Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1160

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
16/00664
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2809, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen hekwerken en prikkeldraad rondom detentiecentrum, art. 141.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AW3560 m.b.t de uitleg van ‘openlijk’ in de zin van art. 141.1 Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat het geweld tegen de goederen vermeld in de bewezenverklaring plaats heeft gevonden aan de openbare weg, in een gebied dat feitelijk voor het publiek toegankelijk was en bij een locatie waar uitgeprocedeerde gezinnen verblijven in afwachting van hun uitzetting. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat sprake is van ‘openlijk’ geweld in de zin van art. 141 Sr, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00664

Zitting: 5 september 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 30 november 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren (subsidiair zestig dagen hechtenis). Daarnaast heeft het hof enkele beslissingen genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Tot slot heeft het hof de benadeelde partij, Detentiecentrum Kamp Zeist, niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 16/00641 bij de Hoge Raad geregistreerde zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], in welke zaak het ingestelde cassatieberoep bij akte van 21 februari 2017 is ingetrokken.

  3. Tegen het arrest van het hof is namens de verdachte op 9 december 2015 beroep in cassatie ingesteld. Het ingestelde beroep is op 21 juni 2016 partieel ingetrokken, in die zin dat het beroep zich thans niet meer richt tegen de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. De onderhavige zaak betreft de verdenking van de verdachte, als lid van een groep van actievoerders tegen het Nederlandse asiel- en vreemdelingenbeleid, van het samen met één of meer anderen openlijk plegen van geweld tegen het hekwerk met prikkeldraad rondom detentiecentrum Kamp Zeist. Omdat beide voorgestelde middelen betrekking hebben op de bewezenverklaring van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging, geef ik hieronder allereerst de betreffende bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen van het hof weer.

4.1. Ten laste van de verdachte is onder “primair” bewezen verklaard dat:

“hij op 16 april 2015 te Zeist, met anderen, aan de openbare weg, Laantje zonder Eind, (meermalen) openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen hekwerken en prikkeldraad rondom detentiecentrum Kamp Zeist, welk geweld bestond uit

- het op verschillende plaatsen vernielen/doorknippen van het hekwerk en

- het hekwerk op verschillende plaatsen lostrekken van de ijzeren staanders en

- het vernielen/doorknippen van de concertinas/het NATO prikkeldraad gelegen achter het hekwerk.”

4.2. Deze bewezenverklaring steunt – voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang – op de volgende bewijsvoering:

“Verdachte heeft verklaard dat hij van Utrecht naar het bos nabij kamp Zeist is gegaan om daar na te denken over een moreel dilemma. In het bos kwam hij drie mannen tegen. Die mannen droegen camouflagekleding en hun gezichten waren bedekt. Een van de mannen sprak hem aan met een fluisterde, hijgerige stem. Hierdoor voelde verdachte zich erg ongemakkelijk. Hij rende weg en blies een paar keer op een fluit om de mannen af te schrikken. Pas daarna hoorde hij een van de mannen “politie” roepen. Verdachte betwist dat hij op de fluit blies om de medeverdachten te waarschuwen voor de politie. Verder ontkent hij ook iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde.

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van verdachte en de medeverdachten. Volgens de raadsman waren er in de bewuste nacht meerdere groeperingen actief in de buurt van Kamp Zeist. Er kan niet worden vastgesteld of de aangehouden verdachten degenen zijn die op twee locaties het hekwerk hebben vernield of behoren tot een groep die dit heeft gedaan. Verder kan niet worden vastgesteld of zij een effectieve en dus significante bijdrage hebben geleverd aan het tenlastegelegde geweld. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat het geweld “openlijk” is gepleegd.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.[1]

De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft op woensdagmiddag 15 april 2015 een ambtsbericht uitgebracht aan de burgemeester van de gemeente Zeist, inhoudende: “Actievoerders tegen het asiel- en vreemdelingenbeleid zijn voornemens om in deze week ’s nachts vernielingen aan te richten hij kamp Zeist, bij de locatie waar uitgeprocedeerde gezinnen verblijven in afwachting van hun uitzetting uit Nederland.[2]

Naar aanleiding van dit ambtsbericht heeft de politie actie ondernomen in de nacht van 15 op 16 april 2015. Verbalisant [verbalisant 1] bevond zich op een centrale post. Hij was als groepscommandant belast met de aansturing van de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (koppel 1), [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (koppel 2), [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (koppel 3), [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (koppel 4), [verbalisant 10] en [verbalisant 11] (koppel 5), [verbalisant 12] en [verbalisant 13] (koppel 6), [verbalisant 14], [verbalisant 15] en [verbalisant 16] (koppel 7).

Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] en de daarbij gevoegde luchtfoto volgt dat de koppels zich bevonden op locaties met direct zicht op het hekwerk rondom Kamp Zeist. Op de luchtfoto is verder zichtbaar er een recht voetpad (het Laantje zonder Eind) loopt tussen het hekwerk en de posities waar de koppels 2, 3, 4, 5 en 6 zich bevonden.

Via de portofoon hoorde [verbalisant 1] omstreeks 01:54 uur dat koppel 6 diverse personen over het voetpad zag lopen. De personen liepen in de richting van koppel 5 en verdwenen uit zicht van koppel 6. [verbalisant 1] hoorde vervolgens dat koppel 5 ook personen zag lopen over het voetpad. De personen verplaatsen zich in de richting van koppel 4 en verdwenen uit beeld van koppel 5. Daarna hoorde [verbalisant 1] dat koppel 4 personen over het voetpad zag lopen. De personen verdwenen uit zicht van koppel 4. Hierop meldde koppel 3 dat zij geen zicht kregen op de personen.

Na enkele minuten hoorden de koppels 4 en 3 een metalen tikkend geluid. Dit geluid werd met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid herkend als het geluid van het stukknippen van het hekwerk.

[verbalisant 1] heeft hierop tegen de politieambtenaren gezegd dat zij naar de locatie moesten gaan waar de personen zich vermoedelijk bevonden. De politieambtenaren zagen dat het hekwerk kapot was geknipt. Het hekwerk was nog onbeschadigd toen koppel 3 omstreeks 00:50 uur langs het desbetreffende deel van het hekwerk was gelopen.[3]

Verbalisant [verbalisant 12] (koppel 6) zag een groep personen over het Laantje zonder Eind lopen. Na het passeren van de kruising met de Oude Postweg kwam de groep aan bij het hek rondom Kamp Zeist. Eén persoon uit deze groep bleef daar achter terwijl de overige personen hun route over het Laantje zonder Eind voorzetten (het hof begrijpt: in de richting van de positie van koppels 5 en 4). [verbalisant 12] verloor de achtergebleven persoon geen enkel moment uit het oog. Hij zag dat deze persoon herhaaldelijk heen en weer liep en veelvuldig om zich heen keek.[4]

De verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (koppel 4) zagen een groep bestaande uit zes personen langs het hek lopen. Even later hoorden zij meerdere malen knipgeluiden. Dit gaven zij door aan commandant [verbalisant 1] die vervolgens opdracht gaf om tot aanhouding over te gaan. De verbalisanten zagen dat de groep wegrende in de richting van koppel 5. Hierop zijn de verbalisanten achter de groep aangerend.[5]

De knipgeluiden werden ook gehoord door verbalisant [verbalisant 7] die samen met [verbalisant 6] koppel 3 vormde. [verbalisant 7] en [verbalisant 6] hoorden nog steeds knipgeluiden op het moment dat zij zich samen met de collega’s van de koppels 1 en 2 sluipend in de richting van de knipgeluiden begaven. [verbalisant 7] hoorde via de portofoon dat een collega riep: “ze gaan rennen”, waarop zij ook begon te rennen samen met [verbalisant 6] en de collega’s van de koppels 1 en 2. Op enig moment stond [verbalisant 7] even stil samen met [verbalisant 3] (koppel 1) om te luisteren. Toen zagen zij personen liggen.[6] [verbalisant 7] zag de personen plat op de grond liggen aan de rechterzijde van het bospad naast de omheining van Kamp Zeist. Samen met [verbalisant 3] is [verbalisant 7] op deze vier personen afgestapt. Direct kwamen er collega’s bij. [verbalisant 7], [verbalisant 3] en hun collega’s hebben vervolgens in totaal zeven verdachten aangehouden.[7]

(…)

Verdachte [verdachte]

Verbalisant [verbalisant 12] zag dat de in zijn nabijheid achtergebleven persoon, die zich nog altijd in zijn gezichtsveld bevond, terugliep in de richting waar hij eerder samen met de andere personen vandaan was gekomen. Zodra de verbalisant hem deze beweging zag maken, hoorde hij herhaaldelijk een hard geluid, gelijkend op het blazen op een fluitje. Enkele seconden later, omstreeks 02:25 uur, zag [verbalisant 12] zag dat deze persoon werd aangehouden.[20]

De verdachte [verdachte] is omstreeks 02:25 uur aangehouden door de verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15].[21] Deze verbalisanten zagen [verdachte] staan bij de kruising van het Laantje zonder Eind met de Oude Postweg. Hij droeg donkere/zwarte kleding en een zwarte muts. De verbalisanten zagen dat hij hen aankeek, dat hij zich vervolgens omdraaide en van hen wegliep. Ook hoorden de verbalisanten dat hij meerdere malen hard op een scheidsrechtersfluit blies. Bij de fouillering van [verdachte] werden een scheidsrechtersfluit, een lokfluitje, een paar handsschoenen, een rood- en een wit ledlampje aangetroffen.[22]

Aangifte van [betrokkene 1]

heeft namens detentiecentrum Kamp Zeist aangifte gedaan. Uit de aangifte volgt dat de hekwerken rondom het gehele terrein tijdens de ochtend- en avonddienst worden bekeken door het personeel van het detentiecentrum. Op woensdagochtend 15 april 2015 waren de hekwerken nog in orde.

Het Heras hekwerk aan de zijde van het Laantje zonder Eind bestaat uit ijzeren staanders, waaraan groen geplastificeerd gaas is vastgemaakt. Bovenop dit hekwerk is een klimbeveiliging, bestaande uit drie rijen prikkeldraad, bevestigd. Direct achter dit hekwerk zijn boven elkaar drie rollen concertinas bevestigd. Dit zijn rollen prikkeldraad waarbij de prikkels zijn vervangen door kleine scheermesjes (NATO-prikkeldraad).

De hekwerken waren vernield op twee locaties aan de zijde van het Laantje zonder Eind. Bij het voetbalveld was het Heras hekwerk over een lengte van 15 meter doorgeknipt en losgetrokken van de ijzeren staanders. De drie rijen prikkeldraad bovenop dit hekwerk waren doorgeknipt over een lengte van 9 meter. De concertinas achter dit hekwerk waren doorgeknipt op tenminste 35 plaatsen. Bij het bos was het Heras hekwerk over een lengte van 12 meter doorgeknipt en losgetrokken van de ijzeren staanders. De drie rijen prikkeldraad bovenop dit hekwerk waren doorgeknipt over een lengte van 3 meter. De concertinas achter dit hekwerk was doorgeknipt op 1 plaats.[23]

Sporenonderzoek

Verbalisant [verbalisant 17] heeft de locaties 1 en 2 waar de hekwerken zijn vernield nader omschreven in het proces-verbaal van het sporenonderzoek en gemarkeerd op de daarbij gevoegde luchtfoto. Op de luchtfoto is zichtbaar dat locatie 1 is gelegen nabij de positie waar koppel 3 zich bevond. Locatie 2 is gelegen tussen de posities waar de koppels 5 en 4 personen over het voetpad zagen lopen in de richting van koppel 3. Langs de looproute van de personen heeft verbalisant [verbalisant 17] drie tangen aangetroffen. Hij trof een betonschaar aan tussen het looppad en het hekwerk. Circa 30 meter verderop lag een kniptang. Op het pad aan de binnenzijde van het hekwerk lag een soortgelijke kniptang.[24]

Aantreffen fietsen en auto

De verbalisanten [verbalisant 18] en [verbalisant 19] zagen vier fietsen gestald staan in een bosperceel in de buurt van Kamp Zeist. Op een van de fietsen zat een fietstas waarin een reçu zat. Daarop stonden de voorletters en de achternaam van verdachte [betrokkene 2].

De verbalisanten vervolgden hun weg in het bosperceel en kwamen bij uit bij het Laantje zonder Eind. Aldaar zagen zij op een parkeerplaats, grenzend aan het bosperceel, een personenauto staan. De auto was voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Dit kenteken stond op naam van verdachte [medeverdachte].[25] In de auto — een Fiat Panda — lag een geografische kaart van de Utrechtse Heuvelrug, waarop met een zwarte pen een route was getekend tussen de Biltseweg te Soest en het Laantje zonder Eind te Zeist.[26]

Conclusie

Het hof stelt vast dat het tenlastegelegde werd gepleegd tussen het tijdstip waarop het hekwerk nog onbeschadigd bleek te zijn (omstreeks 00:50 uur) en de tijdstippen waarop voormelde verdachten op heterdaad werden aangehouden (omstreeks 02:23-2:30 uur). Gedurende dit tijdsbestek hebben de verbalisanten voortdurend zicht gehad op het voetpad langs het hekwerk, waar zij zes personen zagen lopen in de richting van de locaties waar even later het hekwerk bleek te zijn doorgeknipt en losgetrokken. Kort na de waarneming van de knipgeluiden werden in de (directe) omgeving van het vernielde hekwerk zes verdachten aangetroffen, te weten [medeverdachte], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 2]. Zij waren in het bezit van voorwerpen die geschikt zijn om hekwerk/prikkeldraad door te knippen en/of los te trekken en om daarbij beveiliging aan het lichaam te bieden. Het gaat hierbij om tangen, handschoenen en brillen. In de buurt van het hekwerk werden later ook tangen aangetroffen langs de looproute van deze verdachten. De gereedschappen waren gelijksoortig van aard. Ook waren vrijwel alle verdachten in het bezit van één of meer soortgelijke fietslampjes.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de aangehouden verdachten als groep optraden met als gezamenlijk doel het beschadigen/vernielen van een deel van de terreinafzetting van Kamp Zeist. Verdachte [verdachte] bleef achter nabij de kruising en ging daar op de uitkijk staan met fluitjes om de overige verdachten zo nodig te kunnen waarschuwen, terwijl de andere verdachten doorliepen over het voetpad in de richting van de locaties waar het geweld werd gepleegd tegen het hekwerk. De verdachten [medeverdachte], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 2] werkten nauw en bewust samen bij het plegen van tegen de afzetting gerichte gewelddadige handelingen. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld wie van de verdachten welke beschadigingen heeft aangebracht is naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang, nu uit de voorwerpen die onder de verdachten in beslag zijn genomen kan worden afgeleid dat ieder der verdachten een significante bijdrage heeft geleverd aan het bewezen te verklaren openlijke geweld tegen goederen.

[verdachte] heeft ook een wezenlijke bijdrage geleverd aan dat geweld door op de uitkijk te staan en de medeverdachten te waarschuwen, toen hij door de politie werd aangesproken. Het hof acht de alternatieve verklaring van verdachte, dat hij daar alleen was, en wel om te wandelen en na te denken over een moreel dilemma, ongeloofwaardig. Datzelfde geldt voor de verklaring van verdachte dat hij met zijn gefluit de drie mannen beoogde af te schrikken.

Naar het oordeel van het hof bestaan er geen aanwijzingen die reden vormen om aan te moeten nemen dat de beschadigingen/vernielingen van de terreinafzetting zijn gepleegd door anderen dan een of meer van de aangehouden verdachten.

Voor het bewijs van het bestanddeel "openlijk" is niet vereist dat ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging publiek aanwezig was. Het is evenmin beslissend of het ter plaatse al dan niet was toegestaan om in het tijdvak, waarin het geweld gepleegd werd, daar aanwezig te zijn. Het verbod het bosgebied tussen zonsondergang en zonsopkomst te betreden belemmert of beperkt de feitelijke toegankelijkheid van het gebied voor het publiek immers niet. Integendeel, de omstandigheid, dat een afzonderlijk verbod nodig is om te bewerkstelligen dat het publiek ‘s nachts het bos niet in mag, onderstreept de publieke toegankelijkheid van dat bosgebied. Daar komt bij dat – anders dan bij geweld tegen personen – geweld tegen goederen (het hekwerk) nog steeds zichtbaar is in het tijdsbestek waarin de bevoegdheid het bos te betreden niet is beperkt.

Naar het oordeel van het hof is er derhalve sprake van "openlijke" geweldpleging als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

[1] De hierna te melden bewijsmiddelen zijn gevoegd als bijlagen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte (stam)processen-verbaal, genummerd PL 0900-2015117369 (p. 1 e.v.), PL 0900- 2015117369 A (p. 113 e.v.), PL 0900-2015117369 A (p. 251 e.v.) PL 0900-2015117369 C (p. 304 e.v.) en PL 0900-2015117369 D (p. 331 e.v.).

[2] Brief van het hoofd van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst van 16 april 2015, inhoudende de schriftelijke bevestiging van het ambtsbericht op 15 april 2015 om 15:50 uur is uitgebracht aan de burgemeester van de gemeente Zeist, p. 239.

[3] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 81-83, en de daarbij gevoegde luchtfoto, p. 84.

[4] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 12], p. 91.

[5] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8], p. 92-93,

[6] Proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte], p. 33-34.

[7] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3], p. 88-89.

[20] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 12], p. 91.

[21] Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte], p. 43-44.

[22] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 14] en [verbalisant 15], p. 90.

[23] Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], p. 78-80.

[24] Proces-verbaal van opsporingsonderzoek van [verbalisant 17], p. 281-283, met als bijlage de daarbij gevoegde luchtfoto.

[25] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 18] en [verbalisant 19], p. 182-182, met als bijlage een kopie van de aangetroffen reçu, p. 183, en foto’s van de aangetroffen auto, p. 184.

[26] Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 20] en [verbalisant 21], p. 236, met als bijlage een kopie van de aangetroffen kaart, p. 237.”

5. Als eerste zal ik het tweede middel bespreken. Dit middel bevat de klacht dat het hof wat betreft de aan de verdachte en zijn medeverdachten tenlastegelegde gedragingen uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat deze gedragingen ‘openlijk’ in de zin van art. 141, eerste lid Sr zijn verricht.

5.1. Volgens de pleitnota die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 november 2015 heeft de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“55. Voor openlijke geweldpleging is vereist dat het geweld - inderdaad - openlijk is gepleegd. Dat kan in deze gevallen niet worden bewezen.

56. Niet openlijk was volgens de Hoge Raad geweld dat de drie verdachten hadden bedreven in het donker, op een eenzame plaats in het openbare wandelpark de Haarlemmerhout, alwaar zich slechts de verdachten en het slachtoffer bevonden, wie het schreeuwen ook nog werd belet. Zie HR 29 maart 1966. ECL1:NL:HR:1966:AB6310. NJ 1966/399.

57. Zie ook HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636, NJ 1979/618: dit arrest betrof daders die iemand in het holst van de nacht in het water van de Amsterdamse Prinsengracht hadden gegooid, terwijl uit de bewijsmiddelen niet bleek dat derden dit hadden gezien of gehoord.

58. Als het publiek toevallig niet aanwezig is ten tijde van het geweld, is dat niet voldoende. Daarom was volgens HR 12 juli 2011. ECL1:NL:HR:2011:BQ3681, NJ 2011/380, van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden openbaarde in een treincoupé. Er was feitelijk vrije toegang en er bestond zicht op hetgeen gebeurde.

59. In de zaken van cliënten kan het volgende, worden vastgesteld:

- gewoonlijk is geen publiek aanwezig langs het hek van Kamp Zeist;

- in ieder geval is daar geen publiek aanwezig in de nacht:

- daar mág ook geen publiek aanwezig zijn. Uit de bijgevoegde foto’s blijkt dat tussen zonsondergang en zonsopgang de toegang in dit gebied is verboden. Dat is uitdrukkelijk aan het publiek kenbaar gemaakt door Stichting Het Utrechts Landschap en Staatsbosbeheer. De uitingen zijn voorzien van de bedreiging ‘verboden toegang’ zoals bedoeld in artikel 461 Sr. Meer specifiek is ook de Oude Postweg tussen zonsondergang en zonsopgang niet toegankelijk. Dat is uitdrukkelijk aan het publiek kenbaar gemaakt door Recreatie Midden-Nederland.

- het ging om het holst van de nacht terwijl derden het publiek het geweld niet hebben gezien of gehoord; er bestond voor het publiek geen zicht op het gebeuren. Volgens het dossier was het die nacht aardedonker buiten (zie bevindingen [verbalisant 7], pagina 33).

60. Gezien deze omstandigheden kan openlijke geweldpleging niet worden bewezen.”

5.2. Naar aanleiding van dit verweer heeft het hof in zijn arrest – zoals ook reeds hierboven onder 4.2 aangehaald – het volgende overwogen:

“Voor het bewijs van het bestanddeel "openlijk" is niet vereist dat ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging publiek aanwezig was. Het is evenmin beslissend of het ter plaatse al dan niet was toegestaan om in het tijdvak, waarin het geweld gepleegd werd, daar aanwezig te zijn. Het verbod het bosgebied tussen zonsondergang en zonsopkomst te betreden belemmert of beperkt de feitelijke toegankelijkheid van het gebied voor het publiek immers niet. Integendeel, de omstandigheid, dat een afzonderlijk verbod nodig is om te bewerkstelligen dat het publiek ’s nachts het bos niet in mag, onderstreept de publieke toegankelijkheid van dat bosgebied. Daar komt bij dat – anders dan bij geweld tegen personen – geweld tegen goederen (het hekwerk) nog steeds zichtbaar is in het tijdsbestek waarin de bevoegdheid het bos te betreden niet is beperkt.

Naar het oordeel van het hof is er derhalve sprake van “openlijke” geweldpleging als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.”

5.3. Aan het middel ligt de vraag ten grondslag wat onder het begrip “openlijk” in de zin van art. 141 Sr moet worden verstaan.

5.3.1. Art. 141, eerste lid, Sr luidt:

“Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.”

5.3.2. Uit de jurisprudentie met betrekking tot art. 141, eerste lid, Sr kunnen de volgende uitgangspunten worden gedestilleerd. Het is vaste jurisprudentie dat onder openlijke geweldpleging in de zin van art. 141, eerste lid, Sr “geweld dat zich onverholen door niet-heimelijke daden heeft geopenbaard” wordt verstaan.1 Verder is de invulling van het bestanddeel ‘openlijk’ sterk feitelijk van aard. Zo is het niet doorslaggevend of het geweld in de openbare ruimte is gepleegd, maar of de geweldpleging heeft plaatsgevonden op een plaats waar ofwel daadwerkelijk publiek aanwezig was ofwel een reële kans op publieke waarneembaarheid bestond.2 Wedzinga vat dit laatste zo op, dat de geweldpleging in ieder geval vanaf een openbare plaats waarneembaar moet zijn.3

5.3.3. Twee bekende oudere arresten van de Hoge Raad in dit verband zijn HR 29 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6310, NJ 1966/399, m.nt. Pompe en HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636. Bij het eerstgenoemde arrest ging het om een zaak waarin drie verdachten in een openbaar wandelpark geweld hadden gepleegd op een eenzame plaats in het donker, waarbij de verdachten het slachtoffer bovendien het schreeuwen hadden belet om geen aandacht te trekken. De Hoge Raad liet de vrijspraak van het hof in stand met de overweging dat niet was gebleken dat het hof bij zijn beraadslaging en beslissing van een onjuiste rechtsopvatting was uitgegaan. Tot een ander resultaat leidde echter HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636, dat betrekking had op een zaak waarin verdachten een slachtoffer in het holst van de nacht in het water van de Amsterdamse Prinsengracht hadden gegooid maar uit de bewijsmiddelen niet bleek dat bij deze actie daadwerkelijk publiek aanwezig was geweest. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat “in het recht […] geen steun [is] te vinden voor de opvatting dat van ‘openlijk’ geweld in de zin van art. 141 Sr. slechts sprake zou kunnen zijn indien ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was”. Omdat het ging om “onverholen niet-heimelijk bedreven feiten” waardoor de openbare orde was aangerand, kon het hof volgens de Hoge Raad tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging komen.

5.3.4. In een arrest van recentere datum – HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681 –bevestigde de Hoge Raad nog eens dat voor een aanranding van het door art. 141, eerste lid, Sr beschermde belang van de openbare orde niet is vereist dat ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging publiek aanwezig was. In navolging van HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3560 voegde de Hoge Raad hier onder meer nog aan toe dat het, om een vorm van geweld openlijk te kunnen noemen, evenmin noodzakelijk is dat de plaats waar het geweld heeft plaatsgevonden ten tijde van de geweldpleging vrij toegankelijk was. Dat de verdachten in de betreffende zaak geweld hadden gepleegd in een treincoupé die niet voor iedereen vrij toegankelijk was, maakte niet dat het hof niet had kunnen oordelen dat het betreffende geweld openlijk was gepleegd.

5.4. Zoals blijkt uit de hierboven onder 4.2 aangehaalde bewijsvoering, heeft het hof in casu, ter motivering van zijn oordeel dat de geweldpleging van de verdachte en zijn medeverdachten openlijk werd gepleegd, overwogen dat voor het bewijs van het bestanddeel ‘openlijk’ niet is vereist dat ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging daadwerkelijk publiek aanwezig is en dat het evenmin uitmaakt dat het voor het publiek niet was toegestaan om ter plekke waar de geweldpleging plaats vond aanwezig te zijn. Verder heeft het hof in het bijzonder overwogen, dat het door de verdediging aangehaalde verbod om het bosgebied waar de tenlastegelegde (nachtelijke) geweldpleging heeft plaatsgevonden tussen zonsondergang en zonsopkomst te betreden, de feitelijke toegankelijkheid van dit gebied in de genoemde periode niet beperkte maar eigenlijk juist onderstreepte.

5.5. Kennelijk heeft het hof met deze laatste overweging aansluiting willen zoeken bij het in HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3560 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681 geëxpliciteerde – en hierboven onder 5.3.4. genoemde – uitgangspunt dat de vrije toegankelijkheid van een bepaalde plaats voor het bewijs van openlijke geweldpleging geen hard vereiste vormt. Toch twijfel ik of het hof in onderhavige zaak niet te kort door de bocht is gegaan. De hiervoor genoemde arresten hebben beide betrekking op zaken waarin de niet (geheel) vrije toegankelijkheid van de plaats van het geweld als het ware werd ‘gecompenseerd’ door de omstandigheid dat op de plaats feitelijk wel publiek aanwezig was of de kans dat het geweld door publiek zou worden waargenomen in ieder geval substantieel was. In deze zaken was de toegankelijkheid van de plaats van de geweldpleging bovendien slechts door een financiële of andere drempel beperkt en niet door een hard verbod.

5.6. Mijn twijfel wordt versterkt omdat in onderhavige zaak noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof goed kan worden opgemaakt waarin het openlijke karakter van de tenlastegelegde geweldpleging nu eigenlijk gelegen is. De verdediging heeft bij het hof aangevoerd dat het bosgebied waar het geweld werd gepleegd tussen zonsondergang en zonsopkomst verboden was voor het publiek en dat in dit bosgebied in ieder geval tijdens de nachtelijke uren normaal gesproken ook geen publiek aanwezig is. De bewijsvoering van het hof houdt verder niet in dat, afgezien van de betrokken politieagenten die door de AIVD gewaarschuwd waren, ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging feitelijk wel publiek aanwezig was.

5.7. Het gaat hier – mede gelet op de hierboven besproken jurisprudentie – om een grensgeval, waarbij naar mijn mening het hof zijn oordeel, dat het door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde geweld een openlijk karakter had, niet toereikend heeft gemotiveerd. Dat het hof er in zijn bewijsoverwegingen nog op heeft gewezen dat de gevolgen van geweld tegen goederen op een plaats waar (alleen) ’s nachts een toegangsverbod geldt doorgaans ook overdag nog zichtbaar zijn, maakt dit niet anders, omdat in de tekst van art. 141, eerste lid, Sr besloten ligt dat voor het bewijs van openlijke geweldpleging vereist is dat de betreffende geweldpleging zelf openlijk plaatsvindt.

5.8. Het tweede middel treft doel.

6. Voor zover de Hoge Raad tot het oordeel komt dat het tweede middel niet kan slagen en het arrest van het hof dus ook niet op grond van dit middel moet worden vernietigd, bespreek ik nu kort het eerste middel. Dit middel houdt in dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de raadsman van de verdachte. Dat standpunt houdt, kort gezegd, in (i) dat de in het dossier genoemde personen die in de nacht van 15 op 16 juli 2015 door de politie in het bosgebied bij detentiecentrum Kamp Zeist zijn aangetroffen op twee verschillende tijdstippen in twee verschillende groepjes naar het detentiecentrum zijn gelopen, (ii) dat de verdachte deel uitmaakte van het groepje dat zich als tweede in de richting van het detentiecentrum bewoog, (iii) dat dit tweede groepje het hekwerk van het detentiecentrum pas zo kort voor de aanhoudingen van de verdachte en zijn medeverdachten kan hebben bereikt dat leden van dit groepje onmogelijk zelf nog vernielingen hebben kunnen aanrichten en (iv) dat er mede daardoor vanuit moet worden gegaan dat de tenlastegelegde vernielingen door het eerste groepje zijn gepleegd en dat dit groepje daarbij afzonderlijk opereerde.

6.1. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof in zijn arrest mijns inziens in voldoende mate op het hierboven genoemde standpunt van de verdediging gerespondeerd. Zo heeft het hof vastgesteld dat de verdachte in de nacht van 15 op 16 juli 2015 met enkele anderen naar het hekwerk van detentiecentrum Kamp Zeist is gelopen en dat de verdachte toen zijn groepje het hekwerk had bereikt alleen achterbleef terwijl de anderen hun weg vervolgden. De bewijsvoering van het hof houdt vervolgens onder meer in dat binnen een korte periode na de aankomst van de verdachte bij het detentiecentrum op verschillende plaatsen in de directe nabijheid van het (beschadigde) hekwerk meerdere personen in het bezit van knipmateriaal en bijbehorende voorwerpen zijn aangehouden. Dat het hof op blz. 7 van het arrest ten slotte deels expliciet en deels impliciet heeft overwogen dat de verdachte en deze aangehouden personen ter plaatse en ten tijde van het tenlastegelegde één groep moeten hebben gevormd en dat het gefluit van de verdachte mede als doel moet hebben gehad om de genoemde aangehouden personen te waarschuwen, is – bij gebreke van enige aannemelijke andere verklaring voor de aanwezigheid en het handelen van de verdachte op de tenlastegelegde plaats en tijd – niet onbegrijpelijk. Deze overweging vormt mijns inziens tevens een afdoende respons op het in het middel bedoelde standpunt van de raadsman.

6.2. Het eerste middel faalt.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Nu het tweede middel naar mijn mening slaagt, strekt deze conclusie tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681 en HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR2006:AW3560.

2 Zie HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681, HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3560, HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636 en HR 29 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6310, NJ 1996/399, m.nt. Pompe.

3 Zie W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, Gouda Quint, Arnhem 1992, par. 5.3.1.4.