch mogelijk is om het register anders te organiseren, in die zin dat geen tijd meer zou behoeven te verlopen – afgezien van internetstoringen of andere tijdelijke problemen met de noodzakelijke infrastructuur – tussen het zich voordoen van het relevante rechtsfeit in de verhouding tussen WAM-verzekeraar en verzekeringnemer en de vermelding daarvan in het register. Hoe dan ook, de huidige registratie is niet realtime. Voor benadeelden betekent dit dat raadpleging van het RDW-register voor hen geen volledige zekerheid kan verschaffen over de vraag of zij op de voet van art. 6 WAM de in het register vermelde WAM-verzekeraar tot schadevergoeding zullen kunnen aanspreken.

3.11.

Zeer ernstig is deze onzekerheid niet. Blijkt het motorrijtuig onverzekerd, dan kan de benadeelde op grond van art. 25 lid 1 WAM het Waarborgfonds aanspreken. Ook is er geen reden om te vrezen dat benadeelden stuurloos zullen raken omdat zij worden geconfronteerd met een verzekeraar en een Waarborgfonds die naar elkaar blijven verwijzen. In de eerste plaats verplicht het derde lid van art. 25 WAM het Waarborgfonds tegenover benadeelden tot een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot zijn tussenkomst. Blijken het Waarborgfonds en een verzekeraar het onderling oneens te zijn over de vraag wie van hen de schade dient te vergoeden, dan geldt op grond van lid 4 in de tweede plaats dat de als eerste aangesprokene verplicht is om tot vergoeding van de schade over te gaan, waarna eventueel verhaal (‘verrekening’) kan volgen in de onderlinge verhouding tussen verzekeraar en Waarborgfonds (dus zonder dat benadeelden dit nog raakt). Ook in de onderhavige gevallen is op deze basis gehandeld.

3.12.

Eveneens bij gelegenheid van de wetswijziging per 30 november 1983 is het huidige art. 13 lid 7 WAM ingevoegd. Die bepaling, in het oorspronkelijke ontwerp van wet lid 8, zegt dat de verzekeraar die als zodanig in het register wordt aangewezen, de benadeelde niet kan tegenwerpen dat hij niet de in de eerste zin van het eerste lid van art. 6 WAM bedoelde verzekeraar is, tenzij hij aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied of dat zijn verplichtingen op grond van een kennisgeving overeenkomstig het eerste lid, onder b, c of d, niettemin jegens de benadeelde zijn geëindigd. In de Memorie van Toelichting werd de voorgestelde bepaling als volgt toegelicht:25

‘In het nieuwe achtste lid wordt een bepaling voorgesteld met betrekking tot de bewijskracht van het register ten opzichte van de geregistreerde verzekeraar. Deze komt erop neer dat als de, jegens de benadeelde aansprakelijke, verzekeraar geldt de geregistreerde verzekeraar, tenzij deze bewijst dat de registratie ten onrechte is geschied of ten onrechte niet is beëindigd. Dit rechtsvermoeden is tegenover de geregistreerde verzekeraar niet onbillijk, omdat hij van het registrerende orgaan – de Rijksdienst voor het Wegverkeer – bericht van de registratie ontvangt. De bepaling heeft het effect dat de benadeelde voorshands op de juistheid van de registratie kan afgaan, een regel die uiteraard vrijwel steeds in overeenstemming met de werkelijke situatie is; op de benadeelde rust niet, bij ontkentenis door de verzekeraar, de bewijslast, om aan te tonen dat er een verzekering van kracht is.’

3.13.

Ik heb in de parlementaire stukken geen aanwijzing gevonden dat de wetgever bij de bepaling van het huidige art. 13 lid 7 WAM zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat zich het geval voordoet waarop de gestelde prejudiciële vragen zien, dus registratie van een WAM-verzekering die na de schadeveroorzakende gebeurtenis maar wel op dezelfde kalenderdag is gesloten. Ik acht het aannemelijk dat de tijdsomstandigheden daarvoor de verklaring zijn. De bezitter van een motorrijtuig dat bij een ongeval is betrokken, heeft thans met behulp van een smartphone binnen enkele tientallen seconden de contactgegevens van een verzekeraar bij de hand en kan meteen telefonisch of online een verzekering afsluiten, eventueel nog voordat de politie ter plaatse is verschenen. In de zaak Waarborgfonds/Reaal verliepen niet meer dan elf minuten. Het is alleszins begrijpelijk dat zoiets destijds buiten het voorstellingsvermogen van de wetgever lag.

3.14.

Men kan de bepaling van art. 13 lid 7 WAM eventueel zo lezen dat het tot gevolg heeft dat de WAM-verzekeraar die het overkomt dat door de bezitter van een motorrijtuig direct na een schadeveroorzakende gebeurtenis en met verzwijging van die gebeurtenis26 met hem een verzekering is afgesloten, aan de als gevolg van de gebeurtenis benadeelden hun schade moet vergoeden. Die lezing sluit aan bij de tekst van de bepaling. Ze begint met de vaststelling dat de verzekeraar als zodanig door het register wordt aangewezen. Het register vermeldt immers dat de verzekeraar met ingang van juist de kalenderdag van de schadeveroorzakende gebeurtenis de WAM-verzekeraar is. Vervolgens stelt ze vast dat de verzekeraar zich niet erop beroept dat de registratie ten onrechte is geschied of dat zijn verplichtingen op grond van een kennisgeving overeenkomstig het eerste lid, onder b, c of d van art. 13 WAM is geëindigd. Daarbij vat ze die opsomming van uitzonderingen in art. 13 lid 7 WAM als limitatief op, waarvoor de formulering ‘kan niet, tenzij’ ook inderdaad grond biedt.27

3.15.

Een dwingend argument levert de formulering van art. 13 lid 7 WAM echter niet op. Ook een lezing volgens welke de verzekeraar die in het register met ingang van juist de dag van de schadeveroorzakende gebeurtenis als de WAM-verzekeraar van het motorrijtuig is vermeld, niet een verzekeraar is die als zodanig in het register wordt aangewezen in de in art. 13 lid 7 WAM bedoelde betekenis, is zeer wel mogelijk. Die alternatieve lezing verdisconteert dat de registratie alleen de kalenderdag van het sluiten van de verzekering vermeldt en verbindt daaraan de voor de hand liggende gevolgtrekking dat als de geregistreerde ingangsdatum van de verzekering tevens de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis is, het register niet uitwijst en ook niet kan uitwijzen of de verzekeraar wel of niet de WAM-verzekeraar is in de door de bepaling van lid 7 veronderstelde zin. In deze lezing staat dus in zoverre nog altijd overeind het oorspronkelijke uitgangspunt van de wetgever dat de verzekering van kracht wordt op het tijdstip dat door de partijen bij die verzekering is overeengekomen (vergelijk hiervoor onder 3.8). Bedoelde lezing doet ook niet op ontoelaatbare wijze af aan de waarde van het RDW-register, omdat dit register ook reeds om een andere reden aan benadeelden geen volledige zekerheid verschaft over de vraag of zij op de voet van art. 6 WAM de in het register vermelde WAM-verzekeraar tot schadevergoeding zullen kunnen aanspreken (vergelijk hiervoor onder 3.10).

3.16.

Een nog andere lezing – in de eerste prejudiciële vraag aangeduid – dunkt mij niet verdedigbaar. Deze lezing brengt het zich in de beide zaken voordoende geval dat de WAM-verzekering na de schadeveroorzakende gebeurtenis maar wel op dezelfde kalenderdag is afgesloten, onder bij de in art. 13 lid 7 WAM vermelde uitzondering dat de verzekeraar aantoont dat de registratie van de verzekering ten onrechte is geschied. Ik meen dat deze lezing zowel geforceerd is, als tot onjuiste uitkomsten leidt. Ze is geforceerd omdat de registratie van de verzekering niet ten onrechte is geschied; die registratie is op zichzelf geheel terecht geschied. Dezelfde lezing leidt ook tot onjuiste uitkomsten. Stellen wij ons voor dat na de schadeveroorzakende gebeurtenis nog met het motorrijtuig kan worden gereden en dat zich onderweg op dezelfde dag, maar nu na het afsluiten van de verzekering, een nieuwe schadeveroorzakende gebeurtenis voordoet. Ik zie geen enkele reden op grond waarvan de verzekeraar zijn aansprakelijkheid voor die nieuwe gebeurtenis zou kunnen ontkennen. Indien we aannemen dat de verzekeraar er zich op kan beroepen dat de registratie van de verzekering ten onrechte is geschied, zou dat echter niettemin de uitkomst zijn.

3.17.

Hiervoor achtte ik twee lezingen mogelijk, met een geheel verschillende uitkomst. Welke van die lezingen verdient de voorkeur? Een afweging van de betrokken belangen, tegen de achtergrond van algemeen aanvaarde rechtsbeginselen en de in Nederland levende rechtsovertuigingen, behoort hier de doorslag te geven.

3.18.

Ik begin met het laatste. Bestaat er in Nederland een gevestigde rechtsovertuiging omtrent de uitleg van art. 13 lid 7 WAM in gevallen als hier aan de orde? Mijns inziens is dat niet het geval.

3.19.

Ten onrechte beroept het Waarborgfonds zich op het arrest Aegon/Waarborgfonds uit 1999.28 Die zaak heeft met de beide onderhavige zaken weliswaar gemeen dat de verzekering was afgesloten op het moment dat reeds een aanrijding had plaatsgevonden (namelijk op 31 mei 1988), maar een wezenlijk verschil met die zaken is dat de verzekeraar had toegestemd in terugwerkende kracht van de verzekering (de verzekering was aangevraagd met als ingangsdatum 30 mei 1988, Aegon had die aangevraagd geaccepteerd en in overeenstemming daarmee was in het RDW-register aangetekend dat vanaf 30 mei 1988 Aegon de WAM-verzekeraar van het motorrijtuig was). Kern van de zaak was de uitleg van art. 11 lid 1 WAM in verband met het beroep van de verzekeraar op de nietigheidsgrond van art. 269 K (oud). Art. 13 lid 7 WAM kwam in die zaak óók aan de orde, maar dat de verzekeraar voor het besliste geval niet kon volhouden dat sprake was van een registratie ‘die ten onrechte is geschied’ als bedoeld in die bepaling, is weinig verwonderlijk (de registratie was immers geheel in overeenstemming met de opgave van de verzekeraar, namelijk van een verzekering met ingang van 30 mei 1988).

3.20.

Het Waarborgfonds kan zich voor haar standpunt wel beroepen op een arrest van het Hof Arnhem uit 2011.29 Ik citeer de belangrijkste overweging uit dat arrest:

‘3.10. De verzekeraar mag artikel 13 lid 7 WAM niet gebruiken om, in strijd met artikel 11 lid 1 WAM, een uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval aan een benadeelde tegen te werpen. Hij mag wel aantonen dat ten onrechte is geregistreerd dat hij de verzekeraar is door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, zoals artikel 6 lid 1 eerste volzin dat beschrijft. De verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen en met name ook deze wetsartikelen beogen, tegen de achtergrond van de Benelux- en Europese regelgeving, de belangen van verkeersslachtoffers aldus te waarborgen dat de door hen geleden schade zal worden vergoed. In dat kader brengt artikel 13 lid 7 WAM mee dat de benadeelde als regel mag uitgaan van de juistheid van de in het register opgenomen informatie over de als aansprakelijke in aanmerking komende WAM-verzekeraar. De uitzonderingsbepaling dat de verzekeraar aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied, moet dus, mede vanuit het oogpunt van bescherming van verkeersslachtoffers, restrictief worden geïnterpreteerd. Daarmee verdraagt zich, in het verlengde van artikel 11 lid 1 WAM, niet dat de in het register opgenomen WAM-verzekeraar tegenover de benadeelde zou mogen aantonen dat hij weliswaar voor een later deel van de eerste registratiedag (na het ongeval) als verzekeraar geldt, maar niet het voorrisico van die dag draagt. Zolang WAM-verzekeraars en de Dienst Wegverkeer het ingangstijdstip van de opheffing van de schorsing van een verzekering niet op een duidelijke en ondubbelzinnige, niet voor misverstand vatbare en transparante wijze voor de verzekeringnemer en voor derden registreren, kan zodanig, hier door RVS gevoerd verweer, zoals uit de procedure in eerste aanleg is gebleken, leiden tot een lange en ingewikkelde zoektocht naar het ingangstijdstip van de verzekering, ten koste van een uit slachtofferbescherming geboden voortvarende aanpak van de schaderegeling, hetgeen als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. De stelling van RVS dat de WAM-verzekeraars aldus het voorrisico tegenover een benadeelde en mogelijk in strijd met (de interne strekking van) de verzekeringsovereenkomst moeten dragen, leidt het hof niet tot een ander oordeel.’

3.21.

In een enkele bron uit de literatuur wordt dit arrest zonder verdere discussie als geldend recht vermeld en wordt daaraan de conclusie verbonden dat de onvolkomenheid van het RDW-register erin bestaande dat registratie met alleen de kalenderdag plaatsvindt, voor de verzekeraar tot een ‘voorrisico’ leidt.30 Het gaat mij te ver om van een gevestigde opvatting te spreken.31 De argumenten van het arrest van het Hof Arnhem, namelijk slachtofferbescherming in algemene zin en meer specifiek het voorkomen van een zoektocht naar het ingangstijdstip van de verzekering, omdat die ten koste zou gaan van een uit (oogpunt van) slachtofferbescherming geboden voortvarende aanpak van de schaderegeling, dunken mij bovendien van beperkt gewicht.32 Benadeelden die bij de verzekeraar bot vangen, kunnen bij het Waarborgfonds terecht. Ook in de bij het Hof Arnhem aanhangige zaak was de positie van de benadeelde niet aan de orde; het betrof een procedure tussen WAM-verzekeraars onderling.

3.22.

Tegenover het arrest van het Hof Arnhem staan de vonnissen van de rechtbank in de beide onderhavige zaken. De kernoverweging van beide vonnissen luidt als volgt (rechtsoverweging 4.12 van het vonnis in de zaak Waarborgfonds/Bovemij en rechtsoverweging 4.13 van het vonnis in de zaak Waarborgfonds/Reaal):

‘Daarmee is gegeven dat het standpunt van het Waarborgfonds, te weten dat een verzekering op basis van de dagregistratie van het RDW-register terugwerkt tot 00.00 uur van de dag van registratie, niet (langer) kan worden gevolgd. Dit zou immers tot de ongewenste situatie leiden dat de bezitter van een onverzekerd motorrijtuig, die pas ná een ongeval op dezelfde dag alsnog een WAM-verzekering afsluit voor zijn motorrijtuig, feitelijk kan bepalen welke WAM-verzekeraar voor de schade opdraait. Het risico van het onverzekerd zijn van het motorrijtuig zou daarmee volstrekt willekeurig worden neergelegd bij de (achteraf) gekozen verzekeraar. De rechtbank is van oordeel dat meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van de wetgever en het systeem van de wet, wanneer in die gevallen het Waarborgfonds dient uit te keren, omdat de lasten daarmee evenredig over alle WAM-verzekeraars worden verdeeld, nu de middelen van het Waarborgfonds (in ieder geval een deel daarvan) worden opgebracht door het collectief van WAM-verzekeraars.’

Een bijkomend argument ligt besloten in rechtsoverweging 4.14 van beide vonnissen (ik citeer hierna uit het vonnis in de zaak Waarborgfonds/Bovemij, maar het vonnis in de andere zaak bevat deels hetzelfde):

‘Voor zover het Waarborgfonds zich op het standpunt stelt dat Bovemij het voorrisico eenvoudig had kunnen voorkomen door de dekking te laten ingaan op 12 juli 2013, miskent het Waarborgfonds de praktijk dat iemand met een zojuist aangeschaft motorrijtuig aan het verkeer zal (willen of moeten) deelnemen, zodat het maatschappelijk ongewenst is dat verzekeraars – om het risico te voorkomen dat zij worden aangesproken voor schade die eerder die dag is veroorzaakt – nog slechts verzekeringen zullen willen afsluiten die pas een dag later ingaan.’

3.23.

Hoe zwaarwegend dit laatste argument is, valt zonder gedragswetenschappelijk onderzoek niet vast te stellen. Ik vermoed dat het commerciële belang van verzekeraars hen zal weerhouden van een gedragslijn als door de rechtbank verondersteld. Aldus zou een verzekeraar zich immers gemakkelijk uit de markt prijzen. Alleen een collectieve koerswijziging van verzekeraars – die in verband met het mededingingsrecht niet op onderlinge afstemming zal mogen berusten – zou ertoe kunnen leiden dat een WAM-verzekering feitelijk alleen nog met ingang van de volgende kalenderdag kan worden afgesloten.

3.24.

Minder onaannemelijk dunkt mij dat verzekeraars de aanvraag van een WAM-verzekering voor een motorrijtuig waarvan het kenteken reeds langer op naam van de aspirant-verzekeringnemer staat, in het vervolg als verdacht zullen kunnen aanmerken, en voor die categorie van gevallen slechts nog bereid zullen zijn tot het aangaan van een verzekering met ingang van de volgende kalenderdag. Dat is uiteraard een veel minder ernstig effect dan door de rechtbank benoemd. Ook dát effect is intussen ongewenst, omdat het ertoe leidt dat spijtoptanten onder de onverzekerde rijders, veelal een paar uur langer zonder WAM-verzekering aan het verkeer zullen deelnemen.

3.25.

Van meer gewicht dunkt mij de overweging dat de bezitter van een onverzekerd motorrijtuig niet na een hem overkomen ongeval naar willekeur moet kunnen bepalen welke WAM-verzekeraar tegenover de benadeelden voor de schade dient op te komen. Dat zou inderdaad een willekeurige uitkomst zijn. Het wordt pas anders wanneer de verzekeraar toestemt in een verzekering die eerder dan het tijdstip van de aanvraag aanvangt (dus een verzekering met terugwerkende kracht), zoals in het geval van het arrest van 19 november 1999 (hiervoor onder 3.19). In dat geval neemt de verzekeraar het risico dat zich voorafgaand aan de aanvraag maar na het overeengekomen aanvangstijdstip van de verzekering een schadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan. Dat de verzekeringnemer die omstandigheid niet had mogen verzwijgen, regardeert op grond van art. 11 lid 1 WAM benadeelden niet.

3.26.

De bedoelde willekeurige uitkomst kan niet onder het etiket ‘voorrisico’ worden verkocht als liggend in het verlengde van het narisico van art. 13 lid 4 WAM.33 Wie dat doet vergelijkt appels met peren. Bedoeld narisico, inhoudende dat de verplichtingen van de WAM-verzekeraar jegens een benadeelde blijven bestaan voor schadeveroorzakende gebeurtenissen welke plaatsvinden binnen 16 dagen na het einde van de verzekering of de dekking, berust niet op enigerlei onvolkomenheid in de registratie, maar op een opzettelijke keuze van de wetgever.

3.27.

Bij het voorgaande onderzoek naar de in Nederland levende rechtsovertuigingen zijn de betrokken belangen reeds gedeeltelijk in beeld gekomen. De positie van benadeelden is, als gezegd, niet in het geding. Verzekeraars hebben er belang bij om niet achteraf naar willekeur te worden aangewezen als voor de schade aansprakelijk.34 En het Waarborgfonds? Uiteraard heeft dat fonds ook zijn belang, namelijk om zo min mogelijk aansprakelijk te zijn. Indien echter het fonds aansprakelijk is in een geval waarvoor het juist is bedoeld, dan is dat uiteraard niet iets wat werkelijk gewicht in de schaal legt. Welnu, er kan geen twijfel over bestaan dat het risico dat met een onverzekerd motorrijtuig aan derden schade wordt toegebracht, bij uitstek een risico is waarvoor het Waarborgfonds in het leven is geroepen.35 En afgezien van het geval van verzekering met terugwerkende kracht is van een onverzekerd motorrijtuig inderdaad sprake.

3.28.

Ik belicht de betrokken belangen nog eens vanuit het perspectief van het rechtsbeginsel van bescherming tegen rechtsschijn.36 Algemeen aanvaard is in dat verband het zogenaamde Veranlassungsprinzip,37 volgens welke bescherming tegen rechtsschijn plaatsvindt indien de partij ten koste van wie die bescherming gaat, de schijn door haar doen of nalaten in het leven heeft geroepen. Op zichzelf is het waar dat de rechtsschijn die, zo men wil,38 van het RDW-register uitgaat, mede naar aanleiding van de melding van het sluiten van de verzekering door Bovemij respectievelijk Reaal is ontstaan. De crux is echter de onvolkomenheid in de wijze waarop het register thans is georganiseerd, namelijk met een registratie op alleen de kalenderdag. Dat is iets wat Bovemij noch Reaal kan worden verweten. Ook zie ik niet in waarom die onvolkomenheid volgens de in het verkeer geldende opvattingen voor hun rekening zou moeten komen. Waar benadeelden tegen de rechtsschijn die van het RDW-register uitgaat niet worden beschermd, is er het vangnet van het Waarborgfonds.39 Dat past bij de doelstelling van dat fonds.

3.29.

Nog wat anders gezegd: de onvolkomenheid in de wijze waarop het RDW-register thans is ingericht, is een collectief probleem en daarbij past dat het daaraan verbonden nadeel ook collectief wordt gedragen.40

3.30.

Ook heb ik weinig twijfel over de vraag waar een (voor de hand liggende) modernisering van de systematiek van het RDW-register toe zal leiden. Zo’n modernisering zal hoogstwaarschijnlijk voorzien in de vermelding van het uur en de minuut van het sluiten van de verzekering, met als gevolg dat in dit soort gevallen niet de WAM-verzekeraar en wel het Waarborgfonds aansprakelijk zal zijn. Het komt voor dat geldend recht tot een andere uitkomst leidt dan wenselijk recht. Waar die andere uitkomst onnodig is, zouden we daarvoor echter niet moeten kiezen.

3.31.

Ik kies dus met overtuiging voor de lezing volgens welke de regel van art. 13 lid 7 WAM in gevallen als in de beide onderhavige zaken aan de orde, niet van toepassing is, omdat het register, juist nu het alleen de kalenderdag van het sluiten van de verzekering vermeldt, niet uitwijst of de verzekeraar ten tijde van de – op dezelfde kalenderdag plaatsgevonden – schadeveroorzakende gebeurtenis reeds de WAM-verzekeraar van het motorrijtuig was.

3.32.

Met de vraagstelling onder V en VI benoemt het Gerechtshof Den Haag de mogelijkheid van nuanceringen voor het geval dat de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis ter zake van een ánder motorrijtuig bij de verzekeraar wel reeds een WAM-verzekering had lopen, dan wel naargelang de verzekeraar tegenover de benadeelde staat of tegenover het Waarborgfonds. Voor dergelijke nuanceringen voel ik niet. Ze zouden de hiervoor bepleite lezing van art. 13 lid 7 WAM danig compliceren, zonder dat ik daarvoor enig overtuigend argument kan ontwaren.

3.33.

In dit verband merk ik nog op dat art. 25 lid 4 WAM ertoe zal kunnen leiden dat een verzekeraar de schade aan de benadeelde dient te vergoeden, ook al is hij volgens hetgeen ik hiervoor heb bepleit niet aansprakelijk, met de mogelijkheid om vervolgens verhaal te namen op het Waarborgfonds.41 Dit zal zich ook nadat uw Raad op de onderhavige prejudiciële vragen in de door mij verdedigde wijze antwoord heeft gegeven, kunnen voordoen, namelijk in het geval dat de juistheid van het standpunt van de verzekeraar omtrent het tijdstip waarop de verzekering is ingegaan door het Waarborgfonds wordt bestreden.

3.34.

Volledigheidshalve vermeld ik ook in het verband van de uitleg van art. 13 lid 7 WAM nog iets over de situatie in België.42 Het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds houdt ex art. 19bis lid 6 van de Belgische Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen een register bij waarin de identificatiegegevens van ingeschreven voertuigen zijn vastgelegd mét de nummers van de verzekeringspolissen waardoor het gebruik van die voertuigen wordt gedekt, alsmede, indien de polis is verstreken, de datum waarop de dekking is geëindigd.43 Een bepaling vergelijkbaar met ons art. 13 lid 7 WAM kent het Belgische recht niet. Enig aanknopingspunt voor een beroep door een benadeelde op geregistreerde gegevens omtrent het aanvangstijdstip van de verzekering, is er in België dus niet.44 De inhoud van de verzekeringsovereenkomst is daarom bepalend. Die inhoud kán zijn dat de verzekeraar mede een voorrisico dekt,45 maar zo niet, dan geldt de verzekering – ook ten opzichte van de benadeelde – vanaf het moment van haar totstandkoming.

3.35.

Voordat ik tot een afronding kom, behoeft één kwestie nog bespreking, namelijk of het zinvol of zelfs noodzakelijk is dat uw Raad op zijn beurt prejudiciële vragen stelt aan het Benelux-Gerechtshof, dan wel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, voordat hij de door het Gerechtshof Den Haag gestelde prejudiciële vragen beantwoordt.

3.36.

Art. 11 lid 1 WAM berust op de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, namelijk op art. 11 § 1 van die bepalingen. De vragen die betrekking hebben opart. 11 lid 1 WAM vallen dus in beginsel binnen het bereik van art. 6 leden 2 en 3 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof. Vraag IV is met het arrest Aegon/Waarborgfonds echter mijns inziens reeds beantwoord (hiervoor onder 3.3), klaarblijkelijk omdat uw Raad meende dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vragen van uitleg in de zin van art. 6 lid 4 onder 1º van het verdrag. Mijns inziens geldt hetzelfde voor vraag III (vergelijk hiervoor 3.5).

3.37.

Art. 13 lid 7 WAM berust niet op de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De vragen die op art. 13 lid 7 WAM betrekking hebben, kunnen dus geen aanleiding geven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof.

3.38.

Art. 11 lid 1 WAM en art. 13 lid 7 WAM berusten in ieder geval niet rechtstreeks op een EU-richtlijn. Mijns inziens is ook niet om een andere reden een vraag van uitleg van een EU-richtlijn aan orde. Ik licht dat als volgt toe.

3.39.

Thans geldt Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (hierna: de Richtlijn),46 die vijf eerdere richtlijnen vervangt.47 Deze Richtlijn en de voorafgaande richtlijnen hebben betrekking op een veelheid van onderwerpen, onder meer ook op de afwezigheid van grenscontroles op motorrijtuigenverzekeringen, het bestaan van en de toegang tot een waarborgfonds, de gevallen waarin een verzekeringsplicht geldt, de omvang van de verzekeringsdekking waaronder die in de andere lidstaten van de Unie (dan de staat waar het motorrijtuig is geregistreerd) en de schadeafwikkeling (met een regeling van onder meer de figuur van de schaderegelaar en de instelling van een schadevergoedingsorgaan en een informatiecentrum).

3.40.

De Richtlijn voorziet in art. 18 in een rechtstreeks vorderingsrecht voor benadeelden tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van het motorrijtuig. Een bepaling die de verzekeraar tegenover benadeelden beperkt in zijn beroep op nietigheden, verweren of gronden van verval trof ik in de Richtlijn echter niet aan.48

3.41.

Op de registratie van een voor het motorrijtuig afgesloten aansprakelijkheidsverzekering heeft uitsluitend betrekking art. 23 van de Richtlijn. Die bepaling houdt de verplichting voor de lidstaten in tot de oprichting of erkenning van een informatiecentrum dat een benadeelde in staat moet stellen schadevergoeding te eisen. In dat verband geeft het eerste lid van art. 23 van de Richtlijn de lidstaten de keuze tussen een door het informatiecentrum bij te houden register en een beperktere rol voor dat centrum, namelijk die van coördinatie van de verzameling en de verspreiding van informatie. Tot de in het register te vermelden informatie respectievelijk tot de gecoördineerd te verzamelen en verspreiden informatie behoren de inschrijfnummers van de motorrijtuigen die gewoonlijk op het grondgebied van de betreffende lidstaat zijn gestald en de nummers van de verzekeringspolissen waardoor het gebruik van deze voertuigen wordt gedekt, alsmede, indien de polis is verstreken, de datum waarop de dekking is geëindigd. In de Richtlijn trof ik geen bepaling aan omtrent de registratie van het aanvangsmoment van de verzekeringsdekking en evenmin iets omtrent het beroep dat benadeelden tegenover een verzekeraar eventueel zouden kunnen doen op bij het informatiecentrum geregistreerde gegevens.49

3.42.

Uit het voorgaande volgt dat noch wat betreft art. 11 lid 1 WAM noch wat betreft art. 13 lid 7 WAM een vraag van uitleg van de Richtlijn aan de orde is. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bestaat dus geen aanleiding.

4 Beantwoording van de prejudiciële vragen

4.1.

Naar uit het voorgaande volgt, meen ik dat de prejudiciële vragen als volgt dienen te worden beantwoord:

I. In geen van beide zaken is sprake van een geval waarin ‘de registratie ten onrechte is geschied’ in de zin van art. 13 lid 7 WAM (hiervoor onder 3.16).

II. De in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar kan aan benadeelden tegenwerpen dat hij weliswaar voor een later gedeelte van de eerste registratiedag de verzekeraar is, maar niet vanaf de aanvang van die dag en niet ten tijde van het ongeval (hiervoor onder 3.31).

III. Artikel 11 lid 1 WAM staat daaraan niet in de weg (hiervoor onder 3.5).

IV. Artikel 11 lid 1 WAM staat er wel aan in de weg dat de in het RDW-register opgenomen WAM-verzekeraar aan benadeelden tegenwerpt dat bij het aangaan van de verzekering geen sprake was van een ‘onzeker voorval’ in de zin van art. 7:925 lid 1 BW (hiervoor onder 3.3), maar dat raakt de beantwoording van de voorgaande vragen niet.

V. De beantwoording van de voorgaande vragen verschilt niet naar gelang:

 de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis een WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van een ander motorrijtuig dan waarmee de schade is veroorzaakt en na het ongeval op verzoek van de verzekeringnemer wijziging van het verzekerde motorrijtuig plaatsvindt zodat het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt, wordt verzekerd

dan wel

 de verzekeringnemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis geen WAM-verzekering bij dezelfde verzekeraar heeft ter zake van enig motorrijtuig (hiervoor onder 3.32).

VI. Het maakt voor de beantwoording van de voorgaande vragen ook geen verschil of de verzekeraar tegenover een benadeelde staat of tegenover het Waarborgfonds (hiervoor onder 3.32 en 3.33).

4.2.

Uiteraard zal uw Raad een of meer van de gestelde vragen eventueel gezamenlijk kunnen beantwoorden. Gelet op de beantwoording van de andere vragen, bestaat mijns inziens strikt genomen geen belang bij de beantwoording van de vragen I en IV.

5 Conclusie

Deze conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen in de zojuist bedoelde zin.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2017 onder 2.1 sub i-xi.

2 Zie het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2017 onder 2.1 sub a-i.

3 Zie het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2017 onder 2.2.

4 Reglement prejudiciële vragen van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden, Stcrt. 4 juni 2012, nr. 10675.

5 Bijlage bij de MvT, Kamerstukken II, 1960-’61, 6342, nr. 4, p. 7. In vrijwel dezelfde bewoordingen luidt de MvT, Kamerstukken II, 1960-’61, 6342, nr. 3, p. 11.

6 T.a.p.

7 Alles MvT, Kamerstukken II, 1960-’61, 6342, nr. 3, p. 12.

8 MvA II, Kamerstukken II, 1962-’63, 6342, nr. 6, p. 10.

9 BenGH 19 februari 1988, ECLI:NL:XX:1988:AD0202, NJ 1988/677.

10 BenGH 17 december 1992, ECLI:NL:XX:1992:AD6478, NJ 1993/200 (Lambert/Vos), BenGH 15 februari 1988, ECLI:NL:XX:1988:AC9375, NJ 1988/607 m.nt. W.C.L. van der Grinten en HR 3 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC4026, NJ 1988/806 (Goudse/Winterthur)

11 HR 15 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB4854, NJ 1967/438 m.nt. C.J. Enschedé.

12 Bedoeld verweer is in essentie hetzelfde verweer als een beroep op nietigheid ex art. 269 K (oud), welke nietigheid binnen het bereik van de regel van art. 11 lid 1 WAM viel: HR 19 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA1054, NJ 2000/116 m.nt. M.M. Mendel (Aegon/Waarborgfonds).

13 Zie art. 11 § 1 Gemeenschappelijke bepalingen.

14 Zie art. 12 § 1 Gemeenschappelijke bepalingen.

15 MvT, Kamerstukken II, 1960-’61, 6342, nr. 3, p. 14.

16 In verband met de gemeenschappelijke wortels in de Gemeenschappelijke bepalingen kan mijns inziens de huidige stand van het Belgische recht een oriëntatiepunt zijn voor de beantwoording van de voorliggende vragen. Met betrekking tot de inhoud en werking van het Belgische recht stelde ik enkele vragen aan prof. dr. M. Kruithof van de Universiteit Gent. Prof. Kruithof had uiteraard geen inzage in het procesdossier. Op praktische gronden zag ik af van een vergelijkbaar onderzoek naar de inhoud en werking van het Luxemburgse recht.

17 Cass. 11 oktober 2000, P.00.0576.F, nr. 538, Pas. 2000, 1520, Arr.Cass. 2000, 1553: ‘Overwegende dat het eigen recht dat (…) de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, aan de benadeelde toekent tegen de verzekeraar van de veroorzaker van een ongeval, ondergeschikt is aan het bestaan van een verzekering op het ogenblik van het ongeval’. In die zin reeds Cass. 18 januari 1962, Pas. 1962, 578; Cass. 15 mei 1962, Pas. 1962, 1041: ‘Attendu que le droit propre contre l’assureur […] est subordonné à l’existence d’une assurance au moment du sinistre’. Vergelijk ook Cass. 22 mei 1967, Arr.Cass. 1967, 1124: ‘overwegende dat de in [dat] artikel (…) bedoelde excepties die zijn welke de verzekeraar aan een bestaande verzekeringsovereenkomst kan ontlenen om zich van zijn verplichtingen tegenover de verzekerde te bevrijden, maar geenszins die welke het bestaan zelve van de overeenkomst (…) tot voorwerp hebben; Dat immers het eigen recht (…) het bestaan van een verzekering onderstelt en dat de verzekeraar, tegen wie de benadeelde zijn rechtstreekse vordering instelt, aan deze kan tegenwerpen dat het contract waarop hij zich beroept het litigieuze risico niet dekt’. Zie ook P. Colle, Handboek Bijzondere Gereglementeerde Verzekeringscontracten, Antwerpen: Intersentia 2015, nr. 232, p. 163.

18 L. Simont, L’action directe de la victime d’un accident d’automobile contre l’assureur du propriétaire de celle-ci, Revue critique de jurisprudence belge 1962, 465-488, nr. 19, p. 477.

19 Waarmee niet is gezegd dat de bedoelde registratie ook thans nog een zuiver nationale kwestie is. Vergelijk hetgeen onder 3.41 wordt gezegd over art. 23 Richtlijn 2009/103/EG.

20 MvA II, Kamerstukken II, 1962-’63, 6342, nr. 6, p. 10.

21 MvT, Kamerstukken II, 1976-’77, 14281, nr. 3, p. 10-11.

22 Stb. 1983, 614.

23 MvT, Kamerstukken II, 1976-’77, 14281, nr. 3, p. 12.

24 MvT, Kamerstukken II, 1976-’77, 14281, nr. 3, p. 13.

25 MvT, Kamerstukken II, 1976-’77, 14281, nr. 3, p. 20.

26 Ik veronderstel dat zonder zodanige verzwijging verzekeraars in het algemeen niet bereid zullen zijn om de verzekering aan te gaan.

27 Ik merk nog op dat de zojuist bedoelde uitleg uitsluitend de verplichtingen van de WAM-verzekeraar ten opzichte van benadeelden betreft. In de verhouding van de verzekeraar tot de verzekeringnemer blijft staan dat, indien partijen geen terugwerkende kracht van de verzekering zijn overeengekomen, de dekking eerst op het tijdstip van het sluiten van de verzekering is ingegaan. Achten wij op grond van de hier bedoelde uitleg de verzekeraar ten opzichte van benadeelden aansprakelijk, dan kan deze vervolgens overeenkomstig art. 15 WAM op de verzekeringnemer verhaal nemen. Vergelijk ook noot 34.

28 HR 19 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA1054, NJ 2000/116 m.nt. M.M. Mendel (Aegon/Waarborgfonds).

29 Hof Arnhem 30 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BS1086, JA 2011/182.

30 H.J.J. de Bosch Kemper & R. Gruben, De WAM in werking: 50 jaar jurisprudentie, Kluwer: Deventer 2015, paragraaf 2.4.2. Dezelfde H.J.J. de Bosch Kemper laat zich in dezelfde zin uit in Handboek Personenschade, nr. 2120.8. Op de eerstvermelde plaats wordt als inmiddels achterhaald genoemd Hof ’s-Gravenhage 11 november 1976, NJ 1977/428, VR 1977/70, in welke zaak het hof besliste dat geen gewoonteregel bestaat dat een WAM-verzekering ingaat te 00.00 uur van de dag waarop zij is aangemeld. Dit laatste dunkt mij zonder meer terecht. In 1976 bestond de regel van art. 13 lid 7 WAM nog niet en het arrest van het Hof ’s-Gravenhage had daarop dus geen betrekking.

31 In de overige literatuur met betrekking tot de WAM vind ik geen aanwijzingen voor een gevestigde opvatting. C.P. Robben, De action directe en de Wet aansprakelijkheid motorrijtuigen, diss. KU Brabant, Maklu: Apeldoorn/Antwerpen 1993, p. 180-181 bespreekt de vraag aarzelend. R.Ph. Elzas, T&C Verzekeringsrecht, commentaar op art. 13 WAM bespreekt de kwestie niet.

32 Zoals ook onder ogen wordt gezien door H.J.J. de Bosch Kemper, Handboek Personenschade, nr. 2120.8.

33 Zoals lijkt te gebeuren door H.J.J. de Bosch Kemper en R. Gruben op de in noot 30 aangehaalde plaatsen.

34 Ook al is ex art. 15 WAM vervolgens regres op de verzekeringnemer mogelijk. In de verhouding tot de verzekeringnemer kan de verzekeraar zich immers wél op het ingangstijdstip van de verzekering en/of op verzwijging beroepen (art. 11 lid 1 WAM geldt alleen in de verhouding tot benadeelden). Naar valt aan te nemen, zal de verzekeringnemer veelal geen en mogelijk zelden volledig verhaal bieden.

35 Naast onder meer het risico dat niet kan worden achterhaald met welk motorrijtuig de schade is veroorzaakt, bijvoorbeeld in het geval dat de veroorzaker na een ongeval is doorgereden.

36 B.W.M. Nieskens-Isphording & A.E.M. van der Putt-Lauwers, Derdenbescherming, Mon. Nieuw BW A22, Kluwer: Deventer 2002, nr. 1 e.v.

37 Fundamentele beschouwingen bij C.W. Canaris, Die Vertrauenshaftung im deutschen Privatrecht, C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung: München 1971, p. 473 e.v.

38 Mijns inziens is die schijn reeds niet zeer sterk, omdat uitgaande van registratie op alleen de kalenderdag, een goed geïnformeerde raadpleger van het RDW-register daaruit niet zal durven af te leiden dat het motorrijtuig ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis reeds verzekerd was. Die goed geïnformeerde raadpleger zal op grond van de omstandigheid dat de verzekering is ingegaan op dezelfde kalenderdag als waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond, mogelijk zelfs het tegendeel vermoeden.

39 Dat volgens art. 26 lid 5 WAM de aansprakelijkheid van het Waarborgfonds een subsidiair karakter draagt, is mijns inziens geen zelfstandig argument voor een extensieve opvatting van de aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar.

40 Het Waarborgfonds wordt opgebracht door de gezamenlijke WAM-verzekeraars. Zie art. 24 WAM.

41 Hetgeen door mr. Streefkerk in zijn schriftelijke opmerkingen onder 2.21-2.23 in andere zin wordt opgemerkt, acht ik niet overtuigend.

42 Vergelijk hiervoor voetnoot 16.

43 Vergelijk de hierna (onder 3.41) te bespreken bepaling van art. 23 lid 1 Richtlijn 2009/103/EG.

44 Ik zie in dit verband af van een bespreking van de relevantie van de gegevens zoals vermeld op de zogenaamde ‘groene kaart’, zoals die ook in België bestaat. Op de groene kaart wordt in de onderhavige zaken geen beroep gedaan.

45 In België aangeduid als ‘anterioriteitsdekking’.

46 PbEU L263/11.

47 Namelijk: Richtlijn 72/166/EEG van 24 april 1972 (PbEG L103/3), gerectificeerd bij Richtlijn 72/430/EEG van 19 december 1972 (PbEG L75/30); Richtlijn 84/5/EEG van 30 december 1983 (PbEG L8/19); Richtlijn 90/232/EEG van 14 mei 1990 (PbEG L129/33); Richtlijn 2000/26/EG van 16 mei 2000 (PbEG L181/65); Richtlijn 2005/14/EG van 11 mei 2005 (PbEU L149/17).

48 Vergelijk met betrekking tot het rechtstreekse vorderingsrecht voor benadeelden ook de considerans van de Richtlijn onder 30 en 36.

49 Vergelijk met betrekking tot de registratie van afgesloten verzekeringen ook de considerans van de Richtlijn onder 42 en 43.