Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/03569
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2785, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Effectenlease. Art. 1:88 BW. Beroep op ontbreken van toestemming hoewel geen gebruik is gemaakt van de opt-outmogelijkheid in Duisenberg-regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr: 16/03569

mr. M.H. Wissink

Zitting: 15 september 2017

Conclusie in de zaak van:

[eiseres]

tegen

Dexia Nederland B.V.

Deze effectenleasezaak stelt aan de orde of, bij gebreke van een opt-out, de WCAM-overeenkomst in de weg staat aan vernietiging op de voet van art. 1:88-89 BW van door de andere echtgenoot met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten indien de andere echtgenoot tevens met Dexia de Overeenkomst Dexia Aanbod heeft gesloten. Na het instellen van het cassatieberoep is deze vraag bevestigd beantwoord door HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835 en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia Nederland B.V. (hierna: Dexia) is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

(ii) [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1])2 heeft zes leaseovereenkomsten, gedateerd 28 juni 2000, ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld met als wederpartij Dexia. Elke overeenkomst heeft een looptijd van 120 maanden en een leasesom van fl. 108.469,47.

(iii) Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen, gedateerd 28 juni 2010, opgesteld met voor elke overeenkomst een negatief resultaat van € 9.309,29.

(iv) Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) heeft [betrokkene 1], met wie zij ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten.

(v) Dexia heeft op 6 maart 2003 aan [betrokkene 1] de brochure “Overeenkomst Dexia Aanbod”, het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” en de “Juridische Documenten Dexia Aanbod” gezonden. Daarin werd [betrokkene 1] een minnelijk voorstel gedaan. Op 9 april 2003 heeft [betrokkene 1] het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod ondertekend en aan Dexia geretourneerd.

(vi) Op grond van de leaseovereenkomsten is in totaal € 144.285,90 aan Dexia betaald. Gedurende de looptijd van de overeenkomsten is € 33.823,14 aan dividenden ontvangen. [betrokkene 1] noch [eiseres] heeft betalingen verricht naar aanleiding van de restschuld die als gevolg van de effectenleaseovereenkomsten is ontstaan.

(vii) Bij brief van 2 april 2005 gericht aan Dexia heeft [eiseres] een vernietigingsverklaring uitgebracht met een beroep op artikel 1:89 BW. Dexia heeft de vernietiging betwist.

1.2

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 9 juli 2012 Dexia gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en veroordeling van Dexia tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze overeenkomsten is betaald met wettelijke rente. De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij eindvonnis van 11 september 2013 voor recht verklaard dat de bedoelde leaseovereenkomsten zijn vernietigd en Dexia veroordeeld om aan [eiseres] te betalen € 110.462,76 vermeerderd wettelijke rente zoals nader in het vonnis bepaald.

1.3

In het door Dexia ingestelde hoger beroep heeft het hof Amsterdam bij arrest van 15 maart 2016 dit vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] afgewezen en haar veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij naar aanleiding van het vonnis van Dexia heeft ontvangen, met wettelijke rente. Daartoe overwoog het hof, kort gezegd, dat Dexia zich met grief 1 op het standpunt stelt dat [eiseres] de op art. 1:88-89 BW gebaseerde bevoegdheid tot vernietigen niet (langer) heeft aangezien zij gebonden is aan de regeling die is getroffen op basis van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (hierna: de WCAM-overeenkomst) door geen gebruik te maken van de opt-out regeling (rov. 3.2) en dat deze grief slaagt (rov. 3.4), waartoe het hof overwoog:

“3.3. Het hof overweegt dat de WCAM-overeenkomst een algemeen verbindend verklaarde vaststellingsovereenkomst behelst die aan onzekerheid als bedoeld in artikel 7:900 lid 2 BW tussen Dexia enerzijds en de gerechtigden als bedoeld in artikel 2.1. van deze regeling anderzijds een einde maakt. Vast staat dat [betrokkene 1], destijds de echtgenoot van [eiseres], het Dexia Aanbod als bedoeld in r.o. 2.5. heeft aanvaard. Vast staat ook dat [eiseres] het Dexia Aanbod niet heeft aanvaard en daarmee niet gebonden is aan het Dexia Aanbod. Zoals het hof in eerdere arresten heeft geoordeeld, is er, doordat [eiseres] niet gebonden is aan het Dexia Aanbod en haar (mogelijk) een beroep op de artikelen 1:88 jo. 1:89 BW toekwam, onzekerheid ten opzichte van [eiseres] blijven bestaan in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW. Deze onzekerheid was vatbaar voor beëindiging door de WCAM-overeenkomst. Daarmee moet [eiseres] als gerechtigde onder de WCAM-overeenkomst worden aangemerkt. Vaststaat dat [eiseres] zich niet aan de WCAM-regeling heeft onttrokken op de voet van artikel 7:908 lid 2 BW, zodat zij aan de WCAM-overeenkomst is gebonden. Het hof verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 11 oktober 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011 :BU6767) en 22 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2932). De bekendheid met de WCAM-overeenkomst is gegeven met de voorgeschreven publicatiewijze via drie landelijke dagbladen (vgl. het arrest van dit hof van 9 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1492), zodat de stelling van [eiseres] dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de opt-out regeling omdat zij er niet mee bekend was dat zij gerechtigde was onder de WCAM-overeenkomst, althans dat een redelijke uitleg meebrengt dat zij niet als gerechtigde moet worden aangemerkt onder de WCAM-overeenkomst, haar niet kan baten.”

1.4

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 9 juni 2016, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna Dexia bij dupliek nog heeft gereageerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel is gericht tegen de rov. 3.1-3.4 van het bestreden arrest en klaagt in de nrs. 1 t/m 9 in de kern dat de WCAM-overeenkomst meebrengt dat [eiseres] daaraan niet gebonden is. Het middel beroept zich daartoe met name op de tekst (nrs. 1-3) en de strekking (nrs. 7-8) van de WCAM-overeenkomst.

2.2

De WCAM-overeenkomst is de bij beschikking van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427 door het gerechtshof te Amsterdam verbindend verklaarde overeenkomst die op 8 mei 2006 door Dexia en enige andere belangenorganisaties werd gesloten. Zoals het middel (nrs. 4-6) terecht aanneemt, dient deze overeenkomst naar objectieve maatstaven te worden uitgelegd. Deze uitleg houdt, anders dan het middel betoogt, echter in dat [eiseres] daaraan gebonden is. HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835, NJ 2017/11, overwoog:

“3.3.2 De WCAM-overeenkomst is een verbindend verklaarde vaststellingsovereenkomst. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (art. 7:900 lid 1 BW). Aldus is de WCAM-overeenkomst naar haar aard bestemd de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben gehad op de inhoud of de formulering van die overeenkomst. Dergelijke overeenkomsten dienen naar objectieve maatstaven te worden uitgelegd (vgl. onder meer HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox)).

3.3.3

Het hof is bij zijn uitleg van de WCAM-overeenkomst blijkens zijn hiervoor in 3.2.3 weergegeven overwegingen van de hiervoor in 3.3.2 genoemde objectieve maatstaven uitgegaan.

3.3.4

Uitgangspunt bij uitleg naar deze maatstaven is dat de WCAM-overeenkomst volgens de verbindendverklaring door het gerechtshof Amsterdam mede ziet op de “bevoegdheden tot het doen van een beroep op nietigheid, tot het vernietigen (…), rechten op terugvordering van het betaalde, op ongedaanmaking van betalingen, op bevrijding ten aanzien van de eigen verplichtingen en op schadevergoeding; dit alles geheel of ten dele.” (rov. 5.9 van de [hiervoor genoemde beschikking van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427; A-G]).

3.5

De WCAM-overeenkomst ziet mede op de onzekerheid die resteert indien de leaseovereenkomsten voor de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst buitengerechtelijk zijn vernietigd, maar Dexia te kennen heeft gegeven dat zij die vernietiging niet aanvaardde en niet in rechte of anderszins is komen vast te staan of deze vernietiging effect sorteert (vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5822, NJ 2011/59). In het oordeel van het hof ligt besloten dat dit niet anders is in een geval als het onderhavige, waarin de belegger het Dexia Aanbod heeft ondertekend en aldus de Overeenkomst Dexia Aanbod heeft gesloten, maar diens echtgeno(o)t(e) dat niet heeft gedaan en gebruik heeft gemaakt van de hem of haar om die reden nog ten dienste staande bevoegdheid de effectenleaseovereenkomsten waarop het Dexia Aanbod ziet, op grond van art. 1:89 BW in verbinding met 1:88 BW te vernietigen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ook in dat geval resteert immers onzekerheid over de rechtsgeldigheid van de effectenleaseovereenkomsten.”

Deze uitspraak is bevestigd in HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210, NJ 2017/101, rov. 3.4. In dat arrest is voorts geoordeeld dat de rechter de afwijzingsgrond, dat de verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst van toepassing is, niet ambtshalve mag bijbrengen (rov. 3.3.2); daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake.

2.3

Op het voorgaande stuit het middel af, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.

2.4.1

Zijdens [eiseres] wordt in de s.t. nr. 4 gesteld dat de cassatieklacht niet ziet op de in HR 9 december 2016 beoordeelde kwesties – te weten hoe de WCAM-overeenkomst moet worden uitgelegd en of deze ziet op de onzekerheid die resteert indien de wederpartij van Dexia het Dexia Aanbod heeft aanvaard maar diens echtgenoot gebruik maakt van haar vernietigingsbevoegdheid ex art. 1:88 BW – maar dat de klacht behelst dat rechtens onjuist en in ieder geval onbegrijpelijk is dat en hoe het hof is gekomen tot zijn conclusie dat [eiseres] - als echtgenoot van Dexia-contractant [betrokkene 1] - aan de overeenkomst gebonden is geraakt en gebleven.

Daartoe wordt in de s.t. nr. 6 e.v. de klacht geformuleerd dat het rechtens onjuist, want in strijd met art. 6 EVRM, is dat het hof aan [eiseres] de uitoefening van haar vernietigingsbevoegdheid ontzegt op de grond dat [eiseres] aan de WCAM-overeenkomst is gebonden, hoewel aan de waarborgen die in art. 7:907 e.v. BW en art. 1013 e.v. Rv zijn ingebouwd om te voorkomen dat personen worden gebonden aan een vaststellingsovereenkomst waarbij zij geen partij willen zijn, ten aanzien van [eiseres] niet is voldaan (wat vervolgens nader wordt uitgewerkt).

2.4.2

Hoewel elementen van deze klacht, wat daar verder van zij, aangrijpen op bepaalde elementen van het middel – vgl. s.t. nr. 5, 1e volzin, met nr. 2 van het middel; s.t. nr. 5 sub (vii) met nrs. 7-8 van het middel; en s.t. nr. 6, slot, met nr. 3 van het middel − meen ik dat Dexia (dupliek nr. 1) er terecht op wijst dat deze klacht niet in het middel gelezen kan worden en daarom niet beoordeeld kan worden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Amsterdam15 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:967, rov. 2.1-2.8.

2 In het voetspoor van de cassatiedagvaarding (p. 3 onder a) houd ik deze spelling aan.