Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1075

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
16/02801
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2649, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, art. 273f Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/00758; 16/02802; 16/02803 en 17/00192 (niet gepubliceerd, geen middelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02801

Mr. A.J. Machielse

Zitting 5 september 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Op 28 januari 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam verdachte voor eendaadse samenloop van 1 en 2: mensenhandel, in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en mensenhandel, in de zin van artikel 273f, aanhef en sub 4 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en 1: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en mensenhandel, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door iets anders bewezen te verklaren dan was tenlastegelegd.

3.2. Onder 1 is aan verdachte tenlastegelegd dat

"hij in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar en/of te Eindhoven en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te Oradea (Roemenië), (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [betrokkene 1] (telkens) met een of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [betrokkene 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en/of

4) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het dreigen het kind van [betrokkene 1] iets aan te zullen doen, en/of

- het drogeren van [betrokkene 1], en/of

- het mishandelen van [betrokkene 1], en/of

- het dwingen, althans bewegen van [betrokkene 1] om (onvrijwillig) seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- het wegnemen van een door [betrokkene 1] naar Nederland meegebracht geldbedrag, en/of

- het voortdurend ruzie maken met [betrokkene 1], en/of

- het (voortdurend) onder controle houden van [betrokkene 1], en/of

- het beperken van de bewegingsvrijheid van [betrokkene 1], en/of

- het (zo handelend) laten ontstaan en/of voortduren van een bedreigende en/of angstige en/of murwmakende situatie voor [betrokkene 1],

en/of welk bevoordelen en/of voordeel trekken heeft/hebben bestaan uit:

- het dwingen althans bewegen van [betrokkene 1] om het door haar met prostitutiewerkzaamheden

verdiende geld af te dragen aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s)".

Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar, Eindhoven, Amsterdam en Oradea (Roemenië), telkens tezamen en in vereniging met een ander [betrokkene 1] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misleiding

1) heeft geworven, vervoerd en overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting,

en

[betrokkene 1] telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en door misbruik van een kwetsbare positie

1) heeft gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting

en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard,

waarbij die dwang en die dreiging met geweld en die andere feitelijkheid hebben bestaan uit

- het dreigen het kind van [betrokkene 1] iets aan te zullen doen, en

- het onder controle houden van [betrokkene 1], en

- het beperken van de bewegingsvrijheid van [betrokkene 1].

3.3. Artikel 273f Sr is een ingewikkelde constructie, hetgeen maar al te vaak tot uitdrukking komt in ingewikkelde tenlasteleggingen. Dat is ook hier het geval.

De tenlastelegging verwijt aan verdachte achtereenvolgens de volgende varianten van mensenhandel volgens artikel 273f Sr:

– lid 1 onder 1

– lid 1 onder 4

– lid 1 onder 9

– lid 1 onder 6.

Het hof heeft de mensenhandel van

– lid 1 onder 1

– lid 1 onder 4

bewezenverklaard en van de andere varianten vrijgesproken. De varianten waarvoor het hof heeft veroordeeld verlangen – voor zover hier relevant – dat gebruik is gemaakt van een of meer van de volgende middelen:

"dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie".

De tenlastelegging is zo opgebouwd dat een opsomming van de middelen van artikel 273f Sr, eerste lid onder 1, aan de beschrijving van de opgenomen varianten voorafging en dat de feitelijke invulling van een aantal van die middelen op die beschrijving volgde. Het hof heeft bewezenverklaard dat de mensenhandel van lid 1 onder 1 van artikel 273f Sr door misleiding is geschied en die van lid 1 onder 4 door dwang en dreiging met geweld en een andere feitelijkheid, welke middelen telkens feitelijk nader zijn ingevuld. Het hof heeft de tenlastelegging klaarblijkelijk zo uitgelegd dat de nadere feitelijke invulling in de tenlastelegging van de in het begin daarvan vermelde "dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid" aan het slot van de tenlastelegging is opgenomen en betrekking had op alle tenlastegelegde varianten waarvoor deze in lid 1 onder 1 van artikel 273f Sr genoemde middelen relevant zijn.

Deze uitleg acht ik zeker niet onbegrijpelijk. Waarom het hof aldus de grondslag van de tenlastelegging zou hebben verlaten wordt in de schriftuur niet uitgelegd.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring. Het middel richt zich tegen de vaststelling van het hof dat aangeefster is gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting en is gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard door (onder meer) misbruik te maken van haar kwetsbare positie. Volgens het middel heeft het hof het onderdeel van de tenlastelegging "misbruik van een kwetsbare positie" te ruim uitgelegd omdat onder deze aan de wet ontleende zinsnede moet worden begrepen een positie waarin de ander zich bevond voorafgaand aan het werven, vervoeren, overbrengen huisvesten of opnemen. Bovendien zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond.

4.2. In zijn arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

"Het hof is voorts van oordeel dat [betrokkene 1] zich wel in een kwetsbare positie bevond toen zij in Nederland was. Nadat [betrokkene 1] onder valse voorwendselen naar Nederland was gehaald, is haar te kennen gegeven dat zij voor de verdachte in de prostitutie moest gaan werken, omdat anders haar zoon iets zou worden aangedaan. Haar werd verteld dat de politie in Nederland corrupt is, waardoor zij zich niet tot deze instantie durfde te wenden. [betrokkene 1] beschikte niet (meer) over geld, was een volslagen vreemde in Nederland, werd door of in opdracht van de verdachte in de gaten gehouden en had niemand die zij om hulp kon vragen. Aldus verkeerde [betrokkene 1], hoewel hoger opgeleid, in Nederland in een kwetsbare positie. Deze positie was deels door de verdachte gecreëerd, waardoor het niet anders kan dan dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Dat [betrokkene 1] daadwerkelijk bevreesd was om hulp te zoeken, blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de wijze waarop zij uiteindelijk hulp heeft gezocht (namelijk door overhandiging van een handgeschreven notitie aan een medewerker van de belastingdienst waarin zij samengevat in de Engelse taal om hulp heeft gevraagd, heeft verzocht de politie te bellen, en niets te zeggen tegen degene die bij haar is, omdat deze bevriend zou zijn met de “bende”)."

In deze overwegingen ligt besloten dat volgens het hof aangeefster door misleiding naar Nederland is gehaald, een voor haar onbekend en vreemd land, waarvan zij de taal niet machtig was, met een corrupte politie van wie zij geen steun hoefde te verwachten. Daardoor kwam aangeefster in een situatie terecht die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Dat aangeefster aldus volgens het hof in een kwetsbare positie verkeerde is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste uitleg van dit onderdeel van artikel 273 lid 1 onder 1.2

Dat verdachte, misbruik makend van de kwetsbare positie van aangeefster, haar heeft gehuisvest met de bedoeling haar in de prostitutie uit te buiten is af te leiden uit de bewijsmiddelen, bijvoorbeeld uit bewijsmiddel 3 en 4.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.1. Het derde middel klaagt onder meer over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase omdat na het instellen van het cassatieberoep op 11 februari 2016 het dossier eerst op 12 januari 2017 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.

5.2. De in de schriftuur gepresenteerde data zijn correct. Aldus is de door de Hoge Raad in een geval als het onderhavige op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden en één dag overschreden, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf dient te leiden.

6. De twee eerste middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel is terecht voorgesteld, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De zaken met nr. 16/00758 ([medeverdachte 5]), 17/00192 ([medeverdachte 1]), 16/02802 ([medeverdachte 2]), 16/02803 ([medeverdachte 3]) en 16/02801 ([verdachte]) hangen samen. In al deze zaken wordt vandaag geconcludeerd.

2 Vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1100; HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2771; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909; HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:884.