Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1126

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-08-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/00052
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3118, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meerdere gekwalificeerde (pogingen tot) diefstallen. Schakelbewijs. Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer b.m. blijkende - omstandigheid dat verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. De opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede b.m. worden gebezigd m.b.t een ander feit, vindt geen steun in het recht. V.zv. het middel op die opvatting berust, faalt het. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. ’s Hofs oordeel dat verdachte de in het middel bedoelde feiten heeft begaan, is mede gelet op de door het Hof in zijn oordeel betrokken f&o toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00052

Zitting: 29 augustus 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is onder drie verschillende parketnummers bij arrest van 15 december 2015 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, wegens – kort aangeduid – drie diefstallen met braak, meermalen gepleegd, vijf diefstallen met braak, een diefstal door middel van inklimming, twee diefstallen met een valse sleutel en twee pogingen tot diefstal met braak. Het hof heeft voorts de twee benadeelde partijen in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard, doch de verdachte ten aanzien van een van de benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van € 305,-, bij gebreke van betaling te vervangen door zes dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel keert zich met motiveringsklachten tegen de bewezenverklaringen van vijf gevallen van (poging tot) gekwalificeerde diefstal, die als de feiten 7 en 9 (parketnummer 15-716008-13) en feit 3 (parketnummer 15-706175-13) zijn tenlastegelegd. Het gaat om zaken die in Doetinchem hebben plaatsgevonden, tussen 22 en 24 juni 2013, en daarom door het hof als de “Doetinchemse zaken” worden aangehaald. Volgens de steller van het middel kan de betrokkenheid van de verdachte als pleger van deze Doetinchemse misdrijven, mede in het licht van hetgeen door de verdediging op de terechtzitting van het hof is aangevoerd, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, terwijl het hof daarnaast ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, van een schakelbewijsconstructie gebruik heeft gemaakt.

  4. De in het middel bedoelde bewezenverklaringen houden ten laste van de verdachte in dat:

“Zaak met parketnummer 15-716008-13

(…)

feit 7 (zaak 15 en 17)

hij op tijdstippen in de periode van 22 tot en met 24 juni 2013 te Doetinchem telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

- in een bedrijfspand en een woning gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 1] en aan een ander dan verdachte en

- in een bedrijfspand van [A] gelegen aan [b-straat 1] heeft weggenomen een laptop (Acer) met toebehoren en een geldlade en een hoeveelheid geld, toebehorende aan het bedrijf [A] BV, waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

(…)

feit 9 (zaak 18 en 19)

hij op tijdstippen gelegen op of omstreeks 24 juni 2013 te Doetinchem, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

- in een eetgelegenheid gelegen aan de [c-straat 1] weg te nemen een of meerdere goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan eetgelegenheid [B] en

- in een woning gelegen aan de [d-straat 1] weg te nemen een of meerdere goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [betrokkene 2], en zich daarbij (telkens) de toegang tot voornoemde eetgelegenheid en tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak

- naar die eetgelegenheid is gegaan en vervolgens een slot van een toegangsdeur heeft geforceerd en een ruit heeft vernield,

- naar die woning is gegaan en vervolgens het slot van een achterdeur heeft verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(…)

Zaak met parketnummer 15-706175-13 (gevoegd)

(…)

feit 3 (zaak 2)

primair

hij op 24 juni 2013 te Doetinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [e-straat 1] heeft weggenomen een fiets en levensmiddelen en een fotocamera en een laptop en een portemonnee (met inhoud) en een rijbewijs (op naam van [betrokkene 3]) en een chauffeurspas (op naam van [betrokkene 3]) en een Hyundai autosleutel toebehorende aan [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

(…)”

5. De in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaringen steunen, houden in door mij samengevatte vorm het volgende in:

Feit 7 (zaak 15) [a-straat 1] Doetinchem

1. Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van de aangever dat in zijn autobedrijf/woning aan de [a-straat 1] te Doetinchem tussen 23 juni 2013 te 22.30 en 24 juni 2013 te 06.30 uur is ingebroken. Het toegangshek aan de Melkweg is opengedrukt en aan de zijkant van de woning is nog eens een toegangshek geforceerd. Daarna is een toegangsdeur van het bedrijf geforceerd. In de werkplaats zijn uit een gereedschapskar een tweetal schroevendraaiers weggenomen. Ook is muntgeld uit een portemonnee weggenomen.

2. Een proces-verbaal sporenonderzoek opgemaakt door forensisch onderzoeker B.J.G. Helmink, waarin hij relateert dat hij zag dat van de deur die toegang gaf tot de werkplaats het beslag deels was verwijderd. Met behulp van een breekvoorwerp was het cilinderslot afgebroken. Hierdoor was het sluitmechanisme onbruikbaar gemaakt en kon de deur worden geopend. Hij zag indrukken/beschadigingen van een schroevendraaier op de buitenzijde van de deur op de plaats van het schild. Deze indrukken zijn veilig gesteld. In het kantoor van het autobedrijf waren een bureau en een kast doorzocht. Voor deze kast constateerde de forensisch onderzoeker fragmenten van twee schoenprofielen. De schoensporen door middel van folie veilig gesteld.

3. Een proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek waarvan op grond van vergelijkend sporenonderzoek de conclusie van de sporencoördinator luidt dat een van de aangetroffen schoensporen is veroorzaakt met de rechterschoen die in beslag is genomen bij de verdachte.

4. Een kennisgeving van inbeslagneming van het paar schoenen van de verdachte waarmee het vergelijkend schoensporenonderzoek is verricht.

Feit 7 (zaak 17) [b-straat 1] Doetinchem

1. Een proces-verbaal van aangifte ter zake van inbraak in een bedrijfspand aan [b-straat 1] te Doetinchem, gepleegd tussen 22 juni 2013 te 17.00 uur en 24 juni 2013 te 14.44 uur. De aangever had op 22 juni om 17.00 uur de winkel afgesloten en kwam daar op 24 juni omstreeks 14.45 uur weer terug. Hij zag dat de deur van de zijkant van het pand openstond en dat het slot van de deur op de grond lag. Een laptop met bijbehorende doos en beschermhoes waren weggenomen, evenals een geldlade met ongeveer 20 euro aan muntgeld en een geldbedrag van gezamenlijk circa 20 euro uit twee kassalades.

2. Een proces-verbaal sporenonderzoek opgemaakt door forensisch onderzoeker B.J.G. Helmink waarin hij zijn sporenonderzoek in de winkel aan [b-straat 1] te Doetinchem relateert. Van de toegangsdeur aan de rechtergevel van het pand (de achteringang) was het beslag deels verwijderd. Met behulp van een breekvoorwerp was het cilinderslot afgebroken. Hierdoor was het sluitmechanisme onbruikbaar gemaakt en kon de deur worden geopend. Het achtergebleven cilinderslot is veilig gesteld. De forensisch onderzoeker constateerde indruksporen in het kozijn ter hoogte van de slotplaats van de naar buiten draaiende deur. Tevens zag hij een indrukspoor op de buitenzijde van de deur alwaar de schildplaat had gezeten. In de nacht van 23 op 24 juni 2013 werd op onderstaande adressen ingebroken c.q. een poging gedaan middels dezelfde MO (Bulgaarse methode) als in dit proces-verbaal omschreven: [d-straat 1] Doetinchem, [e-straat 1] Doetinchem, [a-straat 1] Doetinchem, [c-straat 1] Doetinchem.

3. Een proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek ten behoeve waarvan werktuigsporen zijn veiliggesteld in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [e-straat 1] te Doetinchem, in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [d-straat 1] te Doetinchem, in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [c-straat 1] te Doetinchem en in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [b-straat 1] te Doetinchem. Vergelijkend werktuigenonderzoek leidt tot de conclusie dat de werktuigsporen op de vier adressen “zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met een en hetzelfde werktuig.”

Feit 9 (zaak 18) [c-straat 1] Doetinchem

1. Een proces-verbaal van aangifte, gedaan mede namens benadeelde eethuis [B], van een inbraak op 24 juni 2013 te 03.00 uur in het bedrijf aan de [c-straat 1] te Doetinchem. Op 22 juni 2013 omstreeks 18.30 uur had de aangever de zaak gesloten. Op 24 juni 2013 werd de aangever gebeld door zijn ouders. Dezen waren gebeld door de bovenbuurvrouw. Zij had aangegeven dat er mogelijk was ingebroken in het eethuis. De aangever zag dat er bij de toegangsdeur was geprobeerd om in te breken. Hij zag dat het slot van de toegangsdeur geforceerd was en dat de ruit eruit lag.

2. Een proces-verbaal sporenonderzoek opgemaakt door B.J.G. Helmink. Hij zag dat zich indrukken/beschadigingen in de sluitnaad van de voordeur van het pand bevonden. Hij zag een krasspoor op de slotplaat welke zich in het kozijn bevond. De ruit in de deur was vernield en het cilinderslot was afgebroken. De aangever overhandigde hem een gedeelte van het oude cilinderslot. Hij zag een krasspoor van een werktuig op dit cilinderslot en heeft dit cilinderslot veiliggesteld. In de nacht van 23 op 24 juni 2013 werd op onderstaande adressen ingebroken c.q. een poging gedaan door middel van dezelfde MO (Bulgaarse methode) als in dit proces-verbaal omschreven: [d-straat 1] Doetinchem, [e-straat 1] Doetinchem, [a-straat 1] Doetinchem, [b-straat 1] Doetinchem.

3. Een proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek waarvan de conclusie overeenkomt met het hiervoor als bewijsmiddel 3 ten bewijze van feit 7 (zaak 17) gebezigde proces-verbaal.

4. Een proces-verbaal inhoudende een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van getuige [getuige] die verklaarde te wonen aan [c-straat 2] en vanuit de slaapkamer zicht te hebben op het gehele pand van [B]. In de nacht van 23 op 24 juni 2013 werd de getuige omstreeks 02.30 uur wakker van geluiden komende van buiten. Ongeveer 15 minuten later hoorde de getuige van buiten breekgeluiden komen en zag hij dat een man met een groot lang voorwerp, van ongeveer een halve meter, grijs of zwartkleurig, aan het breken was aan de toegangsdeur van [B]. Aan het breekgeluid en het wrikken tussen het raam en het houtwerk van de toegangsdeur was te horen dat het een metalen voorwerp betrof. Terwijl de getuige de politie belde, zag en hoorde hij dat het raam van de toegangsdeur kapot knapte. De man reikte met zijn rechterhand naar binnen en opende vermoedelijk zo het slot. De getuige zag dat hij de deur opende en het pand binnen ging. Naar schatting is de man ongeveer een halve minuut binnen geweest. Vervolgens liep hij rustig naar een fiets en fietste hij weg. De getuige geeft de volgende omschrijving van de man:

- ongeveer 40 à 50 jaar oud

- blanke huidskleur

- ongeveer 1.70 à 1.80 meter lang

- iets gezet postuur

- kalend op het hoofd, maar aan de zijkant en achterzijde van het hoofd dunner haar, beetje rossig/blond/lichtbruin.”

5. De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep inhoudende dat de verdachte past in het door de getuige [getuige] opgegeven signalement.

Feit 9 (zaak 19) [d-straat 1] Doetinchem

1. Het proces-verbaal van aangifte van een poging tot inbraak in een woning aan de [d-straat 1] in Doetinchem, gepleegd tussen 23 juni 2013 te 22.30 uur en 24 juni 2013 te 06.55 uur. Toen de aangever en zijn vrouw ’s morgens de woning wilden verlaten, zagen ze dat het slot van de achterdeur was verbroken. Ook de slotplaat was afgeknapt. De slotplaat en een gedeelte van het slot lagen op de grond naast de deur. Men is de woning niet in geweest omdat er ook nog een nachtslot op de deur zat.

2. Een proces-verbaal sporenonderzoek, opgemaakt door forensisch onderzoeker B.J.G. Helmink die constateerde dat het beslag van de toegangsdeur tot de achterkamer deels was verwijderd, de schildplaat op de buitenzijde van de deur alsmede de cilinder waren afgebroken en hierdoor het sluitmechanisme onbruikbaar was gemaakt. Doordat de deur ook was afgesloten met een insteekgrendel hadden de daders de deur niet open weten te krijgen en waren ze niet in de woning geweest. De forensisch onderzoeker zag indrukken in het hout van de deur op de plaats waar de schildplaat op de deur bevestigd had gezeten. Hij zag dat een gedeelte van het cilinderslot van deze deur op de bestrating links naast de deur lag. Hij zag op het cilinderslot een krasspoor van een werktuig. Het achtergebleven cilinderslot heeft hij veiliggesteld. Ook constateerde hij dat op andere adressen in de nacht van 23 op 24 juni 2013 was ingebroken, c.q. een poging daartoe was gedaan middels dezelfde MO (Bulgaarse methode), te weten [e-straat 1] Doetinchem, [a-straat 1] Doetinchem, [b-straat 1] Doetinchem, [c-straat 1] Doetinchem.

3. Een proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek ten behoeve waarvan werktuigsporen zijn veiliggesteld in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [e-straat 1] te Doetinchem, in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [d-straat 1] te Doetinchem, in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [c-straat 1] te Doetinchem en in het afgebroken deel van de slotcilinder in perceel [b-straat 1] te Doetinchem. Vergelijkend werktuigenonderzoek leidt tot de conclusie dat de werktuigsporen op de vier adressen “zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met een en hetzelfde werktuig.”

Feit 3 (zaak 2) [e-straat 1] Doetinchem

1. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal) inhoudende de aangifte van [betrokkene 4] mede namens [betrokkene 3] ter zake van inbraak in een woning aan de [e-straat 1] te Doetinchem gepleegd op 24 juni 2013 tussen 04.00 en 04.35 uur. De aangever werd wakker van een raar geluid/bonk en hoorde even later beneden in de woning gestommel. De buitendeur stond open en de cilinder van het slot was geforceerd. De deur moet met geweld zijn opengetrokken want de bovenvergrendeling van de deur zat er nog op. Men heeft ook op diverse plaatsen in het kozijn gewrikt omdat daar allemaal afdrukken van platte breekvoorwerpen in zaten. De aangever zag ook dat de deur van de schuur openstond. De aangever zag dat men de slotplaat van deze deur kapot gebroken had en dat men de deur had opengebroken. Uit de woning en schuur zijn een fiets en diverse levensmiddelen weggenomen. Ook miste de aangever een fototoestel, een laptop, een herenportemonnee met inhoud - o.a. een rijbewijs en een chauffeurspas op naam van [betrokkene 3] - en een autosleutel van een personenauto, merk Hyundai Pony CTI.

2. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal) sporenonderzoek opgemaakt door forensisch onderzoeker B.J.G. Helmink. Hij zag dat het beslag van de toegangsdeur tot de keuken deels verwijderd was. De schildplaat op de buitenzijde van de deur alsmede de cilinder waren afgebroken. Hierdoor was het sluitmechanisme onbruikbaar gemaakt. Het afgebroken deel van het cilinderslot was niet meer aanwezig. Volgens de bewoner was dit deel meegenomen door een collega van het lokale politieteam. Hij zag beschadigingen/indrukken in de sluitnaad van de toegangsdeur van de schuur ter hoogte van het slot en constateerde dat het slot onklaar was. Ook constateert hij dat op andere adressen is ingebroken, c.q. een poging daartoe is gedaan middels dezelfde MO (Bulgaarse methode), te weten op [d-straat 1] Doetinchem, [e-straat 1] Doetinchem, [a-straat 1] Doetinchem, [b-straat 1] Doetinchem, [c-straat 1] Doetinchem.

3. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal) inhoudende de verklaring van opsporingsambtenaar Vroon dat hij een slotcilinder van Tollenstraat ontving met hierin werktuigsporen.

4. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van vergelijkend werktuigsporenonderzoek van Vroon voornoemd) waarvan de conclusie luidt dat de afgewerkte werktuigsporen op de adressen [e-straat 1] (zaak 2), [d-straat 1] (zaak 18), [c-straat 1] (zaak 19) en [b-straat 1] (zaak 17) zeer waarschijnlijk met een en hetzelfde werktuig zijn veroorzaakt.

5. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen), inhoudende dat op 2 juli 2013 omstreeks 04.55 uur een melding binnenkwam dat op de Guisweg te Zaandijk een man met een breekijzer zou lopen. Bij aankomst bleek de man kort daarvoor te zijn aangehouden en te zijn de verdachte. De man is aan zijn kleding onderzocht. In zijn portemonnee werd een geldig Nederlands rijbewijs aangetroffen op naam van [betrokkene 3].

6. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen) inhoudende dat op 6 juli 2013 aan de Westzijde te Zaandam de verdachte is gefouilleerd en dat daarbij een chauffeurspas op naam van [betrokkene 3] is aangetroffen.

7. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen) naar aanleiding van het onderzoek aan een Ford Mondeo met kenteken [AA-00-BB] waarbij een portemonnee met twee bankpassen op naam van [betrokkene 3 en 4] zijn aangetroffen. In de auto lagen tevens diverse bescheiden op naam van de verdachte met daarbij een autosleutel van een Hyundai. Ook lag in de ruimte bij het reservewiel een baco/verstelbare sleutel met de bekwijdte ingesteld op de breedte van de cilinder van een cilinderslot.

8. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen) naar aanleiding van een telefonisch contact met [betrokkene 3]. Hem is gevraagd de sleutel van de Hyundai en de portemonnee die bij hem weggenomen zijn, te beschrijven. Uit de beschrijving concludeert de verbalisant dat de sleutel en portemonnee eigendom zijn van voornoemde [betrokkene 3].

9. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen) betreffende de fouillering van de verdachte op 2 juli 2013 waarbij twee autosleutels zijn aangetroffen, één van het merk Opel en één van het merk Ford.

10. Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende dat op 3 juli 2013 de Ford Mondeo voorzien van kenteken [AA-00-BB] in beslag is genomen.

11. Een proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van onderzoek naar een aantal woninginbraken in Odijk. Daarbij was een personenauto, merk Ford Mondeo, voorzien van kenteken [AA-00-BB] achtergebleven. De bij de verdachte aangetroffen contactsleutel van vermoedelijk een Ford paste op de sloten en het contactslot van de Ford Mondeo.

12. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van bevindingen) naar aanleiding van het onderzoek naar de eigenaar van de Ford Mondeo. Deze auto stond op naam van [betrokkene 5]. Bij de verdachte was een mobiele telefoon aangetroffen. Eén van de door deze telefoon ontvangen sms-berichten houdt in: “Ik ga aangifte doen dat mijn auto weg is”. De afzender van het bericht is gebeld en gaf op te zijn genaamd [betrokkene 5].

13. Een geschrift (fotokopie proces-verbaal van verhoor getuige), inhoudende de ten overstaan van verbalisanten op 6 augustus 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 5]. [betrokkene 5] verklaarde eigenaar te zijn van een groene Ford Mondeo. Hij had een afspraak met een kennis, genaamd [verdachte], dat hij de auto zou kopen en dat die [verdachte] de belasting zou betalen. [verdachte] nam deze auto ook mee naar klussen. De getuige verklaart tevens dat hij [verdachte] wel eens een sms-bericht stuurde dat hij de auto wilde hebben, maar dan reageerde [verdachte] niet. Vier of vijf weken daarvoor had [betrokkene 5] de auto voor het laatst gezien. [verdachte] had de auto al langere tijd in zijn bezit en voor zover getuige [betrokkene 5] weet bestaat van de personenauto maar één sleutel.

14. Het reeds genoemde sms-bericht inhoudende: “ik ga aangifte doen dat mijn auto weg is”.

15. Een geschrift (niet-ondertekend proces-verbaal van bevindingen) betreffende de ‘staande-houding’ op 28 juni 2013 van een Ford met kenteken [AA-00-BB]. Op eerste vordering overhandigde de bestuurder van het voertuig een rijbewijs op naam van [betrokkene 3] en legitimeerde hij zich daarmee. De betreffende verbalisant is op 4 juli 2013 gebeld door een persoon welke aangaf de eigenaar te zijn van het rijbewijs op naam van [betrokkene 3]. De betreffende verbalisant heeft aan de hand van een foto van de verdachte deze herkend als de persoon die hij had staande gehouden op 28 juni 2013.

16. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat hij met de Ford Mondeo vaak naar Emmerich in Duitsland reed, naar zijn dochter en zijn werk.

6. Het hof heeft voorts, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…)

Overweging schakelbewijs

zaak 2 (feit 3 onder parketnummer 15/706175-13),

zaak 15 en 17 ( feit 7 onder parketnummer 15-716008-13

en 18 en 19 (feit 9 onder parketnummer 15-716008-13) (Doetinchem)

Het hof overweegt ten aanzien van de zaaknummers 2, 15, 17, 18 en 19 nog het volgende. Vier van de vijf tenlastegelegde (pogingen tot) inbraken hebben in dezelfde nacht plaatsgevonden in Doetinchem, waarbij in alle gevallen op dezelfde wijze is gehandeld. In de zaken 2, 17, 18 en 19 zijn de aangetroffen werktuigsporen zeer waarschijnlijk veroorzaakt met een en hetzelfde werktuig. Voorts is in het kantoorgedeelte van het pand aan de [a-straat 1] een schoenspoor aangetroffen dat is te herleiden naar de verdachte zoals hiervoor weergegeven, en bovendien is op 2 juli 2013 het rijbewijs van [betrokkene 3] (weggenomen bij de inbraak in de Tollenstraat) bij verdachte aangetroffen en heeft de verdachte daarvan zelfs aantoonbaar gebruik gemaakt door zich op 28 juni 2013 met dit rijbewijs te legitimeren. De verdachte past voorts in een door een getuige ten aanzien van de inbraak uit zaak 18 van de dader gegeven signalement. Het hof is van oordeel dat de redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot deze afzonderlijke zaken in samenhang met hetgeen hiervoor omtrent de verklaring van [betrokkene 5] is overwogen omtrent de beschikking die verdachte had over de Ford Mondeo in de periode dat de feiten zijn gepleegd, voor ieder van die zaken afzonderlijk voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren. In samenhang bezien versterken die feiten en omstandigheden bovendien het bewijs in elk van die zaken en in zoverre zijn deze over en weer redengevend. Daaraan doet niet af dat het werktuig waarmee deze feiten zijn gepleegd niet is aangetroffen. Het hof acht dan ook bewezen dat het telkens verdachte is geweest die in de periode 22 juni 2013 tot 24 juni 2013 op de hiervoor genoemde adressen te Doetinchem heeft ingebroken dan wel een poging tot inbraak heeft gepleegd, zoals bewezen verklaard.”

7. De door de raadsman op de terechtzitting van het hof van 1 december 2015 voorgedragen pleitnota houdt met betrekking tot het gebruik van schakelbewijs het volgende in:

“30. De rechtbank hecht grote waarde aan de modus operandi, althans in een nadere bewijsmotivering wordt aangegeven dat gebruik wordt gemaakt van schakelbewijs. De verdediging verstaat [dit] als een verband tussen de verschillende feiten dat gevonden wordt in de modus operandi, ander verband is er niet. Ook de officier van justitie heeft daarnaar verwezen in haar requisitoir.

31. Naar de mening van de verdediging is het verbreken van een cilinderslot echter niet een zodanig specifieke methode dat die aan één en dezelfde persoon moet worden toegeschreven, laat staan aan cliënt. De officier van justitie verwijst naar een zogenoemde Bulgaarse methode. Van cliënt kan veel gezegd worden, maar niet dat hij een Bulgaar is. Bovendien kan van een methode die een naam gekregen heeft weliswaar gezegd worden dat die methode specifieke kenmerken heeft, maar niet meer dat die methode zo specifiek is dat die tot één persoon te herleiden is. Sterker nog, blijkens het requisitoir staan er op YouTube filmpjes van deze methode, zodat iedereen die kan hebben toegepast. In de modus operandi kan naar de mening van de verdediging derhalve geen bewijs jegens cliënt gevonden worden.”

8. Volgens de steller van het middel spelen in de onderhavige zaak “voor betreft het hanteren van de schakelbewijsconstructie drie voorname problemen”, die ik hierna deelklachten zal noemen, te weten: (i) er is geen sprake van een zeer typerende modus operandi; (ii) niet in alle Doetinchemse zaken is steeds (op essentiële punten) op dezelfde wijze gehandeld en (iii) er is geen feit bewezenverklaard waarvan kan worden gezegd dat dat naar het oordeel van het hof ook zonder hantering van schakelbewijs bewezenverklaard kon worden. In de toelichting op het middel wordt daarop puntsgewijs nader ingegaan, maar daarbij zij hier reeds opgemerkt dat zij een hoog feitelijk gehalte heeft, terwijl het ter zake in hoger beroep gevoerde verweer, zoals hierboven weergegeven, aan de magere kant genoemd kan worden mede in aanmerking genomen dat ten aanzien van de Doetinchemse feiten ook al de rechtbank zich van schakelbewijs had bediend en de verdediging daarop in hoger beroep voorbereid had kunnen zijn. In cassatie leent het oordeel van het hof zich daarom voor een terughoudende toetsing, lijkt mij.

9. Van schakelbewijs is sprake wanneer de rechter het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mede aanneemt op grond van specifieke en kenmerkende gelijkenissen met een ander, soortgelijk strafbaar feit dat de verdachte heeft begaan.1 Het kan in de bewijsconstructie worden toegepast wanneer de respectieve feitelijke gang van zaken die aan de feiten A en B ten grondslag ligt op essentiële punten zulke belangrijke overeenkomsten met elkaar vertoont, dat ook zonder dat ten aanzien van een bepaald tenlastegelegd onderdeel van feit B (het te bewijzen feit) afzonderlijk bewijs aanwezig is, het bewijs daarvoor redengevend kan worden afgeleid uit de hoge mate van overeenkomst met het andere feit A (het bewezen feit). Het criterium van “op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont”, hanteerde de Hoge Raad in het Lucia de B.-arrest van 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 (rov. 6.3.2).2 In andere arresten wordt wel gerept van “op essentiële punten overeenkomt”3 of “op onderdelen een kenmerkende gelijkenis vertoont”.4 De verschillen in formulering nemen niet weg dat de bewijskracht van het bewijsmateriaal is gelegen in de gelijksoortige modus operandi die het zeer waarschijnlijk maakt dat het te bewijzen feit B zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als het reeds bewezen feit A.5 Niet alleen is de waardering van het complex van gedragingen van belang bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomstige modus operandi, ook de context waarbinnen de feiten hebben plaatsgevonden en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven kunnen sterk bijdragen aan het oordeel dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten bestaan.6 Zij kunnen immers de specificiteit van de gedragingen nader profileren of aanscherpen en aldus maken dat een veelvoud aan soortgelijke feiten niet nodig is om de typerende modus operandi aan te tonen. Daarbij zij aangetekend dat de opvatting dat bij de bewijsvoering slechts van zogenoemd schakelbewijs gebruik gemaakt kan worden indien de aan dat bewijs ontleende modus operandi op de aan meer dan één ander bewezenverklaard feit ten grondslag gelegde bewijsmiddelen berust, geen steun in het recht vindt.7 Tegen de achtergrond van het voorgaande verdient het aanbeveling dat de feitenrechter in een schakelbewijsoverweging uitlegt dat en waarom sprake is van een patroon en een context die vanwege hun typische elementen doorgetrokken kunnen worden naar en daarmee tevens een samenstellend deel kunnen vormen voor het bewijs van het soortgelijke feit.

10. Op grond van het bovenstaande stuiten de eerste twee deelklachten af. Deze gaan er namelijk vanuit dat in de bewijsconstructie van het hof de enige rechtens relevante gelijkenis tussen de verschillende diefstallen met braak (al dan niet in pogingsvorm) is gelegen in een modus operandi die bekend staat als de zogenaamde ‘Bulgaarse methode’. Anders dan de steller van het middel lijkt te menen, maakt de enkele omstandigheid dat die methode in de praktijk van het inbrekersgilde vaker voorkomt, de hantering van die methode bij de Doetinchemse feiten nog niet irrelevant, terwijl de – eerst in de cassatieschriftuur benadrukte – verschillen tussen de inbraken niet van zodanige aard zijn dat zij in de weg staan aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat steeds op dezelfde wijze is gehandeld. Als gezegd is bovendien niet alleen de gebruikte werkwijze van belang. Het hof heeft ook de overeenkomsten van meer contextuele aard uitdrukkelijk vastgesteld en in aanmerking genomen. Zo zijn vier van de vijf (pogingen tot) inbraken zeer waarschijnlijk met behulp van één en hetzelfde werktuig begaan. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat vier van de vijf feiten in dezelfde nacht hebben plaatsgevonden, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het vijfde feit in diezelfde nacht gepleegd kán zijn. Voorts zijn al deze feiten in Doetinchem begaan. Terzijde zij opgemerkt dat de grootste afstand die tussen de vijf locaties kan worden gemeten minder dan anderhalve kilometer is.8

11. Aan het schakelbewijsvereiste van “op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen” is in de onderhavige zaak voldaan. Het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat de bewezenverklaarde feiten op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen, is derhalve zonder meer begrijpelijk, terwijl het hof in het licht van het verweer van de raadsman te dien aanzien niet gehouden was tot een uitvoeriger motivering.

12. De derde deelklacht berust op de opvatting dat schakelbewijs alleen dan toelaatbaar is als op zijn minst één van de tenlastegelegde feiten reeds zelfstandig, dus zonder het gebruik van schakelbewijs, bewijsbaar is.

13. Op deze kwestie is De Wilde in zijn in 2009 verschenen publicatie over “Schakelconstructies in bewijsmotiveringen”9 kort ingegaan. Hij noemt daar twee arresten waaruit zou blijken dat (niet in alle gevallen) de eigenstandige bewijsbaarheid van op zijn minst één van de feiten een absolute voorwaarde is voor een schakelbewijsconstructie. In de eerste plaats HR 17 juni 1940, NJ 1940/822, een zaak waarin de verdachte veroordeeld was wegens twee bewezenverklaarde feiten, elk inhoudende het aanzetten van iemand tot meineed. Ik lees in dit arrest echter niet dat zowel het ene feit als het andere feit maar op één echt bewijsmiddel (in beide gevallen de verklaring van de door de verdachte benaderde persoon) steunde. Zie de overweging van de Hoge Raad: “Dat nu het Hof overwegende, dat het door de gebezigde bewijsmiddelen, opleverende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden, bewezen acht hetgeen daarna bewezen is verklaard, kennelijk heeft bedoeld de feiten en omstandigheden in al die bewijsmiddelen vermeld aan te wijzen als redengevend èn voor het onder I èn voor het onder II bewezen verklaarde”. In de tweede plaats wijst de auteur tot adstructie op het hierboven aangehaalde Lucia de B.-arrest uit 2006 en schrijft dat de Hoge Raad ten aanzien van de klacht in cassatie, stellende dat het hof had miskend “dat de bewezenverklaring van geen enkel feit in overwegende mate mag berusten op schakelbewijs”, volstond met de vaststelling dat deze klacht een eis stelt die het recht niet kent. Ik ben echter van mening dat de Hoge Raad met deze overweging niet zegt (noch heeft willen zeggen) dat álle feiten in overwegende mate kunnen steunen op schakelbewijs. Het komt mij dan ook voor dat uit geen van beide arresten een weerlegging van de in het middel verwoorde opvatting kan worden afgeleid.

14. Ik heb (daarom) gezocht naar een arrest van de Hoge Raad waaruit die weerlegging wel zou kunnen blijken. Een dergelijk arrest heb ik niet gevonden. Wel zijn er arresten waarin bij eenzelfde modus operandi schakelbewijs als steunbewijs voor een ander, soortgelijk strafbaar feit heeft gediend, doch (net) geen sprake was van het bedoelde ‘over en weer’ schakelbewijs. Ik geef enkele voorbeelden (het gaat daarbij telkens om aangiftes/getuigenverklaringen in zedenzaken met twee jeugdige slachtoffers). In HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, NJ 2015/488 m.nt. Borgers was de verdachte vervolgd voor het afzonderlijk plegen van ontucht met twee minderjarige meisjes, te weten zijn dochter en een vriendinnetje van haar. De verklaring van de dochter was door het hof ook voor het bewijs in de zaak van het vriendinnetje gebruikt, en omgekeerd. Het eerste middel klaagde dat het bewijs dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde had begaan, door het hof uitsluitend was aangenomen op verklaringen van het vriendinnetje, terwijl het tweede middel klaagde dat het bewijs dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde had begaan, door het hof uitsluitend was aangenomen op verklaringen van zijn dochter. Zo was het echter niet, aldus ook de Hoge Raad: in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de meisjes elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvinden, waarbij de verklaringen van zijn dochter over het door de verdachte aanraken van haar lichaam wanneer zij naast hem op de bank zat en over het bang zijn om alleen met de verdachte thuis te zijn en voor wat hij kon doen, steun vinden in de verklaring van haar moeder dat het haar opviel dat als de verdachte bij hun dochter kwam zitten zij ergens anders ging zitten en dat hun dochter het vervelend vond als de verdachte naast haar kwam zitten. In HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1216 was eveneens sprake van een evidente samenhang tussen de verklaringen van twee jeugdige zedenslachtoffers. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat hij zich schuldig had gemaakt aan seksueel misbruik van zijn stiefdochter en vervolgens van zijn dochter. Het hof had onder meer overwogen dat de omstandigheid dat er sprake was van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte hier tot geen andere conclusie kon leiden dan dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunden. De Hoge Raad liet de uitspraak van het hof in stand, maar wees daarbij nog wel expliciet op de door het hof als bewijsmiddel 8 gebezigde verklaring van de intern begeleidster van de school van de stiefdochter over – kort gezegd – haar eigen waarneming betreffende het gedrag van de stiefdochter in groep 7 (huilen, schrammen op de armen van de stiefdochter, aspecten waarover de stiefdochter had verklaard, zij sneed zichzelf in de armen). Ik laat de Hoge Raad zelf aan het woord: “In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van de dochter met betrekking tot feit 1 en de stiefdochter met betrekking tot feit 2 en feit 3 onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het hof ten aanzien van deze feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen in de woning van de verdachte plaatsvonden terwijl het hof in de bewijsvoering tevens heeft betrokken de verklaring van [de intern begeleidster van de school] (bewijsmiddel 8)”. De casus in HR 4 juli 2017:ECLI:NL:HR:2017:1227 zou uitsluitsel hebben kunnen geven over de vraag hoe de Hoge Raad aankijkt tegen de hier bedoelde ‘over en weer’ schakelbewijsconstructie, indien hij aan het desbetreffende middel was toegekomen.10 Tenlastegelegd is dat de verdachte twee verschillende meisjes (op verschillende dagen) ontuchtig heeft betast in een bubbelbad in een plaatselijk zwembad. In reactie op het verweer dat er voor ieder afzonderlijk tenlastegelegd feit geen bewijs aanwezig is behalve de verklaring uit één en dezelfde bron voor dat betreffende feit en er derhalve niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv nu steunbewijs ontbreekt, oordeelt het hof: de verklaringen van meisje 1 en de moeder van meisje 2 (de moeder heeft namens haar dochter aangifte gedaan, EH) kunnen in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten gebruikt worden als schakelbewijs, nu de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze feiten, waaronder begrepen de plaats delict en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, op essentiële punten overeenkomsten vertonen; in beide gevallen is het slachtoffer een minderjarig meisje, vond het misbruik plaats in een bubbelbad in een zwembad en zijn de ontuchtige handelingen van dezelfde aard. De verklaringen van meisje 1 en de moeder van meisje 2 zijn dan ook redengevend voor het bewijs in elkaars zaken, aldus het hof. In cassatie werd in één middel geklaagd over schending van art. 6 EVRM, omdat het hof verklaringen die door meisje 2 zijn afgelegd tot het bewijs heeft gebruikt, terwijl (i) de verdediging – ondanks haar daartoe strekkend verzoek – dit meisje niet heeft kunnen ondervragen en (ii) de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten onvoldoende steun vindt in de andere gebezigde bewijsmiddelen. Klacht (ii) kon buiten bespreking blijven, omdat klacht (i) terecht was voorgesteld: het oordeel van het Hof dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het belang van het welzijn van meisje 2 "ernstig zou kunnen worden geschaad" is niet zonder meer begrijpelijk.

15. Zelf acht ik onder omstandigheden ook een schakelbewijsconstructie mogelijk wanneer – in de woorden van de steller van het middel – er geen feit is bewezenverklaard waarvan kan worden gezegd dat dat naar oordeel van de rechter ook zonder schakelbewijs bewezenverklaard kan worden. Het hangt er maar vanaf hoe groot de bewijskracht van het voor elk feit gebezigde bewijsmiddel in het licht van de totale bewijsvoering is. Een veelheid aan (bijvoorbeeld) onafhankelijk van elkaar en in ieders eigen zaak afgelegde verklaringen van slachtoffers kan naar mijn inzicht – door de onderlinge verwantschap tussen de handelingen en de gelijksoortigheid van de modus operandi – de bewijskracht van elke verklaring zozeer versterken dat zij elk voor zich redengevend is voor het bewijs in de andere gelijksoortige zaken óók indien geen van deze feiten geheel en al zelfstandig door middel van ‘eigen’ bewijsmiddelen bewezenverklaard kan worden. En naarmate de ‘context en de omstandigheden waaronder’ specifieker of typischer van aard en derhalve in bewijskracht zwaarwegender wordt, zal – als betreft het communicerende vaten – dit het belang van het aantal soortgelijke feiten naar evenredigheid kunnen doen verminderen bij de vaststelling dat er op essentiële punten belangrijke overeenkomsten bestaan.

16. Hoe dat laatste echter ook zij, zelfs wanneer de Hoge Raad van oordeel is dat op zijn minst één van de feiten zelfstandig, dus zonder een schakelbewijsconstructie, bewijsbaar dient te zijn, mist de derde deelklacht doel. Het hof heeft immers in zaak 15 ([a-straat 1]) en in zaak 18 ([c-straat 1]), op een wijze die bewijsrechtelijk overeenkomsten vertoont met twee van drie arresten die ik hierboven in randnummer 14 heb besproken, de betrokkenheid van de verdachte als pleger van deze feiten rechtstreeks uit de daarvoor gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Ik wijs onderscheidenlijk op de aangetroffen schoenspoor van de verdachte en de verklaring van de getuige [getuige] in samenhang met de eigen waarneming van het hof.

17. Aldus heeft het hof de bestreden bewezenverklaringen naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Nu ook het oordeel van het hof dat ten aanzien van de Doetinchemse zaken gebruikgemaakt kan worden van de schakelbewijsconstructie niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, faalt het eerste middel in al zijn onderdelen.

18. Het tweede middel klaagt dat de door het hof opgelegde straf niet naar de eis der wet, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, nu het hof klaarblijkelijk ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op een niet onherroepelijke veroordeling.

19. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Oplegging van straf

(…)

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van nog geen maand schuldig gemaakt aan een ware strooptocht door het land, door vele inbraken of pogingen daartoe te plegen. De verdachte brak, in deze periode bijna dagelijks in, soms zelfs verscheidene keren in een nacht. De verdachte brak zowel in bedrijfspanden als in woningen in. Diverse woninginbraken vonden plaats terwijl de bewoners lagen te slapen. Dergelijke feiten brengen niet alleen schade en overlast aan de gedupeerden toe, maar ook gevoelens van onveiligheid teweeg zowel bij de rechtstreeks gedupeerden als in de maatschappij.

Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij kennelijk uitermate hardleers is. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 november 2015 blijkt dat hij eerder veelvuldig wegens diverse delicten waaronder een fors aantal vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld.

Daarnaast is de verdachte op 2 juli 2013 aangehouden en in verzekering gesteld. Nadat hij op 5 juli 2013 in vrijheid was gesteld, heeft hij op 6 juli 2013 opnieuw ingebroken. Vervolgens is hij, nadat het hof op 17 augustus 2015 de voorlopige hechtenis van de verdachte had geschorst, op 24 oktober 2015 opnieuw aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van een strafbaar feit, waarna de verdachte op 25 november 2015 door de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken ter zake van de subsidiair ten laste gelegde heling. Hoewel deze laatste veroordeling niet onherroepelijk is, geeft het te denken dat de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis andermaal in aanraking komt met de politie.

Bij het formuleren van haar eis is de advocaat-generaal uitgegaan van een groter aantal bewezen verklaarde feiten dan het hof. Desondanks zal het hof de verdachte veroordelen tot een straf overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal, gelet op zijn forse strafblad en op de ernst van de inbreuken die de verdachte bij de thans bewezen verklaarde feiten keer op keer heeft gemaakt op de eigendomsrechten en - waar het woninginbraken betreft - de persoonlijke levenssfeer van de gedupeerden. Daarom kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, die de duur van de tot op heden ondergane voorlopige hechtenis in ruime mate zal overstijgen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

20. In het arrest van 25 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8466, NJ 2005/274 m.nt. Schalken oordeelde de Hoge Raad dat een nog niet onherroepelijk feit zonder nadere motivering niet ten nadele van de verdachte, dus in verzwarende zin, redengevend kan zijn voor de strafmotivering.11 Het gaat hier om ondertussen bestendige rechtspraak, die zich laat verklaren uit de in art. 6, tweede lid, EVRM tot uitdrukking gebrachte presumptie van onschuld zoals het EHRM in de zaak van Hajnal tegen Servië nog eens benadrukte.12

21. Onder de gedingstukken die op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich ten name van de verdachte een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2015. Kennelijk was dit uittreksel in het procesdossier gevoegd met het oog op de terechtzitting van het hof van 1 december 2015. Daarin staat bij de onherroepelijk afgedane zaken niet de veroordeling tot 6 weken gevangenisstraf door de rechtbank Noord-Holland op 25 november 2015 ter zake van de subsidiair tenlastegelegde heling. Het hof heeft overwogen dat deze veroordeling niet onherroepelijk was en dat het te denken geeft dat de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis andermaal in aanraking is gekomen met de politie. Het komt mij voor dat het het hof niet vrijstond deze veroordeling bij de straftoemeting mee te wegen, in aanmerking genomen dat zij wordt genoemd in de opsomming van persoonlijke omstandigheden waarmee het hof bij de straftoemeting ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden. De wat omzichtige formulering van het hof maakt dat niet anders.13 In zoverre heeft de steller van het middel een punt.

22. Daarmee is echter niet gezegd dat het middel tot cassatie leidt. Omdat het genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2015 geen uitsluitsel biedt over de status van de veroordeling uit 2015, heb ik een recent Uittreksel Justitiële Documentatie ten name van de verdachte doen opvragen. Uit dit Uittreksel d.d. 15 augustus 2017 (pagina 12 van 30) blijkt dat de verdachte in de bedoelde zaak (met parketnummer 15-800485-15) bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 25 november 2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken14 en dat deze veroordeling op 10 december 2015 – dus na het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep maar nog vóór het uitspreken van het bestreden arrest op 15 december 2015 – onherroepelijk is geworden.

23. Dat gegeven brengt mee dat het belang aan het middel is komen te ontvallen.15

24. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

25. Namens de verdachte is op 17 december 2015 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de stukken van het geding ontvangen op 30 juni 2016. Ten voordele van de verdachte ga ik er vanuit dat in dit geval een inzendtermijn van zes maanden geldt.16 Dit brengt mee dat de inzendtermijn met minder dan een maand is overschreden. Nu het tijdsverlies niet door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd, dient zulks mijns inziens te leiden tot strafvermindering.

26. Het middel is terecht voorgesteld.

27. De eerste twee middelen falen. Het derde middel slaagt.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie over dit thema in algemene zin uitvoerig B. de Wilde, ‘Schakelconstructies in bewijsmotiveringen’, DD 2009, p. 563-588 en H.A. Demeersseman, ‘Mogelijkheden voor gebruik van schakelbewijs’, Trema 2009, 149-156. Dat de verdachte van feit B een ander feit A heeft begaan, is uiteraard op zichzelf niet als redengevend te beschouwen voor het bewijs van feit B. Vgl. HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1258, NJ 1999/49, waarin een passage uit een als bewijsmiddel gebezigd proces-verbaal inhoudende dat de verdachte bekend stond als actieve wildstroper, niet redengevend was voor de bewezenverklaarde overtreding van de jachtwet, alsook HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9806, NJ 2005/275 m.nt. Schalken, waarin de in een nadere bewijsoverweging opgenomen omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting reeds enkele maanden was gedetineerd ter zake van nieuwe vermogensmisdrijven evenmin redengevend was. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Aben vóór HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279 m.nt. Reijntjes.

2 In die zin ook HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326, NJ 2015/487 m.nt. Borgers

3 HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1146, NJ 2000/194, HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5370, NJ 2008/61 en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2024, NJ 2017/38.

4 HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3638, NJ 2017/39 m.nt. Schalken.

5 Vgl. mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie vóór HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303.

6 Zo uitdrukkelijk HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 (rov. 6.3.2).

7 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2024, NJ 2017/38 m.nt. Schalken (overvallen op Zeeman en Blokker).

8 Deze informatie kan zonder noemenswaardige moeite uit de algemeen toegankelijke website www.google.nl/maps worden opgemaakt en voorts als feit van algemene bekendheid worden beschouwd (ook bij de Hoge Raad, aldus A.J.A. van Dorst in: Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 284-285).

9 De Wilde, t.a.p., p. 581.

10 Omdat deze zaak nog niet onherroepelijk is afgedaan, schrijf ik het vervolg in de tegenwoordige tijd.

11 Zie voorts HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4940, HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3290, NJ 2009/505, HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1752 en HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1344.

12 EHRM 19 juni 2012, nr. 36937/06 (rov. 127-132).

13 Vgl. HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3290, NJ 2009/505. In die zaak had het hof in aanmerking genomen dat de verdachte, gelet op zijn wetenschap van een niet-onherroepelijke vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag was gewaarschuwd dat vermogensdelicten tot strafrechtelijke sancties leiden. De Hoge Raad casseerde.

14 Het betreft een vrijspraak voor primair gekwalificeerde diefstal (art. 311, eerste lid aanhef en onder 5° Sr) en een veroordeling voor subsidiair opzetheling.

15 Zie o.m. HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7970, NJ 2006/329, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9344, NJ 2011/202, HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:824 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3293.

16 Gezien het arrest van het hof, de volmacht aan de griffier om namens de verdachte cassatie in te stellen en de cassatieakte (waarin een woonadres van de verdachte in Amsterdam wordt vermeld met daaronder louter de tekst ‘Almelo’).