Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/03052
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2801, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling levensgezel (meermalen gepleegd). Hof in eindarrest gebonden aan eerder oordeel van Hof in tussenarrest m.b.t. ontvankelijkheid OM? Herhaald beroep op niet-ontvankelijkheid OM in de vervolging gegrond op de omstandigheid dat een verbalisant, die een belangrijk aandeel in het onderzoek tegen verdachte had, tijdens het onderzoek een seksuele relatie was begonnen met aangeefster. Preliminair verweer met dezelfde strekking is bij tussenarrest van het Hof verworpen, waarna verdachte n-o is verklaard in zijn cassatieberoep tegen dat arrest (nr. 14/00518; niet gepubliceerd, geen middelen ingediend). Bij eindarrest heeft het Hof dit verweer verworpen op de grond dat het OM bij onherroepelijk geworden tussenarrest ontvankelijk is verklaard in de vervolging. Uit art. 348 en 358.3 Sv jo. art. 422.1 Sv vloeit voort dat het Hof de ontvankelijkheid van de OvJ in zijn vervolging dient te onderzoeken n.a.v. het onderzoek ttz. dat tot het bestreden eindarrest heeft geleid, en dat het, indien aldaar namens verdachte uitdrukkelijk een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ is voorgedragen, daaromtrent bepaaldelijk een beslissing dient te geven in één en dezelfde uitspraak (het eindarrest) waarin over de punten vermeld bij art. 350 Sv wordt beslist (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZD0220, NJ 1997/121). Hof heeft het voorgaande miskend. HR merkt nog op dat de omstandigheid dat het Hof het bestreden arrest heeft gewezen in een andere samenstelling dan waarin het bij tussenarrest de zaak heeft verwezen, te dezen niet van belang is. Evenmin is van belang dat verdachte n-o is verklaard in zijn cassatieberoep tegen dit tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03052

Zitting: 3 oktober 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 april 2016 door het hof Den Haag wegens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken, met aftrek zoals bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. De akte van cassatie houdt uitdrukkelijk in dat het beroep zich eveneens richt tegen het (verwijzings)arrest van het hof van 19 december 2013.

  3. Alvorens inhoudelijk op de middelen in te gaan schets ik, voor zover van belang, het verloop van de procedure. De dagvaarding in eerste aanleg vermeldt een tweetal feiten, te weten - kort gezegd - mishandeling (feit 1) en mensenhandel (feit 2). De voorzitter van een strafkamer van de rechtbank Den Haag heeft naar aanleiding van een zogenaamd preliminair verweer op 12 april 2013 na beraadslaging het onderzoek gesloten verklaard en onmiddellijk uitspraak gedaan. Ik citeer:

“De voorzitter spreekt het vonnis uit en deelt mee dat gelet op het bepaalde in artikel 359a Wetboek van Strafvordering het openbaar ministerie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als er tijdens het voorbereidend onderzoek vormen onherstelbaar zijn verzuimd, waardoor sprake is van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit in de strafzaak van verdachte het geval is.

Iemand die verdachte is in een strafzaak moet erop kunnen vertrouwen dat iedereen die met het onderzoek in zijn zaak belast is, volstrekt onafhankelijk en met zuiver oogmerk handelt. Dat vertrouwen is onherstelbaar beschadigd door de handelwijze van de betreffende rechercheur.

Dat betekent dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart.(…)”

4. Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld en bij akte het beroep ingetrokken voor zover het betrekking heeft op hetgeen verdachte als feit 2 is ten laste gelegd. Blijken het dictum van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 19 december 2013 is het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, ten einde met inachtneming van het arrest van het hof recht te doen. Ik citeer de motivering van het hof:

“De stelling van de raadsman, inhoudende dat het feit dat het openbaar ministerie heeft berust in de niet-ontvankelijkheidverklaring door de rechtbank ter zake van feit 2, betekent dat het openbaar ministerie tevens niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van feit 1, vindt geen steun in het recht. Dit onderdeel van het verweer van de raadsman wordt dan ook door het hof verworpen.

Het hof zal thans ingaan op het betoog van de raadsman dat er met betrekking tot feit 1 sprake is van een zodanig vormverzuim dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de toepassing van art. 359a Sv beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Het begrip 'voorbereidend onderzoek' in art. 359a Sv moet naar het oordeel van het hof restrictief worden opgevat, in die zin dat daaronder het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte ter zake van een aan hem ten laste gelegd feit moet worden verstaan en niet een (toevalligerwijs) gezamenlijk onderzoek van meerdere feiten. Voor niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar Ministerie is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

In de onderhavige zaak bestaat het vormverzuim volgens de raadsman uit het feit dat hoofdagent [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) een seksuele relatie is aangegaan met aangeefster [betrokkene 1].

Het hof constateert dat de seksuele contacten tussen [verbalisant 1] en aangeefster blijkens het dossier zijn ontstaan na 6 december 2012, terwijl het voorbereidend onderzoek ten aanzien van feit 1 is aangevangen in juli 2012.

Op 3 juli 2012 heeft [betrokkene 1] op politiebureau Berensteinlaan tegenover verbalisant [verbalisant 2] melding gemaakt van een mishandeling die tegen haar gepleegd was door haar toenmalige vriend [verdachte] (p.50 proces-verbaal), zijnde de verdachte. Op 6 december 2012 heeft [betrokkene 1] op politiebureau Zuiderpark tegenover verbalisant [verbalisant 3] aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte (p. 59 proces-verbaal). Pas daarna ontstond bij de politie het vermoeden dat aangeefster slachtoffer zou zijn van mensenhandel en is [verbalisant 1] betrokken geraakt bij het onderzoek.

Nu [verbalisant 1] geen enkele betrokkenheid had bij het afleggen van genoemde verklaringen door [betrokkene 1] op 3 juli en 6 december 2012, is het hof van oordeel dat het gewraakte handelen van [verbalisant 1] niet valt aan te merken als een vormverzuim dat volgens de hiervoor omschreven criteria niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot gevolg zou moeten hebben. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen en het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit.”

5. Tegen dit arrest van het hof heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld. Verdachte is blijkens het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2014 in dat beroep niet ontvangen. De Hoge Raad overweegt dat nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, art. 437, tweede lid, Sv niet in acht is genomen. Een peek derhalve. Ik merk op - de schriftuur van cassatie wijst er eveneens terecht op - dat het indienen van middelen de verdachte niet zou hebben gebaat. Het in art. 428 Sv vervatte concentratiebeginsel laat immers tegen het tussenarrest van het hof niet afzonderlijk beroep in cassatie toe. Dat beroep is wel mogelijk gelijktijdig met de einduitspraak, voor zover tenminste die einduitspraak voortbouwt op de tussenbeslissing.1

6. Na de verwijzing door het hof wees de rechtbank Den Haag op 7 mei 2015 vonnis. De rechtbank overweegt over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, voor zover van belang, als volgt:

“De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Den Haag bij arrest van 19 december 2013 heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van het onderhavige ten laste gelegde feit en de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank Den Haag om ter zake van dit feit met inachtneming van het arrest recht te doen.

De verdediging heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld maar verzuimd tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen, hetgeen heeft geleid tot niet- ontvankelijkheid van verdachte in het cassatieberoep. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de nu voorliggende strafzaak door de rechtbank niet kan worden aangewend als een hoger beroep tegen de beslissing van het gerechtshof tot ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Nu het gerechtshof het openbaar ministerie ten aanzien van het ten laste gelegde feit alsnog ontvankelijk heeft verklaard, ziet de rechtbank geen mogelijkheid hierover een andersluidend oordeel te vellen.”

7. Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in dit hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van feit 1. Hiertoe overweegt het hof dat de Hoge Raad bij arrest van 2 september 2014 de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn cassatieberoep. Daarmee is het arrest van dit hof van
19 december 2013, bij welk arrest Openbaar Ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, onherroepelijk geworden.

Derhalve verwerpt het hof het verweer van de raadsman.”

8. Het eerste middel klaagt er over dat het hof “ten onrechte geen zelfstandig oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het vervolgingsrecht heeft gevormd en zich gebonden heeft geacht aan eerdere beslissing naar aanleiding van ander onderzoek ter terechtzitting, in een andere samenstelling.”

9. Het komt mij voor dat de beslissing van het hof voor zover daarin besloten ligt dat over de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging reeds is beslist bij arrest van het hof van 19 december 2013 niet juist is. De rechtbank moet na de verwijzing door het hof ingevolge de slotzin van het tweede lid van art. 423 Sv recht doen met in achtneming van het arrest van het hof. Het is dus aan de beslissing van het hof dat het openbaar ministerie het vervolgingsrecht ter zake van feit 1 heeft behouden en niet niet-ontvankelijk is wegens het wangedrag van de rechercheur gebonden. Van Dorst heeft in zijn conclusie voor HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0220, NJ 1997/121 er op gewezen dat deze binding van de rechtbank aan de beslissing van het hof een uitzondering is. De hoofdregel is (in zijn woorden) “dat een bij tussenuitspraak gegeven beslissing per definitie voorlopig van aard is. Aan een voorlopige beslissing is een later oordelende rechter niet gebonden; in dit verband kan ook het adagium l'interlocutoire ne lie pas le juge worden vermeld.”2 Tevergeefs deed de AG indertijd nog een poging de zaak te redden door het zo voor te stellen dat het hof het verweer wel opnieuw had beoordeeld, maar dat de uitkomst en argumentatie niet afweek van het eerdere oordeel.

10. Ik citeer de beslissing van de Hoge Raad uit het zojuist vermelde arrest:

“Het kennelijke oordeel van het Hof dat in hoger beroep de zaak met inachtneming van het arrest van 7 juni 1993 moet worden berecht en afgedaan is onjuist.

Uit de ingevolge art. 415 Sv toepasselijke artikelen 348 en 358, tweede en derde lid, Sv in verbinding met artikel 422, eerste lid, Sv vloeit immers voort dat het Hof de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging diende te onderzoeken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dat tot het bestreden eindarrest heeft geleid, en dat het, nu aldaar namens de verdachte uitdrukkelijk een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie is voorgedragen, daaromtrent bepaaldelijk een beslissing diende te geven in één en dezelfde uitspraak — het eindarrest — waarin over de punten vermeld bij art. 350 Sv wordt beslist.

Door voormeld verweer te verwerpen 'op grond dat het al behandeld en verworpen is in de overwegingen 9, 10 en 11 van het arrest van het hof van 7 juni 1993' heeft het Hof het vorenoverwogene miskend. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld. Opmerking verdient nog dat de omstandigheid dat het Hof het arrest van 11 mei 1995 heeft gewezen in een andere samenstelling dan waarin het bij arrest van 7 juni 1993 de zaak heeft verwezen, te dezen niet van belang is.”

11. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat de opvatting van Van Dorst dat indien na verwijzing door het hof tegen de beslissing van de rechtbank opnieuw hoger beroep wordt ingesteld, het hof niet is gebonden aan de eerdere beslissing, juist is. In zijn noot valt ’t Hart de Hoge Raad bij. Hij meent dat de verdachte indien deze tenminste niet uitsluitend als object van het strafproces wordt beschouwd , in ‘zijn’ eindarrest zelf alle informatie moet krijgen en dat het niet een puzzeltocht moet worden door eerdere uitspraken.3 Mij is niet gebleken dat de benadering van de Hoge Raad (nadien) in de literatuur is betwist.4

12. Nu niet blijkt dat het hof in het eindarrest een zelfstandige beoordeling inzake de beslissing om het OM ontvankelijk te verklaren heeft gegeven, slaagt het eerste middel.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

14. Het derde middel klaagt dat de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid door het hof berust op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans onbegrijpelijk is.

15. Gelet op hetgeen ik heb opgemerkt over het eerste middel lijkt het mij niet nodig het tweede en derde middel nader te bespreken.5

16. Het vierde middel klaagt over de verwerping van het beroep op de uitsluiting van bewijsmiddelen verkregen na 10 december 2012 alsmede het gebruik van bewijsmiddelen die volgens het hof dienen te worden uitgesloten.

17. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 maart 2016 heeft mr. M.W. Stoet, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota (p. 2/3) , voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende verweer gevoerd strekkende tot bewijsuitsluiting:

“Verzocht wordt om vrijspraak na bewijsuitsluiting ex artikel 359a Sv van al het bewijsmateriaal dat is verkregen na 10 december 2012. Dit is al het verkregen bewijsmateriaal voor zover dit is verkregen in de periode dat [verbalisant 1] direct of indirect bij het onderzoek was betrokken. Wat resteert is vervolgens onvoldoende voor een bewezenverklaring.”

18. In voormelde pleitnota is dit standpunt nog als volgt nader toegelicht (p. 8/9):

“Subsidiair wordt verzocht al het bewijsmateriaal dat is verkregen nadat [verbalisant 1] zich in het onderzoek heeft gemengd (vanaf 10 december 2012) van het bewijs uit te sluiten (opnieuw door toepassing van artikel 359a Sv). Het verweer en het verzuim is mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor uiteengezet, en eigenlijk gelijk aan wat door Uw Rechtbank eerder werd vastgesteld bij vonnis van 12 april 2013.

In casu is voldaan aan het vereiste dat door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate moet zijn geschonden. Het recht op een eerlijk proces is bij beïnvloeding van aangeefster en mogelijk getuigen en andere opsporingshandelingen door de politie zonder meer in het geding. Bewijsuitsluiting kan worden gegrond op schending van verdedigingsrechten van artikel 6, EVRM 7 en die van artikel 8 EVRM (zie inleiding pleidooi). Ook is sprake van schending van het eerdergenoemde vertrouwensbeginsel, van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Bewijsuitsluiting komt ook in zaken als de onderhavige in beeld als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen.

Na bewijsuitsluiting resteren de twee meldingen die aangeefster heeft gedaan. Deze zijn onvoldoende om de mishandelingen wettig en overtuigend te bewijzen. Dit verandert niet door de aanwezigheid van foto's van letsel. Niet met voldoende zekerheid is te zeggen - vast te stellen - dat het inderdaad - zoals in die eerste meldingen staat - [verdachte] is geweest die de mishandelingen heeft toegebracht. Bij de Rechtercommissaris verklaart Kaffa dat een ander dan [verdachte] verantwoordelijk is voor de mishandelingen. Het betreft bovendien bewijsmiddelen afkomstig van een enkele bron, aangeefster.”

19. Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting:

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, het verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat al het bewijsmateriaal dat is verkregen in de periode waarin [verbalisant 1] bij het onderzoek betrokken was, dient te worden uitgesloten van het bewijs en dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring van het feit te kunnen komen. De raadsman heeft betoogd dat bewijsuitsluiting kan worden gegrond op schending van verdedigingsrechten, onder meer van artikel 8 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De raadsman heeft voorts betoogd dat het resterende bewijs bovendien afkomstig is uit een enkele bron en dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat aan de verdachte geen beroep toekomt op artikel 8 EVRM, nu de strekking van dit artikel ziet op bescherming van het privéleven van het slachtoffer. Overigens is van schending van verdachtes privéleven niet gebleken.

Het hof sluit, evenals de rechtbank, alle processen-verbaal waarbij [verbalisant 1] betrokken is geweest, uit van het bewijs. Ook de verklaringen van aangeefster bij de rechter-commissaris, waar zij anders heeft verklaard dan in haar aangifte bij de politie op 7 januari 2013, sluit het hof uit van het bewijs, omdat niet valt uit te sluiten dat deze verklaringen tot stand zijn gekomen door druk die [verbalisant 1] op haar heeft uitgeoefend.

Van alle andere processen-verbaal en geschriften in het dossier, zoals de meldingen die aangeefster heeft gedaan voordat [verbalisant 1] bij het onderzoek werd betrokken, de waarnemingen van letsel door de verbalisanten die de meldingen hebben gerelateerd, de bevindingen van de huisarts van aangeefster, de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], de verklaring van [betrokkene 4] en de verklaring van de vader van aangeefster, is het hof niet gebleken dat deze onbetrouwbaar zijn. Deze kunnen dan ook voor het bewijs worden gebezigd. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster hierin steun vinden.

Het hof overweegt voorts dat de verdachte op 10 januari 2013 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij aangeefster in de zomer van 2012 een klap heeft gegeven.

De verklaring van aangeefster vindt in zoverre ook steun in de verklaring van de verdachte.

Het hof overweegt tot slot dat het niet aannemelijk acht geworden dat de mishandeling van aangeefster door een ander dan de verdachte is gepleegd.

Het hof acht de verklaringen van de aangeefster afgelegd bij de politie betrouwbaar en deze vinden voldoende steun in de overige bewijsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman hieromtrent.”

20. De steller van het middel heeft gelijk als hij naar voren brengt dat het verweer betrekking heeft op alle na 10 december 2012 verkregen bewijsmiddelen, terwijl in de overweging van het hof de bewijsmiddelen waarbij [verbalisant 1] direct was betrokken worden uitgesloten van het bewijs. In deze benadering van het hof ligt besloten dat het te ver gaat alle na 10 december 2012 verkregen bewijsmiddelen uit te sluiten. Zonder nadere toelichting valt ook niet in te zien dat na 10 december 2012 verkregen bewijs dat geen (oorzakelijk) verband heeft met de escapades van [verbalisant 1] van het bewijs moet worden uitgesloten. De steller van het middel merkt dan zelf ook al terecht op dat het verweer voor zover het ziet op alle na 10 december 2012 verkregen bewijsmiddelen (impliciet) is verworpen.

21. In de toelichting op het middel wordt vervolgens nogmaals betoogd dat het onderzoek naar de mishandeling en dat naar de mensenhandel ondeelbaar zijn. Het is een herhaling van zetten. Het hof heeft daar een ander oordeel over en dat is in hoofdzaak van feitelijke aard zodat deze enkele herhaling niet voldoende is om dat oordeel in cassatie aan te tasten.

22. Dan is er nog de klacht dat door het hof “uitgesloten processen-verbaal wel worden gebruikt voor het bewijs, terwijl deze zouden zijn uitgesloten. Het betreft de bewijsmiddelen 5 en 6 (verbalisant [verbalisant 1]).” De bewijsmiddelen 5 en 6 betreffen beide een proces-verbaal van 18 maart 2013. Bewijsmiddel 5 houdt een verklaring van [betrokkene 1] in en bewijsmiddel 6 een verklaring van [betrokkene 4].

23. In de bewijsoverweging merkt het hof deze verklaringen aan als betrouwbare verklaringen waarbij verbalisant [verbalisant 1] niet betrokken is en die bruikbaar zijn voor het bewijs. De vermelding van beide verklaringen in de bijlage bij het arrest inhoudende de bewijsmiddelen bevat dus op het eerste gezicht niet op een misslag. De klacht treft echter doel nu uit beide processen-verbaal blijkt dat beide bedoelde processen-verbaal mede zijn opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1].

24. Het vierde middel slaagt.

25. Het vijfde middel klaagt dat de uitspraak niet (in het openbaar) is gedaan.

26. Uit het proces-verbaal van 30 maart 2016 blijkt dat de voorzitter aldaar heeft meegedeeld dat de uitspraak zal worden gedaan ter openbare zitting van dit hof van 13 april 2016. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van het gerechtshof Den Haag van 13 april 2016. Daaruit blijkt dat de voorzitter heeft doen uitroepen dat uitspraak zal worden gedaan in de zaak van de verdachte, dat de verdachte noch zijn raadsman ter terechtzitting is verschenen en dat de voorzitter meedeelt dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen.

27. De steller van het middel wijst er op dat in het proces-verbaal niet is vermeld dat uitspraak is gedaan. Inderdaad ontbreekt een veelal wel opgenomen zinssnede als: “De voorzitter spreekt het arrest uit.” Di behoeft echter niet tot cassatie te leiden. Immers staat op grond van het eerder vermelde proces-verbaal vast dat er ten behoeve van het uitspreken van het arrest een openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden. Ten gevolge van een kennelijke misslag is verzuimd daarin op te nemen dat op die zitting ook daadwerkelijk uitspraak is gedaan. Ik wijs er op dat de mededeling dat beroep in cassatie openstaat wel vermeld is. Die mededeling hangt volledig in de lucht als het arrest niet is uitgesproken, althans geacht kan zijn te zijn uitgesproken.

28. Het vijfde middel faalt en het kan zo nodig worden afgedaan met behulp van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede en derde middel behoeven geen bespreking. Het eerste en vierde middel slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 21.

2 HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0220, NJ 1997/121, punt 7 CAG.

3 HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0220, NJ 1997/121, punt 6 van de annotatie.

4 Deze opvatting past bij de benadering van De Hullu in zijn proefschrift. Zie De Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 470: “Bij rechtsmiddelen betekent dit dat elke later oordelende rechter in beginsel tot elke einduitspraak uit het schema moet kunnen komen en niet gedwongen mag worden om eerdere oordelen van andere rechters te moeten overnemen (…).”. Reijntjes wijst zonder verder commentaar op het arrest in zijn bewerking van Minkenhof (zie Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 524, voetnoot 163). Ik geef toe dat ik zelf aanvankelijk wel aarzeling heb gehad. Tegen de beslissing van het verwijzende hof staat nu immers min of meer alsnog beroep open bij datzelfde hof, terwijl indien het eindarrest mede berust op de verwijzende (tussen) beslissing daartegen wel gelijktijdig met het eindarrest beroep in cassatie openstaat. Aan de verwijzingsbeslissing van het hof is de Hoge Raad uiteraard niet gebonden.

5 De vraag is bovendien of verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep tegen de tussenbeslissing van 19 december 2013. Zie r.o. 4.3 uit HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:ZD2602, NJ 2001/310.