Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1067

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/06111
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2641, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van een wapen van categorie I, art. 2.1 jo. 13.1 WWM. Kan een “creditcardmes” worden aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen a.b.i. art. 2.1 onder 4 WWM? Uit de toepasselijke wetsgeschiedenis blijkt dat met art. 2.1 onder 1 en 2 WWM niet is beoogd een limitatieve opsomming te geven van opvouwbare messen die ingevolge de WWM verboden zijn. Voor zover het middel berust op de opvatting dat een opvouwbaar mes dat niet aan de criteria van art. 2.1 onder 1 en 2 WWM voldoet, evenmin kan worden aangemerkt als een blank wapen a.b.i. art. 2.1 onder 4 WWM, vindt het geen steun in het recht. Het Hof heeft het bij verdachte aangetroffen mes (creditcardmes) aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat “het mes lijkt op een pasje (card), waarbij het lemmet geheel binnen de afmetingen van het pasje valt”. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/06111

Zitting: 5 september 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 150,00, subsidiair drie dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

  2. Namens de verdachte heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om de vraag of een gadget, een zogenaamd creditcard-mes, moet worden aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen in de zin van art. 2 lid 1, categorie I onder 4° WWM, waarvan het voorhanden hebben ingevolge art. 13 lid 1 WWM verboden is. Het mes lijkt in ingeklapte vorm qua afmeting op een creditcard of bankpasje en bevat een mechanisme om het uit te klappen en om te vormen tot een mes(je).1 Het wordt in vele variaties te koop aangeboden en kennelijk zijn veel mensen zich er niet van bewust dat het bezit van deze creditcard-messen verboden wordt geacht. Zo zijn bijvoorbeeld gedurende de zomermaanden van 2017 door de marechaussee op Schiphol kennelijk 900 exemplaren in beslag genomen. De bezitters wordt standaard een boete van € 150 opgelegd.2

Het middel stelt de vraag aan de orde of dit terecht is.

Daartoe wordt in de eerste plaats gesteld dat het gaat om een vouwmes dat niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 lid 1 categorie I onder 1° en 2° WWM (geen valmes, vlindermes of stilleto, geen snijkant aan beide zijden en niet langer dan 28 cm) en dat dus geen verboden wapen kan zijn. Het oordeel van het hof dat er geen sprake is van een opvouwbaar mes wordt dan ook onbegrijpelijk geacht.

In de tweede plaats wordt (subsidiair) aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het om een blank wapen gaat dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp, kort gezegd omdat het meteen zichtbaar is dat het om een vouwmesje gaat. Daarbij wordt ook een onderliggende vraag aan de orde gesteld, namelijk of een vouwmes dat op zichzelf niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 lid 1 categorie I onder 1° en 2° WWM, desalniettemin kan worden aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk lijkt op een ander voorwerp. Op deze gronden wordt in het middel gesteld dat de bewezenverklaring onvoldoende steunt op redengevende bewijsmiddelen, dan wel onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

3.1. De verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 9 januari te 2015 in de gemeente Zutphen, een of meer wapens van categorie I, onder 4, te weten een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, te weten een creditcard, voorhanden heeft gehad.”

3.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

“hij op 9 januari te 2015 in de gemeente Zutphen, een wapen van categorie I, onder 4, te weten een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, voorhanden heeft gehad.”

3.3. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 3-4 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015015006-2) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:

Vandaag 9 januari 2015, was ik belast met mijn taak als beveiliger van de rechtbank Zutphen, aan de Martinetsingel 2 te Zutphen. Omstreeks 09:35 verscheen er een meneer bij de scanstraat. Net als iedere bezoeker vroeg ik meneer zijn zakken leeg te maken en zijn spullen in een bakje te leggen die door ons röntgensysteem gaat. Ik zag op het beeldscherm van ons röntgenapparaat direct dat er een mes in de portemonnee zat van meneer. Ik zag dat het een soort kaart was. Ik zag dat hierin een mes verwerkt zat die je kon openvouwen.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 5 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015015006-3) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op 9 januari 2015 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], belast met de gebouwsurveillance op de rechtbank te Zutphen aan de Martinetsingel 2 te Zutphen. Op genoemde dag werden wij gevraagd om naar de scanstraat van de rechtbank Zutphen te gaan. Aldaar zou een bezoeker die later aangemerkt wordt als verdachte in het bezit zijn van een geheim blank wapen. Aangekomen bij de scanstraat spraken wij met een medewerker van de beveiliging. Hij gaf aan dat er een mes is aangetroffen bij verdachte. Wij zagen dat het een zwart blank wapen betreft, in de vorm van een creditcard. Wij hebben hier foto’s van gemaakt en deze worden gevoegd in het dossier.

Verdachte: [verdachte] (man), geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats].

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 9-10 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015015006-11) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

Op 9 januari 2015 hield verdachte zich op in het Gerechtsgebouw te Zutphen. Door de beveiligingsmedewerker van de X-ray werd ontdekt dat in de portemonnee van verdachte een verborgen wapen zat.

Wapen: geheim blank wapen

Categorie: artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 4 WWM

Afmeting opgevouwen: creditcard formaat 8.5 cm x 5.5 cm

Bijzonderheden: Het voorwerp lijkt opgevouwen op Credit Card-achtige

pasjeshouder of bankpashouder, niet zijnde een wapen.

Het voorwerp valt niet onder een van de andere categorieën van de Wet Wapens en Munitie. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van art. 2 lid 1, Categorie I onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullende proces-verbaal van bevindingen (genummerd PL0600-2015015006-14) voor zover inhoudende –zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

Ik verbalisant verklaar dat het voornoemde mes geen vouwmes is. Het voorwerp in het voornoemde proces is een heimelijk wapen, een geheim blank wapen.

5. De eigen waarneming van het hof bij het onderzoek op de terechtzitting van de als bijlage bij het onder 2 genoemde proces-verbaal gevoegde foto’s van het inbeslaggenomen wapen, dossierpagina 6-8, voor zover inhoudende:

Het mes heeft de vorm van een pasje (card), waarbij het lemmet slechts aan één zijde zichtbaar is, geheel binnen de afmetingen van het pasje valt en de kleur van pasje en lemmet identiek zijn.”

3.4. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2016 heeft de raadsvrouw van de verdachte – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende aangevoerd:

“Het voorwerp lijkt oppervlakkig op een creditcard, maar het is geen blank wapen. Uit de memorie van toelichting blijkt dat een blank wapen niet een mesje in een kaart is of iets anders dat moet worden uitgevouwen. Het voorwerp dat mijn cliënt bij zich droeg, was geen blank wapen. Met een creditcard kun je niets doen. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, het voorwerp voldoet niet aan de wettelijke criteria.

Subsidiair, als u toch meent dat er sprake is van een blank wapen, dan is de vraag in hoeverre dit gelijkend is op een creditcard. Als het pasje wordt gepakt dan ziet men direct dat er een mesje in is verwerkt. Het is direct duidelijk dat het iets anders is dan een bankpas. Kijkend naar het stroomschema, dient eerst de vraag te worden beantwoord of er wel of geen sprake is van een vouwmes. De deskundige zegt dat het voorwerp geen vouwmes is maar zegt later wel dat het voorwerp eerst uitgevouwen moet worden. Mijn cliënt heeft twee keer bij agenten navraag gedaan over zijn mes, de laatste keer is navraag bij een specialist gedaan. Beide keren is gezegd dat dit mes legaal is. (…) Ik vraag u mijn cliënt vrij te spreken."

3.5. Het bestreden arrest bevat met betrekking tot dit verweer en de bewijsbeslissing de volgende overweging:

“Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het bij hem aangetroffen mesje geen blank wapen, maar een vouwmes is en dat het niet lijkt op een ander voorwerp omdat het mes onmiddellijk zichtbaar is. Het mesje is daarom geen verboden wapen betreft als bedoeld in categorie I, onder 4, van de Wet wapens en munitie.

Het hof is van oordeel dat dit verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat uit de zich in het dossier bevindende afbeelding van het inbeslaggenomen voorwerp blijkt dat het mes lijkt op een pasje (card), waarbij het lemmet geheel binnen de afmetingen van het pasje valt en vanwege de identieke kleur van pasje en lemmet niet duidelijk zichtbaar is. Er is dan ook geen sprake van een vouwmes. Wel gaat het om een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp.”

3.6. Het middel valt, zoals hiervoor al is vermeld, uiteen in een primaire en een subsidiaire klacht. De primaire klacht is dat het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een opvouwbaar mes, niet begrijpelijk is.

3.7. In art. 2 lid 1 WWM zijn onder categorie I bepaalde opvouwbare messen aangewezen als wapens in de zin van deze wet. Sinds 1 mei 2012 zijn dat stiletto’s3 (categorie I onder 1°) alsmede andere opvouwbare messen, indien het lemmet meer dan één snijkant heeft of de lengte in opgevouwen toestand langer dan 28 cm is (categorie I onder 2°).4

3.8. Hoewel reeds vanaf de inwerkingtreding van de WWM op 1 september 1989 bepaalde opvouwbare messen zijn aangewezen als wapens in de zin van die wet, meen ik – anders dan de steller van het middel – dat pas tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de WWM in verband met een volledig verbod van stiletto’s, valmessen en vlindermessen in 2011, aan de orde is gekomen wat onder opvouwbare messen in de zin van de WWM moet worden verstaan. In de toelichting op het middel wordt onder 1.14 gesteld dat volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van de WWM een opvouwbaar wapen een wapen is, dat zo geconstrueerd is dat het door een eenvoudige beweging, zoals het losmaken van een pal, opgevouwen of uiteengenomen kan worden. De passage in de memorie van toelichting waar op gedoeld wordt, heeft echter betrekking op opvouwbare en uitneembare geweren. Deze houdt namelijk – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Categorie II onder 3° stemt overeen met categorie I onder 1 en 2 van de Gemeenschappelijke bepalingen bij de Beneluxovereenkomst. Opvouwbare en uitneembare geweren zijn gevaarlijker dan gewone omdat zij gemakkelijker te verbergen zijn. Op te merken is dat de meeste geweren door demontage uiteengenomen kunnen worden. Dat is hier niet bedoeld. Het gaat om wapens die zo geconstrueerd zijn dat ze door een eenvoudige beweging, zoal het losmaken van een pal, opgevouwen of uiteengenomen kunnen worden. De mogelijkheid dat kolf en loop onderling te scheiden zijn heeft niet tot gevolg dat een geweer onder categorie II valt. Waar het om gaat is of hetzij kolf, hetzij loop zelf uiteen te nemen zijn.”5

3.9. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de WWM in verband met een volledig verbod van stiletto’s, valmessen en vlindermessen in 2011 is in de Eerste Kamer de vraag gesteld wat onder de categorie “opvouwbare messen” in de WWM moet worden verstaan. In de memorie van antwoord heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geantwoord dat onder een opvouwbaar mes wordt verstaan “een mes waarbij het lemmet in het heft kan worden opgeborgen door het lemmet en het heft, meestal door middel van een scharnier, ineen te vouwen”. Als voorbeelden van dergelijke messen noemde de staatssecretaris het Zwitsers zakmes, maar ook tapijtmessen, hobbymessen, kelnersmessen, duikmessen en ouderwetse scheermessen.6

3.10. Gelet op deze omschrijving in de memorie van antwoord betwijfel ik of het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vouwmes, juist is. Als aansluiting wordt gezocht bij de door de staatssecretaris gegeven definitie, dan is er sprake van een opvouwbaar mes wanneer het lemmet in het heft kan worden opgeborgen. Over de vorm van dat heft wordt verder niets gezegd. In onderhavige zaak gaat het om een op een bankpas lijkende kaart, die kan worden opengevouwen zodat het lemmet daaruit kan worden geklapt. Dat kan worden afgeleid uit de in bewijsmiddel 5 door het hof beschreven foto’s van het inbeslaggenomen wapen in dichtgevouwen en uitgeklapte vorm, die op dossierpagina 6-8 zijn weergegeven. Dat het lemmet in opgevouwen toestand zichtbaar blijft aan één zijde van het “pasje”, laat mijns inziens onverlet dat het hier gaat om het opbergen van een lemmet in een heft, dat in dit geval de vorm van een pasje of creditcard heeft.7 De functie van het opbergen van het lemmet is immers dat daardoor wordt voorkomen dat er snijwonden of beschadigingen ontstaan en het opvouwbare mes veilig kan worden opgeborgen, bijvoorbeeld in een broekzak of handtas. Ik ben dan ook van mening dat het oordeel van het hof dat hier geen sprake is van een vouwmes getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is, zodat de primaire klacht terecht is. Dat hoeft mijns inziens echter niet tot cassatie te leiden en wel om het volgende.

3.11. Ook als moet worden aangenomen dat het hier om een opvouwbaar mes gaat, dat op grond van zijn eigenschappen niet kan worden geschaard onder de in art. 2 lid 1, categorie I onder 1° of 2° aangewezen wapens, dan sluit dat niet uit dat het creditcard-mes onder de categorie blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen, zoals bedoeld in art. 2 lid 1, categorie I onder 4°, geschaard kan worden. Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in de Memorie van Antwoord8 waarin wordt vermeld dat andere opvouwbare messen (dan vallend onder categorie I onder 1° en 2°) in beginsel geen wapen in de zin van de WWM zijn, maar onder omstandigheden toch als wapen in de zin van de WWM kwalificeren. Als voorbeeld wordt de strafbaarheid op grond van categorie IV onder 7° genoemd.9 Daaruit kan worden afgeleid dat art. 2 lid 1 categorie I onder 1° en 2° WWM (anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, zie toelichting onder 1.16 en 1.17) geen limitatieve opsomming geeft van opvouwbare messen waarvan het voorhanden hebben strafbaar is op grond van de WWM. Daarom is er mijns inziens geen reden om strafbaarheid op grond van categorie I onder 4° uit te sluiten als het gaat om een opvouwbaar mes dat niet onder categorie I onder 1° en 2° WWM valt.

3.12. Dan komt de subsidiaire klacht aan de orde, die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen. Ik begrijp uit de toelichting dat deze klacht zich niet richt tegen het oordeel van het hof dat het hier om een blank wapen gaat, maar alleen tegen het oordeel van het hof dat het mes uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen.

3.13. De aanwijzing van blanke wapens, die uiterlijk lijken op een ander voorwerp, als wapen in de zin van de WWM is terug te voeren op de op 1 juli 1965 in werking getreden Wet tot wering van ongewenste handwapenen.10 Deze wet strekte ertoe gevaarlijke wapens die geen maatschappelijk aanvaardbare bestemming konden hebben en als gebruiksvoorwerp niet van nut waren zoveel mogelijk uit Nederland te weren.11

3.14. Art. 2 lid 1 van deze wet verbood het voorhanden hebben, invoeren, vervaardigen en afleveren van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handwapenen of onderdelen van handwapenen. Art. 1 van het Besluit ongewenste handwapenen12 luidde – voor zover hier van belang – als volgt:

“Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet tot wering van ongewenste handwapenen worden aangewezen:

(…)

f. geheime handwapenen: handwapenen, welke het uiterlijk hebben van een ander voorwerp dan een wapen, met uitzondering van de elders in dit artikel genoemde handwapenen”.

3.15. De op 1 september 1989 in werking getreden WWM13 heeft de Wapenwet, de Vuurwapenwet 1919 en de Wet tot wering van ongewenste handwapenen vervangen. Eén van de uitgangspunten bij het opstellen van het wetsvoorstel dat tot de WWM heeft geleid, was dat zoveel mogelijk moest worden voortgebouwd op de bestaande wetgeving.14

3.16. Van 1 september 1989 tot 1 januari 1997 luidde art. 2 WWM – voor zover hier relevant – als volgt:

“1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(…)

4°. schietwapens en blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen”.

3.17. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de WWM houdt met betrekking tot deze bepaling het navolgende in:

“Onder 4° zijn in de eerste plaats alle bijzonder gevaarlijk en deloyaal te achten wapens gebracht, die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp. Dit kunnen zowel schietwapens als slag- en steekwapens zijn. De vermomming geschiedt in de regel als normale gebruiksvoorwerpen, zoals paraplu's.” 15

3.18. Met de inwerkingtreding van de Wet tot herziening van de WWM16 op 1 januari 1997 zijn de schietwapens geschrapt uit art. 2 lid 1 categorie I onder 4° WWM. Vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen zijn sindsdien in categorie II onder 4° aangewezen als wapen in de zin van de WWM. Sinds 1 januari 1997 luidt art. 2 WWM – voor zover hier relevant – dan ook als volgt:

“1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(…)

4°. blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen”.

3.19. Sackers omschrijft wapens in de zin van categorie I onder 4° als deloyale of geheime blanke wapens: blanke wapens die naar de uiterlijke verschijningsvorm de suggestie wekken geen blank wapen maar een ‘normaal’ voorwerp te zijn. Als voorbeelden van dergelijke wapens noemt hij de wandelstok waarin een degen of priem is verborgen, messen die uiterlijk lijken op aanstekers, lipsticks en schrijfpennen alsmede messen verborgen in een sleutelhanger, een mobiele telefoon of in de gesp van een broekriem.17

3.20. Het oordeel of een voorwerp moet worden aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen is mijns inziens in hoge mate van feitelijke aard. Dat is een mogelijke verklaring voor de omstandigheid dat deze kwestie voor zover ik heb kunnen nagaan in de rechtspraak van de Hoge Raad nog niet aan de orde is geweest. Wel heeft de Hoge Raad enkele arresten gewezen met betrekking tot geheime handwapenen als bedoeld in het Besluit ongewenste handwapenen. Ik zal deze arresten hierna kort bespreken omdat de wetgever bij de totstandkoming van de WWM zoveel mogelijk heeft willen voortbouwen op de bestaande wetgeving, waaronder de Wet tot wering van ongewenste handwapenen, en deze uitspraken relevant kunnen zijn voor het oordeel of een wapen uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen.

3.21. De eerste uitspraak, HR 10 december 1974, NJ 1975/165, had betrekking op een wapen waarvan moeilijk kon worden volgehouden dat het leek op een ander voorwerp dan een wapen. In deze zaak had de politierechter bewezenverklaard dat een nunchaku-wapen een geheim handwapen betrof. De Hoge Raad overwoog:

“dat een Nunchaku-wapen bestaat uit twee aan een der uiteinden door middel van een koord, riem, ketting of een dergelijke verbinding aan elkander verbonden staven, zoals die gebruikt plegen te worden bij het toepassen van de kobudo genaamde Japanse vechttechniek;

dat uit de (…) onder 1 en 2 weergegeven bewijsmiddelen alsmede uit de onder 3 vermelde waarneming van de PR, dat het ter terechtzitting aanwezige inbeslaggenomen voorwerp bestaat uit twee stokken ter lengte van veertig centimeter, welke met een koord aan elkaar zijn verbonden, niet anders kan volgen dan dat het voorwerp een Nunchaku-wapen was;

dat de PR, slechts dit waarnemende, niet kan hebben waargenomen dat dat voorwerp het uiterlijk heeft van een ander voorwerp dan een wapen”.

3.22. In HR 29 september 1987, NJ 1988/662, ging het over een beklag tegen de inbeslagneming van “electronic zappers” die door de klager werden aangeduid als veedrijvers of veedrijfstokken. De bijsluiter bij de voorwerpen vermeldde volgens de rechtbank niet het gebruik als veedrijfstok, maar wel de lichamelijke effecten van de voorwerpen op “assailants”. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat er voldoende aanwijzingen waren dat de inbeslaggenomen goederen vielen onder geheime handwapenen. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank uit de inhoud van de bijsluiter alsmede het standpunt van de klager dat de inbeslaggenomen voorwerpen veedrijvers of veedrijfstokken waren, kon afleiden dat de inbeslaggenomen voorwerpen handwapenen waren die het uiterlijk hebben van een ander voorwerp, namelijk van een veedrijfstok, en dus vielen onder de omschrijving van geheime handwapenen.

3.23. In HR 18 september 1989, NJ 1990/124, had de rechtbank bewezenverklaard dat de verdachte een geheim handwapen voorhanden had gehad, namelijk een stroomstootwapen. Namens de verdachte was aangevoerd dat het stroomstootwapen geenszins het uiterlijk van een ander voorwerp had, maar het uiterlijk van een stroomstootpistool had. De Hoge Raad overwoog:

“5.2 De Rb. heeft dienaangaande overwogen:

‘De Rb. heeft ten aanzien van de NOVA XL 5000 (Omnicomput) ter terechtzitting waargenomen dat dit voorwerp alleen door de handgreep en de zwarte kleur de indruk van een wapen kan wekken, inzonderheid indien het dreigend op een persoon wordt gericht, maar deze laatste zal – ook als hij niet deskundig is op wapengebied – bij het ontbreken van een loop en het zich niet altijd voordoen van een vonkontlading het toch eerder voor een huishoudelijk apparaat, zoals bijv. een nietenschieter, aanzien dan voor een pistool of een ander voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp;

Het karakter van 'geheim' handwapen vloeit ook voort uit verdachtes omschrijving als nietmachine bij haar aangifte van vermissing ervan bij de politie. Dat het als 'handwapen' moet worden aangemerkt blijkt daarbij uit haar opgave ter terechtzitting dat zij het ter zelfverdediging had aangeschaft, alsmede uit de bevindingen van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, volgens welks rapport nr. 87.01.26.31/XIII het bij aanraking een persoon pijn en tijdelijke weerloosheid toebrengt en blijvend letsel kan veroorzaken.'

5.3 Aldus heeft de Rb. het verweer verworpen op gronden welke die beslissing kunnen dragen. In haar hierboven weergegeven overwegingen heeft de Rb. immers tot uitdrukking gebracht haar op eigen waarneming ter terechtzitting gebaseerde oordeel, dat het stroomstootwapen zo weinig op een vuurwapen lijkt, dat een leek reeds op het eerste gezicht moet zien dat het geen normaal vuurwapen is, doch dat wapen eerder voor een huishoudelijk apparaat, zoals bijv. een nietenschieter zal houden, zodat dat stroomstootwapen (…) het uiterlijk heeft van een ander voorwerp dan een wapen. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Anders dan in het middel wordt betoogd heeft de Rb., overwegende dat het karakter van geheim handwapen ook voortvloeit uit verdachtes omschrijving als nietmachine bij haar aangifte van vermissing, niet miskend dat het geheime karakter van het wapen uit objectieve omstandigheden dient te kunnen worden afgeleid.”

3.24. Dan keer ik terug naar onderhavige zaak. Met de steller van het middel ben ik het eens dat het moet gaan om een voorwerp dat naar de uiterlijke verschijningsvorm geen (blank) wapen is, maar een “normaal” voorwerp, wil er sprake zijn van een wapen in de zin van art. 2 lid 1, categorie I onder 4° WWM. Het gaat zoals ook Sackers schrijft om de suggestie iets anders te zijn dan een wapen of om een wapen vermomd als een ander voorwerp. Ik begrijp de door de verbalisant in de bewijsmiddelen 3 en 4 gegeven beschrijvingen van het mes als een “verborgen wapen”, een “geheim blank wapen” en een “heimelijk wapen” dan ook zo dat hij het mes aanmerkt als een wapen in de zin van categorie I onder 4° omdat het lijkt op een ander voorwerp dan een wapen.

3.25. De gebezigde bewijsmiddelen bevatten de volgende omschrijvingen van het mes:

- “Ik zag dat het een soort kaart was. Ik zag dat hierin een mes verwerkt zat die je kon openvouwen.” (bewijsmiddel 1)

- “Wij zagen dat het een zwart blank wapen betreft, in de vorm van een creditcard.” (bewijsmiddel 2)

- “Het voorwerp lijkt opgevouwen op een Credit Card-achtige pasjeshouder of bankpashouder, niet zijnde een wapen”. (bewijsmiddel 3)

- “Het mes heeft de vorm van een pasje (card), waarbij het lemmet slechts aan één zijde zichtbaar is, geheel binnen de afmetingen van het pasje valt en de kleur van pasje en lemmet identiek zijn.” (bewijsmiddel 5)

3.26. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar bewijsmiddel 5 aangevoerd dat onmiddellijk zichtbaar is dat het hier om een mes gaat, aangezien het lemmet van het mes aan één zijde zichtbaar is als het mes zich in opgevouwen toestand bevindt. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging echter vastgesteld dat het lemmet vanwege de identieke kleur van het pasje niet duidelijk zichtbaar was. Dit feitelijke oordeel kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst en onbegrijpelijk vind ik het niet. Het gaat hier dus niet om een geval zoals zich dat voordeed in het hiervoor aangehaalde arrest HR 10 december 1974, NJ 1975/165, waar het voorwerp onmiskenbaar een wapen was.

3.27. Aan de steller van het middel kan wel worden toegegeven dat het hof niet heeft vastgesteld op welk voorwerp het mes uiterlijk lijkt en dat de beschrijvingen van het mes wat dat betreft niet helemaal consistent zijn: een pasje, een kaart of creditcard of een pasjeshouder. Mijns inziens staat dat echter niet aan het oordeel in de weg dat het om een wapen als bedoeld in categorie I onder 4° gaat. Nog daargelaten dat de verschillen tussen deze beschrijvingen klein zijn, zijn zij consistent op het punt dat het mes in opgevouwen toestand uiterlijk lijkt op een ander voorwerp dan een wapen. Daarnaast meen ik dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat heel nauwkeurig komt vast te staan op welk voorwerp het mes lijkt.18

3.28. Gelet op het vorenstaande ben ik van mening dat het oordeel van het hof, dat het mes een blank wapen betreft dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, niet onbegrijpelijk is en ook toereikend is gemotiveerd. De bewezenverklaring is dus voldoende met redenen omkleed.

4. Het middel faalt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor een illustratief filmpje: http://freshgadgets.nl/cardsharp-een-mes-voor-in-je-portemonnee.

2 https://www.rtlnieuws.nl/nederland/verboden-creditcardmessen-zijn-populair-op-schiphol.

3 Op grond van art. 2 lid 1 onder a Regeling wapens en munitie wordt onder een stiletto verstaan een opvouwbaar mes waarvan het lemmet door een druk- of vergelijkbaar ontgrendelingsmechanisme zijdelings scharnierend uit het heft wordt gebracht.

4 Volgens de MvA (Kamerstukken I 2010/11, 32206, C, p. 1) worden ingevolge art. 2 lid 1 WWM naast stiletto’s ook valmessen en vlindermessen beschouwd als opvouwbare messen. Dat lijkt inderdaad te volgen uit art. 2 lid 1 cat I sub 1 en 2 WWM. Daarom zouden hier ook de val- en vlindermessen genoemd moeten worden. De Regeling wapens en munitie spreekt echter in art. 2 bij stiletto’s van “een opvouwbaar mes” en bij val- en vlindermessen van “een mes”, wat weer lijkt te suggereren dat val- en vlindermessen geen opvouwbare messen zijn. Maar ik begrijp art. 2 WWM zo dat ook val- en vlindermessen als opvouwbare messen moeten worden gezien.

5 Kamerstukken II 1976/77, 14413, 3, p. 25.

6 Kamerstukken I 2010/11, 32206, C, p. 1-2.

7 Ik realiseer me dat het hof hier niets over heeft vastgesteld, maar wil toch nog vermelden dat in het onder voetnoot 1 aangehaalde filmpje zichtbaar wordt dat na dit uitklappen van het mes de kaart kan worden dichtgevouwen tot een heft.

8 Kamerstukken I 2010/11, 32206, C, p. 1-2.

9 “Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.”

10 Stb. 1965, 141.

11 Kamerstukken II 1963/64, 7719, 3, p. 3.

12 Stb. 1965, 242.

13 Stb. 1986, 41.

14 Kamerstukken II 1976/77, 14413, 3, p. 20 (MvT).

15 Kamerstukken II 1976/77, 14413, 3, p. 24.

16 Stb. 1995, 579.

17 H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie (Studiepockets Strafrecht, nr. 42), Deventer: Kluwer 2012, p. 153-154.

18 Zie ook het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 18 september 1989 waar de rechtbank had overwogen dat het stroomstootwapen zo weinig leek op een vuurwapen dat een leek reeds op het eerste gezicht moest zien dat het geen normaal vuurwapen was, maar het eerder voor een huishoudelijk apparaat zoals een nietenschieter zou houden. Deze overwegingen konden het oordeel dat het stroomstootwapen het uiterlijk had van een ander voorwerp dan een wapen dragen.