Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1191

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-09-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/02993
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2799, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot moord. Samenstel van medeplichtigheidsgedragingen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering. Hof heeft vastgesteld dat verdachte in de periode voorafgaand aan de aanslag de plaats van de aanslag en de te gebruiken routes meermalen heeft verkend, in de omgeving van die plaats de persoon heeft opgehaald die een gestolen motorscooter had weggezet, welke kennelijk bestemd was voor gebruik bij de aanslag, en van A diens auto heeft geleend. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdachte op de dag van de aanslag met die auto zijn mededader in de directe omgeving van de plaats van het schietincident heeft gebracht, aldaar heeft gewacht en de mededader na het schietincident daar vandaan heeft weggebracht, terwijl verdachte kort daarna die auto heeft teruggebracht naar A. Oordeel Hof dat de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde delict van voldoende gewicht is en dat derhalve sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen Hof heeft vastgesteld over de intensiteit van de samenwerking en de bijdrage van verdachte in de vorm van verscheidene gedragingen voorafgaand, tijdens en na het bewezenverklaarde feit, toereikend gemotiveerd. Samenhang met 17/00553.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02993

Zitting: 12 september 2017 (bij vervroeging)

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 december 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “poging tot medeplegen van moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00553. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Eindhoven, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof de verklaring van getuige [betrokkene 2] “ten onrechte voor het bewijs heeft gebezigd, waardoor het hof de bewezenverklaring heeft gebaseerd op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen”. Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat het hof de voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 2] van 21 februari 2013 heeft gedenatureerd door deze verklaring los te zien van de later op 7 maart 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] .

4.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, met betrekking tot het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat de Audi A3 met kenteken [AA-00-AA] op de plaats delict is geweest dan wel op enigerlei andere wijze een rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde feit het volgende in:


“De omstandigheid dat getuige [betrokkene 2] op 7 maart 2013, na het tonen van foto’s van de Audi A3 van [betrokkene 1] , bij de politie heeft verklaard dat de schade aan de bumper van deze auto zeker niet de schade betrof die hij eerder omschreven had, leidt naar het oordeel van het hof niet tot een ander oordeel. Het hof overweegt in dit verband -met de rechtbank- dat getuige [betrokkene 2] op de dag van het schietincident een zeer gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over de auto die hij heeft gezien. Zijn verklaring van 21 februari 2013 is op diverse onderdelen, waaronder de schade aan de linker voorbumper van de auto, meer gedetailleerd dan zijn verklaring van 7 maart 2013. Om die reden hecht het hof meer waarde aan de verklaring die getuige [betrokkene 2] direct op de dag van het schietincident heeft afgelegd.”

4.3.

Door aldus te oordelen heeft het hof de verklaring van [betrokkene 2] niet gedenatureerd. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof de “grenzen van de vrijheid tot selectie en waardering van het bewijsmateriaal” evenmin overschreden. Kennelijk heeft het hof de eerste door [betrokkene 2] afgelegde verklaring betrouwbaarder dan wel geloofwaardiger geacht dan zijn later afgelegde verklaring, welk oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter. Het middel faalt derhalve.

4.4.

Ten overvloede merk ik op dat de verdachte geen belang zou hebben gehad bij het oordeel in cassatie dat het hof de verklaring van de getuige [betrokkene 2] (wel) heeft gedenatureerd. Het hof heeft zijn oordeel dat de (vlucht)auto die rondom het schietincident op de plaats delict is gezien de Audi A3 van [betrokkene 1] was, namelijk niet slechts gegrond op de betreffende verklaring van de getuige [betrokkene 2] .1 Met het wegvallen van die verklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen blijft met andere woorden voldoende ander bewijs over dat tot dat oordeel kan leiden. Het middel kan ook daarom niet tot cassatie leiden.

4.5.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd. Het middel klaagt in het bijzonder dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden “niet anders te duiden zijn dan het verschaffen van inlichtingen, middelen respectievelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf”, dat wil zeggen gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.

5.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 21 februari 2013 te Waalre ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] (op een moment dat hij, [slachtoffer] , zijn auto bestuurde) en vervolgens met dat vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5.3.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Kwalificatie van het gedrag van de verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte]

Er is op zodanig korte afstand en gericht met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten door medeverdachte [medeverdachte] dat dit minst genomen oplevert voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer] daarbij opgewacht. De actie is gedurende langere tijd zorgvuldig voorbereid. Daarbij is gezorgd voor een vuurwapen en vluchtmiddelen, terwijl voorts de te gebruiken routes tevoren zijn afgelegd alsmede de plaats van de aanslag tevoren is verkend. Door het op deze wijze plegen van de aanslag is ook voldaan aan het vereiste van voorbedachte raad, zoals bewezen verklaard. Verdachte [verdachte] moet gelet op de aard en de intensiteit van zijn handelingen in dit geheel, te weten genoemde voorverkenningen, zijn betrokkenheid bij de motorscooter en het verkrijgen van de vluchtauto alsmede het bij de plaats van de aanslag brengen, wachten en daarvan wegbrengen van medeverdachte [medeverdachte] , precies hebben geweten wat medeverdachte [medeverdachte] ging doen en heeft hem mogelijk gemaakt om dat te doen. Het op deze wijze intensief samenwerken met een duidelijke taakverdeling levert naar het oordeel van het hof op het medeplegen zoals bewezen verklaard. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat nu eenmaal slechts één persoon de trekker van een vuurwapen over kan halen.”

5.4.

Voor de beoordeling van de motivering van het medeplegen is de gehele bewijsvoering van belang. Uit die bewijsvoering volgt dat de verdachte degene is geweest die de te gebruiken routes en de plaats van de aanslag tevoren heeft verkend. Voorts heeft hij een aantal dagen voor het plegen van het bewezenverklaarde feit de persoon die een gestolen motorscooter heeft weggezet in een bos in de omgeving van de plaats delict, ter plaats opgehaald.2 Verder heeft hij zijn mededader in de directe omgeving van de plaats van het schietincident gebracht, heeft aldaar gewacht en zijn mededader na het incident weggebracht.

5.5.

Met de steller van het middel meen ik dat de gedragingen van de verdachte, in ieder geval indien deze afzonderlijk worden bezien, in verband kunnen worden gebracht met medeplichtigheid. Zo heeft de Hoge Raad het met draaiende motor in de auto blijven wachten en een vrije vluchtweg (willen) creëren voor de medeverdachten aangeduid als gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.3 Dat geldt eveneens voor het betrokken zijn bij een voorverkenning.4

5.6.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dient de rechter zijn oordeel dat het medeplegen bewezen kan worden, nauwkeurig te motiveren.5 In een zaak waarin het hof had vastgesteld dat de verdachte beide hiervoor in paragraaf 5.5 genoemde gedragingen pleegde, oordeelde de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel dat niet sprake was van medeplichtigheid maar van medeplegen, ontoereikend had gemotiveerd.6 De enkele omstandigheid dat een verdachte zowel in de voorfase als in de afhandeling van het delict gedragingen heeft verricht, brengt derhalve nog niet mee dat daarmee het oordeel dat sprake is van medeplegen en niet van medeplichtigheid voldoende is gemotiveerd.7

5.7.

Het is de vraag of de onderhavige zaak dusdanig afwijkt van het bovengenoemde geval dat gezegd kan worden dat het hof zijn oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft medegepleegd, toereikend heeft gemotiveerd. De vraag die met andere woorden beantwoord moet worden is of het hof toereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte met zijn handelen een dusdanig substantiële bijdrage aan de poging tot moord heeft geleverd, dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Een geringe rol bij de uitvoering van het misdrijf, zoals in de onderhavige zaak, zal moeten worden gecompenseerd door bijvoorbeeld een grote(re) rol in de voorbereiding.8

5.8.

Alles afwegende, kom ik tot de slotsom dat het hof, door te oordelen dat en waaruit blijkt dat “de actie gedurende langere tijd zorgvuldig is voorbereid” en zijn oordeel dat uit de gedragingen van de verdachte een “intensief samenwerken met een duidelijke taakverdeling” blijkt, zijn beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft medegepleegd, toereikend heeft gemotiveerd. Die taakverdeling bestond wat verdachtes aandeel betreft immers niet alleen uit het in zijn eentje – anders dan in de zaak HR 16 december 2014, NJ 2015/391 waarin het slechts ging om betrokkenheid bij de voorverkenning - voorafgaande aan het feit afleggen van de te gebruiken routes alsmede het verkennen van de plaats delict, maar tevens uit het ter plaatse ophalen van de persoon die de motorscooter had weggezet in een bos en het verkrijgen van de vluchtauto alsmede het bij de plaats van de aanslag brengen, het opwachten en het daar vandaan wegbrengen van zijn medeverdachte. In het oordeel van het hof ligt als zijn niet op een onjuiste rechtsopvatting berustende, dan wel onbegrijpelijke oordeel besloten dat de verdachte met zijn gedragingen een bijdrage van voldoende gewicht aan de poging tot moord heeft geleverd en dat uit die gedragingen voorts de intensieve ofwel nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte kan worden afgeleid.

5.9.

Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de overweging van het hof dat “nu eenmaal slechts één persoon de trekker van een vuurwapen over kan halen” niet strijdig is met “de geldende opvatting over het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid”. Met die overweging heeft het hof immers tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat bij een delict als het onderhavige slechts één persoon de daadwerkelijke uitvoeringshandeling pleegt, niet wegneemt dat, gelet op een intensieve samenwerking met een duidelijke taakverdeling, ook anderen als dader – in de zin van medepleger - kunnen worden aangemerkt.9

5.10.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

6.2.

Namens de verdachte is op 18 december 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens de daarop gezette stempel op 27 januari 2017 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Ambtshalve wijs ik er op dat ook de zestienmaanden-termijn waarbinnen de zaak in cassatie dient worden afgedaan is overschreden, en wel op 18 april 2017.

6.3.

De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is derhalve overschreden, hetgeen dient te leiden tot vermindering van aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

6.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

7. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld.

8. Ambtshalve heb ik geen andere gronden dan de hiervoor onder 6.2 vermelde grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat oordeel steunt namelijk tevens – onder meer - op de als bewijsmiddel 17 en 18 gebezigde verklaringen van de anonieme getuigen NN-14 en NN-16 en de als bewijsmiddel 21 gebezigde proces-verbaal van ARS-cameraregistratie van de Audi A3 van [betrokkene 1] .

2 Deze scooter was volgens het hof kennelijk als vervoermiddel ten behoeve van de aanslag bedoeld, maar kon door de ontdekking daarvan door de politie niet worden gebruikt.

3 Zie HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393 m.nt. Mevis, HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1094, NJ 2015/392 m.nt. Mevis, HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307, NJ 2014/511 m.nt. Mevis, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis en HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:371.

4 Zie HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis.

5 Zie de vooropstelling van de Hoge Raad over medeplegen in (bijvoorbeeld) HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis.

6 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis.

7 Zie ook mijn ambtgenoot Bleichrodt in zijn conclusie van 21 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:771, par. 12.

8 Zie de vooropstelling van de Hoge Raad over medeplegen in (bijvoorbeeld) HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis.

9 Zie bijvoorbeeld de vooropstelling van de Hoge Raad in HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis en ook reeds het klassieke geval van de Wormerveerse brandstichting (HR 29 oktober 1934, NJ 1934, p. 1673: “O. dat nu wel uit die verklaringen tevens blijkt, dat het aansteken van het hooi door L. is geschied, doch dit er niet toe behoeft te leiden, dat alleen L. zich aan brandstichting zou hebben schuldig gemaakt en aan requirant niet meer dan medeplichtigheid zou kunnen worden verweten; dat toch, ook in verband met de gemaakte afspraak om te zamen den brand te stichten, de samenwerking tusschen de beide personen zoo volledig en zoo nauw is geweest, dat het ten slotte min of meer toevallig was, dat L. de brandende lucifer bij het hooi heeft gebracht; dat dan ook de handelingen van requirant, zooals deze hiervoren zijn omschreven, niet het karakter van hulpverleening dragen, maar van een te zamen en in vereeniging voltooide brandstichting”.