Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1172

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
17/00962
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3103, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Caraïbische zaak. Recht op mondeling pleidooi, art. 281 RvC, art. 90, 97, 99 Procesreglement 2016 Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Rechterswisseling, art. 155 Rv, art. 224 lid 3 RvC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/00962

mr. P. Vlas

Zitting: 27 oktober 2017

Conclusie inzake:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

tegen

Korporashon pa Desaroyo di Korsou,

gevestigd te Curaçao

Deze Caribische zaak betreft enige processuele perikelen aangaande een vordering tot terugbetaling van een lening. De centrale klacht is dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) geen gelegenheid zou hebben gegeven tot mondeling (‘fysiek’) pleidooi en dat een rechterswisseling is doorgevoerd zonder daarvan in de beslissing melding te maken.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Op 9 januari 2008 heeft de stichting Korporashon pa Desaroyo di Korsou (hierna: Korpodeko) aan Glas en Marmer Handel B.V. waarvan [verzoeker] directeur was, een kredietlening verstrekt van maximaal NAf 870.000,00. [verzoeker] heeft in persoonlijke hoedanigheid, naast Glas en Marmer Handel B.V., deze kredietovereenkomst voor akkoord ondertekend. In de kredietovereenkomst zijn onder meer als zekerheden opgenomen: (i) fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid van de huidige en toekomstige voorraden, inventaris, machines, gereedschappen en voertuigen van het project aan Korpodeko totdat het krediet geheel is ingelost, (ii) volmacht onderhandse verkoopakte voorraden, inventaris, machines, gereedschappen en voertuigen en (iii) persoonlijke borgstelling van [verzoeker] voor een bedrag van NAf 870.000,00 plus rente en kosten.

1.2 Bij vonnis van 16 december 2009 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: GEA) Glas en Marmer B.V. in staat van faillissement verklaard, een rechter-commissaris in dit faillissement benoemd en een curator aangesteld.

1.3 Uit het openbaar verslag in het faillissement van Glas en Marmer B.V., dat door de curator is opgemaakt op 11 maart 2010, blijkt dat alle roerende goederen van de onderneming, die fiduciair eigendom zijn van Korpodeko, met toestemming van de rechter-commissaris werden verkocht voor NAf 250.000,00.

1.4 Bij e-mail van 10 juni 2013 heeft de curator aan [verzoeker] medegedeeld dat Korpodeko alle goederen van Glas en Marmer B.V die indertijd fiduciair eigendom waren van Korpodeko, heeft verkocht en dat de volledige opbrengst naar Korpodeko is gegaan.

1.5 Korpodeko heeft bij het GEA een vordering tegen [verzoeker] aanhangig gemaakt tot terugbetaling van de verstrekte lening van NAf 720.477,18. [verzoeker] heeft de hoogte van de restschuld weersproken en daartoe gesteld dat de goederen van Glas en Marmer B.V. voor slechts NAf 250.000,00 zijn verkocht terwijl de waarde veel hoger lag. [verzoeker] stelt dat Korpodeko kan worden verweten dat zij voor de verkoop van een zeer laag bedrag heeft gezorgd. Korpodeko heeft dit standpunt betwist en gesteld dat de curator met toestemming van het gerecht tot de verkoop is overgegaan.

1.6 Bij vonnis van 14 september 2015 heeft het GEA de vordering tot terugbetaling van het saldo van de lening toegestaan. Volgens het GEA is niet gebleken dat Korpodeko tot verhaal is overgegaan, omdat de curator met toestemming van het gerecht de goederen heeft verkocht (rov. 3.5). Daarnaast heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat de werkelijke waarde van de goederen veel hoger lag dan het verkoopbedrag. Ook is niet onderbouwd op welke wijze Korpodeko heeft gezorgd voor de verkoop tegen een zeer laag bedrag dan wel een dergelijke verkoop heeft toegestaan (rov. 3.6).

1.7 [verzoeker] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.8 Het hof heeft bij tussenvonnis van 26 april 2016 het volgende overwogen. Korpodeko heeft de goederen buiten de veiling om met toestemming van de rechter-commissaris onderhands verkocht voor NAf 250.000,00 (rov. 3.3). Bij het uitwinnen van zekerheden staat voorop dat Korpodeko jegens [verzoeker] de redelijkheid en billijkheid in acht behoort te nemen. Daaronder valt onder meer dat Korpodeko een zo hoog mogelijke opbrengst van haar zekerheden realiseert zodat de restschuld van [verzoeker] zo laag mogelijk wordt. Stelplicht en bewijslast dat Korpodeko aldus niet heeft gedaan, rusten ingevolge art. 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao op [verzoeker] . [verzoeker] heeft invulling aan zijn stelplicht gegeven door te wijzen op het grote verschil tussen de aanschafwaarde en de verkoopprijs van de goederen twee jaar later. Korpodeko heeft betwist dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht (rov. 3.4). Het hof heeft Korpodeko toegestaan om bij akte nadere stukken/inlichtingen omtrent de onderhandse verkoop en de waarde van de goederen in het geding te brengen (rov. 3.5) en [verzoeker] in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen (rov. 3.6).

1.9 Nadat Korpodeko bij akte stukken in het geding heeft gebracht en [verzoeker] daarop bij antwoordakte heeft gereageerd, heeft het hof op 6 december 2016 eindvonnis gewezen. Het hof heeft, kort samengevat, geoordeeld dat Korpodeko niet heeft gesteld op welke gronden zij uiteindelijk tot de verkoopprijs van NAf 250.000,- is gekomen en dat zij haar betwisting dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens het hof slaagt derhalve de stelling van [verzoeker] dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht (rov. 2.3). [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht, maar hij heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld wat de waarde op het moment van de verkoop was, zodat het hof derhalve als uitgangspunt de waarde neemt zoals aanvankelijk door Korpodeko als vraagprijs is vastgesteld, te weten NAf 580.750,- (rov. 2.4). Nu gesteld nog gebleken is dat Korpodeko zich heeft ingespannen om dit bedrag als verkoopopbrengst te realiseren, staat de door Korpodeko jegens [verzoeker] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat het verschil tussen de waarde en de uiteindelijke verkoopprijs (zijnde NAf 580.750,- minus NAf 250.000,- is NAf 330.750,-) ten laste van [verzoeker] komt. Het hof heeft geoordeeld dat dit verschil dan ook voor rekening van Korpodeko dient te blijven en op de vordering op [verzoeker] in mindering dient te worden gebracht (rov. 2.5). De vordering van Korpodeko is derhalve slechts tot een bedrag van NAf 389.727,18 toewijsbaar (rov. 2.6). Het hof heeft het bestreden vonnis van het GEA vernietigd en [verzoeker] veroordeeld om aan Korpodeko laatstgenoemd bedrag te betalen.

1.10 [verzoeker] heeft tegen het vonnis van het hof van 26 april 2016 (hierna: het tussenvonnis) en 6 december 2016 (hierna: het eindvonnis) tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel is gericht tegen rov. 3.4 en 3.5 van het tussenvonnis en rov. 2.1-2.5 van het eindvonnis. Het middel bestaat uit vier klachten.

2.2

Klacht 1 voert aan dat het hof in strijd heeft gehandeld met art. 281 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao (hierna: C-Rv) dan wel met art. 90 van het Procesreglement 2016 van het hof2 door geen gehoor te geven aan de bij grieven geuite wens van [verzoeker] om zijn stellingen bij ‘fysiek’, dus mondeling, pleidooi nader uiteen te mogen zetten. De klacht betoogt dat het hof immers blijkens rov. 1.2 en 1.3 van het eindvonnis na het wisselen van akten vonnis heeft bepaald. Indien en voor zover het hof voornoemde verplichtingen niet heeft miskend, is diens beslissing om [verzoeker] geen (nadere) gelegenheid te bieden pleidooi te vragen of daadwerkelijk tot pleidooi toe te laten, bij gebreke van enige motivering en gelet op de voornoemde wens van [verzoeker] , onbegrijpelijk, aldus de klacht.

2.3

Art. 281 lid 1 C-Rv luidt als volgt:

1. Indien door partijen of een der partijen het verlangen te kennen is gegeven dat de zaak ter terechtzitting van het Hof wordt bepleit, bepaalt het Hof een dag daartoe. De griffier geeft de partijen daarvan schriftelijk kennis.

Art. 90, 97, 98 en 99 van het Procesreglement 2016 bepalen het volgende:

Art. 90. Appointement

Het Hof plaatst na ontvangst van de stukken als bedoeld in artikel 276 Rv de zaak op een rolzitting binnen vier weken daarna voor pleidooi. De griffier doet tenminste twee weken voor de betreffende rolzitting van deze plaatsing schriftelijk mededeling aan partijen (appointement).

Art. 97. Uitgangspunt: pleitnota’s overleggen

Indien pleidooi is gevraagd, gaat het Hof ervan uit dat partijen volstaan met het door partijen gelijktijdig overleggen van een pleitnota. Na het overleggen van de pleitnota ter zitting wordt een datum voor vonnis bepaald.

Art. 98. Termijn producties bij schriftelijk pleidooi

In geval van schriftelijk pleidooi moeten producties, conform artikel 12, uiterlijk op de derde werkdag voor de dag van de rolzitting aan de wederpartij - niet (ook) aan het Hof - te zijn verzonden.

Art. 99. Verzoek om mondeling pleidooi

Indien een partij mondeling wil pleiten, dient zij haar voornemen daartoe uiterlijk kenbaar te maken op de rolzitting waarop de zaak voor pleidooi P1 staat. Indien mondeling pleidooi wordt toegestaan, is artikel 40 van overeenkomstige toepassing.

2.4

In tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, heeft het hof in de onderhavige zaak in overeenstemming met de hierboven geciteerde bepalingen de partijen gelegenheid geboden de zaak te bepleiten en is de zaak op de rolzitting geplaatst voor pleidooi. Zoals ook uit rov. 1.4 van het tussenvonnis blijkt, hebben partijen op de daarvoor nader bepaalde dag (8 maart 2016) pleitnota’s ingediend. Deze gang van zaken sluit aan bij de gewoonte dat wordt volstaan met het overleggen van pleitnota’s.3 Dat als uitgangspunt pleitnota’s worden overgelegd, volgt ook uit art. 97 van het Procesreglement 2016. Volgens het Procesreglement gaat het hof ervan uit dat indien pleidooi is gevraagd, partijen volstaan met het door partijen gelijktijdig overleggen van een pleitnota.

2.5

[verzoeker] heeft niet eenduidig de wens geuit om zijn stellingen bij mondeling pleidooi nader uiteen te mogen zetten. In de Akte van appel van 14 oktober 2015 heeft [verzoeker] verklaard dat de appellant verzoekt aantekening te willen doen houden in het Algemeen Register dat hij de zaak ter terechtzitting van het hof door zijn advocaat wil doen bepleiten. Ingevolge art. 97 van het Procesreglement 2016 gaat het hof bij een verzoek in deze bewoordingen ervan uit dat [verzoeker] volstaat met een schriftelijk pleidooi. Vervolgens heeft [verzoeker] in de memorie van grieven vermeld dat hij zijn stellingen bij mondeling pleidooi (volgens plaatselijk gebruik aangeduid als ‘fysiek pleidooi’)4 nader uiteen wenst te zetten.5 Daarna heeft [verzoeker] op de daarvoor bepaalde dag ter zitting een schriftelijke pleitnota overgelegd zonder bij die gelegenheid (nogmaals) kenbaar te maken dat hij mondeling (‘fysiek’) wenste te pleiten. Op dat moment had daartoe nog gelegenheid bestaan, omdat uit art. 99 Procesreglement 2016 volgt dat uiterlijk op de rolzitting waarop de zaak voor pleidooi staat een partij die mondeling wil pleiten haar voornemens daartoe kenbaar kan maken.6

2.6

Daarnaast is ook van belang dat er bij [verzoeker] geen twijfel over kon bestaan dat na het indienen van de schriftelijke pleitnota door het hof geen gelegenheid meer zou worden geboden voor mondeling pleidooi. Art. 97 van het Procesreglement 2016 bepaalt immers dat na het overleggen van de pleitnota ter zitting een datum voor vonnis wordt bepaald. Het had daarmee op de weg van [verzoeker] gelegen om, als de wens bestond om de zaak mondeling te bepleiten, het hof hierop (nogmaals) te attenderen. Door zulks na te laten en omdat partijen de zaak wel schriftelijk ter terechtzitting van het hof hebben bepleit7, heeft het hof niet in strijd gehandeld met art. 281 C-Rv en art. 90 van het Procesreglement 2016 en behoefde het hof zijn beslissing niet te motiveren. De klacht faalt derhalve.

2.7

Klacht 2 valt in twee onderdelen uiteen. In het eerste onderdeel wordt betoogd dat het hof art. 155 lid 2 Rv heeft geschonden doordat het in het vonnis geen melding heeft gemaakt van afwijking (of de oorzaak van afwijking) van de regel uit het eerste lid van die wetsbepaling, dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen of medewijzen. Volgens de klacht heeft het hof in deze zaak een rechterswisseling doorgevoerd met schending van de procedureregels die zijn gegeven in HR 31 oktober 2014, NJ 2015/181, rov. 3.4.1-3.4.4. Het tweede onderdeel voert aan dat het hof ten onrechte [verzoeker] (althans partijen) geen gelegenheid heeft geboden (alsnog) om een mondelinge behandeling van de zaak te vragen.

2.8

De beide onderdelen kunnen gezamenlijk worden besproken. De klacht verwijst naar art. 155 lid 2 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In art. 155 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijeengebracht, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen of medewijzen. In het tweede lid is bepaald dat van een afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan in het vonnis melding wordt gemaakt en dat tegen de afwijking geen hogere voorziening openstaat. De klacht verwijst niet naar de overeenkomstige bepaling van art. 224 lid 3 C-Rv, dat overigens slechts betrekking heeft op getuigenverhoor. Art. 224 lid 3 C-Rv bepaalt dat de rechters voor wie een getuigenverhoor heeft plaatsgehad, zoveel als mogelijk meewerken tot de einduitspraak in de zaak waarin het verhoor is gehouden. Weliswaar brengt het concordantiebeginsel van art. 39 lid 1 Statuut mee dat in een Curaçaose zaak naar bepalingen van Nederlands recht kan worden verwezen, indien de Curaçaose bepalingen daaraan gelijkluidend zijn8, maar in de onderhavige zaak is daarvan geen sprake, nu geen getuigen zijn gehoord. Anders dan de klacht betoogt, blijkt ook niet uit rov. 3.4 en 3.5 van het tussenvonnis dat getuigen zijn gehoord. In het vonnis behoefde derhalve geen melding te worden gemaakt van een rechterswisseling en de oorzaak daarvan.

2.9

Van schending van de procedureregels van het in het middel genoemde arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 is geen sprake.9 In dat arrest is door de Hoge Raad onder meer overwogen dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, worden partijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – de belanghebbenden, daarover voorafgaand aan die uitspraak ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. In de onderhavige zaak is het oordeel van het hof niet mede genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling. Het hof behoefde partijen om die reden niet in te lichten noch gelegenheid te bieden om (alsnog) een mondelinge behandeling van de zaak te verzoeken. De klacht faalt derhalve.

2.10

Klacht 3 is gericht tegen rov. 2.4 van het eindvonnis waarin het hof de waarde van de goederen zoals aanvankelijk door Korpodeko vastgesteld, te weten NAf 580.750,00, als uitgangspunt neemt, omdat, kort gezegd, [verzoeker] geen concrete feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die, indien bewezen, tot een oordeel over de waarde kunnen leiden. Het middel licht toe dat het hof allereerst heeft geoordeeld dat [verzoeker] aan zijn stelplicht op dit punt heeft voldaan en dat het hof vervolgens hierop is teruggekomen door onder rov. 2.4 van het eindvonnis te oordelen dat [verzoeker] geen concrete feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen over de waarde van de goederen. De klacht betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van stelplicht en bewijslast althans dat het oordeel onbegrijpelijk is.

2.11

Het hof heeft in rov. 3.4 van het tussenvonnis overwogen dat ingevolge art. 129 C-Rv – welke bepaling overeenkomt met art. 150 Rv – op [verzoeker] de stelplicht en de bewijslast rusten omtrent zijn stelling dat Korpodeko jegens [verzoeker] niet de redelijkheid en billijkheid in acht heeft genomen bij de uitwinning van zekerheden. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting aangezien deze stelling van [verzoeker] kan worden aangemerkt als een zelfstandig verweer en de bewijslast volgens de hoofdregel op de partij rust die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten.10

2.12

Het hof heeft voorts in rov. 3.4 van het tussenvonnis overwogen dat [verzoeker] invulling heeft gegeven aan zijn stelplicht door te wijzen op het grote verschil tussen de aanschafwaarde en de verkoopprijs van de goederen twee jaar later. Het hof heeft vervolgens overwogen dat Korpodeko betwist dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht en dat het aan haar is om dit verweer voldoende te onderbouwen. Het gaat daarbij immers om feiten en omstandigheden die in haar domein liggen. Vervolgens heeft het hof, na Korpodeko in de gelegenheid te hebben gesteld om nadere stukken/inlichtingen in het geding te brengen omtrent de onderhandse verkoop en de waarde van de goederen, in rov. 2.3 van het eindvonnis geoordeeld dat Korpodeko haar betwisting dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht, onvoldoende heeft onderbouwd omdat zij niet heeft gesteld op welke gronden uiteindelijk tot de verkoopprijs is gekomen. Het hof heeft om die reden geoordeeld dat de stelling van [verzoeker] slaagt dat de goederen voor een te lage prijs zijn verkocht. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de stelplicht en de bewijslast dat Korpodeko niet de redelijkheid en billijkheid in acht heeft genomen op [verzoeker] rusten en dat Korpodeko, nadat [verzoeker] aan zijn stelplicht had voldaan, in de gelegenheid is gesteld om haar betwisting te onderbouwen. Dit oordeel van het hof omtrent de verdeling van de stelplicht en bewijslast is in overeenstemming met art. 129 C-Rv.

2.13

Ik merk nog op dat het oordeel van het hof ten aanzien van de bewijslevering door Korpodeko geen oordeel is over de bewijslastverdeling in de zin van de bewijsrisicoverdeling.11 Voor zover het middel deze bewijsopdracht verwart met een beslissing ten aanzien van de bewijslastverdeling, berust het op een verkeerde lezing van het vonnis van het hof en mist het feitelijke grondslag. Met deze bewijsopdracht aan Korpodeko is het hof derhalve niet teruggekomen van zijn eerdere beslissing omtrent de bewijslastverdeling.

2.14

Dit geldt ook voor het oordeel van het hof in rov. 2.4 van het eindvonnis dat [verzoeker] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gesteld wat de waarde was van de goederen ten tijde van de verkoop door Korpodeko. Met dit oordeel is het hof niet teruggekomen van zijn eerdere beslissing, omdat dit oordeel onderscheiden moet worden van het oordeel in rov. 3.4 van het tussenvonnis. In rov. 3.4 van het tussenvonnis is het hof niet ingegaan op de stelling van [verzoeker] dat de goederen een hogere waarde vertegenwoordigden dan NAf 250.000,00 en heeft het hof louter geoordeeld dat [verzoeker] invulling heeft gegeven aan zijn stelplicht ten aanzien van het betoog dat Korpodeko jegens [verzoeker] niet de vereiste redelijkheid en billijkheid in acht heeft genomen bij de uitwinning van zekerheden. Het voorgaande wordt ondersteund door de overweging van het hof dat [verzoeker] invulling heeft gegeven aan die stelplicht door te wijzen op het grote verschil tussen de aanschafwaarde en de verkoopprijs van de goederen twee jaar later. Dit zegt immers nog niets over wat de waarde van de goederen was op het moment van de verkoop. Dit laat onverlet dat Korpodeko in de gelegenheid werd gesteld om bewijs te leveren omtrent de gang van zaken bij de verkoop en de waarde van de goederen. De bewijslevering aan de zijde van Korpodeko betrof immers de betwisting van Korpodeko dat zij jegens [verzoeker] de redelijkheid en billijkheid niet in acht heeft genomen. Voor zover het middel betoogt dat het hof is teruggekomen van een eerdere beslissing op dit punt, berust het op een verkeerde lezing van het vonnis van het hof en kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

2.15

Daarnaast geldt, en dit ligt ook aan het oordeel van het hof ten grondslag, dat ingevolge de hoofdregel van art. 129 C-Rv de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de waarde van de goederen op [verzoeker] rust. Het was in de eerste plaats aan [verzoeker] om voldoende te stellen over de werkelijke waarde van de goederen ten tijde van de verkoop. Het hof is niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Evenmin is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. De klacht faalt derhalve.

2.16

Klacht 4 is gericht tegen rov. 2.4 van het eindvonnis en betoogt dat het hof ten onrechte, gelet op het bewijsaanbod onder punt 7 van de memorie van grieven, [verzoeker] niet tot het leveren van tegenbewijs heeft toegelaten van de door het hof aanvaarde stelling van Korpodeko dat de waarde NAf 580.750,00 bedraagt, althans dat die beslissing onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.

2.17

Zoals hierboven reeds besproken, rusten op [verzoeker] stelplicht en bewijslast ingevolge de hoofdregel van art. 129 C-Rv ten aanzien van de stelling dat de goederen ten tijde van de verkoop een hogere waarde vertegenwoordigden dan NAf 250.000,-. Het hof heeft in rov. 2.4 van het eindvonnis overwogen dat [verzoeker] geen concrete feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die, indien bewezen, tot een oordeel over de waarde kunnen leiden. Hetgeen [verzoeker] omtrent de waarde heeft aangedragen, is door Korpodeko betwist, waardoor van die waarde niet kan worden uitgegaan. Het hof heeft als uitgangspunt genomen de waarde zoals aanvankelijk door Korpodeko vastgesteld, te weten NAf 580.750,-.12 Het hof is hiervan uitgegaan omdat [verzoeker] , niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld wat de waarde op het moment van de verkoop door Korpodeko was. In tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, kan in dat geval aan (tegen)bewijslevering niet worden toegekomen. De stelplicht gaat immers vooraf aan de bewijslevering.13 Dat het hof [verzoeker] niet heeft toegelaten tot het leveren van bewijs14, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

2.18

Nu het middel in zijn geheel faalt, behoeft het in het cassatierekest gedane verzoek inzake kostenveroordeling geen bespreking.

2.19

Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.4 van de beschikking van het hof van 26 april 2016. Zie ook rov. 3.1 onder a t/m d van de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van 14 september 2015.

2 Procesreglement 2016 voor civiele zaken in eerste aanleg en in hoger beroep in Aruba, Curacao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba (www.gemhofvanjustitie.org/uploads/files/Procesreglement%2012016.pdf).

3 Zie G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, p. 81.

4 Zie ook Lewin, a.w., p. 81.

5 Onder 9 van de memorie van grieven van 9 november 2015 zijdens [verzoeker] .

6 Overigens merk ik op dat het cassatiemiddel in de laatste alinea van de toelichting op klacht 2 in onderdeel 2 (p. 6) wijst op ‘het feit dat [verzoeker] gekozen heeft voor schriftelijk pleidooi’.

7 Zie rov. 1.4 van het tussenvonnis.

8 Zie o.a. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Zunoca/Aruba). Zie ook Lewin, a.w., p. 234-235.

9 ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser.

10 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/289.

11 Zie hierover: W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling (BPP nr. 3) 2004/53.

12 Productie 3 bij de Akte van 16 augustus 2016 zijdens Korpodeko.

13 Zie o.a. Asser Procesrecht/Asser 3 2013/219.

14 Het middel spreekt van tegenbewijs omdat het uitgaat van een onjuiste opvatting over de verdeling van de bewijslast.