Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1052

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
17/03394
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2618, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Motivering oordeel dat aan gevaarcriteria is voldaan. Voldoende inspanning deskundige om betrokkene te onderzoeken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr: 17/03394

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 30 augustus 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over de motivering ten aanzien van de stoornis van de geestvermogens en het daardoor veroorzaakte gevaar. Daarnaast zou de door de rechtbank aangewezen deskundige onvoldoende in het werk hebben gesteld om betrokkene persoonlijk te onderzoeken.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, ingekomen op 30 maart 2017, heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (geboren in 1976, hierna: betrokkene) te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis; zie art. 2 Wet Bopz. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 22 maart 2017 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 4]. Blijkens de geneeskundige verklaring (rubriek 6) heeft deze meermalen geprobeerd met betrokkene in contact te komen voor een beoordeling. Betrokkene heeft bij aangekondigde huisbezoeken telkens niet de deur open gedaan. Zij is ook niet verschenen op de uitnodiging voor een afspraak bij Mentrum. De verklaring vermeldt: “Patiënte heeft per mail reactie gegeven op de aangekondigde afspraken en hierbij nadrukkelijk duidelijk gemaakt deze afspraken niet op prijs te stellen.”

1.2

Op 20 april 2017 heeft de rechtbank betrokkene en haar advocaat, de vader van betrokkene en de behandelend psychiater [betrokkene 1] gehoord. Betrokkene verklaarde dat zij bereid is met een psychiater te spreken, mits deze niet werkzaam is bij Arkin. Bij tussenbeschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank een onderzoek door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] bevolen ter beantwoording van de vraag of betrokkene aan één of meer stoornissen van de geestvermogens lijdt en zo ja, of deze stoornis(sen) betrokkene gevaar in de zin van de Wet Bopz doen veroorzaken en of dit gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank hield iedere verdere beslissing aan.

1.3

Bij brief van 10 mei 2017 heeft psychiater [betrokkene 2] de opdracht aan de rechtbank teruggegeven omdat betrokkene niet bereid blijkt (binnen een redelijke termijn) hem in haar huis toe te laten om haar psychiatrisch te onderzoeken.

1.4

Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de behandeling hervat en op 29 mei 2017 gehoord: betrokkene en haar advocaat, de ouders van betrokkene, de behandelend psychiater [betrokkene 1] en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [betrokkene 3]. Bij beschikking van 29 mei 2017 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend voor het tijdvak tot 30 juli 2017. De rechtbank heeft in deze beschikking de ter zitting afgelegde verklaringen uitvoerig weergegeven en overwoog op blz. 3:

“Gelet op de geneeskundige verklaring en de toelichting van de psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige ter zitting, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens, te weten een psychotische stoornis NAO en cannabisafhankelijkheid, gevaar veroorzaakt, welk gevaar, bestaande uit het gevaar dat zij maatschappelijk te gronde zal gaan en gevaar dat zij agressie van derden tegen zichzelf zal oproepen door hinderlijk gedrag, niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.”

1.5

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Middelonderdeel 1 klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat aan de gevaarscriteria is voldaan, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 1.1 - 1.3 bevatten geen klachten. Subonderdeel 1.4 voert aan dat de in de geneeskundige verklaring en ter zitting vermelde feiten niet dermate sprekend zijn dat de rechtbank met een summiere motivering kon volstaan, mede gelet op hetgeen namens betrokkene ter zitting is aangevoerd ter betwisting van het gestelde gevaar. In het cassatierekest zijn deze klachten nader uitgewerkt (i) ten aanzien van het gevaar dat betrokkene zonder een rechterlijke machtiging maatschappelijk ten onder zal gaan en (ii) ten aanzien van het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen. Subonderdeel 1.5 klaagt samengevat dat, ook al zou de rechtbank terecht hebben geoordeeld dat dit gevaar dreigt, nog steeds een afweging moet plaatvinden of de kans dat het gevreesde onheil zich verwezenlijkt zo groot is, respectievelijk of de gevolgen van het gevreesde onheil zo ernstig zijn, dat een vrijheidsbeneming voor de duur van zes maanden1 gerechtvaardigd is. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich daaromtrent geen rekenschap gegeven, aldus de klacht.

2.2

Art. 2 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien, naar het oordeel van de rechter, de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. ‘Gevaar’ is te begrijpen als de kans op onheil. Hierbij zijn twee gezichtspunten: enerzijds de mate van waarschijnlijkheid dat het gevreesde onheil intreedt; anderzijds de ernst van de gevolgen indien het gevreesde onheil zich verwezenlijkt. In de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz is het eerste aspect als volgt onder woorden gebracht: ‘gevaar’ is er niet pas wanneer het onheil ‘waarschijnlijk’ is; anderzijds is het er ook niet reeds wanneer het onheil ‘mogelijk’ is. Vereist is: een enigszins belangrijke mogelijkheid, een ernstige mogelijkheid.2 Bij een rechterlijke machtiging tot onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis moet het gaan om een gevaar dat voldoende ernstig is om de vrijheidsbeneming te kunnen rechtvaardigen. Deze criteria zijn, blijkens de bestreden beschikking (blz. 2) ook ter zitting besproken.

2.3

In de geneeskundige verklaring (rubriek 4.a) worden, tamelijk indringend, de symptomen, uitingen en gedragingen van betrokkene beschreven. In rubriek 5.a is het gevaar omschreven als volgt:

“Vanuit het psychotisch toestandsbeeld is patiënte er van overtuigd dat zij op stelselmatige wijze verkracht is. Zij is hierover in de loop der jaren steeds meer gepreoccupeerd geraakt, waardoor er nauwelijks ruimte is om over andere zaken te spreken met haar. De preoccupatie met de verkrachting en de drang die zij voelt om dit met anderen te delen, maakt dat zij andere mensen van zich [afduwt] en toenemend in een sociaal isolement is geraakt. Het niet geloofd worden door anderen tijdens het delen van de inhoudelijk heftige complottheorieën roept frustratie en verbale agressie op bij patiënte, maar resulteert eveneens in het risico zelf slachtoffer te worden van opgeroepen frustratie, irritatie en agressie door derden.”

Het gevaar bestaat volgens de geneeskundige verklaring hierin dat:

“(…) patiënte nog verder sociaal zal isoleren, het niet zal lukken om een baan te kunnen behouden en op die manier maatschappelijk ten onder zal gaan.

Gevaar dat patiënte door haar overtuiging en daaruit voorkomend gedrag agressie over zichzelf zal oproepen.”

2.4

Het gevaar – zo volgt uit de geneeskundige verklaring – is al gebleken doordat een dienstbetrekking van betrokkene is beëindigd omdat zij beschuldigingen uitte en collega’s of klanten lastig zou vallen met haar complottheorieën. Daarnaast heeft zij nog slechts zeer beperkt contact met haar familie en houdt zij dit contact af. Wanneer er wel contact is, kan de stemming van betrokkene snel omslaan waarbij zij verbaal dreigend wordt. Ter zitting heeft de behandelend psychiater dit toegelicht; zie blz. 3 van de beschikking. De psychiater heeft voorts naar voren gebracht dat dit gevaar niet anders af te wenden is dan met behulp van een gedwongen opname, omdat betrokkene geen enkel ziektebesef en –inzicht heeft. De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige heeft ter zitting bevestigd dat er bij betrokkene een lijdensdruk zichtbaar is. In gesprek met betrokkene is veel achterdocht merkbaar en uit zij complottheorieën waarbij zij aangeeft stelselmatig verkracht te worden.

2.5

De rechtbank heeft in dit geval niet volstaan met een herhaling van de wettekst, maar verwezen naar de geneeskundige verklaring en naar de ter zitting door de behandelend psychiater en de s.p.v. gegeven toelichting waarvan de inhoud uit de beschikking te kennen is. De rechter mag volstaan met een verwijzing naar bepaalde gedingstukken, mits de daaruit naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om voor de lezer duidelijk te maken op welke grond(en) de rechter heeft aangenomen dat aan de wettelijke vereisten m.b.t. het gevaar is voldaan3. Indien daaromtrent een relevant en voldoende concreet verweer is gevoerd en dit niet is gevolgd, moet uit de beschikking blijken waarom dit verweer is verworpen. In dit geval heeft de rechtbank vastgesteld dat in twee opzichten gevaar bestaat voor betrokkene zelf, als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz.

2.6

Bij ‘maatschappelijk ten gronde gaan’ kan worden gedacht aan een patiënt die als gevolg van de stoornis van zijn geestvermogens zijn maatschappelijke positie (bijvoorbeeld: zijn werkkring, woning, vermogen) of zijn sociale relaties (bijvoorbeeld: zijn gezin of contacten met familie, buren en vrienden) verliest en ongewenst in een maatschappelijk isolement raakt. Bij patiënten die niet over een werkkring, woning, vermogen en gezin beschikken kan in dit verband worden gedacht aan het vermogen om contacten met anderen te onderhouden en aan het dreigend verlies van het contact met vrienden of hulpverleners die de betrokkene in staat stellen zich zelfstandig in de maatschappij staande te houden. Ook indien het maatschappelijk te gronde gaan dreigt, moet steeds een afweging plaatsvinden of de kans en het onheil zodanig ernstig zijn dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is4.

2.7

Uit de motivering wordt duidelijk dat de rechtbank in dit geval bij het risico van maatschappelijk te gronde gaan in de eerste plaats heeft gedacht aan het risico van het verlies van haar werkkring, wegens de wijze waarop betrokkene ten gevolge van haar psychotische stoornis collega’s, klanten of anderen in haar problematiek betrekt op een wijze die niet gepast is. In de redenering van de rechtbank heeft dit risico zich al eens geopenbaard. Betrokkene heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat met haar vorige werkgever een vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat zij inmiddels een nieuwe baan heeft, maar zij heeft niet betwist dat zij haar vorige baan is verloren doordat zij anderen benaderde met haar – wat de psychiater noemt – ‘inhoudelijk heftige complottheorieën’. Daarnaast heeft de rechtbank, blijkens de motivering, het oog op het risico dat betrokkene zich van haar naaste familie vervreemdt. Ter zitting is (bij monde van de advocaat) bevestigd dat de contacten van betrokkene met haar familie ‘stroever’ verlopen en verminderd zijn5. Haar moeder heeft dit bevestigd en ook betrokkene zelf heeft ter zitting aangegeven dat ruzie ontstaat zodra haar ouders erover beginnen dat zij ziek zou zijn. Omdat betrokkene volgens de verklaringen geen ziektebesef heeft en de contacten met haar naaste familie verminderen, is niet onbegrijpelijk waarin de rechtbank het gevaar ziet dat betrokkene als gevolg van de stoornis steeds meer in een maatschappelijk isolement raakt. De motivering omvat zowel een oordeel over de kans dat dit onheil betrokkene treft, als een oordeel over de gevolgen voor betrokkene. Om dezelfde redenen is niet onbegrijpelijk waarom de rechtbank het verweer, bedoeld in het cassatierekest onder 1.3, niet heeft gevolgd. Dit verweer betrof kort gezegd, de mogelijkheden tot verzorging van zichzelf en tot het onderhouden van sociaal contact die betrokkene nog wel zou hebben.

2.8

Daarnaast bestaat volgens de rechtbank het gevaar dat betrokkene agressie van derden tegen zichzelf zal oproepen door haar hinderlijk gedrag6. Het gaat hier niet om gevaar voor anderen, maar om gevaar voor betrokkene zelf. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat dit gevaar wat fors is aangezet7, maar wat de rechtbank heeft bedoeld met ‘hinderlijk gedrag’ wordt genoegzaam duidelijk uit de verklaringen waarnaar de rechtbank verwijst. De rechtbank heeft, in navolging van de geneeskundige verklaring, klaarblijkelijk het oog op het isolement waarin betrokkene dreigt te geraken. Nu betrokkene als gevolg van haar stoornis anderen in haar ‘complottheorieën’ betrekt en ‘verbaal agressief’8 kan worden als zij niet wordt geloofd, is dat de rechtbank bevreesd dat dit gedrag agressieve reacties oproept die zich tegen betrokkene keren en genoemd isolement zullen versterken. De enkele mededeling in de pleitnota (onder 18) dat het haar nog nooit overkomen is dat zij om die reden agressief is bejegend, noopte de rechtbank niet tot een ander oordeel, noch tot een nadere motivering: zoals gezegd is niet vereist dat het te duchten onheil zich al heeft voorgedaan.

2.9

De klachten onder 1.4 en 1.5 falen om voormelde redenen. De klacht onder 1.5 faalt bovendien omdat de rechtbank op blz. 4 van haar beschikking nader uiteen heeft gezet waarom zij een vrijheidsbeneming voor dit tijdvak noodzakelijk achtte in verband met deze gevaren.

2.10

Onderdeel 2 is uitgewerkt in de subonderdelen 2.2 en 2.3 (subonderdeel 2.1 bevat geen klacht). Deze klagen dat de rechtbank ten onrechte of op onbegrijpelijke gronden aanneemt dat de door haar benoemde deskundige [betrokkene 2] alles in het werk heeft gesteld om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. Daarnaast wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank zonder aanvullend psychiatrisch onderzoek heeft kunnen oordelen dat betrokkene in haar geestvermogens gestoord is, nu ook de geneeskundige verklaring niet aan de eisen voldoet omdat psychiater [betrokkene 4] betrokkene niet persoonlijk heeft gesproken en geobserveerd.

2.11

Zowel Wet Bopz als de rechtspraak van het EHRM over art. 5, lid 1 onder e, EVRM laat de mogelijkheid open van een vrijheidsbeneming indien de betrokken patiënt weigert mee te werken aan het psychiatrisch onderzoek. In zulke gevallen behoort de psychiater, en in zijn voetspoor de rechtbank, zich in te spannen om zoveel mogelijk actuele informatie over de geestelijke toestand van de betrokkene te verkrijgen en rust op de rechtbank een verzwaarde motiveringsplicht9.

2.12

In de geneeskundige verklaring is opgemerkt:

“Patiënte heeft per mail reactie gegeven op de aangekondigde afspraken en hierbij nadrukkelijk duidelijk gemaakt deze afspraken niet op prijs te stellen. Hierdoor is het spijtig gezien niet gelukt patiënte zelf te beoordelen.“

2.13

Bij brief van 10 mei 2017 heeft de door de rechtbank aangewezen deskundige aan de rechtbank laten weten:

“(…) Ik heb verschillende malen, op verschillende manieren, contact gezocht met betrokkene: door haar te bellen, door een brief in haar brievenbus achter te laten en door via de mail contact te zoeken. Zij heeft, na dagen, op een e-mail van mij gereageerd door te mij te melden dat de door mij voorgestelde datum haar op te zoeken, haar niet uitkwam, maar een ander tijdstip (deze week) wellicht wel. Daar heb ik op geantwoord dat ik a.s. vrijdagmiddag bij haar thuis langs zou kunnen komen. (…)

Echter vandaag ontving ik van betrokkene opnieuw een mail, dit in antwoord op mijn eerdere voorstel haar a.s. vrijdag te bezoeken. In deze mail schrijft betrokkene, naast een aantal andere (negatieve) opmerkingen met betrekking tot dit voorgenomen psychiatrische onderzoek, dat zij a.s. vrijdag niet beschikbaar is.

(…)

Ik meen inmiddels ruimschoots voldoende tijd en moeite te hebben geïnvesteerd in pogingen om aan uw verzoek betrokkene thuis psychiatrisch te onderzoeken en aan u te rapporten, te voldoen, maar zonder succes: betrokkene blijkt niet bereid om (binnen enigszins redelijke termijn) mij toe te laten in haar huis. Ik geef de opdracht bij deze terug.”

2.14

Ter zitting van 29 mei 2017 heeft betrokkene verklaard:

“Ik ben niet ingegaan op een uitnodiging voor een afspraak met [betrokkene 2] omdat ik niet mijn hele leven wil laten afhangen van de uitslag van één gesprek met een psychiater.10

2.15

Uit dit alles heeft de rechtbank mogen opmaken dat de omstandigheid dat noch de psychiater [betrokkene 4] noch de psychiater [betrokkene 2] betrokkene persoonlijk heeft kunnen spreken en observeren niet het gevolg is van onvoldoende inspanning van deze psychiaters om met betrokkene in contact te komen, maar het gevolg is van haar weigering. Vervolgens mocht de rechtbank op basis van de wel beschikbare gegevens – te weten: hetgeen in de geneeskundige verklaring was vermeld over de informatie die psychiater [betrokkene 4] heeft verkregen uit het medisch dossier en van de behandelend psychiater −, in combinatie met de recente verklaringen van de behandelend psychiater en de s.p.v. ter zitting, tot de slotsom komen dat aan de vereisten in art. 2 Wet Bopz is voldaan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 Op dit punt mist het middel feitelijke grondslag. Deze voorlopige machtiging is verleend voor twee maanden.

2 TK 1970/71, 11 270, nr. 3 (MvT), blz. 12. Zie ook TK 1979/80, 11 270, nr. 12 (Nadere MvA), blz. 17 en 18.

3 HR 4 oktober 1996, NJ 1997/359 m.nt. JdB; HR 16 mei 1997, NJ 1998/221 m.nt. JdB. Zie voor een geval waarin de motivering tekort schoot: HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4771, NJ 2000/260.

4 Zie De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, aant. 3.4.3 op art. 2 (W. Dijkers).

5 Zie punt 16 en 17 van de pleitnota van de advocaat van betrokkene van 20 april 2017.

6 Zie art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz voor de omschrijvingen van ‘gevaar’.

7 Meestal wordt bij dit gevaar gedacht aan patiënten die in hun woonomgeving of in de openbare ruimte zodanige vormen van geluidsoverlast of fysieke hinder veroorzaken dat agressieve reacties van getergde omstanders niet zullen uitblijven.

8 Zie de geneeskundige verklaring rubriek 5; beschikking blz. 2 onderaan.

9 Zie De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, aant 2.3.3 op art. 5 (W. Dijkers).

10 Zie proces-verbaal van 29 mei 2017.