Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
16/00456
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:370, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen voor gewapende overval op onbekend gebleven persoon in Rotterdam. 1. Afwijzing van verzoeken tot benoeming van (rechtspsychologische) deskundige teneinde onderzoek te doen naar betrouwbaarheid van verklaringen van verdachte. 2. Uos t.a.v. betrouwbaarheid van bij de politie afgelegde verklaring van verdachte. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met nr. 15/04668 en nr. 15/04704.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00456

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 september 2015 de verdachte wegens 1. “medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en/of “medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (nr. 15/04668) en [medeverdachte 2] (nr. 15/04704), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de verzoeken van de verdediging tot benoeming van een (rechtspsychologische) deskundige teneinde onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte, gelet op hetgeen aan die verzoeken ten grondslag is gelegd, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

  5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
    (i) Bij tijdig ingediende appelschriftuur van 27 februari 2014 heeft de raadsman van de verdachte verzocht een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek naar de bewijswaarde van de (eerste) verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd.1 Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat onderzocht dient te worden wat de invloed is geweest van de psychische problematiek van de verdachte op zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Bij de beoordeling daarvan dient het handelen van de verbalisanten te worden betrokken, aldus de raadsman.
    (ii) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof bij brief van 16 juli 2014, gericht aan de raadsman, verwezen naar de bijgevoegde e-mailcorrespondentie tussen de advocaat-generaal en de “poortraadsheer” bij het hof. Daaruit blijkt het volgende. De advocaat-generaal heeft voorgesteld dat het hof, nadat de twee door de verdediging gevraagde getuigen zijn gehoord, ter terechtzitting een nadere beslissing kan nemen over de vraag of het benoemen van een deskundige (nog) in het belang van de verdediging is. De “poortraadsheer” bij het hof heeft het verzoek om een deskundige te benoemen niet op voorhand toegewezen op de grond dat niet duidelijk is dat deze deskundige relevant zou kunnen verklaren over de vraag in hoeverre de verklaringen van de verdachte als betrouwbaar moeten worden aangemerkt.
    (iii) Bij faxbericht van 21 oktober 2014, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft de raadsman het verzoek om een deskundige te benoemen herhaald en een nadere toelichting gegeven op dit verzoek. Het gaat om de eerste verklaring van de verdachte bij de politie, afgelegd op 12 juli 2012. Het is de vraag in hoeverre het proces-verbaal van verhoor een adequate weergave vormt van hetgeen de verdachte heeft verklaard, aangezien de verdachte op een zwakbegaafd niveau functioneert, waardoor hij gemakkelijk beïnvloedbaar is, en de verdachte analfabeet is. De verdediging acht een deskundigenonderzoek van rechtspsychologische aard noodzakelijk, omdat er weinig materiaal voorhanden is dat dienstbaar kan zijn aan het betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van de verklaringen van de verdachte en de persoonlijkheid van de verdachte een aspect is dat de betrouwbaarheid van zijn verklaringen heeft kunnen beïnvloeden. De verdediging wenst de te benoemen rechtspsycholoog onder meer vragen te stellen over de verhoorsbekwaamheid van de verdachte.
    (iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte gepersisteerd bij zijn verzoek tot benoeming van een deskundige. Voor de onderbouwing van het verzoek heeft hij verwezen naar de appelschriftuur en het faxbericht (de brief) van 21 oktober 2014.
    (v) Het hof heeft het verzoek tot benoeming van een deskundige op die terechtzitting afgewezen, aangezien het hof de benoeming van een deskundige, gelet op de onderbouwing van het verzoek door de verdediging, niet noodzakelijk acht. Daartoe heeft het hof overwogen dat de door de raadsman gestelde omstandigheden onvoldoende zijn om tot een benoeming van een deskundige over te gaan.
    (vi) Op diezelfde terechtzitting heeft het hof het verzoek tot het als getuige horen van een door de verdediging meegebrachte reclasseringsmedewerker van het Leger des Heils ( [getuige] ), die kan verklaren over de persoon van de verdachte en zijn beperkingen, wel toegewezen. [getuige] heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte bijna niet kan lezen, dat de op de verdachte betrekking hebbende diagnose zwakbegaafdheid klopt, dat de verdachte naïef is en last heeft van een verstandelijke beperking en dat de verdachte in al zijn goedheid meewerkt aan dingen zonder dat hij kan overzien wat de gevolgen zijn.
    (vii) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte (voorwaardelijk) verzocht alsnog een deskundige te benoemen die onderzoek gaat doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte, indien het hof de verklaring die op 12 juli 2012 is afgelegd bruikbaar acht voor het bewijs en op basis van die verklaring tot een bewezenverklaring komt. Voor de motivering van het verzoek heeft de raadsman verwezen naar de appelschriftuur en het faxbericht van 21 oktober 2014. In aanvulling daarop heeft hij verwezen naar de op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 afgelegde verklaring van [getuige] , waaruit blijkt dat de verdachte zeer zwakbegaafd is. De deskundige moet in dat licht beoordelen of de verdachte verhoorsbekwaam is en of er aanwijzingen zijn dat de inhoud van zijn verklaringen ten gevolge van zijn psychische gesteldheid onjuistheden bevatten, aldus de raadsman.
    (viii) Het hof heeft dit voorwaardelijk gedane verzoek tot benoeming van een deskundige in de bestreden uitspraak onder “verweren, 3. voorwaardelijk verzoek” afgewezen, omdat het hof de noodzakelijkheid tot het benoemen van een deskundige nog steeds niet is gebleken. Het hof heeft daartoe overwogen dat op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 door de raadsman hetzelfde verzoek is gedaan en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die het hof tot een ander oordeel brengen.

6. Zoals blijkt uit de toelichting, is het middel in de eerste plaats gericht tegen de afwijzing door het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 van het initiële verzoek tot het benoemen van een deskundige.

7. Het bij appelschriftuur van 27 februari 2014 gedane, bij faxbericht van 21 oktober 2014 nader toegelichte en op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om een (rechtspsychologische) deskundige te benoemen teneinde nader onderzoek te verrichten naar de bewijswaarde van de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is telkens of het hof de noodzaak van het verzochte is gebleken.2

8. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 5 sub v is weergegeven - bij de afwijzing van het verzoek geoordeeld dat het hof de benoeming van een deskundige niet noodzakelijk acht. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover wordt terecht niet geklaagd.

9. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman van de verdachte slechts aangevoerd dat het de vraag is in hoeverre het proces-verbaal van verhoor een adequate weergave vormt van hetgeen de verdachte, die zwakbegaafd en analfabeet is, heeft verklaard, dat er weinig materiaal voorhanden is om een betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van zijn verklaring te kunnen geven, dat de persoonlijkheid van de verdachte een aspect is dat de betrouwbaarheid van zijn verklaring heeft kunnen beïnvloeden, zodat vragen moeten worden gesteld over de verhoorsbekwaamheid van de verdachte. Daarbij komt dat het hof op dezelfde terechtzitting een ander verzoek van de raadsman met een vergelijkbare strekking wel heeft toegewezen, als gevolg waarvan een reclasseringsmedewerker ( [getuige] ) op die terechtzitting als getuige is gehoord. Bij de stukken van het geding bevinden zich bovendien een reclasseringsrapport betreffende de verdachte van 4 oktober 2012, opgemaakt door reclasseringsmedewerker [betrokkene 3] , en een afloopbericht betreffende het reclasseringstoezicht op de verdachte van 3 april 2014, opgemaakt door [getuige] . Uit die getuigenverklaring en de voornoemde stukken kunnen omstandigheden betreffende de persoon van de verdachte en zijn beperkingen genoegzaam worden afgeleid. De beoordeling en de interpretatie van de verklaring van de verdachte is evenwel voorbehouden aan het hof.

10. Voorts is het verzoek kennelijk gedaan in het kader van het door de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 gevoerde betrouwbaarheidsverweer betreffende de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte. Zoals bij de bespreking van het tweede middel zal worden uiteengezet, heeft het hof dit verweer in de bestreden uitspraak op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Die motivering van de verwerping biedt nader inzicht in de gedachtegang van het hof. Het hof heeft de - gedetailleerde - inhoud van de verklaring, de vraagstelling en de wijze van optekening daarvan in de vorm van vraag en antwoord in zijn afweging betrokken. Het hof heeft geen aanknopingspunt gevonden voor de veronderstelling dat de verdachte bepaalde vragen niet zou hebben begrepen, terwijl de vraagstelling het hof niet suggestief is voorgekomen. Ten slotte heeft het hof in zijn beschouwing betrokken dat de verdachte zijn verklaring na controle daarvan heeft ondertekend. Deze overwegingen kleuren het ontbreken van de noodzakelijkheid van een benoeming van een deskundige nader in.

11. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9 en 10 uiteen is gezet, geeft het oordeel van het hof dat het de benoeming van een deskundige niet noodzakelijk acht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden, die grotendeels een herhaling behelzen van de in feitelijke aanleg betrokken stellingen, doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel niet af. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus heeft het hof het verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen.

12. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is er geen sprake van een “uitzonderlijk geval” waarin het hof, gelet op de aard van het onderwerp en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten, de afwijzing nader had moeten motiveren.

13. Zoals blijkt uit de toelichting, is het middel in de tweede plaats gericht tegen de afwijzing door het hof bij arrest van 18 september 2015 van het herhaalde verzoek tot het benoemen van een deskundige.

14. Ook voor de beoordeling van het herhaalde, voorwaardelijk gedane verzoek geldt ingevolge art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel art. 316, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, als maatstaf of het hof de noodzaak van het verzochte is gebleken. De aan dat verzoek verbonden voorwaarde is vervuld. Het hof heeft de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte immers als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikt en is mede op grond van deze verklaring tot bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 gekomen.

15. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 5 sub viii is weergegeven - bij de afwijzing van het voornoemde verzoek in de bestreden uitspraak geoordeeld dat de noodzakelijkheid tot het benoemen van een deskundige nog steeds niet is gebleken. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover wordt terecht niet geklaagd.

16. Zoals bij de bespreking van de eerste klacht van dit middel uiteen is gezet, heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 het eerdere verzoek van de raadsman om een deskundige te benoemen op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. Hetzelfde verzoek is dus al eerder aan de orde geweest en afgewezen, terwijl de raadsman onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan alsnog een deskundige zou moeten worden benoemd. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek aan het slot van zijn pleitnota in hoger beroep van 4 september 2015 slechts verwezen naar eerdere argumenten, zonder expliciet in te gaan op de afwijzing door het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014. In aanvulling daarop heeft hij opgemerkt dat uit de verklaring van reclasseringsmedewerker [getuige] en uit de uitslag van een aan de pleitnota aangehechte IQ-test blijkt de verdachte zeer zwakbegaafd is. Daarbij komt dat ook dit verzoek kennelijk is gedaan in het kader van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer betreffende de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, welk verweer het hof, zoals gezegd, op goede gronden en toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Ten slotte heeft het hof de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 zelf ondervraagd en zich aldus een oordeel kunnen vormen over de mogelijkheden en de beperkingen van de verdachte in het kader van een verhoor.

17. Gelet op hetgeen hiervoor onder 16 uiteen is gezet, geeft het oordeel van het hof dat de noodzakelijkheid tot het benoemen van een deskundige nog steeds niet is gebleken, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het herhaalde verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

18. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

19. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de op 12 juli 2012 door de verdachte afgelegde verklaring als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven, zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, althans dat de door het hof gegeven motivering de verwerping van het standpunt niet kan dragen, aangezien het hof niet is ingegaan op de door de verdediging aangevoerde innerlijke tegenstrijdigheden in deze verklaring.

20. Ten laste van de verdachte is onder 1 - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij op 11 juli 2012 in Rotterdam samen met anderen (de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]) voorbereidingshandelingen heeft verricht voor een gewapende overval op een (onbekend gebleven) persoon in Rotterdam door (in twee auto’s) een vuurwapen met bijbehorende munitie, tiewraps, een zwarte muts, een pruik, een verrekijker en duct tape voorhanden te hebben. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat hij op 11 juli 2012 in Rotterdam samen met anderen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

21. Zoals blijkt uit haar op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte als onbetrouwbaar ter zijde dient te worden geschoven. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaring vertoont innerlijke tegenstrijdigheden met name over het doel waarmee hij naar Rotterdam is afgereisd. De verdachte is pas in Rotterdam op de hoogte geraakt van de inhoud van het “klusje”. Het proces-verbaal van het verhoor vormt geen adequate weergave van hetgeen tijdens het verhoor is besproken, zodat niet kan worden gecontroleerd of het proces-verbaal een juiste weergave vormt van hetgeen de verdachte destijds heeft verklaard. Uit de stukken blijkt dat de verdachte een analfabeet is, die met een IQ van 67 op zeer zwakbegaafd niveau functioneert. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte rijzen er twijfels over de vraag of hij hetgeen hem na zijn verhoor is voorgelezen, heeft kunnen overzien. Ook is het de vraag of zijn persoonlijkheid er niet aan in de weg heeft gestaan om de verhorende verbalisanten te corrigeren daar waar dat nodig was.

Uit het proces-verbaal van de voornoemde terechtzitting blijkt dat de raadsman in aanvulling hierop heeft opgemerkt dat het hof ter terechtzitting heeft kunnen vaststellen dat de verdachte soms antwoorden geeft die niet in lijn zijn met de vraag en dat de verdachte heeft willen zeggen dat hij niet heeft kunnen overzien of datgene wat hem is voorgehouden ook in het proces-verbaal is opgenomen.

De verdachte zelf heeft op die terechtzitting verklaard dat hij niet van plan was om iemand te beroven maar dat hij in Rotterdam een “klusje”, bestaande uit behangen, tuinieren en verven, had. Toen hij voor de verf/behangklus in Rotterdam was aangekomen zag hij een vuurwapen en hoorde hij dat het om een beroving ging, aldus de verdachte.

22. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “verweren, 1. betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3] ” in reactie op dit verweer uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat de verklaring die de verdachte op 12 juli 2012 bij de politie heeft afgelegd, betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft op 12 juli 2012 bij de politie gedetailleerde verklaringen afgelegd, die grotendeels met elkaar overeen komen. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] hebben vanaf hun aanhouding geen gelegenheid gehad om hun verklaringen, inhoudende dat zij bezig waren met een klus (een beroving) waarmee zij snel geld konden verdienen, op elkaar af te stemmen. De verklaring van de verdachte dat het om een andere klus (een verfklusje) zou zijn gegaan, acht het hof weinig geloofwaardig, aangezien daarover niets is terug te vinden in de eerste verklaring van de verdachte bij de politie. Gelet op de vraagstelling, is het niet aannemelijk geworden dat de op 12 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte door de verbalisanten onjuist is geverbaliseerd. De verdachte heeft zijn verklaring na controle daarvan ondertekend. Dat enige verstandelijke handicap bij de verdachte van bepalende invloed zou zijn geweest op het verhoor acht het hof niet aannemelijk.
Vervolgens heeft het hof de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte deels als bewijsmiddelen 3 en 4 tot het bewijs gebezigd.

23. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer voldoende gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus stond het het hof vrij de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte tot het bewijs te bezigen.3

24. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof in zijn bewijsoverwegingen niet zou zijn ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de gesignaleerde innerlijke tegenstrijdigheden in de op 12 juli 2012 door de verdachte afgelegde verklaring over het moment waarop hij op de hoogte raakte van de werkelijke aard van het “klusje”, die verklaring onbetrouwbaar maken.

25. Zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft het hof het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer betreffende de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte uitgebreid gemotiveerd verworpen. Daarbij is het hof ingegaan op verschillende aspecten, die de raadsman aan dit verweer ten grondslag heeft gelegd. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat evenwel niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.4 Aldus was het hof niet gehouden expliciet in te gaan op hetgeen de verdediging heeft opgemerkt ten aanzien van het moment waarop de verdachte op de hoogte zou zijn geraakt van de werkelijke aard van het “klusje”.

26. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat het hof bepaalde onderdelen van de verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd en anderen onderdelen van die verklaring niet. Het is immers aan de feitenrechter voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.5 Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof ook in zoverre niet gehouden tot een nadere motivering.

27. Het middel faalt.

28. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De appelschriftuur is gedateerd op 27 februari 2014. Uit de verzendgegevens van het faxexemplaar van de appelschriftuur blijkt dat de appelschriftuur op 6 maart 2014 is verzonden naar de rechtbank Rotterdam, terwijl namens de verdachte op 26 februari 2014 hoger beroep is ingesteld.

2 Zie HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189, rov. 3.5 (grondslag van de maatstaf art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel art. 316 Sv). Zie ook HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:534, rov. 2.3 (grondslag art. 316 Sv), HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3 (grondslag art. 316, eerste lid, Sv) en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856, NJ 2015/323 m.nt. Borgers, rov. 2.3 (grondslag art. 316 Sv). Vgl. voorts HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9985, NJ 2013/468, rov. 2.3 (geen grondslag genoemd) en HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5856, rov. 3.3 (grondslag art. 315, eerste lid, Sv).

3 Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:350, NJ 2014/280, rov. 3 en HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143, rov. 2.

4 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

5 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5 en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.