Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1193

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-09-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/03420
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2803, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling en belediging politieagent. Afwijzing ttz. gedaan verzoek tot het horen van aangevers en (andere) verbalisanten. Hof acht het horen van de getuigen niet noodzakelijk voor enige door het Hof te nemen beslissing. ’s Hofs afwijzing van het verzoek is, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd zonder nadere doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/03420

Zitting: 12 september 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 juni 2016 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “mishandeling” en 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren (subsidiair twintig dagen hechtenis), waarvan twintig uren voorwaardelijk (subsidiair tien dagen hechtenis) met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van een aantal getuigen heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1

hij op of omstreeks 2 september 2015 te Deventer, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] bij diens keel vast te pakken/grijpen en/of zijn keel dicht te knijpen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 2 september 2015 te Deventer, opzettelijk een ambtenaar, te weten: [verbalisant 1] (hoofdagent van politie) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Motherfucker”.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. het (als dossierpagina’s 3 en 4 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, basisteam IJsselland-Zuid, dossiernummer PL0600-2015435845 Z, deel uitmakende) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] op 2 september 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aangifte, voor zover inhoudende als de aangifte van [slachtoffer] betreffende een incident op 31 september 2015:

Ik stond op het station Deventer. Ik zag een groep mensen ruzie met elkaar hebben. Ik zag een donkere man, vrij groot en fors bier over een ander heen gooien. Ik begon dit te filmen. Die man zag dat en greep mijn telefoon vast. Hierna greep hij mij bij de keel. Ik heb hierdoor een lichte verwonding. Hij heeft mij zeker een halve minuut vastgehouden en kneep mijn keel dicht. Dit deed mij heel erg pijn. Het doet mij nog steeds heel erg pijn. Ik zag dat de politie de man later in een hoofdklem afvoerde.

2. het (als dossierpagina’s 9 tot en met 12 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, basisteam IJsselland-Zuid, dossiernummer PL0600-2015435845 Z, deel uitmakende) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] op 3 september 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte, voor zover inhoudende pagina 12:

Ik was gisteren op het station en ben daar aangehouden.

3. het (als dossierpagina’s 13 tot en met 15 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland. basisteam IJsselland-Zuid, dossiernummer PL0600-2015435845 Z, deel uitmakende) door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 3 september 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aanhouding, voor zover als de bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] inhoudende:

Op woensdag 2 september 2015 kregen wij het verzoek van het Operationeel Centrum te Apeldoorn om te gaan naar het station te Deventer. Hier zou een vechtpartij gaande zijn tussen 4 personen. Alle 4 de personen zouden een donkere huidskleur hebben. Naast ons werden andere eenheden aangestuurd om naar deze melding te rijden.

Ter plaatse gekomen op het station hoorden wij een hoop geschreeuw komen vanaf het perron. Op het moment dat wij het perron op liepen zagen wij een massale vechtpartij waarbij ongeveer 10 personen betrokken waren. Met meerdere collega's hebben wij de partijen gescheiden. Ik, [verbalisant 1] , zag dat een man door een andere man werd vastgehouden.

Ik zag dat beide mannen een donkere huidskleur hadden. Ik, [verbalisant 1] , heb de man die werd vastgehouden afgezonderd van de groep om zijn verhaal aan te horen en identiteit vast te stellen. De man bleek verdachte [verdachte] , later te noemen. Ik, [verbalisant 1] , heb mij hierbij duidelijk kenbaar gemaakt als politieambtenaar en gelegitimeerd.

Ik, [verbalisant 1] , had ondertussen ondersteuning gekregen van collega's. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij niet meer met mij wilde praten. Ik zag dat hij hierbij in mijn richting keek en wees. Ik zag dat collega [verbalisant 4] trachtte het gesprek met [verdachte] over te nemen om het verhaal duidelijk te krijgen. Ik zag en hoorde dat [verdachte] erg agressief was in de richting van collega [verbalisant 4] . Ik zag dat collega [verbalisant 4] [verdachte] probeerde tegen te houden om wederom weg te lopen. Ik heb collega [verbalisant 4] hierbij geholpen.

Ik zag dat [verdachte] in mijn richting keek. Ik hoorde [verdachte] luidkeels "motherfucker" in mijn richting riep. Hierop heb ik [verdachte] aangehouden ter zake belediging.

Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werden hierna op het perron aangesproken door aangever [slachtoffer] . Hij vertelde dat hij was mishandeld door verdachte [verdachte] . Ik, [verbalisant 2] , heb van [slachtoffer] een aangifte opgenomen terzake mishandeling. Wij zagen letsel aan de hals van aangever [slachtoffer] . Hij verklaarde dat hij door [verdachte] bij zijn keel was gepakt.”

6. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 22 juni 2016 houdt omtrent de getuigenverzoeken het volgende in:

“De raadsman geeft te kennen dat verdachte het niet eens is met de veroordeling en verzoekt aanhouding voor het horen van getuigen zoals omschreven in het door hem overgelegde verzoekschrift, inhoudende:

Verzoek aanhouding tot horen van getuigen

1.

Aangever [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] 1991 en wonende aan [a-straat 1] te [plaats] . Client ontkent aangever te hebben mishandeld en wil de getuige vragen laten stellen over zijn aangifte.

In de eerste plaats wanneer hij aangifte heeft gedaan en waarom deze niet door hem is ondertekend.

Voorts wil cliënt aangever vragen waarom hij verklaart dat hij hem heeft proberen te slaan en bij zijn keel heeft gegrepen omdat dat in de visie van cliënt niet is gebeurd. Ook wil cliënt de aangever vragen met welke hand hij bij zijn keel zou zijn gepakt, waar dat zou zijn gebeurd, wie daarbij aanwezig waren, wie en op welk moment de foto’s in het dossier zijn gemaakt, of hij zich onder doktersbehandeling heeft laten stellen.

Bovendien wil cliënt vragen op welk moment de politie bij het incident betrokken raakte, hoeveel agenten er daar waren, of er nog andere personen op dat moment daar waren en wat hij heeft meegekregen van de communicatie tussen cliënt en de politie. Ook wil cliënt vragen of aangever gezien heeft dat hij werd vastgehouden door een andere donkere man op het moment dat de politie arriveerde en of dat dezelfde man was die later ook door de politie is meegenomen.

De aangifte is overigens blijkens proces-verbaal van de zitting van 29 oktober 2015 door de politierechter tot het bewijs gebezigd voor de bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde.

2/3/4/5.

Aangever [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost Nederland, aangever [verbalisant 2] brigadier van politie, getuige [verbalisant 4] agent van politie en getuige [verbalisant 5] hoofdagent van politie Client stelt in zijn verklaring dat hij niemand heeft uitgescholden of beledigd. Client wil aangevers (tevens verbalisanten en opstellers van het proces-verbaal van bevindingen] en de getuigen (tevens collega’s van aangevers] vragen stellen over het proces-verbaal van aanhouding van 3 september 2015 opgesteld door aangevers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Client wil graag weten hoe dit proces-verbaal van aanhouding tot stand is gekomen daags na het incident op 2 september 2015, of dit door beiden is opgesteld en of dat het is opgesteld door aangever [verbalisant 1] en slechts is mede ondertekend door [verbalisant 2] en of dat er over de inhoud m.b.t. de belediging overleg is geweest en zo ja wanneer en wat daarbij is besproken.

Met betrekking tot het incident op 2 september 2015 wil cliënt aan aangevers vragen op welke afstand hij/zij stond toen hij Motherfucker zou hebben geroepen, welke personen daarbij stonden, of dat collega’s waren, of er ook nog andere personen naast of in de nabijheid van aangever stonden, of de andere donkere persoon die later door de politie is meegenomen bij aangevers in de buurt stond. Of het mogelijk is dat er tegen iemand anders werd gescholden nu blijkens het pv sprake zou zijn van een massale vechtpartij waarbij 10 personen betrokken waren, of enkele of deze hele groep nog aanwezig waren op het perron toen aangevers zich bezig hielden met cliënt.

Bovengenoemde vragen wil cliënt ook aan de collega’s van de aangever stellen nu deze daarbij aanwezig waren en dus uit eigen waarneming kunnen verklaren.

De politierechter heeft blijkens het proces-verbaal van zitting van 29 oktober 2015 het proces-verbaal opgemaakt door aangevers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voor het bewijs gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen van belediging van beiden te komen.

De advocaat-generaal deelt mede het horen van getuigen niet noodzakelijk te vinden. Het feit dat verdachte de juistheid van aangevers verklaring betwist, brengt niet de noodzaak mee aangever opnieuw te horen. Er is geen reden om aan de juistheid van de neerslag van hun bevindingen door verbalisanten te twijfelen. Het verzoek tot het horen van getuigen dient te worden afgewezen.

De raadsman: verbalisanten zijn ook slachtoffer van de ten laste gelegde belediging. Aangever is niet eerder door de verdediging gehoord. Daarmee is in beginsel de noodzaak gegeven.

De voorzitter deelt als zijn beslissing mede: de verzoeken tot het horen van getuigen dienen te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Hij acht het horen van de getuigen niet noodzakelijk voor enige door hem te nemen beslissing.”

7. Blijkens de toelichting op het middel spitst de klacht zich toe op het ontbreken van een motivering van de beslissing van het hof (p. 5). Ik citeer:

“Nu de beslissing van het hof – dat de juiste maatstaf heeft toegepast – in het geheel niet is gemotiveerd, lijdt het arrest aan nietigheid. Enige motivering, hoe zuinig ook, moet uit oogpunt van een goede procesorde wel vereist worden.”

8. Van een geheel ongemotiveerde beslissing is overigens geen sprake, nu hier uit in elk geval kan worden vastgesteld welke maatstaf het hof heeft gehanteerd.2Niet in geschil is dat de maatstaf voor de beoordeling van de getuigenverzoeken is of de noodzaak daartoe is gebleken. De vraag die aldus dient te worden beantwoord is of het hof bij het afwijzen van het verzoek tot het horen van getuigen kon volstaan met de overweging dat hij “het horen van de getuigen niet noodzakelijk [acht] voor enige door hem te nemen beslissing”.

9. Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441) volgt dat bij het noodzakelijkheidscriterium slechts van belang is of de rechter het horen van de getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd zijn wegens de vele uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen geen algemene regels te geven. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen.3Over de in cassatie aan te leggen toets met betrekking tot de afwijzende beslissing van de rechter overwoog de Hoge Raad in eerdergenoemd overzichtsarrest4:

“2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.

2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.”

10. De motivering van het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen en de motivering van de afwijzing van dat verzoek door de rechter werken dus als communicerende vaten: indien iedere onderbouwing van een verzoek tot het horen van een getuige ontbreekt, kan ook niet van de rechter worden verwacht dat de beslissing tot afwijzing van dat verzoek (nader) wordt gemotiveerd.5 Of het hof in de onderhavige zaak kon volstaan met de overweging dat hij “het horen van de getuigen niet noodzakelijk [acht] voor enige door hem te nemen beslissing”, is dus afhankelijk van hetgeen de verdediging aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag heeft gelegd.

11. In het verleden is nogal eens de vraag opgeworpen of en zo ja hoe de toetsing door de Hoge Raad zich verhoudt tot de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot het ondervragingsrecht van de verdediging.6 Vervolgens heeft de Hoge Raad in het arrest van 4 juli 20177 in het licht van de rechtspraak van het EHRM8 een nadere beschouwing gegeven met betrekking tot hetgeen van de verdediging ter onderbouwing van een verzoek tot het horen van getuigen mag worden verwacht:

“3.5. De rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal houdende de ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige, door de rechter ten laste van de verdachte voor het bewijs kan worden gebruikt, maar dat dit uitgangspunt slechts geldt voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces is gewaarborgd.9

Met betrekking tot dit recht op een eerlijk proces ligt in de recente rechtspraak van het EHRM ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk op de toetsing van de "overall fairness of the trial", mede aan de hand van een aantal door het EHRM geformuleerde, met elkaar samenhangende subvragen (zoals genoemd in de onder 3.3.2 weergegeven uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, §107). Daarbij is beslissend of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Die uiteindelijke balans kan eerst achteraf worden opgemaakt.

Bij het betrekken van de rechtspraak van het EHRM bij de uitleg van de (nationale) regels inzake het oproepen dan wel horen van daartoe door de verdediging opgegeven getuigen, dient evenwel in ogenschouw te worden genomen dat de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen dient te nemen omtrent het oproepen en het horen van getuigen.

3.6. Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld.10 Ook de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht noopt niet tot het stellen van andere, lichtere eisen aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen. Immers, ook in de rechtspraak van het EHRM komt als op de verdachte rustende plicht tot uitdrukking dat hij zo een verzoek onderbouwt "by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth"11.

3.7.1. Art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft 'getuigen à charge' te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van 'getuigen à décharge' te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. In de regeling ter zake van het oproepen en het horen van getuigen in het Wetboek van Strafvordering wordt geen onderscheid gemaakt tussen "getuigen à charge" en "getuigen à décharge", of anders gezegd: getuigen die in voor de verdachte belastende dan wel ontlastende zin (kunnen) verklaren.

3.7.2. Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige "à charge" dan wel "à décharge" betreft. Wel zal in de regel gelden dat een in het vooronderzoek afgelegde verklaring van een getuige door de officier van justitie reeds bij de processtukken zal zijn gevoegd, zodat daaruit in het licht van art. 149a, tweede lid, Sv kan worden afgeleid dat, naar het oordeel van de officier van justitie, de inhoud van die door de getuige afgelegde verklaring redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Dat betekent echter niet zonder meer dat ook het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Derhalve kan voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd en - met het oog op de procedure in hoger beroep - evenmin met de enkele stelling dat die verklaring door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs is gebezigd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen.

3.7.3. Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.

3.8.1. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.12

3.8.2. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.13

12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 juni 2016 (zie hiervoor onder 6) blijkt dat de verdediging aan het horen van de vijf getuigen het volgende ten grondslag heeft gelegd. De verdediging wenst in de eerste plaats aangever [slachtoffer] te horen over zijn aangifte omdat de verdachte ontkent hem te hebben mishandeld. De verdediging heeft daarbij vragen opgegeven die zij aan de aangever wenst te stellen, zoals: (1) wanneer hij aangifte heeft gedaan en (2) waarom de aangifte niet is ondertekend, (3) waarom aangever heeft verklaard dat verdachte hem heeft proberen te slaan en (4) bij zijn keel heeft gegrepen, (5) met welke hand aangever bij zijn keel zou zijn gepakt, (6) waar dat is gebeurd, (7) wie daarbij aanwezig was, (8) wie de foto’s heeft gemaakt in het dossier en (9) of aangever zich onder doktersbehandeling heeft laten stellen. Voorts wenst de verdediging te vragen (10) op welk moment de politie bij het incident betrokken is geraakt, (11) of aangever heeft gezien dat verdachte werd vastgehouden door een andere donkere man op het moment dat de politie arriveerde en (12) of dat dezelfde man was die later ook door de politie is meegenomen. Voorts wenst de verdediging vier verbalisanten te horen, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (tevens aangevers) alsmede [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (tevens getuigen). Verdachte wenst de verbalisanten in de eerste plaats te horen over (13) de totstandkoming van het proces-verbaal van aanhouding opgemaakt door de verbalisanten (tevens aangevers) [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Voorts wenst de verdediging aangevers te vragen over het incident op 2 september 2015. Door de verdediging zijn wederom vragen geformuleerd, zoals (14) op welke afstand de verbalisanten stonden, (15) welke personen daarbij stonden en (16) of het mogelijk is dat tegen iemand anders werd gescholden. De raadsman heeft deze verzoeken gedaan onder verwijzing naar het belang dat de rechtbank in de bewijsconstructie aan de aangifte en het proces-verbaal van aanhouding heeft toegekend.

13. Op het eerste oog lijkt de verdediging de getuigenverzoeken daarmee voldoende te hebben onderbouwd. Uit het dossier blijkt echter dat (ongeveer) de helft van de door de verdediging opgeworpen vragen daarin reeds is beantwoord. Zo blijkt uit het proces-verbaal van aangifte (p. 3 dossier) dat aangever ter plaatse aangifte heeft gedaan, waarna de aangifte ter plekke in concept is ondertekend (vragen 1 en 2), alsmede dat aangever heeft gezien dat de politie degene die tegen hem geweld heeft gebruikt, heeft aangehouden en afgevoerd (vragen 3 en 4). Vraag 6 is volstrekt overbodig, daar het antwoord vrijwel op iedere pagina van het dossier is te vinden. Ook het antwoord op vraag 7 is terug te vinden in het dossier: de vriendin van aangever was nog niet aanwezig en van andere getuigen zijn geen namen bekend geworden (p. 8a van het dossier). Voorts wordt vraag 10 door de verdachte zelf beantwoord in het proces-verbaal van verhoor (p. 12 van het dossier). Tot slot wordt ook vraag 14 gedeeltelijk in het dossier beantwoord. Er blijkt namelijk dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] trachten [verdachte] tegen te houden op het moment dat het tenlastegelegde door verdachte zou zijn uitgesproken (p. 14 van het dossier).

14. Wanneer de antwoorden op de vragen die de verdediging aan de getuige(n) wenst te stellen reeds in het dossier zijn terug te vinden, mag van de verdediging in redelijkheid worden gevergd dat zij motiveert waarom de antwoorden in het dossier niet afdoende zijn en/of worden bestreden. Dat is in de onderhavige zaak niet gebeurd. Er resteren echter tevens vragen waarop in het dossier geen antwoord is te vinden (5, 8, 9, 11, 12, 13, 15 en 16). Zonder toelichting bij die vragen is niet steeds duidelijk wat het belang is voor het beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv. Ik wijs bijvoorbeeld op de vragen 8 en 13. Bij de vragen 9, 12 en 16 lijkt mij ook zonder nadere toelichting de relevantie wel aanwezig te zijn. In zo’n geval kan de motivering dat de noodzaak ontbreekt te mager zijn. Onder omstandigheden kan van het hof worden gevergd dat wordt uitgelegd waarom het niet nodig is een op zich zelf wel relevante vraag te stellen.

15. Ik maak de balans op. In de kern geeft het hof geen inzicht in het oordeel dat het niet noodzakelijk is de getuigen te horen. Mijn analyse is dat het oordeel van hof in het licht van de meeste aan de getuigen te stellen vragen wel juist is. Een fors aantal vragen is immers zonder nadere toelichting overbodig, omdat het antwoord wordt gegeven in het dossier. Voor een aantal van de resterende vragen geldt dat het belang ontbreekt. Niet nader wordt door het hof gemotiveerd waarom, zonder verdere toelichting door de verdediging, het stellen van bepaalde vragen overbodig of irrelevant is. Ik vind dat problematisch nu het gaat om een fors aantal vragen en vooral ook omdat er vragen resteren waarvan de beantwoording van betekenis kan zijn bij het nalopen van het beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv. Het hof is niet alleen tekort geschoten door niet uit te leggen waarom het stellen van die resterende op zich relevante vragen niet noodzakelijk was, maar door ook overigens geen inzicht te geven in de gedachtegang.14

16. Het middel slaagt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bedoeld zal zijn: 2 september 2015.

2 De situatie zoals in HR 23 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9202 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, waarbij uit de afwijzende beslissing van het hof niet kon worden opgemaakt welke maatstaf het hof had aangelegd, doet zich hier dus niet voor.

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.8-2.9.

4 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.76-2.77.

5 Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, NJ 2016/480, waarin de Hoge Raad de afwijzing van een getuigenverzoek wegens gebrek aan motivering niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd achtte en overwoog dat art. 6 derde lid onder d, EVRM zich er niet tegen verzet dat bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verzoeken tot het horen van getuigen.

6 Zie bijvoorbeeld de conclusies van mijn ambtgenoten Harteveld (ECLI:NL:PHR:2017:171) bij HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219 en Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:1765) bij HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014/313 alsmede de bijdrage van Spronken ‘Over getuigen: een terugblik en een blik vooruit’ in: Gehoord de Procureur-Generaal, opstellen aangeboden aan prof.mr. J.W. Fokkens ter gelegenheid van zijn afscheid als Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Deventer: Kluwer 2016, p. 283-294.

7 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

8 Zie over het ondervragingsrecht van de verdediging in het licht van de rechtspraak van het EHRM: B. de Wilde, Stille getuigen: het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. Amsterdam VU), Deventer: Kluwer 2015; E.J. Hofstee ‘Het ondervragingsrecht binnen het toetsingskader van het EHRM’ in: liber amicorum Jan Sjöcrona, Sporen in het strafrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 95-120 en de in voetnoot 4 genoemde bijdrage van Spronken.

9 Vgl. HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994/427 en HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145.

10 Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, NJ 2016/480, r.o. 2.3.

11 EHRM 6 mei 2003, nr. 48898/99 (Perna tegen Italië), § 29. Vgl. voorts onder meer EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), § 42.

12 Vgl. onder meer EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), § 42.

13 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.76.

14 Vgl. HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2005; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2914 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1232.