Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1030

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-08-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
16/01141
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2580, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Inhoud p-v van tz. in h.b., art. 311 en 326 Sv. Dient in p-v de zakelijke inhoud van dupliek van raadsman en laatste woord van verdachte te worden opgenomen? HR: art. 81.1 RO. CAG: Als bij dupliek of laatste woord een nieuw verweer of standpunt naar voren wordt gebracht, kan raadsman verzoeken dit op te nemen in het p-v. Verzoek om ex art. 326.4 Sv aantekening van aangevoerde te vragen is verantwoordelijkheid van raadsman. Samenhang met 16/01994 en 16/01997. Voorts samenhang met niet gepubliceerde zaken die op 20-12-2016 zijn afgedaan met art. 80a RO: 16/00799, 16/00907, 16/01554, 16/01999, 16/00998, 16/02000, 16/02005, 16/02008 en 16/02009 (geen middelen ingediend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01141

Zitting: 29 augustus 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 11 februari 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, wegens 1 en 2. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 3A. “witwassen ten aanzien van overgedragen gelden, meermalen gepleegd”, 3B. “medeplegen van witwassen ten aanzien van overgedragen gelden, meermalen gepleegd” en 4. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/01994 en 16/01997. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen dat de raadsman heeft gedupliceerd en dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatste te spreken, maar dat daarin niet is weergegeven wat bij die gelegenheden is gezegd.

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2015 houdt onder meer het volgende in:

“De advocaat-generaal repliceert.

De raadsman dupliceert.

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.”

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voldoet het proces-verbaal hiermee aan het bepaalde in art. 326 Sv in verbinding met art. 311 Sv.1 Wil de verdediging een schriftelijke beslissing op een verweer of een onderbouwd standpunt uitlokken, dan moet zij ervoor zorgen dat dit verweer of standpunt schriftelijk wordt vastgelegd. Dat kan zij doen door een pleitnota over te leggen waarin het verweer of standpunt is weergegeven dan wel door overeenkomstig het bepaalde in art. 326 lid 4 Sv te verzoeken dat het verweer of standpunt en de gronden waarop het berust worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting.2

4.3. De steller van het middel is bekend met deze rechtspraak, maar verzoekt de Hoge Raad om daarop terug te komen en als eis te stellen dat in het proces-verbaal ambtshalve ten minste een zakelijke weergave van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht wordt opgenomen. Daartoe voert de steller van het middel aan dat er praktische bezwaren kleven aan het bij dupliek telkens expliciet om verslaglegging van wat gezegd is te moeten verzoeken. Dat geldt ook voor het overleggen van een pleitnota van wat bij wijze van dupliek naar voren is gebracht.

4.4. Ik kan mij voorstellen dat het overleggen van een pleitnota in de fase van de dupliek in de meeste gevallen niet mogelijk is. De dupliek volgt immers in de regel meteen op de repliek, zoals ook in de onderhavige zaak het geval is geweest en als er dan nog iets nieuws naar voren wordt gebracht, dan zal de tijd te kort zijn om dat in een schriftelijke pleitnota vast te leggen. Doorgaans zullen verweren en onderbouwde standpunten echter al bij pleidooi naar voren zijn gebracht en als het goed is in een pleitnota zijn opgenomen en als zodanig deel uitmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting. Als bij dupliek of laatste woord alsnog een nieuw verweer of (onderbouwd) standpunt naar voren wordt gebracht, dan zie ik niet in waarom het op praktische bezwaren zou stuiten om te verzoeken dit verweer of standpunt op te nemen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dit levert bovendien het bijkomende voordeel op dat door de verdediging invloed kan worden uitgeoefend op welke wijze het standpunt of verweer in het proces-verbaal van de zitting wordt opgenomen, bijvoorbeeld door de voorzitter te verzoeken de griffier te laten voorlezen hoe hij een en ander heeft vastgelegd. De omstandigheid dat, zoals de steller van het middel het formuleert, een raadsman er niet altijd aan denkt om op grond van art. 326 lid 4 Sv te verzoeken om aantekening van hetgeen hij bij dupliek aanvoert, maakt dat mijns inziens niet anders en komt voor rekening en verantwoordelijkheid van de raadsman.

Daarbij moet worden aangetekend dat als een verdachte zonder de bijstand van een raadsman terecht staat, het wél aan de griffier en de rechter is om erop toe te zien dat het proces-verbaal de kern bevat van de door de verdachte gevoerde verweren en onderbouwde standpunten die een gemotiveerde beslissing vereisen.3

4.5. Het middel faalt.

5. Het tweede en het derde middel komen op tegen de bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3A en 3B tenlastegelegde feiten. Aangezien samenhang bestaat tussen deze feiten, zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.

5.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

(ZD 2, 10)

hij in de periode 4 maart 2004 tot en met 4 maart 2005 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een (model-) werkgeversverklaring betreffende [betrokkene 1] als bij de aanvraag voor een hypotheek voor de aankoop van de woningen [a-straat 1] te Nieuwegein en [b-straat 1] te Alphen a/d Rijn zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid (op) die (model-) werkgeversverklaring(en)

- aan te kruisen dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" terwijl er geen sprake was van een dienstverband, en

- te vermelden dat [betrokkene 1] , sinds 01 juni 2004 als inkoper werkzaam was bij het bedrijf [A] BV, en

- te vermelden een bruto jaarsalaris van 39.920,27 en een vakantietoeslag van 3.193,62 en een vaste eindejaarsuitkering van 2.000,- en een totaal (bruto) jaarsalaris van 45.113,89 terwijl van (een) salaris(componenten) geen sprake was, en

- een firma-stempel te plaatsen, en

- te ondertekenen als zijnde naar waarheid ingevuld.

2:

(ZD 5, 7)

hij in de periode 1 januari 2004 tot en met 23 november 2004 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een (model-) werkgeversverklaring betreffende [betrokkene 2] als bij de aanvraag voor een hypotheek voor de aankoop van de woningen [c-straat 1] te Rotterdam en [d-straat 1] te Bergen op Zoom) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid (op) die (model-) werkgeversverklaring(en)

- aan te kruisen dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" terwijl er geen sprake was van een dienstverband, en

- te vermelden dat [betrokkene 2] sinds 01 april 2004 als Sales Manager werkzaam was bij het bedrijf [B] BV, en

- te vermelden een bruto jaarsalaris van 37.243,83 en een vakantietoeslag van 2.979,51 en een vaste eindejaarsuitkering van 2.000,- en een totaal (bruto) jaarsalaris van 42.223,34 terwijl van (een) salaris (componenten) geen sprake was, en

- een firma-stempel te plaatsen, en

- te ondertekenen als zijnde naar waarheid ingevuld.

3:

(ZD 018)

A.

hij in de periode 1 januari 2004 tot en met 3 maart 2009 in Nederland, op meerdere tijdstippen, - geldbedragen, te weten de gelden die door middel van een contante storting zijn gestort op de bankrekeningen [001] en [002] van verdachte als vermeld op dossierpagina's 8162 t/m 8164 en 8185 t/m 8186, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij wist, bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

EN

B1 (primair).

hij in de periode 1 januari 2004 tot en met 14 juni 2007 in Nederland, op meerdere tijdstippen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- geldbedragen, te weten de gelden die door middel van een contante storting zijn gestort op de bankrekening [003] van de rechtspersoon [B] BV en/of op de bankrekening [004] van de rechtspersoon [A] BV als vermeld op dossierpagina's 8119 en 8159 t/m 8161, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

4:

hij in de periode 1 juni 2003 tot en met 19 januari 2010 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit het duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten naast verdachte de personen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , en de rechtspersonen [A] BV en [B] BV, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- oplichting (als in artikel 326 lid 1, SR),

- valsheid in geschrifte en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften (als in artikel 225 lid 1 en 2, SR),

- het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid hennep (als in artikel 3, sub B en C, OW),

- witwassen (als in artikel 420bis, lid 1, sub a en b, SR).”

5.2.

Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. Het verkorte arrest bevat daarnaast – voor zover hier van belang – de volgende bewijsoverwegingen:

“3.1. Vaststelling feiten

Informatie uit het register van de Kamer van Koophandel leert dat verdachte sinds 4 maart 2004 enig aandeelhouder en bestuurder is van [A] BV, welk bedrijf op diezelfde datum is opgericht. [A] BV is op zijn beurt vanaf 4 maart 2004 enig aandeelhouder en bestuurder van [B] BV, eveneens opgericht op 4 maart 2004. Verdachte heeft over [A] verklaard dat hij en [betrokkene 3] dit bedrijf samen hebben opgericht en dat zij daarvoor geld hebben geleend van [betrokkene 4] . Ook het bedrijf [B] had verdachte naar eigen zeggen samen met [betrokkene 3] .

Van [A] blijkt uit het dossier dat de administratie werd gedaan door een boekhouder genaamd [betrokkene 5] . [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij verdachte [verdachte] ‘via via’ heeft leren kennen: “Volgens mij via die [betrokkene 4] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 4] ). Zoals ik mij kan herinneren kwam die [verdachte] samen met [betrokkene 4] binnen (...). En of ik voor hem ook de administratie kon doen.” Verdachte heeft erkend dat de administratie door een boekhouder werd gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij de bankafschriften meenam naar de boekhouder en dat de rekeningen die hij van de boekhouder kreeg, door hem en [betrokkene 3] werden betaald.

Vanaf 14 juni 2007 is het bedrijf [B] BV overgegaan in het bedrijf [C] .

Uit naam van de bedrijven [A] BV (feit 1) en [B] BV (feit 2) zijn werkgeversverklaringen verstrekt aan de in de tenlastelegging genoemde personen. Deze werkgeversverklaringen zijn ondertekend en gestempeld door verdachte en gebruikt bij de aanvraag voor hypothecaire leningen voor de koop van de in de tenlastelegging genoemde woningen. Volgens de werkgeversverklaringen van [betrokkene 1] (feit 1) zou hij sinds 1 juni 2004 werkzaam zijn bij [A] BV (het hof begrijpt: [A] BV) als inkoper. [betrokkene 1] heeft verklaard in werkelijkheid niets voor het bedrijf te hebben ingekocht. Volgens de werkgeversverklaring van [betrokkene 2] (feit 2) is hij sinds 1 april 2004 werkzaam bij het bedrijf [B] BV en verdient hij jaarlijks in totaal € 42.223,34. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de gegevens op de betreffende werkgeversverklaring heeft ingevuld en dat de salarisgegevens niet naar waarheid zijn ingevuld.

In de woningen [a-straat 1] te Nieuwegein, [c-straat 1] te Rotterdam en [d-straat 1] te Bergen op Zoom zijn op een gegeven moment hennepkwekerijen aangetroffen. Het voorgaande is gerelateerd in de zaaksdossiers 2 en 10 (feit 1) en 5 en 7 (feit 2).

Daarnaast is zaaksdossier 3 van belang. Hierin wordt beschreven dat [betrokkene 6] eind mei 2005 een woning aan de [e-straat 1] te Tytsjerk heeft gekocht, en dat daarvoor op 15 juni 2005 een hypothecaire lening aan hem is verleend. [betrokkene 6] heeft omtrent de gang van zaken rond deze koop en hypotheekverlening verklaard:

“O: Op 31 oktober 2006 is er door [betrokkene 7] , van de Rabobank Nederland te Amsterdam, aangifte gedaan betreffende hypotheekfraude. In deze aangifte wordt onder zaak 3 de woning [e-straat 1] te Tytsjerk bedoeld.

V: Wat kun je daar over verklaren?

A: Ik had de woning aan de [f-straat 1] te Leeuwarden al gekocht toen een Vietnamese man aan mij vroeg of ik nog een woning aan de [e-straat 1] in Tytsjerk wilde kopen. Deze woning zou weer onderverhuurd worden. De Vietnamese man zou verder regelen hoe ik het huis zou moeten kopen.

V: Wie is die Vietnamese man?

A: Die man heet [betrokkene 3] .

V: Waar ken je die man van?

A: Ik ken hem via een andere man: [verdachte] . Ik ken [verdachte] al uit de tijd dat ik in Emmen woonde.

V: Je had al een woning gekocht. Hoe is het toen verder gegaan?

A: [betrokkene 3] en [verdachte] zeiden tegen mij dat ze alles verder zouden regelen en dat hebben ze ook gedaan.

(...)

V: Hoe lang heb je gewoond in de woning in Tytsjerk?

A: Ik heb nooit in de woning in Tytsjerk gewoond. Deze woning is verhuurd.

(...)

V: Aan wie is deze woning verhuurd?

A: Aan een Turkse man genaamd [...]. Ik kreeg van deze man € 1000,- per maand.

V: Wat deed jij met die € 1000,-?

A: Van de € 1000,- moest ik € 540,- aan aflossing van de hypotheek betalen, de rest was voor mijzelf.

V: Op welke manier kwam je terecht bij de Rabobank Bergum-Oostermeer?

A: Via [betrokkene 3] en [verdachte] , ik heb hun advies opgevolgd want ik spreek de Nederlandse taal niet. [betrokkene 3] en [verdachte] spreken de Nederlandse taal wel.

Het huis kostte € 164.000,- daarover heen kwam 10% administratiekosten. Ik moest van [betrokkene 3] en [verdachte] € 20.000,- extra lenen en hiervan moest ik 5% aan [betrokkene 3] en [verdachte] betalen.”

[betrokkene 6] heeft voorts verklaard dat [betrokkene 3] en [verdachte] beiden mee zijn geweest naar de notaris om het huis te kopen. [betrokkene 6] heeft medeverdachte [betrokkene 3] herkend als de door hem genoemde ‘ [betrokkene 3] ’. Toen [betrokkene 6] werd voorgehouden dat deze persoon in werkelijkheid [betrokkene 3] heet, verklaarde hij: “Het kan zijn dat ik het niet goed heb verstaan. Ik kom uit het Noorden van Vietnam, daar lijkt [betrokkene 3] en [betrokkene 3] qua uitspraak veel op elkaar". Dit is door de tolk die bij het verhoor aanwezig was, bevestigd.

[betrokkene 6] heeft daarnaast verdachte op een aan hem getoonde foto herkend als de door hem genoemde ‘ [verdachte] ’. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij via [verdachte] , verdachte, in contact is gekomen met [betrokkene 3] .

Ten aanzien van de aan de bank overgelegde werkgeversverklaring heeft [betrokkene 6] verklaard dat [betrokkene 3] dit document voor hem heeft geregeld en dat hij dit document bij zich had toen ze naar de bank gingen voor het afsluiten van de hypothecaire lening. [betrokkene 6] heeft in werkelijkheid nooit bij het op de werkgeversverklaring genoemde bedrijf gewerkt. Naast de werkgeversverklaring werden er loonspecificaties gemaakt om de hypotheek bij de bank af te kunnen sluiten. Het vermeende salaris dat op de rekening van [betrokkene 6] werd gestort, werd door hem opgenomen en vervolgens teruggeven aan [betrokkene 3] en [verdachte] , zo heeft [betrokkene 6] verklaard.

Op 26 maart 2006 is in de woning aan de [e-straat 1] te Tytsjerk een hennepkwekerij aangetroffen.

Naast het voorgaande is ook zaaksdossier 4 van belang. Dit zaaksdossier ziet op de koop van de woning aan de [g-straat 1] te Leeuwarden op 19 mei 2005 door [betrokkene 8] , echtgenote van [betrokkene 9] . Voor het bekostigen van deze woning is op 7 juli 2005 een hypothecaire lening aan voornoemde personen verstrekt. Bij de aanvraag voor die lening werd door [betrokkene 8] een werkgeversverklaring van het bedrijf [D] verstrekt, welke achteraf vals bleek te zijn. [betrokkene 9] heeft over de gang van zaken rond de koop van de woning en de hypotheekverlening verklaard:

“O: Op 31 oktober 2006, is er door [betrokkene 7] , werkzaam als senior adviseur Operationele Zaken bij de afdeling Crisismanagement en Fraudebestrijding van de Rabobank Nederland, gevestigd aan de Croeselaan 18 te 3521 CB Utrecht, aangifte gedaan betreffende hypotheekfraude. Deze aangifte heeft betrekking op het pand: [g-straat 1] te [plaats] .

V: Op welke manier kwamen jullie terecht bij de Rabobank Nederland?

A: Nadat ik de woning gevonden had ben ik naar de makelaar gegaan om het huis te kopen, vervolgens ben ik naar de Rabobank gegaan om een hypotheek af te sluiten. Bij de Rabobank was op dat moment een lage rente.

V: Is er iemand die jullie hierbij heeft geholpen cq. geïnformeerd?

A : Ja, we hebben hulp gehad van een tolk.

(...)

V: Hoe zag de tolk er uit?

A: Ik heb hem één keer ontmoet in de kroeg. Hij heeft zich vrijwillig aangeboden om op te treden als tolk.

(...)

Deze derde persoon heeft aangeboden om ons te helpen met de koop van de nieuwe woning. We hadden al een hypotheek en konden daardoor geen 2e hypotheek afsluiten.

V: Jullie konden geen 2e hypotheek afsluiten, hoe kan een derde persoon dan wel een hypotheek voor jullie afsluiten?

A: Ik weet niet hoe deze derde persoon dit heeft geregeld, wij moesten hem daarvoor betalen.

V: Hoeveel moesten jullie hem daarvoor betalen?

A: Wij moesten hem bijna € 2000,00 daarvoor betalen. Hij kon onze wensen waarmaken.

V: Hoe heet deze derde persoon?

A: Ik weet zijn naam niet. Jullie hebben mij eerder een foto laten zien, bij de eerste ontmoeting was deze man ook bij de derde persoon aanwezig. Wij moesten het hele salaris van mijn vrouw overmaken aan deze derde persoon.

O: Deze foto is voorzien van documentnummer OVG-007-25 (hof: dit betreft een foto van [betrokkene 4] ).

V: Jullie moesten eerst € 2000,00 betalen aan de derde persoon en vervolgens ook nog twee keer het salaris van jouw vrouw betalen aan deze derde persoon?

A: Ja, dat klopt. Wij waren de dupe van de derde persoon. Wij hebben [D] BV nog nooit gezien of gehoord.

V: Is de derde persoon de tolk?

A: Ja. Van vervalste documenten weten wij niets af. Door hulp van de derde persoon/tolk zijn wij nu de dupe geworden.

(…)

V: Wij tonen verdachte document OVG-007-29. Wie is dit?

A: Ja, dit is de tolk, ik ben hier zeker van, Ik herken hem door de bril. Er was ook nog een andere, oudere persoon bij.

V: Deze man met de bril heet [betrokkene 3] , ken je deze naam?

A: Nee, ik wist niet dat de tolk zo heette. Ik mocht in de kroeg geen namen weten.

V: Hoeveel personen waren er bij de eerste ontmoeting?

A: Vijf of zes personen waaronder een Nederlander, een Vietnamees en vermoedelijk een Indonesische. Ik weet niet welke nationaliteit de man met de bril heeft, ik vermoed Vietnamees of Chinees. Hij spreekt vloeiend Vietnamees. Ook was er nog een andere Vietnamees bij die ouder is dan de man met de bril.

V: Wij tonen je documentnummer OVG-007-03-01. Wie is deze persoon?

A: Dit is de oudere Vietnamese man. Ik weet zijn naam niet.

V: Deze man is genaamd: [verdachte] . Ken je die naam?”

[betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat de tolk ( [betrokkene 3] ) alle documenten bij zich had toen ze de hypotheek gingen afsluiten en dat hij en [betrokkene 8] beiden hun handtekening hebben gezet.

[betrokkene 8] heeft verklaard dat ene ‘ [...] ’ haar advies gaf om een huis te kopen, dat de overgelegde werkgeversverklaring vals is en dat zij dit document van ‘ [...] ’ gekregen heeft. Daarnaast heeft zij verklaard dat ze niet daadwerkelijk in de betreffende woning hebben gewoond.

Op 7 maart 2006 is in de woning een hennepkwekerij aangetroffen.

[D] / [betrokkene 4]

Alle werkgeversverklaringen in de zaaksdossiers 3 en 4 zijn afgegeven door het bedrijf [D] . Dit betreft een bedrijf op naam van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] heeft verklaard dat dit het tweede bedrijf is dat hij op verzoek van ‘ [betrokkene 3] ’ ( [betrokkene 3] ) - tegen betaling - op naam kreeg. [betrokkene 4] heeft werkgeversverklaringen ondertekend, terwijl hij nooit daadwerkelijk iemand voor het bedrijf heeft zien werken. [betrokkene 4] was alleen op papier eigenaar en heeft nooit enige controle binnen het bedrijf uitgevoerd. [betrokkene 3] was feitelijk de eigenaar.

(…)

3.3.

Conclusie

3.3.1

Algemeen

Verdachte heeft de bedrijven [A] BV en [B] BV samen met medeverdachte [betrokkene 3] opgericht. Van [betrokkene 3] is op basis van de hiervoor aangehaalde verklaringen gebleken dat hij meermalen mensen van Vietnamese afkomst, die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren, heeft benaderd/geadviseerd om woningen te kopen en dat hij ook daadwerkelijk bij de koop en hypotheekverstrekking van die woningen betrokken is geweest, zoals hiervoor is uiteengezet. De werkgeversverklaringen die in het kader van de hypotheekverstrekking werden overgelegd, bleken vals te zijn en na verloop van tijd werd er in nagenoeg alle voornoemde woningen een hennepkwekerij aangetroffen.

Het hof constateert dat de hierboven beschreven gang van zaken in de verschillende zaaksdossiers vrijwel steeds gelijk is en dat de zaken onderling een zodanige gelijkenis vertonen, dat kan worden vastgesteld dat het een bewust vooropgezette fraudeconstructie betreft. Aangenomen kan worden dat de rechtspersonen [A] BV en [B] BV puur en alleen in het kader van deze constructie zijn opgericht, met het doel om de ‘kopers’ de voor een hypothecaire lening benodigde arbeidsverhouding en inkomen te verschaffen. In werkelijkheid betroffen dit ‘lege’ BV’s en werden op deze wijze banken opgelicht. Een en ander vindt bevestiging in verdachtes eigen verklaring bij de politie over [A] BV, inhoudende dat dit een fictief bedrijf betrof en dat de mensen in dienst waren “om hypotheken te kunnen afsluiten”.

Dat deze verklaring van verdachte niet alleen berust op kennis die hij later heeft opgedaan, kan ten eerste worden afgeleid uit het feit dat hij de bedrijven met [betrokkene 3] heeft opgericht en dat zij daartoe geld hebben geleend van medeverdachte [betrokkene 4] . Verdachte is niet alleen bij de notaris geweest maar ook bij de boekhouder [betrokkene 5] om te vragen of hij de administratie voor [A] BV wilde doen, en heeft vervolgens gezorgd dat de boekhouder de beschikking kreeg over de rekeningafschriften en dat de rekeningen van de boekhouder door hem en [betrokkene 3] werden betaald, zo blijkt uit zijn eigen verklaring. Hieruit leidt het hof af dat de betrokkenheid van verdachte verder ging dan het enkel op naam hebben van de bedrijven.

Daarnaast blijkt dat verdachte - anders dan hij heeft aangevoerd - actief betrokken is geweest bij de hypotheekfraude die is gerelateerd in de zaaksdossiers 3 en 4. Verdachte is degene die [betrokkene 6] in contact heeft gebracht met [betrokkene 3] , die [betrokkene 6] samen met [betrokkene 3] heeft geadviseerd over een hypotheekverstrekker en feitelijk mee is geweest naar de notaris. Ook is gebleken dat verdachte betrokken was bij de voorgewende salarisbetalingen, nu [betrokkene 6] deze bedragen na ontvangst moest opnemen en terug moest geven aan [betrokkene 3] én verdachte.

Ten aanzien van zaaksdossier 4 is voorts gebleken dat verdachte aanwezig was toen [betrokkene 9] en [betrokkene 8] door [betrokkene 3] werden benaderd om een woning te kopen en dat hij ook daadwerkelijk aan het gesprek tussen hen heeft deelgenomen.

Op basis van het voorgaande kan het hof niet anders dan concluderen dat verdachte van meet af aan op de hoogte is geweest van de fraudeconstructie en dat hij hieraan actief heeft meegewerkt.

Hoe een en ander zich tot de ten laste gelegde feiten verhoudt, zal hierna uiteen worden gezet.

3.3.2.

Feit 1 en 2 ((mede)plegen valsheid in geschrifte)

Op basis van de vaststelling dat [A] BV en [B] BV fictieve bedrijven betroffen, kan worden geconcludeerd dat er in werkelijkheid geen personen werkzaam zijn geweest voor deze bedrijven en dat de onder 1 en 2 genoemde werkgeversverklaringen derhalve volledig vals zijn, en niet alleen voor wat betreft de functie en het salaris, zoals uit de verklaringen van respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zou kunnen worden afgeleid. Dat de loonbetalingen die aanvankelijk aan de betreffende personen werden gedaan, kort na de hypotheekverlening of de aanvraag daartoe, zijn gestopt, bevestigt dit.

De vraag die vervolgens voorligt is of verdachte op het moment dat hij de werkgeversverklaringen tekende, wist dat deze werkgeversverklaringen vals waren. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.3.1. is overwogen kan worden vastgesteld dat verdachte reeds op het moment dat hij de werkgeversverklaringen tekende, wist dat [A] BV en [B] BV ‘lege’ BV’s waren, waar in werkelijkheid geen mensen werkzaam waren. Derhalve had verdachte op het moment van ondertekenen opzet op de valsheid van de in de tenlastelegging genoemde werkgeversverklaringen.

Met betrekking tot zowel feit 1 als feit 2 geldt dat sprake is van medeplegen, nu iemand anders de gegevens heeft ingevuld en verdachte, conform de afspraak met [betrokkene 3] , de stukken heeft ondertekend en gestempeld. Aldus was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en één of meerdere andere perso(o)n(en).

3.3.3.

Feit 3 A en B (witwassen)

Feit 3A

Onder 3 A wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van het witwassen van gelden die door middel van contante stortingen op verdachtes privérekeningen zijn gestort.

Uit de lijst van contante stortingen op p. 8162-8164 van het dossier (ordner 28) blijkt dat er in de periode van 19 februari 2004 tot en met 3 maart 2009 in totaal € 129.550,- op verdachtes privérekening van de ABN-Amrobank is gestort. Op de rekening van de Rabobank is in de periode van 7 januari 2004 tot en met 14 november 2007 in totaal € 66.420,- gestort, zo blijkt uit de lijst op p. 8185-8181.

Omtrent de vraag of kan worden vastgesteld dat deze gelden uit misdrijf afkomstig zijn, is van belang dat het enige inkomen dat van verdachte bekend is, inkomen betreft uit werkzaamheden van [D] . Blijkens informatie van de Belastingdienst gaat het hierbij in 2005 om een jaarinkomen van € 18.741,- en in 2006 van € 23.701,-. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.1. en 3.3.1. is overwogen, stelt het hof vast dat (ook) het bedrijf [D] een fictief bedrijf betrof, waar in werkelijkheid geen werkzaamheden werden verricht. Het aan de Belastingdienst opgegeven inkomen maakt derhalve deel uit van dezelfde schijnconstructie en betreft geen legaal inkomen. Ook anderszins is er geen (legaal) inkomen van verdachte bekend. Verdachte heeft bovendien geen aannemelijke verklaring gegeven over de herkomst van de op zijn rekening gestorte bedragen.

Nu is komen vast te staan dat verdachte heeft meegewerkt aan een schijnconstructie en zich schuldig heeft gemaakt aan hypotheekfraude, waarbij geld uit hennepteelt werd verdiend - zoals hierna nog zal worden overwogen - kan het voorgaande niet tot een andere conclusie leiden dan dat de op de rekeningen van verdachte gestorte gelden van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan op de hoogte was.

Verdachte heeft deze gelden verworven en voorhanden gehad. Daarnaast blijkt uit het dossier dat van de rekening van de ABN-Amrobank van verdachte ( [001] ) uitgaven zijn gedaan. In zoverre is er tevens sprake van het ‘overdragen’ van gelden die uit misdrijf afkomstig zijn.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte het voorgaande tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat hij van dat onderdeel zal worden vrijgesproken.

Feit 3B

Onder 3B wordt verdachte primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van witwassen van geldbedragen die op de rekeningen van [B] BV én [A] BV zijn gestort.

Uit de lijst op p. 8119 van het dossier (ordner 24) blijkt dat er in de periode van 20 februari 2004 tot en met 5 juni 2007 in totaal € 93.640,- op de rekening van [B] BV is gestort. Op de rekening van [A] BV is in de periode van 25 maart 2004 tot en met 3 maart 2009 in totaal € 121.590,- gestort. Nu slechts kan worden vastgesteld dat verdachte tot 14 juni 2007 betrokken is geweest bij dit bedrijf - vanaf die datum is het bedrijf overgenomen en voortgezet onder de naam [C] - , zijn slechts de stortingen van belang die tot die datum zijn gedaan. In totaal gaat het dan om € 92.080,-.

(…)

Het hof stelt voorop dat - zoals hiervoor is overwogen - de betreffende bedrijven [B] BV en [A] BV bedrijven waren waarbinnen geen enkele (legale) bedrijfsmatige activiteit werd ontplooid. Van het uitbetalen van eerlijk, legaal salaris is derhalve nooit sprake geweest. Voorts biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat er binnen [B] BV en [A] BV gelden werden rondgepompt, in die zin dat steeds hetzelfde bedrag werd gestort, opgenomen en opnieuw gestort.

Nu is gebleken dat de bedrijven deel uit maakten van een schijnconstructie, gericht op het plegen van hypotheekfraude en het (vervolgens) exploiteren van hennepkwekerijen, kan - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - worden vastgesteld dat van legale inkomsten geen sprake is geweest en dat de gelden die op de bedrijfsrekeningen zijn gestort van misdrijf afkomstig waren.

Voorts blijkt dat verdachte van de stortingen van deze illegale gelden op de hoogte is geweest. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de rekeningafschriften van de rekening van [B] BV ontving en dat hij zag dat er (grote) bedragen binnenkwamen. Op grond van verdachtes verklaring dat hij (ook) de rekeningafschriften van [A] ontving en dat hij deze meenam naar de boekhouder, leidt het hof af dat verdachte ook van de stortingen op deze rekening op de hoogte is geweest.

Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat de gelden werden gestort op bedrijfsrekeningen waarover verdachte feitelijk zeggenschap had - verdachte was naar eigen zeggen de enige gemachtigde voor de rekening -, hij samen met [betrokkene 3] hypotheekfraude heeft gepleegd en [betrokkene 3] kennelijk over de bankpasjes van de rekeningen beschikte en ook toegang had tot de rekeningen middels internetbankieren, kan worden bewezen dat verdachte de betreffende gelden tezamen en in vereniging met een ander heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Nu ten aanzien van beide rekeningen is gebleken dat hiervan (zogenaamde) salarisbetalingen zijn verricht, kan in zoverre tevens worden bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, gelden heeft overgedragen waarvan hij wist dat die van misdrijf afkomstig waren.

3.3.4.

Feit 4 (criminele organisatie)

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte, hennepteelt en/of witwassen. (…)

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke organisatie. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte samen met [betrokkene 3] de bedrijven [A] BV en [B] BV opgericht en waren deze bedrijven onderdeel van een fraudeconstructie waaraan verdachte heeft meegewerkt. Verdachte heeft niet alleen de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde valsheid in geschrifte gepleegd, maar is ook actief betrokken geweest bij andere gevallen van hypotheekfraude en het oplichten van banken, waarbij met name gewezen kan worden op de belastende verklaring van [betrokkene 6] . Aldus heeft verdachte deel uitgemaakt van voornoemde organisatie en daarin een belangrijke rol gespeeld. In plaats van zelf als katvanger te worden aangemerkt, is hij juist degene die katvangers heeft benaderd en is gebleken dat hij bij verschillende fases van de fraude betrokken is geweest, waaronder valsheid in geschrifte, oplichting en witwassen.

In de tenlastelegging is voorts opgenomen dat de criminele organisatie tevens het telen en verkopen van hennep (kort gezegd) ten doel zou hebben. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

In geen van de hiervoor weergegeven zaken waarbij woningen met behulp van valse werkgeversverklaringen zijn gekocht en gefinancierd, hebben de kopers deze zelf voor bewoning gebruikt. Daarnaast is van belang dat in nagenoeg alle gevallen na verloop van tijd een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Dit, in samenhang met het feit dat er grote geldbedragen op de rekeningen van verdachte en zijn bedrijven werden gestort (feit 3A en 3B), en er geen andere verklaring is gegeven voor het op deze wijze aanschaffen van woningen, stelt het hof vast dat de huizen zijn gekocht met het doel om hierin een hennepkwekerij te exploiteren en daaruit inkomsten te verwerven.

Gelet op verdachtes nauwe betrokkenheid bij de overige strafbare feiten en zijn samenwerking met [betrokkene 3] , kan het niet anders zijn dan dat verdachte hiervan (ook) op de hoogte is geweest. Bevestiging hiervoor is te vinden in de verklaring van [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris, inhoudende dat ‘ [betrokkene 3] ’ hem verwees naar verdachte omdat verdachte meer zou weten van het opzetten van kwekerijen. Bij de politie heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij door verdachte in de hennep ‘is gerold’ en dat de hennepkwekerij die in de woning aan de [d-straat 1] is aangetroffen vermoedelijk eigendom was van de persoon die aan hem werd voorgesteld door verdachte.”

5.3.

Het tweede middel klaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde opzet op de valsheid en het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te (doen) gebruiken niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed.

5.4.

Het middel richt zich blijkens de toelichting in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de verdachte van meet af aan op de hoogte is geweest van de fraudeconstructie en hieraan actief heeft meegewerkt. Bij dit oordeel heeft het hof vooral acht geslagen op verdachtes verklaring dat [A] BV een fictief bedrijf was en dat mensen in dienst waren om hypotheken te kunnen afsluiten (bewijsmiddel 25). Volgens de toelichting op het middel is de verdachte pas tot dit bewustzijn gekomen tijdens de politieverhoren toen hij door de politie met feiten uit het onderzoek werd geconfronteerd en kan dus uit deze verklaring van de verdachte niet worden afgeleid dat er in de bewezenverklaarde periode al opzet op valsheid bestond bij de verdachte.

5.5.

Ik stel voorop dat het hof heeft vastgesteld dat [A] BV en [B] BV in het kader van een fraudeconstructie zijn opgericht met als doel om kopers van woningen de voor een hypothecaire lening benodigde (fictieve) arbeidsverhouding en inkomen te verschaffen, terwijl dit in werkelijkheid lege bv’s waren waarin geen mensen werkzaam waren. Die vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de verdachte van meet af aan op de hoogte is geweest van deze fraudeconstructie, dat hij hieraan actief heeft meegewerkt en daarom wist dat [A] BV en [B] BV lege bv’s waren. Op grond hiervan heeft het hof bewezen geacht dat de verdachte op het moment van het ondertekenen van de werkgeversverklaringen opzet had op de valsheid van deze werkgeversverklaringen.

5.6.

Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd dat de verklaring van de verdachte, dat [A] BV een fictief bedrijf was en dat mensen in dienst waren om hypotheken te kunnen afsluiten, niet alleen berust op kennis die de verdachte later heeft opgedaan. Verdachtes betrokkenheid bij [A] BV en [B] BV bestond volgens het hof niet alleen uit het op naam hebben van de bedrijven maar ook uit actieve betrokkenheid bij de hypotheekfraude in de zaakdossiers 3 en 4.

5.7.

In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat de in de zaakdossiers 3 en 4 voorkomende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na de feiten die onder 1 en 2 zijn bewezenverklaard. Dat laat echter onverlet dat het hof uit de zaakdossiers 3 en 4 wel kon afleiden dat de verdachte al vanaf het voorjaar van 2005 actief betrokken was bij de fraudeconstructie, zodat hij daar toen in ieder geval al van op de hoogte was. Ik begrijp de overwegingen van het hof daarom zo dat het hiermee vooral tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte al voor de politieverhoren op de hoogte was van de fraudeconstructie. Daarmee heeft het hof de in hoger beroep bij pleidooi betrokken stelling dat verdachtes “erkenningen van de valsheden zijn gebaseerd op kennis achteraf, met name ook informatie waarmee hij door de recherche werd geconfronteerd”4 verworpen.

5.8.

Ook in de overweging dat de betrokkenheid van de verdachte verder ging dan het enkel op naam hebben van de bedrijven ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte vanaf het begin op de hoogte moet zijn geweest van de fraudeconstructie. Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen allereerst vastgesteld dat de verdachte de bv’s samen met [betrokkene 3] heeft opgericht met geld dat zij hadden geleend van de medeverdachte [betrokkene 4] , die ook van de hoed en de rand wist. Vervolgens is de verdachte (blijkens bewijsmiddel 6 samen met [betrokkene 4] ) naar boekhouder [betrokkene 5] gegaan om hem te vragen of hij de administratie voor [A] BV wilde doen en heeft de verdachte ervoor gezorgd dat de boekhouder de beschikking kreeg over de rekeningafschriften en werden de rekeningen van de boekhouder door de verdachte en door [betrokkene 3] betaald.
Daarnaast houden de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte in, dat hij de bedrijven [A] BV en [B] BV samen met [betrokkene 3] had, dat hij als enige gemachtigd was voor de bankrekeningen van [A] BV en [B] BV (bewijsmiddel 3), dat hij inzicht had in alle dagafschriften van [B] BV en zag dat er geld binnenkwam en weer uitging (bewijsmiddel 65).

5.9.

Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte van meet af aan op de hoogte is geweest van de fraudeconstructie en hieraan actief heeft meegewerkt niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof dat de verdachte op het moment dat hij de werkgeversverklaringen ondertekende en van stempels voorzag opzet had op de valsheid hiervan is evenmin onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

5.10.

Verder meen ik dat in het licht van het vorenstaande het hof uit de bewijsmiddelen 12, 26, 30 en 36, inhoudende de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , het oogmerk om de werkgeversverklaringen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, kon afleiden. Volgens deze bewijsmiddelen heeft de verdachte deze valse werkgeversverklaringen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gegeven nadat hij ze had ondertekend en van een firmastempel had voorzien, kennelijk om deze door hen te doen gebruiken bij de aanvraag van hypotheken.

5.11.

De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is dus voldoende met redenen omkleed.

5.12.

Het middel faalt.

6. Het derde middel komt met drie klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3A en 3B tenlastegelegde. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof bij beide bewezenverklaringen geen keuze heeft gemaakt tussen het verwerven, voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen terwijl dit wel van belang is voor de kwalificeerbaarheid van hetgeen is bewezen verklaard, in de tweede plaats kan het overdragen van gelden die contant op desbetreffende rekeningen zijn gestort niet uit de bewijsmiddelen blijken en tot slot is het medeplegen van het onder 3B1 bewezenverklaarde evenmin naar de eis der wet met redenen omkleed.

6.1.

Voor de beoordeling van de klachten is van belang dat het hof onder 3A en 3B bewezen heeft verklaard dat de verdachte (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) “geldbedragen, te weten de gelden die door middel van een contante storting zijn gestort (…) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen”. In de bewijsoverwegingen komt tot uitdrukking dat ten aanzien van elk van de stortingen sprake is van verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige geldbedragen. Ten aanzien van geldbedragen die van de betrokken bankrekeningen zijn overgeboekt is sprake van overdragen van uit misdrijf verkregen gelden. Het hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot het verwerven en voorhanden hebben van de gestorte geldbedragen. Slechts het overdragen van geldbedragen van deze rekeningen heeft het hof gekwalificeerd als witwassen.

6.2.

Ik zal eerst de tweede klacht bespreken, omdat de eerste klacht hierop voortborduurt. De tweede klacht komt erop neer dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien de bewijsconstructie de reële mogelijkheid openlaat dat de geldbedragen die zijn overgedragen niet in relatie staan tot de op de rekening gestorte uit misdrijf afkomstige contanten, maar hun herkomst (zouden kunnen) vinden in girale bijschrijvingen. Oftewel, uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de overgedragen geldbedragen zijn te relateren aan de gestorte geldbedragen.

6.3.

Het hof heeft bewezen geacht dat de overgedragen gelden bestonden uit gelden die contante gestort waren op de bankrekeningen [001] , [003] en [004] . De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden met betrekking tot deze bankrekeningen – voor zover hier van belang – het volgende in.
In de periode van 19 februari 2004 tot en met 3 maart 2009 zijn 81 geldbedragen gestort op de bankrekening met rekeningnummer [001] tot een totaalbedrag van € 129.550,00 (bewijsmiddel 54). In de periode van 22 juni 2005 tot en met 13 maart 2006 zijn vijftien geldbedragen overgeboekt vanaf deze bankrekening tot een totaalbedrag van € 3.787,25 (bewijsmiddel 57).

In de periode van 20 februari 2004 tot en met 5 juni 2007 zijn 29 geldbedragen gestort op de bankrekening met rekeningnummer [003] tot een totaalbedrag van € 93.640,00 (bewijsmiddel 59). In de periode van 21 mei 2004 tot en met 27 juli 2004 zijn drie geldbedragen overgeboekt vanaf deze bankrekening naar [betrokkene 2] met als omschrijving “loon” tot een totaalbedrag van € 5.876,04 (bewijsmiddel 62).

In de periode van 25 maart 2004 tot en met 5 juni 2007 zijn 34 geldbedragen gestort op de bankrekening met rekeningnummer [004] tot een totaalbedrag van € 92.080,00, (bewijsmiddel 61). In de periode van 27 juli 2004 tot en met 25 augustus 2004 zijn twee geldbedragen overgeboekt vanaf deze bankrekening naar [betrokkene 1] met als omschrijving “loon” tot een totaalbedrag van € 3.926,40 (bewijsmiddel 63).5

6.4.

Uit deze bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid welke van de gestorte geldbedragen zijn overgeboekt en daarmee zijn overgedragen. De gestorte geldbedragen zijn immers door de storting vermengd met het op de betreffende bankrekening aanwezige vermogen en laten zich daarom niet meer individualiseren binnen het op de betreffende bankrekening aanwezige vermogen.

6.5.

Als zich op de betreffende bankrekeningen enkel geld afkomstig van contante stortingen bevond, betreft elke overboeking een geldbedrag dat afkomstig is van contante stortingen. In dat geval kan het overdragen dan ook volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen en is de bewezenverklaring in zoverre voldoende met redenen omkleed.

6.6.

Als, zoals de steller van het middel oppert, op de betreffende bankrekeningen niet alleen de van misdrijf afkomstige geldbedragen zijn gestort, maar tevens legale geldbedragen werden bijgeschreven, dan zijn de gestorte geldbedragen vermengd met de legale vermogensbestanddelen. Het op de bankrekeningen aanwezige vermogen bestaat in dat geval gedeeltelijk uit gestorte geldbedragen. In dat geval kan worden aangenomen dat de overgeboekte geldbedragen in ieder geval gedeeltelijk bestonden uit de gestorte geldbedragen, zodat ook in dit geval het overdragen van gelden die contant zijn gestort op de bankrekeningen [001] , [003] en [004] kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
Ten overvloede merk ik op dat, indien daadwerkelijk sprake zou zijn van vermenging van de gestorte, van misdrijf afkomstige geldbedragen met legaal vermogen, het op de bankrekeningen aanwezige vermogen en elke overboeking uit dat vermogen zou kunnen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.6 Het overboeken en daarmee overdragen van gelden vanaf de bankrekeningen zou daarom – afgezien van de formulering van de onderhavige tenlastelegging – naar mijn mening zonder meer als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.

6.7.

Gelet op het vorenstaande kan de tweede klacht niet slagen.

6.8.

De eerste in het middel vervatte klacht houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het heeft bewezenverklaard dat de verdachte geldbedragen “heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen”, aangezien het hof heeft verzuimd een keuze te maken uit de tenlastegelegde alternatieven, terwijl die keuze van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde, namelijk voor de kwalificeerbaarheid en de strafbaarheid. Het hof had volgens de steller van het middel in de bewezenverklaring niet in het midden mogen laten welke van de gelden die door middel van een contante storting waren gestort vervolgens zijn overgedragen. Daardoor is, zo begrijp ik de klacht, niet duidelijk geworden welk deel van de contante stortingen door het hof als witwassen in de zin van overdragen is gekwalificeerd.

6.9.

Zoals ik hiervoor al opmerkte, kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid welke van de gestorte geldbedragen zijn overgedragen. Toch is gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals ik hiervoor onder 6.3 heb weergegeven, en de bewijsoverwegingen volstrekt duidelijk welke handelingen het hof heeft aangemerkt als het overdragen van gelden die door middel van een contante storting waren gestort op de bankrekeningen [001] , [003] en [004] , namelijk:

- ten aanzien van bankrekening [001] de vijftien overboekingen in de periode van 22 juni 2005 tot en met 13 maart 2006 tot een totaalbedrag van € 3.787,25;

- ten aanzien van bankrekening [003] de drie overboekingen in de periode van 21 mei 2004 tot en met 27 juli 2004 tot een totaalbedrag van € 5.876,04;

- ten aanzien van bankrekening [004] de twee overboekingen in de periode van 27 juli 2004 tot en met 25 augustus 2004 tot een totaalbedrag van € 3.926,40.

6.10.

Mijns inziens kan gelet op het vorenstaande geen onduidelijkheid bestaan over welke handelingen het hof als het overdragen van gelden die door middel van een contante storting waren gestort op de bankrekeningen [001] , [003] en [004] heeft aangemerkt, zodat duidelijk is welk handelen het hof als witwassen heeft gekwalificeerd. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld welke van de gestorte geldbedragen zijn overgedragen, doet daar mijns inziens niet aan af.

6.11.

Ten slotte klaagt het middel dat de bewezenverklaring van het onder 3B tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het medeplegen van het overdragen niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Gesteld wordt dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat [betrokkene 3] de overboekingen van de rekeningen van [A] BV en [B] BV heeft verricht, terwijl uit de bewijsconstructie niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de overboekingen dan wel dat sprake is van een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het overdragen die van voldoende gewicht is om van medeplegen te mogen spreken.

6.12.

Uitgangspunt is dat de kwalificatie medeplegen alleen gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Met name wanneer de bijdrage niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering maar uit gedragingen die gewoonlijk met medeplichtigheid in verband worden gebracht moet het bewijs van het medeplegen nauwkeurig worden gemotiveerd. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.7

6.13.

De hiervoor onder 5.2 weergegeven bewijsoverwegingen van het hof houden onder meer het volgende in. De verdachte, die samen met [betrokkene 3] [A] BV en [B] BV heeft opgericht, was van meet af aan op de hoogte van de fraudeconstructie met betrekking tot deze bv’s, heeft actief aan deze fraudeconstructie meegewerkt en wist dat deze bv’s ‘leeg’ waren en daarin geen mensen werkzaam waren. Hij was op de hoogte van de stortingen van illegale gelden op de bankrekeningen van deze bv’s, aangezien hij de rekeningafschriften van beide bankrekeningen ontving en ten aanzien van [B] BV heeft verklaard dat hij op de rekeningafschriften zag dat er (grote) bedragen binnenkwamen. Bovendien werden de gelden gestort op rekeningen waarover hij feitelijke zeggenschap had, aangezien hij de enige gemachtigde was voor de bankrekeningen van deze bv’s. Voorts heeft de verdachte de hypotheekfraude gepleegd samen met [betrokkene 3] , die de beschikking had over de bankpasjes van de rekeningen en toegang had tot de rekeningen middels internetbankieren.

6.14.

Daarnaast houden de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in dat de verdachte heeft verklaard dat de boekhouder rekeningen naar hem stuurde, waarna [betrokkene 3] en hij deze rekeningen betaalden vanaf de rekeningen van [A] BV en [B] BV (bewijsmiddel 5), hij contant geld kreeg van [betrokkene 3] dat hij moest storten op de rekening van [A] BV, welke rekening op zijn naam stond (bewijsmiddel 64) en hij op de rekeningafschriften van [B] BV zag dat er geld uitging (bewijsmiddel 65).

6.15.

Uit het vorenstaande volgt dat de betrokkenheid van de verdachte niet beperkt is gebleven tot het openen van de rekeningen van [A] BV en [B] BV en het afgeven van de pasjes aan [betrokkene 3] . Integendeel, hij was op de hoogte van de stortingen op en betalingen via de rekeningen, stortte zelf geld op – in ieder geval – de rekening van [A] BV en verrichtte zelf een of meer betalingen vanaf de bankrekening van [A] BV en/of de bankrekening van [B] BV. De overboekingen vanaf de bankrekeningen zoals die uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijken, stonden bovendien in verband met de hypotheekfraude waarbij de verdachte actief betrokken was. Het betrof immers overboekingen aan [betrokkene 2] respectievelijk [betrokkene 1] onder de noemer “loon”, terwijl zij in werkelijkheid niet werkzaam waren bij [A] BV en [B] BV.

6.16.

Gelet op het voorgaande, maar ook op de overwegingen van het hof omtrent de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, meen ik dat uit de bewijsvoering van het hof kan volgen dat de bijdrage van de verdachte zowel ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben als ten aanzien van het overdragen van de gelden van voldoende gewicht is om medeplegen aan te nemen. Daarbij meen ik dat, anders dan in de toelichting op het middel tot uitgangspunt lijkt te zijn genomen, het overdragen niet los gezien kan worden van het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen. Ik acht het oordeel van het hof dat de verdachte de bewezenverklaarde geldbedragen tezamen en in vereniging met de medeverdachte [betrokkene 3] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen dan ook niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd. De bewezenverklaring is dus voldoende met redenen omkleed, zodat ook de derde klacht tevergeefs is voorgesteld.

6.17.

Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.

7. Het vierde middel komt met twee klachten op tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

7.1.

In het bestreden arrest heeft het hof onder het kopje “Oplegging van straf en/of maatregel” het volgende overwogen ten aanzien van het tijdsverloop:

“Zowel voor de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep geldt dat deze meer dan twee jaren heeft geduurd. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is hierbij evenwel geen sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In dit kader is van belang dat de onderhavige zaak deel uitmaakt van een groot onderzoek en het een zeer omvangrijk dossier betreft. De zaken van verdachte en medeverdachten zijn in 2011 gezamenlijk op zitting aangebracht bij de (toenmalige) rechtbank Assen. In een deel van de zaken, waaronder die van verdachte, is na meerdere (regie)zittingen door de rechtbank uitspraak gedaan op 26 februari 2013. In de zaken van de overige verdachten is aanvankelijk bij vonnis van 29 oktober 2012 tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie beslist, welk vonnis door het hof bij arrest van 12 december 2013 werd vernietigd en waarbij de zaken werden teruggewezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft in deze zaken vervolgens uitspraak gedaan op 16 januari 2015.

Vanwege de onderlinge samenhang is besloten de behandeling van het door verdachte en medeverdachten in 2013 ingestelde hoger beroep te bundelen met het hoger beroep dat door medeverdachten naar aanleiding van het vonnis in 2015 werd ingesteld. Het belang van een gezamenlijke behandeling is daarbij met name gelegen in het feit dat het hof de rol van de verdachte in perspectief kan plaatsen van het aandeel van iedere verdachte binnen de context van het gehele onderzoek. Aldus kan het hof beter tot een afgewogen oordeel komen in iedere zaak afzonderlijk zowel waar het betreft de vraag of de verdachte een strafbare rol heeft gehad en, zo ja welke, als waar het betreft de straftoemeting. Na een afweging van dit belang tegen het belang van een individuele, waarschijnlijk meer voortvarende behandeling, is het hof tot de conclusie gekomen dat het belang van een gezamenlijke behandeling zwaarder weegt. De beslissing om de behandeling van de zaken te bundelen, als gevolg waarvan een vertraging in de behandeling onontkoombaar was, is daarmee gerechtvaardigd. Het voorgaande maakt dat er geen sprake is van een onredelijke vertraging in het strafgeding die in de straf dient te worden verdisconteerd, ondanks dat de vertraging in de afdoening niet aan de proceshouding of anderszins aan verdachte valt toe te schrijven zoals de raadsman terecht heeft aangevoerd.”

7.2.

Vooropgesteld moet worden dat de behandeling van een zaak in hoger beroep behoudens bijzondere omstandigheden binnen twee jaar na het instellen van hoger beroep behoort te zijn afgerond. Tot die bijzondere omstandigheden behoort onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe bijvoorbeeld de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten kunnen worden gerekend. Daarnaast kan het oordeel van het hof over de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Er kan alleen worden onderzocht of het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of het onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daar komt bij dat van onbegrijpelijkheid niet snel sprake zal zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan de beoordeling door de cassatierechter.8

7.3.

In de onderhavige zaak zijn tussen het instellen van het hoger beroep namens de verdachte op 11 maart 2013 en het eindarrest van het hof van 11 februari 2016 twee jaren en elf maanden verstreken. De standaardtermijn van twee jaar waarbinnen het hoger beroep moet zijn afgerond, is dus met elf maanden overschreden. Het hof heeft bij zijn oordeel dat deze termijnoverschrijding gerechtvaardigd was en de redelijke termijn niet is overschreden in aanmerking genomen dat de zaak tegen de verdachte deel uitmaakte van een groot onderzoek, dat het een zeer omvangrijk dossier betrof en dat er belang was bij een gezamenlijke behandeling en berechting van de zaken tegen de verdachte en medeverdachten.

7.4.

Het middel klaagt allereerst dat het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het redelijk is om meer dan twee jaar te wachten met het maken van een aanvang van de behandeling van het hoger beroep van de zaak tegen de verdachte in afwachting van de berechting van de zaken tegen medeverdachten niet zonder meer begrijpelijk is.

7.5.

Uit de overwegingen van het hof blijkt dat ongeveer negen maanden na het instellen van het hoger beroep in de onderhavige zaak bekend was dat de zaken tegen medeverdachten door het hof waren teruggewezen naar de rechtbank. Vervolgens is kennelijk de berechting van deze zaken door de rechtbank afgewacht voordat de behandeling van de zaak tegen de verdachte in hoger beroep aanving. In aanmerking genomen dat, zoals het hof heeft overwogen, de onderhavige zaak deel uitmaakte van een groot onderzoek, het een zeer omvangrijk dossier betreft en de zaken van de verdachte en de medeverdachten gezamenlijk waren aangebracht bij de rechtbank, komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat het hof de behandeling van deze zaken tegen medeverdachten door de rechtbank heeft afgewacht. De omstandigheid dat toen nog niet duidelijk was of in die zaken hoger beroep zou worden ingesteld, doet daar in mijn visie niet aan af.

7.6.

Voorts klaagt het middel dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof in zijn oordeel zoveel gewicht heeft toegekend aan het belang van gezamenlijke behandeling, omdat het in perspectief kunnen plaatsen van de rol van de verdachte slechts in geringe mate afhankelijk is van het verloop van de procedure in hoger beroep en het hof de zaken niet gevoegd en slechts in zeer beperkte mate gelijktijdig heeft behandeld.

7.7.

Ik stel vast dat het aan de cassatieschriftuur gehechte behandelschema inhoudt dat op respectievelijk 18, 19, 20, 25 en 27 november 2015 en 2, 3 en 9 december 2015 de inhoudelijke behandeling van de zaken tegen dertien verdachten, waaronder de verdachte, stond gepland. Volgens dit schema zouden op deze zittingsdagen telkens een of meer van die zaken zijn behandeld. Het bestreden arrest is vervolgens gewezen op 11 februari 2016. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting waarop het arrest is uitgesproken, heeft het hof op die datum tevens uitspraak gedaan in de zaken tegen de twaalf medeverdachten.

7.8.

Blijkens de overwegingen van het hof was het belang van een gelijktijdige berechting van de zaak tegen de verdachte met de zaken tegen medeverdachten er met name in gelegen dat dit het hof in staat stelde om tot een beter afgewogen oordeel te komen. Dat lijkt mij geenszins onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de zaken ter terechtzitting in hoger beroep niet gevoegd zijn behandeld en slechts in beperkte mate gelijktijdig zijn behandeld, doet daar niet aan af. Het belang bij een gelijktijdige berechting van zaken hoeft immers niet slechts gelegen te zijn in het gelijktijdig behandelen van zaken ter terechtzitting, maar kan ook gelegen zijn in het gelijktijdig afdoen van zaken.

7.9.

Gelet op het vorenstaande acht ik het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt in al zijn onderdelen.

8. De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9203, NJ 2007/53; HR 15 november 1983, ECLI:NL:HR:AC4384, NJ 1984/312.

2 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.2.

3 HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9203, NJ 2007/53, rov. 3.5: “Opmerking verdient nog het volgende. Van de verdachte die niet door een raadsman wordt bijgestaan, kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij een pleitnota overlegt dan wel overeenkomstig art. 326, vierde lid, Sv aantekening verzoekt van hetgeen hij ter verdediging heeft aangevoerd. De verdachte mag erop vertrouwen dat het door de voorzitter en de griffier vastgestelde proces-verbaal de kern weergeeft van eventuele door hem naar voren gebrachte verweren en onderbouwde standpunten die tot een gemotiveerde beslissing nopen.”

4 Zie p. 4 van de ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2015 overgelegde pleitnota.

5 Bewijsmiddel 63 vermeldt een derde overboeking, maar deze is niet verricht vanaf een van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde bankrekeningen.

6 Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44, m.nt. Keijzer, rov. 3.6.1.

7 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

8 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.7, 3.13.1 en 3.16.