Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1064

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
15/03871
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2637, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde diefstal, vordering b.p. Gevorderde vergoeding van iPad en Acer tablet die niet in de bewezenverklaring zijn vermeld. Causaal verband. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:175 m.b.t. het kunnen vorderen van schade en het opleggen van een svm indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade. ’s Hofs oordeel dat de schade m.b.t. de iPad en Acer tablet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde handelen van verdachte kan worden aangemerkt, geeft niet blijk van miskenning van voornoemde vooropstelling en is evenmin onbegrijpelijk. Dat deze voorwerpen niet in de bewezenverklaring zijn vermeld, maakt dat niet anders. HR neemt mede in aanmerking dat het Hof in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft vastgesteld dat bij de bewezenverklaarde inbraak "onder meer" horloges en andere sieraden zijn weggenomen, alsmede de omstandigheid dat door of namens verdachte de gevorderde schadevergoeding niet is betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03871

Zitting: 5 september 2017

(bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 juli 2015 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de verdachte wegens 1. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, 2. “mishandeling” en 3. “diefstal” werd veroordeeld, vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met een proeftijd van twee jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en voorts de proeftijd behorende bij de eerdere voorwaardelijke veroordeling met een jaar verlengd. Het hof heeft het vonnis voor het overige bevestigd, daaronder uitdrukkelijk begrepen de beslissingen van de rechtbank tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer/de benadeelde partij [betrokkene 1]. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde toegewezen tot het bedrag van € 4.362,- aan materiële schade en ten behoeve van [betrokkene 1] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot dat bedrag.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde geheel heeft toegewezen (€ 4.362,-) en een schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag heeft opgelegd, terwijl een deel van de schade (de waarde van een gestolen iPad en een Acer tablet) niet als rechtstreeks gevolg van dat feit kan worden aangemerkt.

  4. Uit het zich bij de gedingstukken bevindende voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partij [betrokkene 1] een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend in verband met de inbraak in de woning van [betrokkene 1] op 2 juli 2013 waarop het onder 1 bewezen verklaarde is toegesneden. Dit formulier bevat in de rubriek “4b. Gegevens over de schade” de vermelding “Zie bijgevoegd blad.” Als bijlage bij het formulier is een overzicht gevoegd van diverse goederen en hun waarde tot een totaalbedrag van € 4.362,-.1 Het overzicht vermeldt, naast twee horloges en diverse (andere) sieraden, een iPad 4 Cellular ter waarde van € 709,- en een Acer tablet ter waarde van € 117,-. Als bijlage bij het voegingsformulier is voorts een proces-verbaal van aangifte gevoegd, betreffende de door [betrokkene 1] gedane aangifte van de hiervoor bedoelde inbraak, met een “Bijlage weggenomen goederen”. Die bijlage vermeldt, naast twee horloges en diverse (andere) sieraden, een tablet, merk en type Apple 4 Cellular, ter waarde van € 709,- en een tablet, merk Acer, ter waarde van € 117,-.

5. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 02 juli 2013 te Helmond met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de [a-straat]) heeft weggenomen horloges en/of een of meer (andere) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming en/of een valse sleutel.”

6. Daarvan is bewezen verklaard dat hij:

“op 02 juli 2013 te Helmond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat]) heeft weggenomen horloges en sieraden, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.”

7. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:

“Proces-verbaal van aangifte [betrokkene 1], blz. 71-80

Ik doe aangifte van inbraak/diefstal uit mijn woning gelegen aan de [a-straat] te Helmond tussen 2 juli 2013 te 14.00 uur en 2 juli 2013 te 18.00 uur.

Op 2 juli 2013 omstreeks 14.00 uur ben ik van huis weggegaan. Ik laat altijd de raam, op onze slaapkamer, deze ligt op de begane grond aan de straatzijde bij de oprit, een stukje open. Het raam staat dan op een soort schuif waardoor deze op een kiertje van ongeveer 5 centimeter staat. De schuif is afgebroken.

(..) Uit de slaapkamer is weggenomen een sieradenkistje (met inhoud), een dameshorloge merk Ebel, een herenhorloge merk Ebel en twee trouwringen.

Door de inbraak is er schade ontstaan aan het kozijn, hier zijn lichte krassporen en het hefboompje/schuifje is afgebroken.

(..) Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Bijlage weggenomen goederen (blz. 74-80): een dameshorloge, merk Ebel, serienummer [001], een herenhorloge met serie nummer [002] en in totaal 29 stuks sieraden (ringen, kettingen, armbanden e.d.).”

8. Het hof heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde onder meer het volgende overwogen:

“Door [betrokkene 1] werd aangifte gedaan van de omstandigheid dat op 2 juli 2013 tussen 14.00 uur en 18.00 uur was ingebroken in zijn woning aan de [a-straat] te Helmond. Daarbij waren onder meer twee horloges van het merk Ebel en andere sieraden weggenomen.”

9. Het door het hof in zoverre met overneming van gronden bevestigde vonnis houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:

“Door de benadeelde partij [betrokkene 1] is een voegingsformulier ingediend met een vordering voor immateriële (bedoeld is kennelijk: materiële, AG) schade van € 4.362,- ten gevolge van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit.

De rechtbank acht de vordering geheel toewijsbaar.

(…)

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. (…)”

10. De toelichting op het middel houdt in dat onder 1 uitsluitend is ten laste gelegd en bewezen verklaard dat de verdachte op 2 juli 2013 uit een woning aan de [a-straat] te Helmond horloges en sieraden, toebehorende aan [betrokkene 1], heeft weggenomen, dat de verdachte nooit is verweten dat hij een iPad en/of tablet heeft gestolen en dat dit ook niet is bewezen verklaard. De steller van het middel betoogt dat het hof heeft nagelaten inzichtelijk te maken dat en waarom deze twee schadeposten als rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde kunnen worden aangemerkt.

11. Vooropgesteld kan worden dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering gelden, maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken.2 Zo behoeven, anders dan bij de bewezenverklaring van het strafbare feit (art. 359, derde lid, Sv), bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de uitspraak geen bewijsmiddelen te worden opgenomen waarop die toewijzing berust,3 terwijl art. 359, tweede lid, Sv niet het oog heeft op een standpunt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.4

12. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Op grond van art. 361, tweede lid onder b, Sv zal de benadeelde partij alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door – voor zover hier relevant – het bewezen verklaarde feit.

13. De memorie van toelichting bij de wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) houdt ten aanzien van de toenmalige artikelen 51a (thans: 51f) Sv en 361 Sv, voor zover hier relevant, het volgende in:5

“Het wetsvoorstel geeft in artikel 51a aan wie zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. Volgens dit artikel kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering voegen in het strafproces. (…) Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

(…)

Het wetsvoorstel stelt in artikel 361, tweede lid, de ontvankelijkheid van de benadeelde partij afhankelijk van enerzijds de uitkomst van de strafzaak en anderzijds van de vraag of aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit (…). Aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit is voldaan als in de telastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de telastelegging de civiele vordering kan worden onderzocht. Wordt een verdachte bijvoorbeeld vervolgd wegens mishandeling dan zal de benadeelde partij zich kunnen voegen met haar vordering die een rechtstreeks gevolg is van mishandeling, ongeacht de vraag of deze schade in de telastelegging is vermeld.”

14. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.6 De concrete omstandigheden van het geval zijn daarbij bepalend.7 Ook voor het opleggen van de in art. 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel is zodanig causaal verband vereist.8 Bij de beoordeling of sprake is van causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit zullen de grenzen van de in de bewezenverklaring genoemde gedraging van de verdachte niet te nauw moeten worden getrokken. Onder omstandigheden kan ook worden aangenomen dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde feit, ook al moet daarvoor in zekere zin buiten de oevers van de formulering van de bewezenverklaring worden getreden. Daarbij moet worden bedacht dat de strafrechter in het kader van het beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv onderzoekt en beraadslaagt op de grondslag van de tenlastelegging, hetgeen doorgaans een zekere versmalling meebrengt, terwijl op de vordering van de benadeelde partij het materiële burgerlijke recht van toepassing is9 en in art. 6:98 BW in het kader van het causaal verband in algemene termen wordt gerefereerd aan “de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust”.10

15. De vraag rijst of de omstandigheid dat de iPad en Acer tablet niet uitdrukkelijk worden genoemd in de tenlastelegging en bewezenverklaring eraan in de weg staat dat het hof de waarde van die goederen heeft kunnen aanmerken als schade die door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks aan de benadeelde partij [betrokkene 1] is toegebracht als bedoeld in art. 51f en art. 361 Sv. Langemeijer geeft in dit verband het voorbeeld van een bewezenverklaring die ziet op de diefstal van een tv-toestel, terwijl ook de vergoeding van schade ontstaan door de ontvreemding van een portemonnee wordt gevorderd. Hij stelt zich op het standpunt dat in een dergelijk geval, kennelijk ook als de portemonnee bij gelegenheid van dezelfde inbraak buit zou zijn gemaakt als het tv-toestel, van toewijzing van een vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van het wegnemen van de portemonnee geen sprake kan zijn omdat het daarbij gaat om een andere gedraging dan die in de bewezenverklaring staat vermeld.11 Deze interpretatie vindt steun in de tekst van de wet, waarin immers een causaal verband wordt verondersteld tussen het bewezen verklaarde feit en de toegebrachte schade.

16. Toch meen ik op de hiervoor onder 14 genoemde gronden dat een ruimere uitleg de voorkeur verdient. De rechtspraak van de Hoge Raad wijst ook in de richting van een ruimere uitleg. Daaruit is af te leiden dat het bij de beantwoording van de vraag of de schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit niet alleen aankomt op de gedraging die in de bewezenverklaring als zodanig is verwoord, maar ook op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt. De concrete omstandigheden van het geval zijn immers, zoals hiervoor werd opgemerkt, bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

17. In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het hof besloten dat de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in art. 361, tweede lid, onder b, Sv en art. 51f, eerste lid, Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de bijlagen bij het voegingsformulier niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de samenhang tussen de bewezen verklaarde diefstal van goederen en de schade kennelijk en niet onbegrijpelijk gevonden in de omstandigheid dat sprake is geweest van één woninginbraak waarbij verschillende goederen – die slechts ten dele in de bewezenverklaring zijn opgenomen – zijn weggenomen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de in de schadeberekening betrokken iPad en tablet niet afzonderlijk in de tenlastelegging waren opgenomen. Van een partiële vrijspraak was in zoverre geen sprake.12 Bovendien blijkt uit de onder 8 geciteerde bewijsoverweging, in het bijzonder uit de term “onder meer”, dat het hof heeft vastgesteld dat er bij de inbraak in de woning van de aangever op 2 juli 2013 meer goederen waren weggenomen dan de in de bewezenverklaring gespecificeerde goederen. In aanmerking genomen dat de raadsman in hoger beroep bij pleidooi heeft medegedeeld dat hij geen opmerkingen heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en dat hij zich in zoverre refereert aan het oordeel van het hof,13 was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

18. Het middel faalt.

19. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.

20. Het beroep in cassatie is ingesteld op 10 augustus 2015. De stukken van het geding zijn op 31 augustus 2016 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht, maar dit leidt niet tot de bepleite strafvermindering. Nu het hof heeft volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, kan worden volstaan met de vaststelling dat een inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.14

21. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook in zoverre sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Ook hierbij geldt dat, gelet op de opgelegde straf, kan worden volstaan met de vaststelling dat een inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

22. Het eerste middel faalt. Het tweede middel leidt niet tot cassatie. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit is het bedrag dat resteert na aftrek van de waarde van de twee in het overzicht vermelde horloges (waarbij is vermeld: “terug door politie!”) en de maximale uitkering door de verzekeringsmaatschappij (waarbij overigens is vermeld dat nog geen uitkering is toegekend).

2 Vgl. HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, NJ 2012/135.

3 Aldus ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, Deventer: 2010, p. 114 en J. Candido (red.), Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, tweede druk, 2017, p. 116.

4 Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180, NJ 2009/177, rov. 3.5.2, HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, NJ 2009/122, rov. 3.3 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 4.4.

5 Kamerstukken II 1989–1990, 21 345, nr. 3, p. 11 en 17.

6 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1123 en HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:175.

7 Vgl. HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:885, NJ 2017/222, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256.

8 Vgl. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:175.

9 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 3.3.2.

10 Zie nader mijn conclusie (onder 30-32) voorafgaand aan HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:134 en mijn vordering tot cassatie in het belang der wet (onder 13-15) die heeft geleid tot HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335. Zie in dit verband ook Langemeijer, a.w., p. 111 en 129 en Candido (red.), a.w., p. 123.

11 Langemeijer, a.w., p. 109.

12 Anders dan in HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7075, rov. 5.4.

13 Zie p. 15 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2015.

14 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder c.