Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1189

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-09-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/02662
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2863, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag onder klager i.h.k.v. strafzaak tegen klager. Ontvankelijkheid hernieuwd beklag. Derde klaagschrift. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:580 m.b.t. gevallen waarin klager n-o is in een hernieuwd beklag. Oordeel Rb dat klager n-o moet worden verklaard in zijn beklag omdat bij de vorige beschikking "ten gronde is beslist op het beklag" is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat bij die eerdere beschikking het beklag niet ongegrond is verklaard en daarbij niet reeds evident ten gronde is beslist op de in het onderhavige klaagschrift aangevoerde argumenten. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op 15/00329 B (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02662 B

Zitting: 12 september 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 19 april 2016 de klager niet‑ontvankelijk verklaard in het namens hem ingediende klaagschrift, welke strekte tot opheffing van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 30.000,- en teruggave hiervan aan de klager.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de rechtbank ontoereikend, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de klager in zijn hernieuwde beklag geen feiten en of omstandigheden naar voren heeft gebracht waarop hij niet eerder een beroep heeft gedaan en die tot een nieuwe beoordeling van zijn verzoek nopen.

4 Het procesverloop

4.1.

De thans bestreden beschikking houdt een beslissing in op het derde, namens de klager ingediende klaagschrift waarin hij opheffing van het beslag op en teruggave van het bovengenoemde geldbedrag verzoekt. In zijn eerste klaagschrift van gelijke strekking, heeft de rechtbank de klager bij beschikking van 10 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Daaromtrent houdt die beschikking, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 21 februari 2013 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een klaagschrift, gedateerd 21 februari 2013 van [klager], dan wel genaamd [klager], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], (…) dat strekt tot opheffing van het onder [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1983, gelegde beslag op een geldbedrag van € 30.000,- met last tot teruggave aan klager van het geldbedrag.

(…)

2. Standpunt van de klager

Namens klager is door de raadsman aangevoerd dat het geldbedrag van een familielid, genaamd [betrokkene 2], verblijvende in Mogadishu, afkomstig is. Door tussenkomst van [betrokkene 3], een medewerker van de Somalische Ambassade in België is het geldbedrag aan klager overhandigd. Het geldbedrag is bedoeld voor de aankoop van tractoren.

3. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, primair omdat het geld niet aan klager toebehoort en subsidiair op strafvorderlijke gronden.

4. Beoordeling

Ter gelegenheid van de openbare behandeling van het onderhavige klaagschrift heeft klager desgevraagd bevestigd dat het inbeslaggenomen geldbedrag niet aan hem, maar aan zijn oom, [betrokkene 2] uit Mogadishu, toebehoort en dat klager dit bedrag (slechts) onder zich had om daarmee ten behoeve van voornoemde oom een tweetal tractoren aan te kopen.

Nu klager volgens zijn eigen verklaring geen eigenaar of beperkt zakelijk gerechtigde is van c.q. met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag, maar dit (slechts) ten behoeve van zijn oom onder zich zou hebben gehad, het geldbedrag voorts niet onder klager in beslag is genomen en niet is gesteld noch aannemelijk gemaakt dat klager namens voornoemde oom optrad, kan klager niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag.”

4.2.

Op 15 april 2014 heeft de klager opnieuw een klaagschrift ingediend waarin hij opheffing van het beslag op en teruggave van het geldbedrag verzoekt. Daarin heeft de rechtbank hem bij beschikking van 9 januari 2015 wederom niet‑ontvankelijk verklaard. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:

“Feiten

Op 1 november 2012 is onder [betrokkene 1] en klager [klager] een geldbedrag van € 30.000,- op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen.

Op 10 april 2013 heeft de rechtbank [klager] niet-ontvankelijk verklaard in een eerder ingediend klaagschrift.

Op 26 juni 2013 heeft de rechtbank een eerder klaagschrift van [betrokkene 4] ongegrond verklaard.

Op 27 juni 2013 is de strafzaak tegen [betrokkene 1] geseponeerd.

Op 14 maart 2014 is de strafzaak tegen [klager] geseponeerd.

Inhoud van de klacht

Het klaagschrift, zoals in raadkamer nader toegelicht, strekt tot opheffing van het gelegde beslag op het geldbedrag, met last tot teruggave daarvan aan de klagers. Het geldbedrag behoort aan klagers toe. Immers het geldbedrag is door klager [betrokkene 4] aan klager [klager] uitgeleend voor de aankoop van tractoren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van Justitie heeft zich, met betrekking tot het klaagschrift van [klager], op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk verklaard dient te worden verklaard in zijn beklag. Er is reeds eerder door hem een klaagschrift ingediend en de rechtbank heeft hem toen ook niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende was. Hierin is niets veranderd, nu klager [klager] zegt dat hij het geld heeft gekregen van zijn oom om tractoren

te kopen. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich, met betrekking tot het klaagschrift van [betrokkene 4], op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Onvoldoende staat vast dat klager [betrokkene 4] de rechthebbende van het geldbedrag is. [klager] heeft wisselende verklaringen afgelegd over van wie hij het geld heeft gekregen voor de aankoop van tractoren.

Beoordeling

Klaagschrift [klager]

Uit het dossier blijkt dat klager op 21 februari 2013 een klaagschrift heeft ingediend bij de rechtbank betreffende hetzelfde geldbedrag en dat de rechtbank op 10 april 2013 heeft beslist dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag. Tegen deze beslissing is klager niet in cassatie gegaan. Derhalve is de beslissing in kracht van gewijsde gegaan, zodat ervan uit moet worden gegaan dat klager geen belanghebbende is. Een nieuwe beoordeling is in beginsel niet mogelijk, omdat het Wetboek van Strafvordering een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent. Er zijn door klager geen feiten en omstandigheden gesteld die pas na de vorige uitspraak zijn opgekomen en die het daarin vervatte oordeel kunnen aantasten. Dat de strafzaak tegen klager is geseponeerd doet immers niet af aan de gestelde eigendom van het geld. Derhalve dient de klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag.

(…)”

4.3.

Uit het namens de klager ingediende derde klaagschrift blijkt dat klagers verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave van het geldbedrag als volgt is onderbouwd:

“2. Zoals blijkt uit voornoemde stukken is [klager] toentertijd niet ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. Inmiddels is de strafzaak tegen [klager] echter geseponeerd en verzet het strafvorderlijk belang zich derhalve thans niet meer tot teruggave van het onder productie 1 en 2 genoemde en onder cliënt in beslag genomen geldbedrag ad € 30.000,--.

3. Derhalve is, middels een schrijven d.d. 21 augustus 2015 (productie 3), aan mevrouw mr. dr. J.M. Bonnes (Officier van Justitie) verzocht het beslag op te heffen met de last tot teruggave/afgifte van het geldbedrag ad € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

4. Echter is tot twee keer toe door het Openbaar Ministerie aangegeven dat niet overgegaan zal worden tot opheffing van het beslag en de teruggave van het geldbedrag. Bijgaand wordt overgelegd een e-mailbericht d.d. 11 september 2015 en een e-mailbericht d.d. 18 september 2015 van de heer mr. W.B.J. ten Have (Officier van Justitie), waaruit voorgaande blijkt (productie 4).

5. Klager kan zich echter nadrukkelijk niet vinden in deze beslissing. Ter argumentatie het navolgende.

6. Uit artikel 116 Wetboek van Strafvordering vloeit voort dat teruggave geschiedt aan de beslagene. Afgaande op hetgeen gesteld in de e-mailberichten als bedoeld onder punt 3 van dit klaagschrift, moet worden verondersteld dat er sprake is geweest van een verwarring tussen [klager] en medeverdachte toentertijd ([betrokkene 4]). [klager] heeft immers geen afstand van het geld gedaan.

7. Dat [klager] zich op het standpunt stelt dat het geld van [betrokkene 4] is, doet niet af aan de verplichting tot teruggave. De stand dient immers te worden bereikt alsof er geen beslag is geweest, nu er geen strafvorderlijk belang meer is (dit wordt overigens onderkend door het Openbaar Ministerie).

8. Het geldbedrag dient derhalve teruggegeven te worden aan [klager]. Voor de in beslagname had hij het geld immers ook voorhanden (ongeacht de civielrechtelijke titel, die in casu op geen enkele wijze als onrechtmatig is bestempeld).
9. De teruggave aan [klager] laat andermans aanspraken op het geldbedrag onverlet, zoals eveneens voortvloeit uit artikel 116 Wetboek van Strafvordering. Dit is echter een civiele kwestie, welke niet ter beoordeling van het Openbaar Ministerie dient te vallen. Zonder het beslag bestond die eventuele verhouding immers ook.”

4.4.

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van dit derde klaagschrift op 19 april 2016 vermeldt voorts het volgende:

“De rechter houdt de inhoud van het klaagschrift voor. Zij vraagt de raadsman of hij het klaagschrift nader wil toelichten.

De raadsman deelt mede: Er is geen strafvorderlijk belang voor het voortduren van het beslag, derhalve dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard. Het beslag veroorzaakt veel problemen binnen de familiaire sfeer van de klager. Er loopt geen strafzaak meer tegen de klager. Ik heb op een eerder moment van de officier van justitie vernomen dat er onderzoek zou worden gedaan naar de herkomst van het geldbedrag maar dit is niet gebeurd. Ik vraag u het beklag gegrond te verklaren en de teruggave te gelasten van het geldbedrag, vermeerderd met de wettelijke rente.

(…)

De rechter houdt voor dat een klager in een hernieuwd beklag een beroep dient te doen op andere feiten en/of omstandigheden dan waarop hij in het eerdere klaagschrift of bij gelegenheid van de behandeling daarvan een beroep heeft gedaan. De rechter vraagt de raadsman wat deze nieuwe feiten en omstandigheden zijn. De strafzaak is reeds in 2014 geseponeerd.

De raadsman deelt mede: de zaak is geseponeerd en de klager heeft geen afstand gedaan van het in beslag genomen geldbedrag. De vraag is nu waaruit het belang van strafvordering nog bestaat.

De rechter houdt voor dat de officier van justitie stelt dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klager eigenaar is van het geldbedrag. De klager heeft verklaard dat het geldbedrag van zijn oom is.

De raadsman deelt mede: de oom van de klager heeft afstand gedaan van het geldbedrag en de klager heeft dat niet gedaan.

De rechter houdt voor dat het klaagschrift dat als eerste is ingediend ongegrond is verklaard omdat de klager onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het geldbedrag aan hem in eigendom toebehoort.

De raadsman deelt mede: het geldbedrag is afkomstig uit Somalië en daar maakt men weinig gebruik van betalingen via de bank, goederen worden in de regel met contant geld aangeschaft. Het geldbedrag heeft geen illegale herkomst. Het voortduren van het beslag veroorzaakt veel problemen binnen de familie van de klager. De klager zal het geldbedrag, wanneer het beslag is opgeheven, teruggeven aan zijn oom.

(…)
De klager wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en verklaart: ik wil het geldbedrag graag zo snel mogelijk terug zodat ik het kan teruggeven aan mijn oom. Ik heb al zo lang moeten wachten. Het voortduren van het beslag veroorzaakt veel problemen en stress in mijn familie. Ik hoop dat ik het geldbedrag zo snel mogelijk terugkrijg.”

4.5.

De bestreden beschikking, waarbij de rechtbank de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn derde klaagschrift, houdt het volgende in:

“Feiten

Op 1 november 2012 is onder de klager beslag gelegd op een geldbedrag ter hoogte van € 30.000,=. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.

Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Op 14 maart 2014 is de strafzaak tegen de klager geseponeerd.

Op 10 april 2013 heeft de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaard in een eerder ingediend klaagschrift ter zake van onderhavig beslag. Op 9 januari 2015 heeft de rechtbank de klager wederom niet-ontvankelijk verklaard in een klaagschrift ter zake van onderhavig beslag. Tegen deze beschikking heeft de klager beroep in cassatie aangetekend. Bij arrest van 10 november 2015 heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard bij gebreke van middelen van cassatie.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van een geldbedrag ter hoogte van € 30.000,=. Aangevoerd is dat het geldbedrag toebehoort aan de medeverdachte, dit doet niet af aan de verplichting tot teruggave aan de klager. Er dient te worden teruggegaan naar de situatie alsof er geen beslag is geweest, nu er geen strafvorderlijk belang meer is. De strafzaak tegen de klager is inmiddels geëindigd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag. Daartoe is gesteld dat namens de klager geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld die pas na de uitspraak van 9 januari 2015 zijn opgekomen en die het daarin vervatte oordeel kunnen aantasten.

Ontvankelijkheid

Een klager kan opnieuw een klaagschrift indienen strekkende tot - zoals in het onderhavige geval - beëindiging van het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag, indien een eerder ingediend klaagschrift waarop ten gronde is beslist, niet heeft geleid tot opheffing van het beslag en dat beslag nog niet is geëindigd. Een klager is in een hernieuwd beklag echter niet-ontvankelijk indien daarin enkel een beroep wordt gedaan op feiten en/of omstandigheden waarop hij in het eerdere klaagschrift of bij gelegenheid van de behandeling daarvan een beroep heeft gedaan. (Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BH1478, NJ 2009/178).

Niet is vereist dat de feiten of omstandigheden waarop in het hernieuwd beklag een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. In het algemeen geldt dat een hernieuwd beklag ontvankelijk is indien een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag (Vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580).

Bij beschikking van 9 januari 2015 is laatstelijk ten gronde beslist op het beklag van klager tegen de inbeslagneming van hetzelfde geldbedrag. De klager heeft geen andere argumenten of omstandigheden gesteld dan die waarover bij voormelde beschikking een oordeel is gegeven. De strafzaak was ten tijde van de behandeling van het vorige klaagschrift immers reeds geseponeerd en de rechtbank heeft daarover bovendien overwogen dat dit niet afdoet aan de gestelde eigendom van het geld. Nu geen beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerder klaagschrift was gebaseerd en die van dien aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag.”

5 Enkele inleidende opmerkingen van algemene aard

5.1.

Voordat ik aan de eigenlijke bespreking van het middel toekom, merk ik het volgende op. Zoals de Hoge Raad in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580 overwoog, geldt als uitgangspunt dat een klager opnieuw een klaagschrift kan indienen indien een eerder ingediend klaagschrift “waarop ten gronde is beslist”, niet heeft geleid tot opheffing van het beslag en het beslag nog niet is geëindigd. De vraag is wat in deze overweging de functie is van de tussen aanhalingstekens geplaatste zinsnede. Is daarmee bedoeld uit te drukken dat niet opnieuw een klaagschrift kan worden ingediend als op het eerdere klaagschrift niet ten gronde in beslist? Mij komt deze a contrario-redenering onjuist voor. Dit vooral omdat een goede grond voor een absoluut verbod op het indienen van een tweede klaagschrift in gevallen waarin het klaagschrift niet inhoudelijk is beoordeeld (maar waarin de klager bijvoorbeeld niet-ontvankelijk is verklaard in het beklag) mijns inziens ontbreekt. Dit reeds omdat een beroep op nieuwe feiten en omstandigheden zich ook met betrekking tot de vraag naar de ontvankelijkheid van het beklag kan voordoen. De klager kan nieuwe bewijsstukken overleggen waaruit zijn recht op het voorwerp blijkt. Denkbaar is ook dat de omstandigheden zelf veranderd zijn, bijvoorbeeld doordat de klager na zijn eerdere beklag eigenaar van het desbetreffende voorwerp is geworden.

5.2.

Een veel aannemelijker verklaring voor het invlechten van de bedoelde zinsnede lijkt mij te zijn dat daarmee het kader wordt aangegeven waarbinnen hetgeen de Hoge Raad vervolgens overweegt, gelding heeft. Dat de klager in een hernieuwd beklag niet-ontvankelijk is indien daarin enkel een beroep wordt gedaan op dezelfde feiten en omstandigheden waarop eerder een beroep is gedaan, heeft in deze lezing betrekking op de situatie waarin eerder ten gronde over het beklag is beslist. In het midden blijft daarbij wat heeft te gelden als van een beoordeling ten gronde nog geen sprake is geweest.

5.3.

De ratio van de bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond lijkt mij gelegen te zijn in het belang van een doelmatige benutting van de beperkte capaciteit van de rechterlijke macht. Een behandeling ten gronde kan achterwege blijven als de klager zijn beklag herhaalt zonder iets nieuws aan te voeren. De daarmee nagestreefde efficiencywinst doet zich daarbij eigenlijk alleen voor in evidente gevallen. Als tot aan de Hoge Raad en weer terug doorgeprocedeerd moet worden over de vraag of iets nieuws is aangevoerd, had het beklag misschien beter inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. In dit verband verdient opmerking dat uit de overwegingen van de Hoge Raad in de genoemde beschikking kan worden afgeleid dat een terughoudend gebruik van de bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond aangewezen is. De Hoge Raad stelt immers niet dan het beklag niet-ontvankelijk is als geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, maar dat het beklag niet-ontvankelijk is als “enkel” een beroep is gedaan op dezelfde feiten. Daarin zou gelezen kunnen worden dat als nieuwe steekhoudende argumenten zijn aangevoerd die zijn gebaseerd op dezelfde oude feiten, niet “enkel” een beroep is gedaan op die oude feiten. In elk geval geldt dat niet vereist is dat de feiten waarop een beroep wordt gedaan, “in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden”. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat een herhaald beklag “in het algemeen” ontvankelijk is als een beroep wordt gedaan op “andere” feiten “die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag”. Met dat laatste is een richtinggevend criterium geformuleerd: noopt hetgeen in het herhaalde klaagschrift wordt aangevoerd tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling?

5.4.

Als de klager in zijn eerdere beklag niet-ontvankelijk is verklaard (bijvoorbeeld omdat hij geen belanghebbende is of omdat het beslaggoed al is teruggegeven), wordt weinig efficiencywinst geboekt als de klager in zijn herhaalde beklag niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij enkel een beroep doet op dezelfde feiten. Een behandeling ten gronde blijft immers ook achterwege als de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard op dezelfde grond als waarop hij eerder niet-ontvankelijk werd verklaard. Ik merk daarbij op dat, in gevallen waarin de beklagrechter bij zijn eerdere oordeel blijft, hij, als op het punt van de niet-ontvankelijkheid niets nieuws is aangevoerd, voor de motivering van zijn beslissing kan verwijzen naar de eerdere beschikking. Het komt qua efficiency uiteraard anders te liggen als de beklagrechter, zonder dat de klager op dit punt iets nieuws aanvoert, tot het oordeel komt dat de eerdere niet-ontvankelijkheidbeslissing onjuist is geweest. Dan wordt capaciteit bespaard als de klager toch niet-ontvankelijk wordt verklaard, dit keer op de grond dat hij enkel een beroep deed op dezelfde feiten. Het is in die situatie echter weinig bevredigend dat een inhoudelijke beoordeling achterwege blijft.

5.5.

De onderhavige zaak vormt een illustratie van het een en ander. De klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn eerste beklag omdat hij volgens de rechtbank geen belanghebbende was aangezien hij kort gezegd rechthebbende noch beslagene was. Ten tijde van het indienen van het tweede klaagschrift was de situatie veranderd. De strafzaak tegen de klager en zijn medeverdachte was geseponeerd, zodat er geen strafvorderlijk belang meer was bij de voortzetting van het beslag. Op dat nieuwe feit deed de klager een beroep.1 Toch verklaarde de rechtbank de klager opnieuw niet-ontvankelijk in zijn beklag. Zij beriep zich daarbij op het gezag van gewijsde. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou meebrengen dat voor eens en voor altijd zou vaststaan dat de klager geen belanghebbende is. Die argumentatie deugt niet. Met het gezag van gewijsde heeft de vraag of de klager in een herhaald klaagschrift kan worden ontvangen, niets te maken. Als die vraag in een concreet geval bevestigend wordt beantwoord, verandert er niets aan de beslissing die op het eerdere klaagschrift is gegeven. Dan geldt nog steeds dat de klager in dat klaagschrift onherroepelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het gezag van gewijsde wil bovendien alleen zeggen dat aan de desbetreffende beslissing niet valt te tornen, niet dat de feiten die door de rechter aan die beslissing ten grondslag zijn gelegd voor waar moeten worden gehouden.

5.6.

Helemaal consequent was de rechtbank overigens niet. Het ‘gezag van gewijsde’ kon naar haar oordeel kennelijk wel worden doorbroken als de klager nieuwe feiten aanvoert die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het beklag. In de door de rechtbank gevolgde benadering leidt het herhaalde beklag tot een soort buitenwettelijke herzieningsprocedure: de ontvankelijkheidsbarrière kan alleen doorbroken worden in geval van een novum. Bij die benadering past dat de vraag of de klager andere feiten heeft aangevoerd wordt betrokken op de eerder gegeven beslissing. Heeft, zo wordt dan de vraag, de klager feiten aangevoerd die maken dat op deze eerdere beslissing moet worden teruggekomen? In de door de Hoge Raad gekozen benadering wordt in het geheel geen verband gelegd met de eerdere beslissing. Het herhaalde beklag wordt vergeleken met het eerder gedane beklag zonder dat de eerdere beslissing in de beschouwing wordt betrokken. De vraag is ‘simpel’ of het herhaalde beklag enkel bestaat uit een beroep op dezelfde feiten als waarop eerder beroep is gedaan. Als die vraag bevestigend kan worden beantwoord, is er grond om een beoordeling van het herhaalde beklag achterwege te laten. In andere gevallen echter heeft de klager recht op een ‘normale’ beoordeling van zijn beklag. Dat sluit als gezegd niet uit dat de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaart op dezelfde grond als waarop de klager eerder niet-ontvankelijk werd verklaard (zie hiervoor, onder 5.4).

5.7.

Een bijkomend bezwaar van de ‘novum-benadering’ waarvoor de rechtbank in haar tweede beschikking koos, is dat zij aanzet tot een uitputting van rechtsmiddelen. De rechtbank hield de klager voor dat hij tegen de eerste beschikking geen beroep in cassatie had ingesteld. Dat had de klager volgens de rechtbank kennelijk moeten doen als hij het met de beslissing niet eens was. De vraag is of dat vanuit een oogpunt van werkbesparing gelukkig is. Het beroep dat wordt gedaan op de beperkte capaciteit van de rechterlijke macht lijkt zo alleen maar groter te worden. Een gang naar de Hoge Raad is vanwege het beperkte karakter van de toetsing in cassatie lang niet altijd zinvol. Een vruchteloos gebleven cassatieberoep maakt bovendien geen einde aan de feitelijke mogelijkheid om een tweede klaagschrift in te dienen en voorkomt dus niet dat de zaak opnieuw op het bordje van de rechtbank belandt. Voor de strategie die door de klager in de onderhavige zaak is gevolgd – berusten in de zijns inziens onjuiste niet-ontvankelijkheidsbeslissing en wachten met het indienen van een tweede klaagschrift totdat zich nieuwe feiten voordoen – is juist vanuit een oogpunt van werkbesparing veel te zeggen.

5.8.

De rechtbank was in haar tweede beschikking ook in ander opzicht niet helemaal consequent. Het gezag van gewijsde bracht volgens haar mee dat “ervan uit moet worden gegaan dat klager geen belanghebbende is”. Tegelijk echter stelt de rechtbank vast dat het geldbedrag van € 30.000 “op 1 november 2012 onder [betrokkene 1] en klager [klager] (…) op grond van artikel 94 Sv in beslag [is] genomen”. Dit terwijl het in de eerste beschikking gegeven oordeel dat de klager geen belanghebbende is, mede berustte op de vaststelling dat het geldbedrag niet onder de klager in beslag was genomen. De rechtbank wijkt hier dus zelf af van haar eerder gegeven feitelijk oordeel. Misschien moet men zeggen dat dit niet inconsequent is, maar juist de bittere consequentie is waartoe een ‘novum-benadering’ leidt. Aan het uitgangspunt dat de klager geen belanghebbende is, moet ook tegen het betere weten van de rechtbank in worden vastgehouden als de klager geen beroep doet op nieuwe feiten. In de bestreden beschikking – de beschikking op het derde klaagschrift – wijkt de rechtbank nog verder af van de feitelijke vaststellingen uit haar eerste beschikking. In de bestreden beschikking stelt zij feitelijk vast dat op de voet van art. 94 Sv “op 1 november 2012 onder de klager [klager] beslag [is] gelegd op een geldbedrag ter hoogte van € 30.000,-”. Die vaststelling impliceert dat de klager wel belanghebbende is. Toch wordt hij niet-ontvankelijk verklaard omdat door hem geen andere feiten zouden zijn aangevoerd. Dat is niet erg bevredigend. Met het besparen van overbodig werk heeft het in elk geval weinig meer te maken.

5.9.

Het voorgaande roept de vraag op of de rechtbank, in gevallen waarin de klager enkel een beroep doet op dezelfde feiten, de klager niet-ontvankelijk moet verklaren dan wel of zij de klager in een dergelijk geval niet-ontvankelijk kan verklaren. Als het laatste het geval is, kan de rechtbank het beklag toch ontvankelijk achten als zij zelf van oordeel is dat de eerdere beslissing niet juist is geweest.2 In zijn al eerder genoemde beschikking van 5 april 2016 stelt de Hoge Raad dat het herhaalde beklag niet-ontvankelijk “is” indien daarin enkel een beroep wordt gedaan op dezelfde feiten als waarop eerder beroep is gedaan. Die formulering biedt de rechtbank geen ruimte om een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. Zelf zou ik menen dat die ruimte er wel zou moeten zijn. In het verlengde daarvan ligt dat er grond voor cassatie is als de rechtbank in de beschikking waarbij zij de klager niet-ontvankelijk verklaart omdat hij enkel een beroep deed op dezelfde feiten, feiten vaststelt die meebrengen dat de initiële beslissing onjuist is geweest.

5.10.

De ‘novum-benadering’ waarvoor de rechtbank in haar tweede beschikking koos, roept ook nog een andere vraag op. Als de klager in een herhaald klaagschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij zich enkel beriep op dezelfde feiten, is niet uitgesloten dat hij in een daarop volgend (derde) klaagschrift wel kan worden ontvangen. Denkbaar is immers dat in dat klaagschrift alsnog een beroep wordt gedaan op andere feiten. Het maakt dan praktisch gesproken niet uit of het klaagschrift ter beantwoording van de vraag of de aangevoerde feiten anders zijn, wordt vergeleken met het eerste of met het tweede klaagschrift, tenminste niet als het eerste en het tweede klaagschrift inderdaad niet van elkaar verschillen. In de onderhavige zaak verschilden het eerste en het tweede klaagschrift echter wel. In het tweede klaagschrift beriep de klager zich immers op het feit dat zijn strafzaak en die van de medeverdachte inmiddels waren geseponeerd. Dat nieuwe gegeven werd door de rechtbank terzijde geschoven met het (onjuiste) argument dit geen ‘novum’ was dat tot herziening van de initiële niet-ontvankelijkheidsbeslissing noopte. Het gevolg is dat het wel van belang is met welk klaagschrift het derde klaagschrift wordt vergeleken. In de bestreden beschikking vergelijkt de rechtbank, na eerst (ten onrechte) te hebben vastgesteld dat op het tweede klaagschrift ten gronde is beslist, het klaagschrift (mede) met dat tweede klaagschrift. Mij komt dat niet juist voor. Ik zou menen dat steeds (alleen) met het eerste klaagschrift vergeleken moet worden. De vraag is telkens of er dit keer (anders dan de vorige keren) wel een beroep is gedaan op andere feiten. Wat in eventuele tussentijdse klaagschriften is aangevoerd, doet dus niet ter zake. Dat voorkomt moeizame vergelijkingen, die alleen maar moeizamer worden als het niet gaat om het derde, maar om het vierde of vijfde klaagschrift. Tegenover de klager is het ook redelijk dat ervan uitgegaan wordt dat de rechtbank bij eerdere gelegenheden met juistheid heeft geoordeeld dat de klager enkel een beroep deed op dezelfde feiten als waarop in het eerste klaagschrift een beroep is gedaan (en dat derhalve een vergelijking met dat eerste klaagschrift volstaat). Zo wordt voorkomen dat de rechtbank haar eigen fouten aan de klager tegenwerpt met het argument dat hij in cassatie had kunnen gaan.

5.11.

Waartoe leiden deze inleidende opmerkingen? Onder punt 5.2 constateerde ik dat de Hoge Raad in het midden lijkt te laten of de door hem (voor gevallen waarin de klager enkel een beroep doet op dezelfde feiten) gemaakte uitzondering op de regel dat herhaaldelijk kan worden geklaagd alleen geldt als op het eerdere klaagschrift ten gronde is beslist. Vanuit een oogpunt van rechtseenheid en rechtsontwikkeling is het wenselijk dat de Hoge Raad zijn standpunt op dit punt verduidelijkt. Gelet op al het voorgaande valt goed te verdedigen dat de bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond zich beperkt tot gevallen waarin het eerdere beklag ten gronde is beoordeeld. De ratio vraagt niet om een ruimere toepassing, aangezien er geen werk wordt bespaard als de ene niet-ontvankelijkheidsgrond plaats maakt voor de andere. Daarbij komt dat een beperking tot de inhoudelijke beoordeling ook beter past bij het karakter van de niet-ontvankelijkheidsgrond. De onderbouwing in het klaagschrift pleegt zich te concentreren op de beoordeling ten gronde, niet op de ontvankelijkheid van de klager. Die inhoudelijke onderbouwing is ook wat van de klager wordt verlangd. De ontvankelijkheid is een punt dat zo nodig door de rechtbank ambtshalve aan de orde moet worden gesteld. Bij die stand van zaken past dat het bij de vraag of een beroep is gedaan op andere feiten gaat om de onderbouwing van de inhoudelijke stellingen. Niet onbelangrijk is voorts dat een beperking tot gevallen waarin de zaak ten gronde is beoordeeld een eenvoudig te hanteren regel oplevert die veel van de processuele complicaties kan voorkomen die, zoals het voorgaande laat zien, kunnen optreden als van een ruimere opvatting wordt uitgegaan.

5.12.

Tegengeworpen kan misschien worden dat het oordeel over de ontvankelijkheid van de klager en het oordeel over de gegrondheid van het beklag in de praktijk nog al eens door elkaar lopen. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de klager belanghebbende (en dus ontvankelijk in zijn beklag) als hij stelt dat hij rechthebbende is. De vraag of die stelling juist is, komt pas aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beklag.3 Tegen deze regel wil nog wel eens gezondigd worden, zodat een niet-ontvankelijkverklaring wordt uitgesproken waar een afwijzing van het beklag op haar plaats was. Een zwaarwegend bezwaar levert dat naar mijn mening niet op. Het is hier de foute beslissing van de rechtbank die maakt dat de klager niet kan worden tegengeworpen dat hij een beroep had moeten doen op andere feiten. De inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift die daardoor nodig is, hoeft daarbij niet voor te stellen als door de klager inderdaad niets nieuws is aangevoerd en het eerder gegeven oordeel dat hij geen rechthebbende is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds juist is. Het is overigens denkbaar om te nuanceren, zodat de niet-ontvankelijkheidsgrond ook toepassing kan vinden in gevallen waarin sprake is van een ‘bedekte’ afwijzing van het beklag. Wat in elk geval geldt, is dat in een dergelijk geval het belang bij een eventueel cassatieberoep niet evident zal zijn.

5.13.

Ik wil niet verhelen dat ook een ander standpunt mij goed te verdedigen lijkt. Er is weinig bezwaar tegen om toepassing van de bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond niet te beperken tot gevallen waarin het eerdere klaagschrift ten gronde is beoordeeld, mits (1) die toepassing beperkt blijft tot evidente gevallen, waarbij (2) het herhaalde beklag alleen wordt vergeleken met het eerst gedane beklag en (3) bij die vergelijking geabstraheerd wordt van de op het eerste beklag gegeven beslissing (geen ‘novum-benadering’), terwijl (4) de beklagrechter vrij is om van de toepassing van de niet-ontvankelijkheidsgrond af te zien als hij bevindt dat de eerder gegeven beslissing onjuist is. Als aan deze vier voorwaarden de hand wordt gehouden, leidt dit alternatieve standpunt niet tot onaanvaardbare resultaten. In bijna alle gevallen zal de uitkomst op hetzelfde neerkomen. In zekere zin is het eerste standpunt (geen toepassing van de niet-ontvankelijkheidsgrond als het beklag niet ten gronde is beoordeeld) de praktische vertaling van het alternatieve standpunt. Voor die praktische vertaling pleit dat zij een duidelijke regel geeft die in de praktijk tot weinig ongelukken zal leiden. Of dat ook geldt met betrekking tot het alternatieve standpunt waag ik te betwijfelen. Mede daarom heb ik een voorkeur voor het eerste standpunt.

6 De bespreking van het middel

6.1.

Zoals al onder punt 3 is aangegeven, klaagt het middel over het oordeel van de rechtbank dat door de klager geen beroep is gedaan op andere feiten dan waarop hij eerder een beroep deed. Het middel klaagt niet, althans niet met zoveel woorden, over de onbegrijpelijke vaststelling van de rechtbank dat bij beschikking van 9 januari 2015 (waarin op het tweede door de klager ingediende klaagschrift werd beslist) laatstelijk ten gronde over het beklag werd beslist. Het middel klaagt er evenmin expliciet over dat (1) de rechtbank de eis van een onderbouwing met andere feiten stelt terwijl op het beklag van de klager nimmer een beslissing ten gronde is gegeven; (2) de rechtbank zich bij de vraag of een beroep is gedaan op andere feiten niet heeft beperkt tot een vergelijking met het eerste klaagschrift en (3) de rechtbank vaststelt dat het geld onder de klager in beslag is genomen en desondanks geen reden ziet om terug te komen op de eerder gegeven beslissingen. Ik meen evenwel dat bij de beoordeling van het middel bezwaarlijk geheel van de tekortkomingen die aan de bestreden beschikking kleven, kan worden geabstraheerd. Ik zie daarom reden om de cassatieschriftuur welwillend te lezen en daarbij in aanmerking te nemen wat daarin niet met zoveel woorden is uitgedrukt.

6.2.

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat de rechtbank haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd omdat zij de namens de klager aangevoerde feiten en omstandigheden niet in haar beschikking heeft weergegeven. Voor zover erover geklaagd wordt dat het standpunt van de klager in het geheel niet in de bestreden beschikking is vermeld, faalt die klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik volsta met een verwijzing naar de weergave van de bestreden beschikking onder punt 4.5, in het bijzonder naar hetgeen is vermeld onder de kop “Standpunt klager en standpunt officier van justitie”. Voor zover bedoeld mocht zijn erover te klagen dat niet al hetgeen door en namens de klager is aangevoerd door de rechtbank in haar beschikking is vermeld, geldt dat het recht een dergelijke overspannen motiveringseis niet kent. Ik merk daarbij op dat bij de toetsing in cassatie van het oordeel van de rechtbank dat enkel een beroep is gedaan op dezelfde feiten, betrokken kan worden hetgeen uit het klaagschrift en uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt.

6.3.

Intussen illustreert de klacht wel dat het wenselijk is dat het niet-ontvankelijk verklaren van een herhaald beklag beperkt wordt tot evidente gevallen, zodat daarover, gelet op de dam die art. 80a RO opwerpt, niet tot aan de Hoge Raad doorgeprocedeerd kan worden (vergelijk hiervoor, punt 5.3). In de toelichting op de klacht wordt onder meer gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten te vermelden dat door de klager ook als nieuw feit is aangevoerd dat het OM (na de beslissing op het tweede klaagschrift) heeft geweigerd om het geld aan klager af te geven met het argument dat de klager afstand heeft gedaan van het geld, terwijl van een dergelijke afstand geen sprake is. Ik laat even daar of dit een feit oplevert dat tot een nieuwe beoordeling van het beklag noopt. Waar het hier om gaat, is dat getwist kan worden over de vraag of op dit feit wel een beroep is gedaan. Het desbetreffende schrijven van het OM is als ‘Productie 4’ bij het klaagschrift gevoegd. In het klaagschrift zelf wordt gesteld dat klager zich “nadrukkelijk niet kan vinden” in de door het OM gegeven beslissing, waarbij op een gegeven moment wordt opgemerkt dat de klager “immers” geen afstand van het geld heeft gedaan. Ook uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling blijkt dat aangevoerd is dat de klager geen afstand van het geld heeft gedaan. Voor zover in cassatie valt na te gaan, is echter op geen enkel moment uitdrukkelijk gesteld dat het OM afgifte van het geld heeft geweigerd omdat afstand van recht zou zijn gedaan. Kan dan gezegd worden dat op dit gegeven een beroep is gedaan? Het antwoord op die vraag vergt in cassatie een moeizame exercitie, waarbij gereconstrueerd moet worden hoe de rechtbank het aangevoerde heeft verstaan en beoordeeld moet worden of de rechtbank dat zo had kunnen verstaan. Er wordt weinig aan efficiency gewonnen als de Hoge Raad met dergelijke exercities wordt opgezadeld.

6.4.

Het middel klaagt er in de tweede plaats over dat de rechtbank haar oordeel ontoereikend, dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat zij miskent dat de klager wel degelijk “nieuwe ammunitie” had. Namens de klager is namelijk, zo wordt gesteld, voor het eerst aangevoerd dat (i) hij de beslagene is, dat met een beroep op de hoofdregel van art. 116 lid 1 Sv aan het OM om teruggave van het geld is verzocht, dat die teruggave ten onrechte is geweigerd omdat de klager – anders dan het OM stelde - geen afstand heeft gedaan van het geldbedrag en dit daarom ex art. 116 lid 1 Sv aan hem moet worden teruggegeven en dat (ii) het voortduren van het beslag veel problemen veroorzaakt binnen de familie van verzoeker.

6.5.

Over het laatste onderdeel van de stelling kan ik kort zijn. Van een omstandigheid die “noopt” tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag is geen sprake. Lastiger is het gesteld met het eerste onderdeel van de stelling. Ik herhaal daarbij dat de vraag niet is of een beroep gedaan is op nieuwe feiten, maar of “enkel” een beroep is gedaan op dezelfde feiten als waarop eerder een beroep is gedaan. Dat criterium kan zo gelezen worden dat ook in geval van nieuwe steekhoudende argumenten geen sprake is van enkel een beroep op dezelfde feiten (hiervoor, onder 5.3). Welnu, uit de bestreden beschikking kan ik niet afleiden dat de hoofdregel van art. 116 lid 1 Sv door de klager eerder zo nadrukkelijk onder de aandacht van de rechtbank is gebracht. Van belang acht ik daarbij dat men het er inmiddels over eens leek te zijn dat het geld inderdaad onder de klager in beslag is genomen. In het aangevoerde ligt immers besloten dat het OM het op art. 116 lid 1 Sv gebaseerde verzoek tot teruggave niet afwees met het argument dat de klager niet de beslagene is, terwijl de rechtbank in de bestreden beschikking uitdrukkelijk vaststelt dat het geld onder de klager in beslag is genomen. In zoverre zou dus niet alleen van een nieuw argument, maar ook van een nieuw feitelijk gegeven gesproken kunnen worden. Het een en ander “noopte” daarbij tot een nieuwe beoordeling van het beklag over het voortduren van het beslag. Ik neem daarbij in aanmerking dat weliswaar, zoals de rechtbank niet nalaat te overwegen, de klager al bij gelegenheid van zijn tweede klaagschrift heeft aangevoerd dat het belang van de strafvordering zich niet langer verzet tegen de teruggave van het geld, maar dat dit nieuwe gegeven destijds door de rechtbank expliciet buiten beschouwing is gelaten en daarom niet heeft geleid tot een nieuwe beoordeling.

6.6.

Het andersluidende oordeel van de rechtbank is dus naar mijn oordeel niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, zodat het middel in zoverre gegrond is. Daarmee is nog niet gezegd dat dit tot cassatie moet leiden. De vraag is namelijk of de klager daarbij voldoende belang heeft.

6.7.

Aandacht in dit verband verdient in de eerste plaats dat de klager zich keer op keer op het standpunt heeft gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag van zijn oom uit Mogadishu is. In raadkamer verklaart de klager ook nog het volgende: “ik wil het geldbedrag graag zo snel mogelijk terug zodat ik het kan teruggeven aan mijn oom”. Uit dat laatste heeft de rechtbank kennelijk niet afgeleid dat het beklag strekte tot teruggave van het geld aan een ander. Onbegrijpelijk is dat mijns inziens niet. De hoofdregel is dat het geld terug moet naar de beslagene. Wat de beslagene met dat geld wil doen, doet daarbij in beginsel niet ter zake. In cassatie staat voorts, ondanks de uitlatingen van de klager, niet vast dat de oom uit Mogadishu redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. In HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4253 en HR 19 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9701, NJ 2003/661 oordeelde de Hoge Raad dat degene die geld uitleent aan een ander, geen aanspraak heeft op teruggave van het uitgeleende (en vervolgens inbeslaggenomen) geldbedrag omdat hij slechts een vordering tot terugbetaling van eenzelfde geldbedrag op de beslagene zou hebben. Als die jurisprudentie nog steeds onverkort gelding heeft, mag uit uitlatingen van de beslagene dat het geleende geld van een ander “is” en dat hij het geld aan die ander wil “teruggeven” niet de conclusie worden getrokken dat de beslagene niet de rechthebbende is. Hij is immers volgens die jurisprudentie de eigenaar van het geleende geld geworden. De vraag die daarbij rijst, is of deze jurisprudentie zich beperkt tot gevallen van geldlening. Moet ook in gevallen waarin de beslagene het geld als zaakgelastigde onder zich had, niet gezegd worden dat de lastgever slechts een vordering tot terugbetaling heeft?

6.8.

Ook op andere grond kan betwijfeld worden of de uitlatingen van de klager indien juist maken dat hij geen aanspraak heeft op teruggave van het onder hem in beslag genomen geld. Op de regel dat het inbeslaggenomen voorwerp terug moet naar de beslagene is een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Die uitzondering is naar mijn mening bedoeld voor gevallen waarin die ander zich op grond van zijn sterkere recht verzet tegen teruggave aan de beslagene. De uitzondering strekt er met andere woorden toe om de rechten van de eigenaar (of degene die anderszins rechthebbende is) te beschermen. Als de eigenaar ermee akkoord gaat dat het desbetreffende voorwerp aan de beslagene wordt teruggegeven, wordt juist recht gedaan aan zijn sterkere recht wanneer het voorwerp teruggaat naar de beslagene. Met de onderlinge verhouding tussen de eigenaar en de beslagene heeft justitie zich niet te bemoeien. Stel bijvoorbeeld dat juist is wat de klager in elk geval aanvankelijk beweerde, namelijk dat hij het geld van zijn oom had gekregen om daarvan voor zijn oom tractoren te kopen. Waarom zou dat geld dan niet naar de klager terug moeten, maar opgestuurd moeten worden naar de oom in Mogadishu, die dan maar moet zorgen dat het geld weer bij de klager komt, zodat deze daarvan eindelijk de nodige tractoren kan kopen?

6.9.

In de tweede plaats verdient aandacht dat zich bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 447 lid 2 Sv toegezonden stukken een kennisgeving van inbeslagneming van 1 november 2012 en een proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2012 bevinden die ernstige twijfels oproepen aan de juistheid van de vaststelling van de rechtbank dat het geld onder de klager in beslag is genomen. Uit deze stukken lijkt te moeten worden afgeleid dat het geld waarvan de klager teruggave verzoekt het contante geldbedrag is (althans een deel daarvan) dat op 1 november 2012 tijdens een politiecontrole aan de openbare weg is aangetroffen in een personenauto die op dat moment werd bestuurd door [betrokkene 1], die zich als enige in deze auto bevond. Op het geldbedrag is toen op de voet van art. 94 Sv ten behoeve van de waarheidsvinding beslag gelegd.4 [betrokkene 1], onder wie het geld volgens de genoemde stukken in beslag is genomen, lijkt aldus de enige te zijn die als beslagene kan worden aangemerkt.5 De vraag is echter of op grond hiervan in cassatie als vaststaand kan worden aangenomen dat de klager niet de beslagene is, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat dit wel het geval is. In het licht van de gedingstukken kan die feitelijke vaststelling niet zonder meer begrijpelijk worden genoemd, maar dat zij onjuist is, is in cassatie dunkt mij net iets teveel gezegd.

6.10.

Daar komt nog dit bij. Ik meen dat niet uit te sluiten valt dat de klager in het geval dat hij niet de beslagene is, toch als de rechthebbende op het geld moet worden aangemerkt, ook als voor juist moet worden gehouden dat zijn oom uit Mogadishu hem het geld ter beschikking had gesteld teneinde daarvan voor die oom tractoren te kopen.6 Er is weliswaar jurisprudentie die erop wijst dat enkel de eigenaar (of een beperkt zakelijk gerechtigde) als de rechthebbende kan worden aangemerkt (zodat de uitzondering op de regel dat het geld terug moet naar de beslagene binnen enge grenzen wordt gehouden)7, maar voor een dergelijke beperkte uitleg lijkt mij alleen reden te zijn in situaties waarin de beslagene aanspraak maakt op het desbetreffende voorwerp. Neem bijvoorbeeld het geval waarin A zijn boormachine verhuurt aan B en C die boormachine vervolgens steelt. Als die boormachine vervolgens onder C in beslag wordt genomen, die de diefstal bekent en afstand doet van de boormachine8, valt niet in te zien waarom de boormachine aan de eigenaar A zou moeten worden teruggegeven en niet aan de huurder B, even aangenomen dat de huurtermijn nog niet is verstreken. Het wordt niet anders als C de boormachine niet steelt, maar op verzoek van B naar de plaats brengt waar B samen met C wil gaan klussen. Ook dan kan zich gemakkelijk voordoen dat C als beslagene afstand doet van de boormachine omdat hij meent daarop geen recht te hebben. In de onderhavige zaak is in cassatie niet duidelijk in welke relatie [betrokkene 1] en de klager tot elkaar staan, terwijl er – gezien de tegen hem gerezen verdenking wegens witwassen – kennelijk wel reden was om aan te nemen dat de klager het geld voorhanden had of heeft gehad en [betrokkene 1] volgens een zich bij de gedingstukken bevindende verklaring afstand van het geld heeft gedaan. Onder die omstandigheden valt mijns inziens in cassatie niet uit te sluiten dat de klager als de rechthebbende moet worden aangemerkt aan wie het geld moet worden teruggegeven. Ik merk daarbij – uiteraard volkomen overbodig – nog op dat de onschuldpresumptie eraan in de weg staat dat het OM het geld onder zich houdt met het argument dat het vermoedelijk van misdrijf afkomstig is.9

6.11.

Nu het middel gegrond is en er onvoldoende reden is om aan te nemen dat de klager daarbij onvoldoende belang heeft, dient het tot cassatie te leiden.

7. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden beschikking ambtshalve zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzen of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal doen voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De rechtbank gaat daarvan in de bestreden beschikking uit.

2 Deze vraag kan zich in theorie ook voordoen als het klaagschrift in de eerdere beschikking ten gronde is beoordeeld.

3 Zie o.m. HR 5 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9043, NJ 1991/545 en HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8586, NJ 2004/179. Het oordeel dat de klager onder wie het beslag niet is gelegd geen rechthebbende is, kan de afwijzing van het beklag daarbij zelfstandig dragen (HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8028).

4 Zie de kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) van 1 november 2012, met nummer PL1850 2012102058-5 en het proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2012, met nummer PL1850 2012102058-2.

5 De feitelijke situatie is hier bijna alles bepalend. Vlg. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106, NJ 2015/38 m.nt. Vellinga-Schootstra en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, NJ 2017/93 m.nt. Mevis.

6 Ik laat daar dat uit deze uitlating mogelijk niet de conclusie kan worden getrokken dat de oom als de rechthebbende op het geld moet worden aangemerkt, aangezien deze slechts een vordering tot teruggave van een even groot geldbedrag op de klager zou hebben. Zie daarover onder punt 6.7.

7 Zie o.m. A-G Wortel in ECLI:NL:PHR:2003:AF3104.

8 Volledigheidshalve merk ik op dat ook als de dief geen afstand doet, het voorwerp niet aan hem hoeft te worden teruggegeven omdat vaststaat dat hij geen rechthebbende is. Zie o.m. HR 29 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5650, NJ 2003/19 en HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785.

9 Misschien is dit in uitzonderlijke gevallen anders. Denkbaar is dat wel bewezen zou kunnen worden dat het geld van misdrijf afkomstig is, maar de strafzaak tegen de klager is geseponeerd omdat het opzet niet kan worden bewezen. De vraag is of teruggave van het misdaadgeld dan geen “onredelijke gevolgen” heeft (Vgl. Kamerstukken II 1993-1994, 23692, nr. 3, p. 3). Het voert te ver die vraag hier te bespreken.