Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1062

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/00251
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2635, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Niet gemachtigde raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van aanhoudingsverzoek aangevoerd dat verdachte in Suriname verblijft. Hof heeft bij afwijzing van verzoek belangenafweging gemaakt. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 m.b.t. te maken belangenafweging bij beslissing op aanhoudingsverzoek. Gelet op deze vooropstelling en hetgeen aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden, waaronder begrepen de vaststelling dat niet duidelijk is of en wanneer verdachte zal terugkeren naar Nederland, de afwijzing van het verzoek dragen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00251

Zitting: 5 september 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 december 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermaals gepleegd”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. In het genoemde arrest heeft het hof tevens de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 163,44 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een ter terechtzitting van 2 december 2015 door de (niet-gemachtigde) raadsvrouw van de verdachte gedaan verzoek tot aanhouding ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Hiertoe wordt betoogd dat het hof bij zijn afweging van de van de voor de beoordeling van het aanhoudingsverzoek relevante belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2015 houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde aanhoudingsverzoek het volgende in:

“De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet verschenen.

Ter terechtzitting is aanwezig mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

De raadsvrouw van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven - :

Ik ben niet gemachtigd door mijn cliënt om de verdediging te voeren. Mijn cliënt zit momenteel in Suriname. Voorafgaand aan deze zitting heb ik geen contact gehad met mijn cliënt. Ondanks het feit dat ik niet gevolmachtigd ben, verzoek ik in het kader van het aanwezigheidsrecht toch om aanhouding van de zaak. Ik weet dat mijn cliënt terug zal komen uit Suriname, maar ik weet niet wanneer omdat mijn cliënt een open ticket heeft geboekt. Ik vind het relevant dat mijn cliënt aanwezig is bij de behandeling van zijn strafzaak, met name gelet op de jurisprudentie in het kader van het aanwezigheidsrecht. Voor een eerdere zitting, die gepland stond op 22 mei 2015, heb ik contact gehad met mijn cliënt. Hij gaf toen aan dat hij aanwezig wilde zijn bij zijn rechtszaak. Deze zitting is toen echter ingetrokken.

De advocaat-generaal voert aan - zakelijk weergegeven - :

Indien de zaak alleen op zitting zou staan, zou ik mij op het standpunt stellen om deze vandaag af te doen. Verdachte heeft niets van zich laten horen en heeft niet gezegd waar hij zich op dit moment bevindt. Echter, indien de zaak van medeverdachte [medeverdachte] wordt aangehouden, zal ik me niet tegen aanhouding van onderhavige zaak verzetten vanwege proceseconomische redenen. Het is van belang dat verdachte aanwezig is bij zijn eigen strafzaak. Ik ben namelijk van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De termijnoverschrijding die door aanhouding zou ontstaan, is in dat geval voor rekening van verdachte.

De raadsvrouw van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven - :

Ik stel het op prijs dat de advocaat-generaal zich niet tegen aanhouding verzet vanwege proceseconomische redenen. Ik kan me voorstellen dat het redelijk is dat indien de zaak van medeverdachte [medeverdachte] wordt aangehouden, de zaak van mijn cliënt daar op meelift.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek en deelt mede, dat het hof zich zal terugtrekken in raadkamer teneinde te beraadslagen.

De voorzitter hervat het onderzoek.

Na beraad deelt de voorzitter mede - zakelijk weergegeven - :

Het hof is tot het oordeel gekomen dat het verzoek om aanhouding dient te worden afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. De verdachte heeft geen contact gezocht met zijn raadsvrouw na de ingetrokken zittingsdatum van 22 mei 2015. Nu er geen contact is geweest, is het volstrekt onduidelijk of verdachte nog steeds gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Immers, verdachte zit momenteel in Suriname en het is niet duidelijk of en wanneer hij terug zal komen naar Nederland. Het is de raadsvrouw op geen enkele manier, met alle mogelijke moderne communicatiemiddelen van nu, zoals Facebook en WhatsApp, gelukt om in contact te komen met verdachte, terwijl verwacht kan worden dat verdachte bereikbaarheidsgegevens aan zijn raadsvrouw doorgeeft indien hij zijn aanwezigheidsrecht bij deze lopende strafzaak wil uitoefenen. Bovendien wist verdachte dat de behandeling van zijn zaak op termijn zou plaatsvinden, gezien het contact over de eerdere zittingsdatum, te weten 22 mei 2015. Het hof komt derhalve na een afweging van de betrokken belangen tot de conclusie dat er onvoldoende redenen zijn om de zaak aan te houden. In de afweging tussen het belang van het aanwezigheidsrecht van verdachte en het belang van een voortvarende behandeling van de strafzaak, mede gelet op de belangen van de slachtoffers in deze zaak en de agenda van het hof, dienen derhalve de laatstgenoemde belangen te prevaleren. Tot slot is het niet van belang dat de zaak tegelijkertijd wordt afgedaan met die van medeverdachte [medeverdachte]. In eerste aanleg zijn de zaken tevens afzonderlijk behandeld en ook in hoger beroep levert het geen enkel probleem op om de zaken apart te behandelen.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

3.2.

Uit de inhoud van de stukken in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier blijkt het volgende.

- In de eerste aanleg is de verdachte bij vonnis van de Rechtbank Gelderland van 22 oktober 2013 vrijgesproken van het primair tenlastegelegde meermaals in vereniging plegen van een poging tot afpersing en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van honderd uren. De verdachte is bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting in eerste aanleg aanwezig geweest.

- Blijkens een akte rechtsmiddel van 5 november 2013 heeft de verdachte tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis van de rechtbank vervolgens hoger beroep ingesteld.

- Op 19 november 2013 heeft de raadsvrouw overeenkomstig art. 410, eerste lid, Sv een appelschriftuur ingediend en tevens op de voet van art. 410, derde lid, Sv opgave gedaan van de getuigen die de verdediging in hoger beroep wenste te horen.

- De eerste zitting van het hof was blijkbaar gepland op 22 mei 2015, maar heeft geen doorgang gevonden. In het dossier bevinden zich overigens geen betekeningsstukken of andere stukken waaruit kan worden opgemaakt of voor deze zitting ook een dagvaarding is uitgevaardigd en waarom de zitting geen doorgang heeft gevonden.

- Wel bevinden zich in het dossier betekeningsstukken die inhouden dat:

(i) op 26 oktober 2015 tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 2 december 2015 aan de verdachte te betekenen op het GBA-adres waar hij tussen 10 september 2013 en 2 juli 2014 geregistreerd stond en

(ii) de dagvaarding voor de betreffende zitting op 27 oktober 2015 is betekend aan de griffier van de Rechtbank Gelderland en vervolgens als gewone brief naar het genoemde GBA-adres is gezonden.

- Tot slot vermeldt de op 18 november 2015 opgevraagde identiteitsstaat uit de strafrechtsketendatabank (SKDB) dat de verdachte op 2 juli 2014 is ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’.

3.3.

Als onderbouwing voor het aanhoudingsverzoek heeft de raadsvrouw puntsgewijs samengevat aangevoerd dat:

- de verdachte in Suriname verbleef;

- hij op enig moment naar Nederland zou willen terugkeren, maar dat zij niet wist wanneer;

- zij wel voorafgaande aan de ingetrokken zitting van 22 mei 2015 contact met de verdachte had gehad en deze toen aangaf bij de behandeling van de zaak aanwezig te willen zijn;

- zij voorafgaand aan de betreffende zitting geen contact met de verdachte heeft gehad, maar zij niettemin verzocht de behandeling van de zaak aan te houden gelet op het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

3.4.

Heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek zoals aangehaald onder 3.1. nu voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd? De algemene uitgangspunten die hiervoor gelden zijn in de eerste plaats dat de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting een afweging dient te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Die afweging heeft het hof gemaakt en dat onderkent ook de steller van het middel. De bezwaren richten zich vooral tegen de motivering van de afwijzing. Deze bezwaren komen erop neer:

(i) dat het – gelet op de omstandigheid dat zich in deze zaak niet eerder een aan de verdachte te wijten vertraging heeft voorgedaan – niet duidelijk is waarom uitstel van de zaak voor het hof nu meteen zo problematisch was, mede omdat de advocaat-generaal zich daartegen niet verzette ingeval de zaak tegen de medeverdachte, die eveneens die dag diende, zou worden aangehouden, hetgeen kennelijk ook is gebeurd en

(ii) dat er – nu de verdachte in eerste aanleg wel op de terechtzitting is verschenen en hij voorafgaand aan de ingetrokken zitting van 22 mei 2015 te kennen heeft gegeven ook bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te willen zijn – eenvoudigweg van uitgegaan had moeten worden dat de verdachte inderdaad van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken, althans als uitgangspunt had moeten worden gehanteerd dat de verdachte daarvan geen afstand had gedaan.

3.5.

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan echter een verdachte die verhinderd is om te verschijnen, ook als hij van zijn aanwezigheidsrecht geen afstand heeft gedaan, niet altijd aanspraak maken op een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.1 Bovendien wordt van de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld en prijs stelt op een berechting op tegenspraak verwacht dat hij een zekere verantwoordelijkheid neemt om ervoor te zorgen dat hij op de hoogte blijft van de voortgang van de behandeling van zijn zaak en hiertoe contact onderhoudt met zijn raadsman of raadsvrouw.2 Tot slot gaat ook het EHRM er in zijn jurisprudentie van uit dat het aanwezigheidsrecht van verdachten niet absoluut is en dat van een verdachte bijvoorbeeld mag worden gevergd dat hij de nodige inspanningen verricht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.3 Van de andere kant is zowel in de jurisprudentie van de Hoge Raad als van het EHRM erkend dat het aanwezigheidsrecht van groot belang is en dat daaraan zeker niet zomaar voorbij mag worden gegaan. Daarom moet de rechter die een daarop gebaseerd verzoek tot aanhouding afwijst, zijn afwijzing zodanig motiveren, dat in cassatie toetsbaar is of de op het spel staande belangen op de juiste wijze zijn afgewogen en het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM niet is geschonden.4 Een dergelijk verzoek mag niet uitsluitend worden afgewezen omdat het onvoldoende is onderbouwd of op grond van overwegingen van efficiency.5

3.6.

In de onderhavige zaak kan naar mijn mening worden vastgesteld dat het hof, met inachtneming van hetgeen door de raadsvrouw aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, een afweging heeft gemaakt van alle betrokken belangen en in zijn motivering van de afwijzing van dit verzoek ook is ingegaan op hetgeen door de raadsvrouw aan het verzoek ten grondslag is gelegd. Het hof heeft immers zowel nader gemotiveerd waarom het van oordeel was dat aan de wens van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te kunnen zijn op zijn minst getwijfeld kon worden, als overwogen dat het onduidelijk was of en zo ja wanneer de verdachte voornemens was om naar Nederland te komen. Daarnaast heeft het hof ook aangeduid welke bijzondere belangen er in casu toe noopten de behandeling van de zaak voort te zetten.

3.7.

De belangrijkste reden dat ik de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in casu toereikend gemotiveerd acht, is evenwel gelegen in het simpele feit dat het aanhoudingsverzoek, afgaand op de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2015, nauwelijks aanknopingspunten bood wat betreft het moment waarop de behandeling van de zaak dan wel zou kunnen worden voortgezet, hetgeen kennelijk voor het hof reden was te concluderen “dat het niet duidelijk is of en wanneer hij terug zal komen naar Nederland”. Evenmin heeft de raadsvrouw, buiten haar algemene verwijzing naar ‘de jurisprudentie in het kader van het aanwezigheidsrecht’, iets gezegd waaruit een zaaksspecifiek belang van de verdachte bij aanwezigheid kan worden afgeleid. Anders dan in de toelichting op het middel lijkt te worden gesteld, is het hof er bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw niet van uitgegaan dat de verdachte zonder meer niet van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken, maar heeft het hof alleen vastgesteld dat het antwoord op de vraag of de verdachte nog bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn volstrekt onduidelijk was. Die vaststelling is gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd in ieder geval niet onbegrijpelijk. Daarom vind ik het ook niet onbegrijpelijk dat het hof uiteindelijk heeft geoordeeld dat het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte in dit geval niet opwoog tegen de andere betrokken belangen.

3.8.

Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt gewezen op de inhoud van art. 8, tweede lid, Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 – die zou meebrengen dat de behandeling van een zaak in afwezigheid van de verdachte in geen geval mogelijk is wanneer niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachte van de betreffende behandeling op de hoogte is –, volsta ik hier met de opmerking dat de implementatietermijn van Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 thans nog loopt en deze richtlijn derhalve nu nog geen directe werking heeft. Bovendien is het aanwezigheidsrecht met name gelet op de overweging onder nr. 36 van de preambule ook onder de werking van deze richtlijn niet absoluut.

3.9.

Het eerste middel faalt.

4. Over het tweede middel kan ik kort zijn. Dit middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het meermaals in vereniging plegen van een poging tot afpersing met de stelling dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk hebben gedreigd met geweld. Nu (i) de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van [betrokkene] inhoudt dat één van de verdachten op enig moment bij de barman van een Arnhemse kroeg om de adressen van de slachtoffers vroeg en toen een beweging maakte alsof hij een wapen achter zijn rug wilde pakken en (ii) de als bewijsmiddel 1 en 2 gebezigde verklaringen van de slachtoffers onder meer inhouden dat diezelfde verdachte later naar één van de slachtoffers heeft gebeld en hem heeft gezegd dat hij een geldbedrag van € 7.000,- moest betalen en dat er anders een ‘andere oplossing’ zou volgen, is het oordeel van het hof dat in casu sprake is geweest van bedreiging met geweld – mede in het licht van de uit de bewijsmiddelen 1 en 3 blijkende omstandigheid dat de onder (i) en (ii) genoemde gedragingen verband hielden met een eerdere vechtpartij waarbij de slachtoffers betrokken waren geweest – niet onbegrijpelijk. Ook het tweede middel treft daarom geen doel.

5. Zowel het eerste als het tweede middel faalt. Het tweede middel kan naar mijn mening worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, rov. 3.4.; HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken, rov. 2.3; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, rov. 2.3.

2 Zie HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.36-3.37; HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351 m.nt. Schalken, rov. 2.6.1.

3 Zie EHRM 23 februari 1999, nr. 34966 (De Groot t. Nederland), NJ 1999/641, m.nt. Knigge.

4 Zie bijv. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466, m.nt. Knigge en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406.

5 Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127 en de opmerkingen onder nrs. 3.7 en 3.8 van mijn conclusie vóór HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1286 (ECLI:NL:PHR:2017:607) met de aldaar vermelde en besproken jurisprudentie.