Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1212

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
15/02927
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2814, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Hof heeft t.a.v. in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen de bewaring gelast teneinde het OM in de gelegenheid te stellen deze voorwerpen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot o.a.h.v. in te dienen. Beslissing ex art. 353 Sv? HR: art. 80a RO. CAG: Hof heeft miskend dat de in art. 353 Sv vooropgestelde hoofdregel meebrengt dat het Hof de teruggave van voorwerpen had dienen te gelasten, tenzij het Hof van oordeel was dat het aannemelijk is dat verdachte geen recht heeft op de voorwerpen. Hof had dienen te onderzoeken of aannemelijk is dat verdachte al dan niet als rechthebbende op de dozen met anabole steroïden en hormonen kan gelden. Geen belang bij cassatie, aangezien Hof met zijn beslissing het beslag niet heeft geëindigd en een belanghebbende - zoals verdachte - een klaagschrift kan indienen strekkende tot teruggave aan hem van de in beslag genomen voorwerpen. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1444.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02927

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1444 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 3 juni 2015 de verdachte ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde feit (witwassen) ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft het hof de aan de verdachte opgelegde straf voor de overigens niet aan zijn oordeel onderworpen feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met onttrekking aan het verkeer, teruggave en bewaring van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.1

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, ten aanzien van de in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen de bewaring heeft gelast teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen deze voorwerpen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen, terwijl het hof heeft vastgesteld dat deze voorwerpen op grond van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

4. De stukken van het geding houden ten aanzien van de procesgang het volgende in:

(i) De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 7 februari 2008 de verdachte ter zake van zeven feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met onttrekking aan het verkeer en teruggave van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het vonnis omschreven. Ten aanzien van de in totaal vier dozen met anabole steroïden en hormonen (nummers 1414B en 67 op de beslaglijst) heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen.

(ii) Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 mei 2012 de verdachte wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 4. “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oud), voor te bereiden of te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, of om daarbij behulpzaam te zijn, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 5. “overtreding van artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (oud), terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd” en “overtreding van artikel van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd”, 6. “witwassen” en 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en acht maanden, met onttrekking aan het verkeer, teruggave en bewaring van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Ten aanzien van de vier dozen met anabole steroïden en hormonen (nummers 1414B en 67 op de beslaglijst) heeft het hof de bewaring gelast teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen deze goederen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen.

(iii) De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1444 de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2012 vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 6 ten laste gelegde en de strafoplegging, de zaak teruggewezen naar dit hof teneinde in zoverre op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.

(iv) Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 juni 2015 (de bestreden uitspraak) de verdachte ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde feit ontslagen van alle rechtsvervolging, de straf voor de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en drie maanden, met onttrekking aan het verkeer, teruggave en bewaring van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest omschreven.

5. Ten aanzien van de vier dozen met anabole steroïden en hormonen (nummers 1414B en 67 op de beslaglijst) heeft het hof de bewaring gelast teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen deze voorwerpen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen. Het hof heeft daartoe onder “beslag” het volgende overwogen:

“Van de in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen (zie de nummers 1414B en 67 op de aan dit arrest gehechte beslaglijst) zal het hof de bewaring gelasten. Naar het oordeel van het hof kunnen deze goederen niet worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer op grond van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, zodat deze voorwerpen aan verdachte zouden moeten worden teruggegeven. Gelet echter [op het feit dat het ongecontroleerde bezit van deze goederen; AG] onder omstandigheden in strijd met de wet en/of het algemeen belang [kan; AG] worden geacht, zal het hof de bewaring van deze goederen gelasten teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen deze goederen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen.”

6. Het ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep toepasselijke art. 353 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,

a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;

b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of

c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.”

7. Bij wet van 5 april 1995 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten inzake de bewaring en de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen (Stb. 1995, 698) is art. 353 Sv gewijzigd.2 De memorie van toelichting3 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt ten aanzien van de achtergrond van deze wetswijziging het volgende in:

“Dat betekent dat weliswaar nog steeds gezegd kan worden dat teruggave aan de beslagene de hoofdregel is, maar dat een uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin die teruggave onredelijke gevolgen zou hebben. Daarnaast dient beter te zijn verzekerd dat de duur van het beslag en de daaruit voortvloeiende noodzaak voorwerpen ter bewaring op te slaan, zoveel mogelijk worden beperkt.

(…)

In het voorgestelde artikel 353, tweede lid, Sv wordt dan ook bepaald dat ook de rechter bevoegd is de teruggave te gelasten aan degene die redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. Daarnaast is ook voor de rechter de mogelijkheid geopend te bepalen dat inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende zullen worden bewaard, indien deze op het moment van zijn beslissing nog niet bekend is.

(…)

- Mogelijke beslissingen van de rechtbank (art. 353, tweede lid, Sv)

In de aanhef van de bepaling wordt verwezen naar artikel 351 dat op de beslissing tot verbeurdverklaring respectievelijk onttrekking aan het verkeer betrekking heeft. In die gevallen is met die beslissingen tevens over de inbeslaggenomen voorwerpen beslist en zijn de in dit artikellid genoemde mogelijkheden niet meer aan de orde.

De onder a-c genoemde beslissingsalternatieven sluiten aan bij artikel 116. Met deze nieuwe voorziening kan zich niet meer het geval voordoen dat de rechter, om niet te behoeven terug te geven aan degene die naar zijn oordeel geen recht heeft op het voorwerp, afziet van het nemen van enige beslissing op dit punt. In dat geval kan hij immers de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten. De mogelijkheid hiertoe te beslissen brengt ook mee, dat aan de voorziening van het geldende tweede lid: het niet in staat verklaren tot het nemen van een beslissing, geen behoefte meer bestaat.”

8. Op grond van art. 351 Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, kan het hof de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer bevelen van in beslag genomen voorwerpen indien aan de toepasselijke wettelijke vereisten is voldaan. Voor de bijkomende straf van verbeurdverklaring brengt dit mee dat moet zijn voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 33 en 33a Sr, kort samengevat inhoudende dat er sprake is van een veroordeling wegens een strafbaar feit en de voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Voor de maatregel van onttrekking aan het verkeer dient te zijn voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 36b, 36c en 36d Sr, te weten dat is vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan en dat de voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Uit de omstandigheid dat er bij verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer sprake is van de oplegging van een straf of maatregel volgt dat het belang van strafvordering zich dan verzet tegen de teruggave van de voorwerpen aan de verdachte.4

9. Wanneer het hof een beslissing heeft genomen over één van de hoofdvragen van art. 350 Sv maar daarbij niet de verbeurdverklaring of de onttrekking van het verkeer van de met toepassing van art. 94 Sv in beslag genomen voorwerpen heeft uitgesproken, dienen deze voorwerpen in beginsel overeenkomstig art. 353, tweede lid, onder a, Sv te worden teruggegeven aan de verdachte (de beslagene). Indien er een ander is die redelijkerwijs als rechthebbende op die voorwerpen kan worden aangemerkt kan er een uitzondering worden gemaakt op deze hoofdregel. In dat geval worden de voorwerpen op de voet van art. 353, tweede lid, onder b, Sv aan die ander teruggegeven. Het staat het hof evenwel vrij om overeenkomstig art. 353, tweede lid, onder c, Sv de bewaring van die voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende te gelasten indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op de voorwerpen en er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De beslissingen van art. 353, tweede lid, Sv komen pas aan de orde indien het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.5

10. In zijn hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat het de bewaring van de in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen gelast teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen deze voorwerpen aan de rechtmatige eigenaar terug te geven dan wel zelfstandig een vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen.

11. Door aldus te overwegen heeft het hof ten aanzien van de in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen het voorafgaande toetsingskader miskend. Aangezien het hof heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan de wettelijke bepalingen voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, brengt de in art. 353 Sv vooropgestelde hoofdregel mee dat het hof de teruggave van die voorwerpen aan de verdachte had dienen te gelasten, tenzij het hof van oordeel was dat het aannemelijk is dat de verdachte geen recht heeft op de voorwerpen. De omstandigheid dat het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen onder bepaalde omstandigheden in strijd met de wet en/of het algemeen belang kan zijn, in welk geval de voorwerpen vatbaar zouden kunnen zijn voor onttrekking aan het verkeer, maakt dat niet anders. Het hof heeft immers vastgesteld dat dit ten tijde van de bestreden uitspraak niet het geval was. Het hof had dan ook zelf de knoop moeten doorhakken. Het belang van strafvordering verzette zich op dat moment niet meer tegen de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. Het hof had dienen te onderzoeken of aannemelijk is dat de verdachte al dan niet als rechthebbende op de dozen met anabole steroïden en hormonen kan gelden. Van zodanig onderzoek is evenwel niet gebleken.6

12. In verschillende arresten heeft de Hoge Raad het verzuim op de voet van art. 353 Sv te beslissen over het beslag genoemd als een geval waarin de toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt.7 De gedachte is dat de verdachte in een dergelijk geval klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien hij binnen de in art. 552a, derde lid, Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv schriftelijk kan beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen.8Dat geldt ook in een situatie waarin de strafrechter de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast. In de strafzaak die heeft geleid tot een uitspraak van 14 juni 20119 had het hof bij onherroepelijk geworden arrest de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van het in beslag genomen geldbedrag. Het hof had vervolgens de klager, die was vrijgesproken van witwassen van geldbedragen en was veroordeeld ter zake van opzetheling, niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag strekkende tot teruggave aan hem van in zijn strafzaak in beslag genomen geldbedragen. De Hoge Raad casseerde. Daarbij nam hij in aanmerking dat door deze beslissing in de strafzaak het beslag nog niet was geëindigd. Zolang het beslag niet is geëindigd, kan een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van de in beslag genomen voorwerpen. De klager, die stelde rechthebbende op het geldbedrag te zijn, had belang bij zijn beklag. Het hof had hem dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn beklag verklaard.

13. In het licht van het voorafgaande, meen ik dat het middel in de onderhavige zaak strandt op het ontbreken van voldoende belang. Het hof heeft weliswaar niet verzuimd een beslissing te nemen ten aanzien van de in beslag genomen dozen met anabole steroïden en hormonen, maar heeft het beslag met zijn beslissing niet geëindigd. Door de bewaring blijft het beslag immers in stand. Daardoor is niet uitgesloten dat een belanghebbende - zoals de verdachte - een klaagschrift indient strekkende tot teruggave aan hem van de in beslag genomen voorwerpen.10 Om die reden is er geen grond de klager in een op die voorwerpen betrekking hebbende beklagprocedure niet‐ontvankelijk in zijn beklag te verklaren.11

14. Dat brengt mee dat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verkorte arrest niet tijdig met de bewijsmiddelen heeft aangevuld en dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

16. Namens de verdachte is op 16 juni 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 14 september 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden en dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft. Het middel is op zichzelf terecht voorgesteld. Nu een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling evenwel geen klacht inhoudt die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt en naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts een middel is voorgesteld dat aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staat, meen ik dat de toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt.12

17. Ook het tweede middel strandt.

18. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2014, nr. 12/03065 (niet gepubliceerd, art. 81 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn) uitspraak gedaan. Ook in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2014, nr. 13/03329 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend) uitspraak gedaan.

2 Inwerkingtreding op 1 januari 1996 (Stb. 1995, 698).

3 Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 3, 6 en 19 (Stb. 1995, 254).

4 Vgl. J. Wöretshofer in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 1 en 4 bij art. 353 Sv (bijgewerkt tot 1 mei 1997).

5 Vgl. HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9114, NJ 2006/164, rov. 4.6, HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785, rov. 3.6, HR 29 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5650 NJ 2003/19, rov. 3.7 en J. Wöretshofer in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 1 en 4 bij art. 353 Sv (bijgewerkt tot 1 mei 1997).

6 Vgl. HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785, rov. 3 en HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9398, NJ 2011/434, rov. 3. Vgl. voorts voor toepassing van art. 353, tweede lid, onder c, Sv: HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:475 (art. 81 RO).

7 Vgl. onder meer HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.3.

8 Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.3.

9 Zie HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667, NJ 2011/284.

10 Vgl. HR 31 maart 2009, JOW 2009/44, NS 2009/167.

11 Vgl. voor gevallen waarin de klager niet-ontvankelijk was in zijn beklag, nadat de strafrechter een beslissing had genomen ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp: HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5840, HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5838, HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834, NJ 2012/269, HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637, HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, NJ 2008/53 en HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3560.

12 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.2 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.4.