Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1077

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
16/02803
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2651, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, art. 273f Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/00758; 16/02801; 16/02802 en 17/00192 (niet gepubliceerd, geen middelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02803

Mr. A.J. Machielse

Zitting 5 september 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 28 januari 2016 voor 1: mensenhandel en 2: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat er sprake is geweest van uitbuiting ontoereikend is gemotiveerd, gelet op de vaststellingen van het hof met betrekking tot het overmaken en besteden van door aangeefster verdiende bedragen. Het tweede middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 2, het deelnemen aan een criminele organisatie, omdat volgens de steller van het middel het oordeel van het hof dat aangeefster het overgrote deel van haar verdiensten aan verdachte heeft moeten afdragen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daartoe verwijst de steller van het middel naar de argumenten die zijn aangedragen ter ondersteuning van het eerste middel. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"1: hij in de periode van 1 november 2010 tot en met 14 mei 2013 te Alkmaar, Amsterdam, Amstelveen en in Roemenië, een ander, genaamd [betrokkene 8], met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door feitelijkheden en misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en

2) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard, en

3) heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [betrokkene 8], waarbij die feitelijkheden hebben bestaan uit:

- het door [betrokkene 8] verantwoording laten afleggen over haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden aan hem,

- het instrueren van [betrokkene 8] over wat zij wel en niet tegen anderen mocht/moest zeggen.

2: hij in de periode van 1 november 2010 tot en met 14 mei 2013 te Alkmaar, Amsterdam en/of elders in Nederland en te Roemenië heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht."

3.3. Het hof heeft kunnen aannemen dat [betrokkene 8] door verdachte is uitgebuit. Aangeefster bevond zich in Roemenië in een uitzichtloze situatie. Zij had geen geld om haar opleiding af te maken en verdachte stelde haar voor dat al haar zorgen voorbij zouden zijn als zij zes maanden als prostituee zou gaan werken. Verdachte incasseerde het geld dat aangeefster verdiende, zij het dat aangeefster een bedrag per maand van € 200 naar Roemenië kon overmaken en verder nog wat kleine uitgaven kon doen. Aangeefster moest het geld dat zij verdiende aan verdachte afgeven. Verdachte hield haar aan het lijntje ook toen zij al lang genoeg had gewerkt om, zoals verdachte beloofd had, uit de financiële problemen te komen. Zij moest in het begin zeven lange dagen in de week werken. Verdachte heeft haar verteld welke investeringen er met het door haar verdiende geld in Roemenië zijn gedaan. Verdachte had er wel voor gezorgd dat hij op het appartement dat op haar naam in Roemenië is aangekocht een eeuwigdurend vruchtgebruik kreeg. Met andere woorden: verdachte heeft aangeefster misleid over de duur van haar werkzaamheden en over de besteding van het door haar afgedragen geld. Voorts heeft hij haar tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd of doen controleren. De zogenaamde verantwoording die verdachte heeft gegeven voor de besteding van de gelden kan niet gelden als een voldoende ondersteuning voor de stelling dat aangeefster niet door verdachte is uitgebuit gelet op de overige inhoud van haar verklaringen. Dat verdachte een deel van dat verdiende geld heeft aangewend in Roemenië en daarvan onder meer op naam van aangeefster een appartement heeft gekocht doet hieraan niet af, gelet op onder meer het vruchtgebruik dat verdachte op dat appartement heeft gevestigd en op het feit dat de verantwoording van de overige bestedingen enkel berusten op verdachtes beweringen.

Het eerste en het tweede middel falen.

4.1. Het derde middel klaagt over de uitleg van afgeluisterde telefoongesprekken, meer bepaald over de uitleg die het hof heeft gegeven aan woorden als "de mijne" en "de jouwe".

4.2. Ik stel voorop dat de uitleg van de inhoud van het bewijsmateriaal behoort tot de autonome bevoegdheid van de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan slechts over de begrijpelijkheid van deze uitleg worden geklaagd.2 Het hof heeft de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken, gevoerd tussen verdachte en [A], en opgenomen als bewijsmiddel 12 in de aanvulling op het verkort arrest, aldus kunnen uitleggen dat beide mannen de verdiensten van de vrouwen die voor hen in de prostitutie werkten bespraken. Zij beklagen zich bijvoorbeeld over het feit dat "die van hem" en "die van jou" zich niet lekker voelen, en wel uitgerekend in het weekend. Ook wordt er gesproken over het vervoer per taxi en dat "die van mij" "die van jou" wel kan meenemen.

De uitleg van het hof dat het in deze telefoongesprekken gaat over de inzetbaarheid en de verdiensten van de prostituees is geenszins onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5.1. Het vierde middel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij en bij de vaststelling van de schadevergoedingsmaatregel geen rekening heeft gehouden met het aankoopbedrag van stukken bouwgrond, de kosten voor het ontwerp van een huis, het bedrag dat op een bankrekening van de zus van verdachte is gestort en een bedrag dat is opgegaan aan feesten en vakanties.

5.2. In zijn arrest heeft het hof over de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen;

"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 325.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 75.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De materiële schade beloopt een bedrag van € 57.200,00, welk bedrag als volgt is begroot. Het hof gaat uit van een periode van 28 maanden waarbij de verdiensten worden begroot op 125 euro per dag (- € 105.000,00) minus een bedrag van € 17.000 ten aanzien van het aangekochte appartement, minus de gelden die zij naar huis heeft gestuurd (€ 5.600,00, uitgaande van een bedrag van € 200,00 per maand), en minus de bedragen die zijn per dag mocht behouden € 25.200,00 (uitgaande van € 30,00 per dag).

De door de benadeelde partij geleden immateriële schade wordt, rekening houdende met de duur van de periode waarin de benadeelde partij door de verdachte is uitgebuit, begroot op een bedrag van € 10.000,00.

(...)"

5.3. Ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2015 heeft de advocaat gepleit volgens een zich in het dossier bevindende pleitnotitie. De advocaat van verdachte is niet ingegaan op de vaststelling van de hoogte van de door de benadeelde partij beweerde schade maar heeft zich beperkt tot het verzoek de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof heeft klaarblijkelijk de verklaring van aangeefster over inkomsten en uitgaven, voor zover die aan haar zijn meegedeeld door verdachte, te onzeker geoordeeld om daarop te varen. Als het hof immers deze verklaringen wel voldoende ondersteund had geoordeeld had het ook de verdiensten van aangeefster op € 200.000 gesteld. Kennelijk heeft het hof alleen rekening gehouden met bedragen die door meer dan alleen de overgebrachte verklaring van verdachte werden ondersteund. Dat is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

6.1. Het vijfde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 februari 2016 en het dossier is eerst op 12 januari 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

6.2. De in de schriftuur gepresenteerde data zijn correct. Aldus is de door de Hoge Raad in een geval als het onderhavige op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden en één dag overschreden, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf dient te leiden.

7. De vier eerste middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De zaken met nr. 16/00758 ([medeverdachte 5]), 17/00192 ([medeverdachte 1]), 16/02802 ([medeverdachte 2]), 16/02803 ([verdachte]) en 16/02801 ([medeverdachte 4]) hangen samen. In al deze zaken wordt vandaag geconcludeerd.

2 HR 18 december 2007, ECLI:LJN BB8870; HR 6 november 2012, NJ 2013, 144 m.nt. Reijntjes.