Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1170

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-10-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
16/06178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3151, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzoek om pleidooi ten onrechte door kantonrechter afgewezen. (HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012/77). Art. 80 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2018/19 met annotatie van prof. mr. C.J.M. Klaassen
JIN 2018/17 met annotatie van C.S.G. Janssens
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/06178

mr. R.H. de Bock

Zitting: 20 oktober 2017

Conclusie inzake:

[eiseres]

(hierna: [eiseres]),

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder]),

verweerder in cassatie,

in cassatie niet verschenen

1. Feiten en procesverloop

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende, verkort weergegeven feiten, ontleend aan het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaanstad van 1 september 2016, rov. 2.1-2.4.

1.1 [verweerder] heeft als advocaat voor [eiseres] werkzaamheden uitgevoerd inzake advisering over en het opstellen van een overeenkomst voor het voortzetten van een eenmanszaak en/of een vennootschap.

1.2 In facturen van 2 september 2014 en 25 september 2014 heeft [verweerder] bij [eiseres] voor zijn werkzaamheden bedragen in rekening gebracht van € 225,06 en € 131,29.

1.3 Bij brief van 7 november 2014 heeft [eiseres] bij de deken van de Orde van Advocaten een klacht ingediend, waarbij zij heeft gesteld dat zij wat betreft de door [verweerder] verrichte werkzaamheden in aanmerking kwam voor een toevoeging en dat [verweerder] die toevoeging ten onrechte niet heeft aangevraagd. In een beslissing van 1 december 2015 heeft de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten overwogen dat de voorzitter van de Raad de klacht van [eiseres] terecht ongegrond heeft verklaard.

1.4 Bij dagvaarding van 23 december 2015 heeft [verweerder] gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 356,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, de verschuldigde incassokosten ter hoogte van € 75,- en de proceskosten. Aan zijn vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [eiseres] op grond van een overeenkomst van opdracht gehouden is tot betaling van dit bedrag, zijnde het totaal van de facturen van 2 september 2014 en 25 september 2014.

1.5 [eiseres] heeft de vordering van [verweerder] betwist, omdat hij volgens haar verzuimd heeft een toevoeging aan te vragen voor zijn werkzaamheden. In reconventie heeft [eiseres] gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 753,87, dat zij onterecht aan [verweerder] heeft betaald voor diens werkzaamheden.

1.6 Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leende voor een comparitie van partijen, heeft [verweerder] gerepliceerd en verweer gevoerd tegen de tegenvordering van [eiseres]. [eiseres] heeft niet tijdig gereageerd op de repliek van [verweerder] en zijn verweer tegen haar tegenvordering.1 Zij heeft verzocht om uitstel voor het nemen van een conclusie, maar de kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en een datum voor vonnis bepaald.2

1.7 Vervolgens heeft [eiseres] een verzoek om pleidooi ingediend. Bij schriftelijke rolbeslissing van 23 juni 2016 heeft de kantonrechter het verzoek van [eiseres] afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen (rov. 2.1):

“Een pleidooi waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen is in deze zaak niet gerechtvaardigd en leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure. Het pleidooiverzoek van [eiseres] wordt daarom afgewezen.”

Vervolgens heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rol van 7 juli 2016 voor vonnis.

1.8 Bij vonnis van 1 september 2016 heeft de kantonrechter de vordering van [verweerder] in conventie toegewezen en de vordering van [eiseres] in reconventie afgewezen.

1.9 Bij dagvaarding van 1 december 2016 heeft [eiseres] cassatieberoep ingesteld tegen zowel de rolbeslissing van 23 juni 2016 als het vonnis van 1 september 2016. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [eiseres] heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.

2 Kwalificatie rolbeschikking en ontvankelijkheid van cassatieberoep

2.1

De klachten zijn gericht tegen de rolbeslissing van 23 juni 2016, waarin de kantonrechter het pleidooiverzoek van [eiseres] heeft afgewezen. Daarmee rijst de vraag of het op 1 december 2016 ingestelde cassatieberoep tegen deze beslissing ontvankelijk is.

2.2

Als hoger beroep of cassatie wordt ingesteld tegen een tussenvonnis, moet dat gelijktijdig plaatsvinden met het hoger beroep of cassatieberoep tegen het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald (art. 337 lid 2 Rv). De vraag is echter of de rolbeschikking van 23 juli 2106 als een tussenvonnis moet worden gekwalificeerd of dat het om een ‘zuivere’ rolbeschikking gaat. In dat laatste geval staat daartegen geen rechtsmiddel open. Indien echter sprake is van een tussenvonnis, kan daartegen wel hoger beroep of cassatieberoep worden ingesteld, zij het tegelijkertijd met het eindvonnis.3

2.3

Naar vaste rechtspraak moet de vraag of sprake is van een rolbeschikking dan wel van een tussenvonnis, niet naar de vorm maar naar de inhoud van die beslissing worden beoordeeld.4 Bij de kwalificatie is dus niet van belang of de beschikking in de vorm van een rolbeschikking is gegeven, of dat zij in een (tussen)vonnis is neergelegd. Tussenuitspraken die niet in de rechten van partijen ingrijpen en slechts ‘strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken’, hebben te gelden als rolbeschikking.5 Een beslissing is dus alleen als een ‘zuivere’ rolbeschikking aan te merken, als het gaat om het nemen (of weigeren) van een administratieve maatregel van ondergeschikte betekenis.6

2.4

Rolbeschikkingen zijn bijvoorbeeld de bepaling van een termijn voor het nemen van een conclusie of akte of de bepaling van een dag voor een comparitie van partijen of voor pleidooi,7 de weigering van een nadere conclusie of akte ter rolle, de beslissing tot voeging, de dagbepaling voor pleidooi en de datum waarop de stukken voor vonnis kunnen worden overgelegd.8 Daarentegen is het weigeren van een memorie van grieven9 of het verlenen van een akte niet-dienen géén rolbeschikking.10 Ook de beslissing tot het verlenen van ontslag van instantie is geen rolbeschikking11 Hetzelfde geldt voor de weigering tot de inschrijving van een zaak op de rol.12 De afwijzing van een verzoek tot het horen van bepaalde getuigen is evenmin een rolbeschikking.13 Verder is naar vaste rechtspraak de afwijzing van een verzoek om pleidooi geen rolbeschikking.14 Voor al deze beslissingen geldt dat zij verder strekken dan het ordelijk verloop van de procedure, omdat zij ingrijpen in de rechten van partijen.

2.5

In het licht van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de rolbeslissing van 23 juni 2016 is aan te merken als een tussenvonnis, waartegen gelijktijdig met het eindvonnis cassatieberoep kon worden ingesteld. Het cassatieberoep tegen die beslissing, dat is ingesteld gelijktijdig met het cassatieberoep tegen het vonnis van 1 september 2016, is derhalve tijdig ingesteld.

3 Art. 80 RO en ontvankelijkheid cassatieberoep

3.1

De bij elkaar opgetelde waarde van de vorderingen in conventie en in reconventie bedraagt in de onderhavige zaak minder dan € 1.750,-. Dit betekent dat tegen het vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep openstond (art. 332 lid juncto lid 3 Rv). Cassatieberoep tegen niet appellabele vonnissen of beschikkingen van de kantonrechter is beperkt. Art. 80 lid 1 RO bepaalt dat een partij tegen dergelijke uitspraken slechts beroep in cassatie kan instellen wegens:

a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust;

b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of de beschikking;

c. onbevoegdheid; of

d. overschrijding van rechtsmacht.15

3.2

Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn jurisprudentie als cassatiegrond tegen niet-appellabele uitspraken van de kantonrechter aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.16 Van een zodanige schending kan sprake zijn bij het niet in acht nemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort het recht op hoor en wederhoor en het recht op gelijke behandeling (equality of arms).17

3.3

Zoals hierna bij de bespreking van de middelen zal blijken klaagt [eiseres] in de kern dat de kantonrechter heeft miskend dat [eiseres] in beginsel het recht had om haar standpunt bij pleidooi toe te lichten, en dat de kantonrechter haar verzoek om pleidooi ten onrechte heeft afgewezen. Deze klacht biedt voldoende grond om [eiseres] ontvankelijk te achten in haar cassatieberoep.18

4 Bespreking van de cassatiemiddelen

4.1

De cassatiedagvaarding bevat twee middelen, die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling.

4.2

Het eerste middel is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van het pleidooiverzoek van [eiseres] in de rolbeslissing van 23 juni 2016. Geklaagd wordt in onderdeel I.1 dat de kantonrechter heeft miskend dat partijen in beginsel het recht hebben om hun standpunten bij pleidooi toe te lichten, dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in uitzonderlijke gevallen afgewezen mag worden, en dat daartoe noodzakelijk is dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde, maar ook dat indien de partij die verzoekt de zaak te mogen bepleiten haar standpunt mondeling nog niet ten overstaan van de rechter uiteen heeft gezet, het pleidooiverzoek in beginsel zonder meer toegewezen moet worden. Zowel in het geval de kantonrechter zou hebben geoordeeld dat [verweerder] klemmende redenen heeft aangevoerd als in het geval geoordeeld is dat toewijzing van het pleidooiverzoek strijdig is met de eisen van een goede procesorde, is dat oordeel volgens het onderdeel niet toereikend gemotiveerd.

Onderdeel I.2 klaagt dat mede in het licht van het arrest van 27 januari 2012, NJ 2012/77 ten onrechte niet of niet toereikend gemotiveerd is het oordeel in rov. 2, dat een pleidooi waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen in deze zaak niet gerechtvaardigd is en leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure. Het onderdeel klaagt verder dat de kantonrechter de procedure niet (voldoende) kenbaar in haar geheel heeft bezien, en ook niet (voldoende) inzichtelijk heeft gemaakt waarom het pleidooiverzoek is afgewezen in weerwil van het feit dat partijen hun standpunten helemaal nog niet mondeling uiteen hadden gezet.

Onderdeel I.2 bevat een klacht die uitsluitend voortbouwt op de eerdere klachten.

4.3

Het tweede middel stelt dat niet uitgesloten kan worden dat indien [eiseres] haar zaak wel had mogen bepleiten, het dictum van het vonnis voor haar gunstiger was geweest, zowel wat betreft de vordering in conventie als de vordering in reconventie. Dit betekent dat ook het vonnis niet in stand kan blijven.

4.4

Het recht van partijen om hun standpunt mondeling uiteen te zetten, in fysieke aanwezigheid bij de rechter, vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor, zoals verankerd in art. 6 EVRM.19 In het arrest Boumans/Bistro ’t Plenkske20 heeft de Hoge Raad het recht op pleidooi erkend. Geoordeeld is dat mede aan art. 6 EVRM ontleende, fundamentele beginselen van procesrecht meebrengen dat een procespartij, indien zij zulks verzoekt, de gelegenheid behoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten. Verder overwoog de Hoge Raad dat ingeval de wederpartij bezwaar maakt, het verzoek slechts zal kunnen worden afgewezen als daartoe door die wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd, bijvoorbeeld dat de procedure door het pleidooi op onaanvaardbare wijze zou worden vertraagd. De rechter kan het verzoek om pleidooi ook ambtshalve afwijzen, maar alleen op de grond dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter de redenen voor zijn afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren, aldus de Hoge Raad.

4.5

Sinds de invoering van de comparitie na antwoord in 2002 is het recht op pleidooi in zoverre beperkt, dat art. 134 lid 1, tweede volzin, Rv bepaalt dat indien partijen op een comparitie na antwoord (‘een terechtzitting op de voet van artikel 131’) hun standpunt in voldoende mate mondeling hebben kunnen uiteenzetten, de rechter kan bepalen dat geen gelegenheid zal worden gegeven voor pleidooien. Blijkens de wetsgeschiedenis werd aangenomen dat in een dergelijk geval in voldoende mate was voldaan aan het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een oral hearing, zodat het niet noodzakelijk was nog recht op pleidooi te bieden.21

4.6

In 2011 en 2012 heeft de Hoge Raad benadrukt dat zijn eerdere arresten met betrekking tot het recht op pleidooi onder het met ingang van 1 januari 2002 geldende recht hun betekenis hebben behouden.22 De Hoge Raad heeft daar nog aan toegevoegd dat, indien de partij die verzoekt de zaak in hoger beroep te bepleiten noch in eerste aanleg noch in hoger beroep haar standpunten mondeling ten overstaan van de rechter heeft uiteengezet, het verzoek in beginsel zonder meer moet worden toegewezen. De motivering van een afwijzing van het verzoek dient daarbij aan nog hogere eisen te voldoen dan zonder deze bijzondere omstandigheid het geval zou zijn.23

4.7

In de hier bestreden beslissing heeft de kantonrechter niet overwogen dat [verweerder] tegen het verzoek van [eiseres] om pleidooi bezwaar heeft gemaakt. Uit de rolbeschikking blijkt in ieder geval niet van enig bezwaar. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat van de zijde van [verweerder] geen klemmende redenen tegen toewijzing van het verzoek om een pleidooi zijn aangevoerd. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen op de gronden (i) dat een pleidooi waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen in deze zaak niet gerechtvaardigd is en (ii) leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure. Het eerste argument vormt echter geen grond om het verzoek van [eiseres] te weigeren. Ook als de kantonrechter in dit kader zou hebben meegewogen – dit blijkt niet uit de beslissing – dat [eiseres] niet heeft gedupliceerd, dat de zaak reeds voor vonnis stond of dat de zaak een gering financieel belang had, geldt dat die omstandigheden onvoldoende zijn om daaraan de conclusie te verbinden dat ‘een pleidooi … in deze zaak niet gerechtvaardigd is’.

4.8

Ook de tweede grond is geen toereikend argument voor afwijzing van het verzoek. De inleidende dagvaarding is betekend op 23 december 2015; op 28 januari 2016 is van antwoord in conventie en eis in reconventie gediend; op 7 april 2016 is een conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie genomen en daarna zal de zaak enige tijd voor dupliek hebben gestaan. Wanneer het verzoek om pleidooi is gedaan, blijkt niet uit het dossier, maar de rolbeslissing tot afwijzing van het verzoek om pleidooi dateert van 23 juni 2016. Vervolgens is vonnis bepaald op 7 juli 2016, maar uiteindelijk is vonnis gewezen op 1 september 2016. Gelet op dit tijdspad is niet duidelijk waarom toewijzing van het verzoek om pleidooi zou leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure.

4.9

Het valt op dat in de onderhavige zaak geen comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden. Waarom de onderhavige zaak ‘zich daar niet toe leent’ (zoals vermeld is in de rolbeslissing van 23 juni 2016), is mij niet duidelijk. Het voordeel van een comparitie na antwoord is dat partijen in een vroeg stadium van de procedure hun standpunt mondeling kunnen toelichten en daarmee hun recht op een oral hearing kunnen realiseren, terwijl de rechter bovendien kan onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is. Als dat laatste niet het geval blijkt te zijn, kan de rechter doorgaans spoedig na de comparitie uitspraak doen, in het algemeen ook zonder dat nog conclusies van re- en dupliek nodig zijn. De zaak had dan voorspoedig kunnen worden afgehandeld, terwijl ook de complicatie van een verzoek om pleidooi aan het einde van de rit, zich niet had voorgedaan.

4.10

Nu de kantonrechter het verzoek van [eiseres] om een pleidooi niet mocht weigeren, althans niet op de gegeven gronden, kan de rolbeslissing van 23 juni 2016 niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor het vonnis van 1 september 2016, dat daarop voortbouwt. Na verwijzing zullen partijen alsnog moeten worden toegelaten tot pleidooi.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de rolbeslissing van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2016 en het vonnis van die rechtbank van 1 september 2016, en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Rolbeslissing van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaanstad van 23 juni 2016, rov. 1.1.

2 Rolbeslissing van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaanstad van 23 juni 2016, rov. 1.1.

3 HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, NJ 2013/28 ([...]/R.E.M. Holding).

4 HR 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4124, NJ 2000/186 (Van Bentem/Van Oorschot); HR Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/65, onder verwijzing naar rechtspraak.

5 De geciteerde woorden zijn ontleend aan de annotator van HR 30 juni 1995, NJ 1996, 200 (HER), die deze op zijn beurt heeft ontleend aan HR 31 juli 1908, W. 8750. Zie Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009/41. Vergelijk ook HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH6537, NJ 2011/211 m.nt. W.J.M. van Veen (Qwest/Vereniging van Effectenbezitters): “Voorzover het cassatieberoep van Qwest c.s. is gericht tegen de brieven van de secretaris van de ondernemingskamer, dienen zij daarin niet-ontvankelijk verklaard te worden. Deze brieven bevatten geen beslissingen die ingrijpen in de rechten van partijen, doch zij dienen alleen ter bevordering van een ordelijk verloop van de procedure.”

6 Snijders/Wendels, Civiel Appel, 2009/41.

7 HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1829, NJ 1997/340 (Boumans/’t Plenske I).

8 Zie de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers ([...]/Kas-Bank), onder 2.9 met verwijzing naar literatuur in de voetnoot.

9 HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers ([...]/Kas-Bank).

10 HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, NJ 2013/28 ([...]/R.E.M. Holding).

11 HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4929, NJ 2003, 311 m.nt. HJS (Kuperus/De Vries Trappen); HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2828, NJ 2003, 417 ([...]/ gem. Leidschendam).

12 HR 16 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD3978, NJ 2002/401 m.nt. H.J. Snijders (Ajax Fire Protection/Valk).

13 HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012/316 m.nt. C.J.M. Klaasen (Cyrte Investments); HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315 m.nt. C.J.M. Klaassen (Antebi/Hoofdsynagoge).

14 Onder meer HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, NJ 2013/28 ([...]/R.E.M. Holding).

15 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/5.7.

16 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders ([...]/Baranco). Zie nadien HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1498, RvdW 2011/145 en HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, NJ 2013/351 m.nt. H.J. Snijders (Betsalel-Beukers/ Stichting Joodse Omroep).

17 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders ([...]/Baranco).

18 Idem HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2867, RvdW 2013/670 (Transavia).

19 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/1.2.4. Zie ook P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure 2008/3.2 en 3.3.3.2; Asser Procesrecht/Giesen I, 2015/303; C.M.J. Klaassen, Het recht op pleidooi, mede in het licht en zicht van ‘KEI’: een terugblik en vooruitblik, Ars Aequi 2016, p. 185-190.

20 HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, NJ 1997/341 m.nt. H.J. Snijders (Boumans/Bistro ’t Plenkske II). Zie nadien HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3669, NJ 2002/514 m.nt. W.D.H. Asser; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463, NJ 2004/2 m.nt. W.D.H. Asser; HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7676, NJ 2003/567 en HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0831, NJ 2004/3.

21 Parl. Gesch. Herz. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 334.

22 HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575 (Stichting Waarborgfonds Motorverkeer); HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8513, NJ 2012/76 (Weef e.a./Artesia)en HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU72, NJ 2012/77 (X/Verster); HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4124, NJ 2013/126 (Bureau Pals/[...]); HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2867, RvdW 2013/670 (Transavia).

23 HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU72, NJ 2012/77 (X/Verster).