Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:115

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/04668
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:368, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen voor gewapende overval op onbekend gebleven persoon in Rotterdam. Uos t.a.v. betrouwbaarheid van bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met nr. 15/04704 en nr. 16/00456.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04668

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 september 2015 de verdachte wegens 1. “medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en/of “medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (nr. 16/00456) en [medeverdachte 2] (nr. 15/04704), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de verklaringen van de verdachte1 gelet op de onbetrouwbaarheid daarvan niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, dan wel dat het hof de verwerping van dat standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij op 11 juli 2012 in Rotterdam samen met anderen (de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) voorbereidingshandelingen heeft verricht voor een gewapende overval op een (onbekend gebleven) persoon in Rotterdam door (in twee auto’s) een vuurwapen met bijbehorende munitie, tiewraps, een zwarte muts, een pruik, een verrekijker en duct tape voorhanden te hebben. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat hij op 11 juli 2012 in Rotterdam samen met anderen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

6. Zoals blijkt uit haar op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsvrouwe van de verdachte verzocht de verklaringen van de verdachte uit te sluiten van het bewijs. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte was er ten tijde van zijn verhoren door de politie slecht aan toe, zodat het niet anders kan zijn dan dat hij tijdens die verhoren ook niet helemaal zichzelf was. De verdachte ontkent het woord “beroving” te hebben gebruikt, zoals is geverbaliseerd in het proces-verbaal van zijn eerste verhoor bij de politie op 12 juli 2012. Het is waarschijnlijker dat de verdachte in die verklaring heeft verklaard over een “klusje”, welk woord door de politie vrij is vertaald in “beroving”. De politie heeft tijdens dit verhoor immers niet doorgevraagd over een beroving. De nadere vragen van de politie zien op het woord “klusje”. Indien het woord “beroving” wordt weggestreept uit de verklaring van de verdachte, dan blijft er niet meer over dan dat de verdachte naar Rotterdam zou komen voor een klusje en dat hij niet wist om wat voor klusje het ging. De verdachte had geen weet van het vuurwapen en de inhoud van de klus.

Uit het proces-verbaal van de voornoemde terechtzitting blijkt dat de raadsvrouwe voorts heeft opgemerkt dat de verklaring van de verdachte bij de politie niet klopt wat betreft de voorgenomen beroving. De raadsvrouwe heeft de geluidsbanden van het verhoor willen beluisteren, maar er zijn van het verhoor geen opnames gemaakt. De verdachte zelf heeft op die terechtzitting verklaard dat hij niets wist van een beroving en dat de verklaring die hij bij de politie zou hebben afgelegd niet klopt.

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “verweren, 2. betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte]” in reactie op dit verweer uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat de verklaring die de verdachte op 12 juli 2012 bij de politie heeft afgelegd betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 12 juli 2012 bij de politie gedetailleerde verklaringen afgelegd, die grotendeels met elkaar overeen komen. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben vanaf hun aanhouding geen gelegenheid gehad om hun verklaringen, inhoudende dat zij bezig waren met een klus (een beroving) waarmee zij snel geld konden verdienen, op elkaar af te stemmen. De stelling dat het om een andere klus (een verfklusje) zou zijn gegaan, acht het hof weinig geloofwaardig, aangezien daarover niets is terug te vinden in de eerste verklaring van de verdachte. Gelet op de vraagstelling is het niet aannemelijk geworden dat de op 12 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte door de verbalisanten onjuist is geverbaliseerd. De verdachte heeft zijn verklaring na controle daarvan ondertekend. Van enige psychische beperking bij de verdachte, die van invloed is geweest op het verhoor, is niet gebleken.
Vervolgens heeft het hof de op 12, 13 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte deels als bewijsmiddelen 5, 6 en 7 tot het bewijs gebezigd.

8. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer voldoende gemotiveerd verworpen. Het stond het hof vrij de op 12, 13 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte tot het bewijs te bezigen.2

9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof in zijn bewijsoverwegingen slechts is ingegaan op de (on)betrouwbaarheid van de op 12 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte, terwijl het standpunt van de verdediging betrekking zou hebben gehad op de onbetrouwbaarheid van alle bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte.

10. Uit de samenvatting van het verweer door het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen volgt dat het hof het verweer heeft opgevat als een betrouwbaarheidsverweer. Het hof is in de bestreden uitspraak onder “verweren, 1. vormverzuim ex art. 359a Sv” afzonderlijk ingegaan op het verweer dat ertoe strekt dat sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Aan dat betoog had de raadsvrouwe ten grondslag gelegd dat geen controle van het verhoor van 12 juli 2012 kon plaatsvinden, omdat de audiovisuele registraties van dat verhoor zijn kwijtgeraakt. De beantwoording van dat verweer wordt in cassatie niet bestreden. Ook de steller van het middel beschouwt het in het middel bedoelde verweer als een betrouwbaarheidsverweer.

11. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer meer in het bijzonder opgevat als een betrouwbaarheidsverweer dat is gericht tegen de weergave van zijn verklaring van 12 juli 2012 in het proces-verbaal van dat verhoor. Gelet op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij stel ik voorop dat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter en dat die uitleg in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.3 Bovendien gaat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.4

12. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, wijs ik nog op het volgende. Het in het middel bedoelde verweer is niet in hoger beroep voor het eerst gevoerd. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 februari 2014 heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat “de verklaring die door de verdachte op 12 juli 2012 is afgelegd” niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Ook in dat verband is gewezen op de slechte psychische toestand van de verdachte en op het vernietigen van de audiovisuele registraties.5 Het verweer was in eerste aanleg aldus uitdrukkelijk beperkt tot het verhoor van 12 juli 2012. Daarbij komt het volgende. In hoger beroep hebben de raadsvrouwe en de verdachte zich ten aanzien van de inhoud van de weergave van de verklaring(en) van de verdachte geconcentreerd op het daarin opgenomen woord “beroving”. Ook in zoverre gaat het om het proces-verbaal van het verhoor van 12 juli 2012. Tegen deze achtergrond en met inachtneming van de vrijheid die de feitenrechter in dit verband toekomt, is de uitleg van het verweer door het hof, te weten dat het een betrouwbaarheidsverweer betreft dat is beperkt tot de weergave van het verhoor van 12 juli 2012, niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de verdachte zijn op 13 en 16 juli 2012 afgelegde verklaringen niet heeft ondertekend. De vaststelling van het hof dat de verdachte zijn verklaring na controle daarvan heeft ondertekend, ziet immers op de op 12 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte. Daaraan voeg ik ten overvloede toe dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zijn verklaring niet heeft ondertekend er niet aan in de weg staat dat het hof die verklaring betrouwbaar kan achten. 6

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De schriftuur vermeldt bij de weergave van het middel bij kennelijke vergissing dat het standpunt betrekking heeft op “de verklaringen van aangever”. Bedoeld is “de verklaringen van verdachte”.

2 Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:350, NJ 2014/280, rov. 3 en HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143, rov. 2.

3 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 224-225.

4 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

5 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 6 februari 2014, p. 4.

6 De onderliggende processen-verbaal van de politieverhoren houden in dat de verdachte zijn verklaring van 12 juli 2012 heeft ondertekend, dat hij zijn verklaring van 13 juli 2012 niet heeft doorgelezen en ondertekend omdat hij terug wilde naar zijn cel en dat hij zijn verklaring van 16 juli 2012 niet wenste te lezen en te ondertekenen.