Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1211

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-09-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
16/01071
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2813, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding wettelijk strafmaximum bij overtreding van art. 5 WVW 1994 (veroorzaken van gevaar of hinder op de weg), art. 177.1.a (oud) WVW 1994. De aan verdachte t.z.v. het bewezenverklaarde opgelegde hechtenis van 3 maanden is i.s.m. de wet. Ex art. 177.1.a (oud) WVW 1994 wordt overtreding van art. 5 WVW 1994 gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of geldboete van de 2e categorie. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01071

Zitting: 19 september 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 februari 2016 door het hof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 3 (drie) maanden en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt erover dat verdachte is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van drie maanden, terwijl de wettelijke strafbedreiging ten hoogste twee maanden bedraagt.

  4. Ingevolge het eerste lid van art. 177 (oud) Wegenverkeerswet1 wordt overtreding van artikel 5 gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden.

5. Het bewezenverklaarde gedrag is uiteenlopend: (kort gezegd) rijden met te hoge snelheid, oversteken van kruisingen met onverminderde snelheid, afslaan zonder richting aan te geven, negeren van roodlicht uitstralende verkeerslichten, rijden tegen een verkeerslicht en afwisselend zowel links als rechts inhalen in een zigzaggende beweging van meerdere auto’s. Door die gedragingen is zowel gevaar op de weg veroorzaakt als verkeer op de weg gehinderd. De gedragingen vonden volgens de bewezenverklaring plaats te Eindhoven op 2 december 2014. De bewezenverklaarde plaats is nader gespecificeerd: de bewezenverklaring bevat 11 straatnamen. Bij deze stand van zaken is het niet uitgesloten de bewezenverklaarde overtredingen te kwalificeren als meermalen gepleegd. In dat geval zou voor elke overtreding zonder vermindering straf kunnen worden opgelegd (art. 62 Sr). De per overtreding opgelegde straffen kunnen tezamen de twee maanden uiteraard overstijgen.

6. Het arrest bevat geen aanknopingspunt om het zo te lezen dat het hof van overtreding van art. 5 WVW 1994 ‘meermalen gepleegd’ is uitgegaan. Ik wijs op de kwalificatie als hierboven vermeld onder 1 en op de in het bestreden arrest vermelde toegepaste wetsartikelen waarbij geen samenloopbepaling is opgenomen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat het hof de overtreding van art. 5 WVW 1994 heeft bestraft met een straf die hoger is dan het toepasselijke strafmaximum.

7. De vraag rijst of ondanks het geconstateerde gebrek de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door een straf van twee maanden op te leggen. In de schriftuur wordt terecht aandacht gevraagd voor enkele beslissingen van de Hoge Raad. In een arrest uit 20062 was de verdachte veroordeeld ter zake van "overtreding van artikel 51, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd." De Hoge Raad overwoog:

“4.2. De strafmotivering houdt het volgende in:

"Verdachte heeft tot twee maal toe opzettelijk voor het aanvragen van een kentekenbewijs een onjuist adres van de kentekenhouder opgegeven. Verdachte heeft aldus opsporing en vervolging krachten de Wegenverkeerswet 1994 gefrustreerd en heeft bovendien overlast bezorgd aan de bewoners van genoemd - onjuist - adres, nu op dat adres vele bekeuringen zijn binnengekomen die niet voor die bewoners waren bestemd. Hiervoor is slechts de - in voorwaardelijke vorm op te leggen - maximaal toepasselijke vrijheidsstraf - te weten een gevangenisstraf van 4 maanden - een adequate bestraffing."

Blijkens het dictum heeft het Hof de verdachte evenwel veroordeeld tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

4.3. Ingevolge art. 176, derde lid, (oud) WVW 1994 in verbinding met art. 57 Sr kan voor de onderhavige feiten een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden worden opgelegd. Het Hof heeft derhalve het wettelijk strafmaximum overschreden. Het bestreden arrest kan daarom wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.

4.4. In aanmerking genomen dat het Hof blijkens zijn strafmotivering kennelijk van oordeel was dat de maximumstraf - in voorwaardelijke vorm - te dezen passend is, zal de Hoge Raad de door het Hof begane misslag herstellen in dier voege dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.”

8. In een zaak uit 20163 had het hof een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd terwijl met toepassing van de samenloopregeling het strafmaximum acht maanden bedroeg. Mijn ambtgenoot Spronken concludeerde4 dat de klacht slaagde, maar meende dat de Hoge Raad de zaak zelf zou kunnen afdoen en wees daarbij op de beslissing van de raadkamer van het hof om de verdachte na het ondergaan van acht maanden voorarrest in vrijheid te stellen. Ze schreef: “Blijkens de genoemde beschikking heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 25 maart 2015 zes maanden in voorarrest had gezeten. Het hof heeft vervolgens de voorlopige hechtenis met ingang van 25 mei 2015 opgeheven. Ik leid hieruit (het impliciete oordeel) af dat het hof een gevangenisstraf van 8 maanden gepast achtte. Op grond daarvan meen ik dat de Hoge Raad de zaak zelf zal kunnen afdoen door voor de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden een gevangenisstraf van acht maanden in de plaats te stellen.”

9. Uit de beide arresten meen ik te kunnen afleiden dat voor afdoening van de zaak door de Hoge Raad kennelijk een aanknopingspunt in het arrest van het hof nodig is. Onder punt 6 hierboven werden al enige aanknopingspunten geëlimineerd en de vraag rijst of de strafmotivering enig aanknopingspunt kan bieden. In eerste aanleg was de verdachte, voor zover hier van belang, veroordeeld tot hechtenis van twee weken. De strafmotivering in het bestreden arrest is als volgt:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat het onredelijk is om verdachte hoger te straffen dan in eerste aanleg is gedaan, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof is echter met de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van de feiten de gevorderde hechtenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigt. Verdachte heeft immers door het bewezen verklaarde handelen meerdere deelnemers aan het verkeer ernstig in gevaar gebracht.”

10. Nu uit de strafmotivering niet zonder meer blijkt dat het hof het bedreigde strafmaximum van twee maanden hechtenis heeft willen opleggen en ook andere aanknopingspunten daarvoor ontbreken, meen ik dat terugwijzing van de zaak naar het hof onontkoombaar is.

11. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De wetswijziging van 10 december 2014, Stb. 581 i.w.tr. 1 januari 2015 bracht geen verandering in het strafmaximum ter zake van art. 5 WVW 1994.

2 HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2176, NJ 2007/30.

3 HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2719.

4 ECLI:NL:PHR:2016:1188.