Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1022

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
16/05585
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2572, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doodslag. Middelen over gebruik voor het bewijs van een getuigenverklaring i.v.m. het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht en verwerping uos. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05585

Zitting: 11 juli 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 8 november 2016 door het hof Den Haag wegens 1. “doodslag” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Beide middelen betreffen de uitvoerige bewijsvoering van het hof. Naast de bewezenverklaring heb ik die bewijsvoering nu eerst vrijwel geheel opgenomen. De bespreking van beide middelen kan in het licht daarvan kort zijn.

  4. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“1: hij op 15 juni 2012 te Rotterdam opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, met een pistool, een kogel in het (boven)lichaam van [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

2: hij op 15 juni 2012 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, kaliber 7.65 millimeter Browning en de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.”

5. Voor zover van belang bevat het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen1:

“Algemeen

Op 15 juni 2012, omstreeks 16.29 uur, is [slachtoffer] (verder: slachtoffer), op de Beijerlandselaan te Rotterdam, neergeschoten en komen te overlijden. Uit sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat diens overlijden kan worden verklaard door verbloeding in het kader van één bijna doorschot door de romp. De inschotwond bevond zich op de rug van het slachtoffer. Voorts is vastgesteld dat het schotkanaal buikwaarts vrijwel horizontaal verliep en dat het schot van nabij, maar op een afstand van groter dan 25 centimeter van het slachtoffer, is afgeschoten.

Van het incident zijn camerabeelden ter beschikking gesteld door een coffeeshop genaamde [A] , gevestigd op de [a-straat 1] te Rotterdam.

Voorts zijn er een aantal mensen die hebben gezien, dan wel gehoord dat er eenmaal geschoten werd. Ook de verdachte heeft verklaard een enkel schot te hebben gehoord.

De verdachte erkent met zijn vader, medeverdachte [medeverdachte] , op 15 juni 2012 op de Beijerlandselaan aanwezig te zijn geweest. Ook erkent hij dat hij, nadat hij het slachtoffer had gezien, zijn vuurwapen heeft gepakt, dit heeft doorgeladen en daarna weer in zijn zak heeft gestopt. Kort daarna, op het moment dat zijn vader het slachtoffer van achteren vastgreep, heeft hij dit doorgeladen vuurwapen getrokken en is naar zijn vader en het slachtoffer toegerend. De verdachte heeft het doorgeladen vuurwapen op het slachtoffer gericht terwijl hij op korte afstand van het slachtoffer stond.

De verdachte ontkent evenwel een schot met het vuurwapen te hebben gelost.

De advocaat-generaal is van mening dat op grond van de weergave van de camerabeelden, in onderling verband en samenhang met getuigenverklaringen bezien, tot geen andere gevolgtrekking kan worden gekomen dan dat het de verdachte is geweest die een kogel heeft afgevuurd op het slachtoffer.

De verdediging heeft bij pleidooi het standpunt ingenomen dat uit de (camera)beelden als ook uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat de verdachte op het schietmoment niet achter het slachtoffer was/stond waardoor de verdachte het schot niet kán hebben gelost gezien de schotbaan in het lichaam van het slachtoffer.

Het hof overweegt ten aanzien van het tenlastegelegde daderschap - mede naar aanleiding van hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht - het volgende.

Daderschap

De getuige [getuige 1] verklaart dat hij zag dat dader 2 (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) het slachtoffer van achteren vast pakte. Hij zag dat dader 2 zijn ene arm van achteren om de hals van het slachtoffer deed, en met zijn andere arm blokkeerde dader 2 de arm van het slachtoffer. Hij zag dat het slachtoffer zich los wilde maken van dader 2. Hij zag op dat moment dat dader 1 (het hof begrijpt: verdachte) naar het slachtoffer toeliep. Hij zag dat dader 1 onderweg het wapen pakte.

Hij zag en hoorde dat dader 1 vervolgens met het wapen schoot op hele korte afstand in de richting van het slachtoffer. Dader 1 bewoog daarbij zijn arm nog. Dader 2 had het slachtoffer praktisch nog vast toen dader 1 schoot. Dader 2 liet vervolgens het slachtoffer los.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond van 4 juli 2012 blijkt dat kort na het schietincident door diverse mensen werd gebeld naar de politiemeldkamer. Op maandag 18 juni 2012 is telefonisch contact opgenomen met een nummer dat op 15 juni 2012 had gebeld. De gebruiker van het nummer gaf aan zich als passagier in een auto te hebben bevonden voor de Kijkshop. Hij zag een man een vuurwapen pakken. Hij zag dat deze man een wapen in zijn rechterhand had toen hij een harde knal hoorde.

Er was nog een tweede man bij; volgens de getuige hoorden de mannen bij elkaar. De tweede man was dik en de schutter was magerder.

De getuige [getuige 2] verklaart dat " [slachtoffer] " (het hof begrijpt: het slachtoffer) door een persoon van achter werd beetgepakt. Hij zag dat de man met wie hij stond te praten (het hof begrijpt, gelet op de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris: de verdachte) een pistool uit zijn rechterjaszak pakte. Hij hoorde een schot en zag dat " [slachtoffer] " zich los had gemaakt, één of twee passen deed en toen viel. Volgens de getuige is het schot gevallen toen " [slachtoffer] " al vechtend probeerde zich los te worstelen. De twee mannen en " [slachtoffer] " stonden allemaal dicht bij elkaar. De getuige verklaart bij de rechter-commissaris nader dat hij en het latere slachtoffer [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) zagen lopen en dat het slachtoffer tegen de getuige zei dat het leek dat de verdachte gewapend was. Het slachtoffer werd door een andere persoon van achter vastgegrepen. De verdachte haalde vervolgens een wapen te voorschijn. De verdachte rende richting het slachtoffer en de andere persoon. De getuige weet dat er geschoten is omdat hij dat hoorde. Hij hoorde één schot. Op de vraag of hij nog iemand anders met een vuurwapen heeft gezien antwoordt de getuige: "Nee".

De verdachte zelf heeft verklaard dat hij zijn doorgeladen vuurwapen op korte afstand op het slachtoffer heeft gericht op het moment dat zijn vader het slachtoffer vasthield en dat hij een enkel schot heeft gehoord. Op de vraag of hij andere mensen met een vuurwapen daar had gezien antwoordt de verdachte: 'Nee'.

Getuige [getuige 3] verklaart dat hij op het moment dat hij de hoek van de Beijerlandselaan en de Slaghekstraat passeert, een knal hoort. Hij ziet een man naar voren op het spoor bij de tramhalte vallen. Hij ziet twee mensen bij het slachtoffer. De een is een flinke man. De ander had het pistool. Als de daders hem passeren ziet hij dat de man het pistool in zijn broeksband stopt.

Gelet op bovenstaande is het hof, met het openbaar ministerie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die met een vuurwapen het schot heeft gelost waardoor het slachtoffer is te komen overlijden.

De getuigen, alsook de verdachte zelf, spreken allemaal van één persoon met een vuurwapen, namelijk de verdachte. De verdachte heeft op korte afstand zijn doorgeladen vuurwapen op het slachtoffer gericht. De getuige [getuige 1] heeft daarenboven zelf gezien en gehoord dat de verdachte op korte afstand van het slachtoffer het schot loste en uit het deskundigenrapport van het NFI blijkt ook dat het schot op een korte afstand, maar wel op een afstand groter dan 25 centimeter, van het slachtoffer is gelost.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de camera beelden betoogd dat - nu de verdachte naast het slachtoffer stond, en de kogel in diens rug terecht is gekomen - het uitgesloten is dat de verdachte de schutter is geweest.

De rug van het slachtoffer is volgens de raadvrouw op het moment van het schieten niet naar de verdachte gekeerd geweest, en de verdachte kan om deze redenen niet de schutter geweest zijn.

Het hof kan de raadsvrouw daarin niet volgen.

Nog daargelaten dat de verdachte niet noodzakelijkerwijs achter het slachtoffer hoeft te hebben gestaan tijdens het afvuren van het fatale schot, geldt ook het volgende. Uit zowel de bovengenoemde getuigenverklaringen als uit de beelden blijkt dat sprake was van een situatie waarbij het slachtoffer worstelend in beweging was met de medeverdachte. Nu sprake was van een in beweging zijnd slachtoffer dat zich probeerde los te rukken, kan geenszins uitgesloten worden dat de rug van het slachtoffer op enig moment naar de verdachte gekeerd is geweest.

In het midden kan blijven of een moment van de rug toedraaien zich heeft voorgedaan, dan wel of de arm/hand/pols beweging van de verdachte het inschot in de rug heeft mogelijk gemaakt; in ieder geval is het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overtuigd van het daderschap van de verdachte.

Voor zover de raadsvrouw derhalve heeft bedoeld aan te voeren dat sprake is geweest van een alternatief scenario waarbij iemand anders dan de verdachte de schutter is geweest, is het hof van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd, laat staan aannemelijk is geworden en dit bovendien door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd.

Getuigenverklaringen

De verdediging stelt zich - tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071) - op het standpunt dat de verklaring van [getuige 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Naar mening van de verdediging is de verklaring van [getuige 1] 'sole or decisive', daar hij als enige verklaart dat het fatale schot door de verdachte is gelost.

Het hof stelt vast dat de getuige [getuige 1] in de zaak tegen de medeverdachte door de rechter-commissaris is gehoord en dat deze verklaring is gevoegd in onderhavige zaak. De verdediging van de verdachte is evenwel niet in de gelegenheid geweest om deze getuige te ondervragen en is niet in de beperking van het ondervragingsrecht gecompenseerd. De vraag die vervolgens voorligt, is of de betreffende verklaring het enige of beslissende bewijs is. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

Dat de verdachte de schutter is geweest vindt in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en de eigen verklaring van de verdachte dat hij zijn doorgeladen vuurwapen op korte afstand op het slachtoffer heeft gericht.

Nu de door de verdediging gelaakte verklaring niet het enige en beslissende bewijs vormt is van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm dan ook geen sprake.

Anders dan de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de betrouwbaarheid van o.a. de verklaring van [getuige 1] , is het hof van oordeel dat de zich in het dossier bevindende verklaringen van de door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen op hoofdpunten, het richten en schieten met het wapen op het slachtoffer, consistent zijn en op die van belang zijnde punten steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Daarnaast constateert het hof dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij, toen hij hoorde en zag dat de verdachte zijn vuurwapen doorlaadde, het gevoel had dat er iets ging gebeuren. Op de camerabeelden is ook te zien dat de getuige [getuige 1] , die zich op korte afstand bevond en vol zicht had op de plaats waar het slachtoffer is doodgeschoten, zijn hoofd tijdens het schietincident steeds in die richting gekeerd heeft gehouden.

De verklaring van de getuige [getuige 1] is voorts gedetailleerd en consistent en komt overeen met de camerabeelden.

Nu de getuige [getuige 1] zich dus op korte afstand bevond van de plaats waar het schietincident heeft plaatsgevonden, vol zicht daarop had en het schietincident van het begin tot het einde heeft gevolgd, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de getuige [getuige 1] dat hij zag en hoorde dat de verdachte het slachtoffer van zeer nabij heeft neergeschoten (…).”

6. Aan het bestreden arrest is een bijlage met bewijsmiddelen gehecht, inhoudende, voor zover van belang:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2014 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 15 juni 2012 was ik samen met mijn vader, genaamd [medeverdachte] , op de Beijerlandselaan te Rotterdam. Ik had een vuurwapen bij mij. Ik zag [slachtoffer] met iemand anders aan de overkant van de straat staan. Ik zei, zonder mijn ogen van [slachtoffer] te wenden tegen mijn vader dat ik [slachtoffer] zag lopen. Toen ik om mij heen keek om te zien waar mijn vader was, merkte ik dat mijn vader niet meer in mijn buurt liep. Zodra ik dat merkte, ging ik de hoek om, trok ik het vuurwapen en laadde dat door. Daarna stopte ik het weer terug in mijn zak.

Toen [slachtoffer] mij zag, bleef hij stilstaan. Ik deed mijn hand in mijn zak en hield het vuurwapen vast. Terwijl ik [slachtoffer] aankeek, zag ik dat mijn vader [slachtoffer] van achteren benaderde.

Op het moment dat mijn vader [slachtoffer] van achteren vastgreep en degene die bij [slachtoffer] was dat merkte, rende diegene hard weg. Op dat moment trok ik mijn vuurwapen en rende ik naar [slachtoffer] toe. Ik richtte het vuurwapen op zijn gezicht. [slachtoffer] worstelde op dat moment met mijn vader. Ik hoorde 'boem'. Op het moment dat ik 'boem'/een knal hoorde stonden mijn vader en ik bij [slachtoffer] . Ik heb niet gezien dat andere mensen in de buurt stonden. Na de knal zag ik dat [slachtoffer] met zijn gezicht naar beneden op straat viel. Ik ben toen naar [slachtoffer] toegerend.

[slachtoffer] keek me aan, ik richtte mijn vuurwapen op hem en zei dat hij moest blijven liggen. [slachtoffer] zei: "Maak me niet dood".

Ik herken mijzelf op de camerabeelden als de man die wordt aangeduid als 'dader 1' .

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2016 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik heb mijn doorgeladen vuurwapen op het slachtoffer gericht terwijl ik op korte afstand van het slachtoffer stond. Mijn vader had het slachtoffer toen vast.

Ik heb bij het incident één enkel schot gehoord.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van politie, Eenheid Rotterdam, TGO Beijer, nr. 2013377150, documentcode 1403100930.AMB, d.d. 10 maart 2014, met als bijlage de door een schrijftolk uitgewerkt verhoor van [verdachte] van 3 februari 2014. De bijlage houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1415-1456):

als de op 3 februari 2014 afgelegde verklaring van verdachte:

Op 15 juli (het hof begrijpt: juni) hebben mijn vader en ik het slachtoffer ontmoet. Ik had een wapen. Mijn antwoord op uw vraag of ik andere mensen met een vuurwapen daar heb gezien is 'nee'.

4. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 16 juni 2012 met nr. PL1710 2012377150-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 35-36):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 15 juni 2012, omstreeks 16:30 uur, reden wij, in opdracht van de meldkamer naar de tramhalte op Beijerlandselaan te Rotterdam. Aan de Beijerlandselaan ter hoogte van de tramhalte bij de Kijkshop zagen wij dat er een man op de grond lag tussen de twee tramperrons in. Wij zagen dat ondertussen het personeel van het Mobiel Medisch Team (MMT) en de motorambulance ter plaatse waren. Wij hoorden de arts van het MMT zeggen dat er op de monitor geen enkel medisch teken van leven was. Wij horen de arts van het MMT hierop verklaren dat de man overleden was.

5. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 13 augustus 2012 met nr. PL1710 2012377150-266. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 37-38):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 15 juni 2012 omstreeks 16:29 uur vond er een schietincident plaats op de Beijerlandselaan ter hoogte van de Slaghekstraat te Rotterdam. Hierbij kwam een man om het leven. Ik verbalisant was als leider plaats delict aanwezig. Op 15 juni 2012 omstreeks 18:00 uur ontving ik verbalisant van een van de medewerkers van de Forensische Opsporing een Spaans identiteitsdocument afkomstig van het slachtoffer. Ik herkende in de foto van het identiteitsdocument het slachtoffer. Op het identiteitsdocument zag ik dat het slachtoffer bij leven genaamd was: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1968.

6. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 15 juni 2012 met nr. PL1710 2012377150-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22- 24):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 15 juni 2012, omstreeks 16:34 uur waren wij ter plaatse op de Beijerlandselaan ter hoogte van de Slaghekstraat. Wij zagen op de tramrails tussen de tramhaltes in beide richtingen een man op zijn rug liggen. Vervolgens zag ik, verbalisant [verbalisant], naast de hoge stoep van de tramhalte, op de voetgangersoversteekplaats, een huls liggen.

7. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 18 juni 2012 met nr. PL1710 2012377150-70. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 148-164):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar (alsmede de daarbij behorende fotobijlagen):

Op vrijdag 15 juni 2012 omstreeks 16:29 uur vond er een schietincident plaats op de Beijerlandselaan ter hoogte van de Slaghekstraat te Rotterdam. Als gevolg van dit schietincident kwam er een man om het leven genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1968. Door de politie werd een onderzoek gestart, waarbij onder andere camerabeelden werden veiliggesteld.

Op de hoek van de kruising Beijerlandselaan/Slaghekstraat te Rotterdam bevindt zich een coffeeshop genaamd [A] , welke is gevestigd op de [a-straat 1] te Rotterdam. [A] bleek te beschikken over een camera-installatie waarbij camerabeelden werden opgenomen. Alle hier verderop genoemde straten bevinden zich alle in Rotterdam.

Op de beelden zijn in het scherm zelf geen datum en/of tijdstip vermeld.

De bestandsnamen luiden:

06152012-151534 ~ 06152012-154534[1].avi
06152012-151502 ~ 06152012-154502[2].avi

Hieruit kan worden opgemaakt dat de beelden zijn gemaakt op 15 juni 2012 tussen 15:15:34 uur en 15 juni 2012 15:45:34 uur. De tijdsaanduiding van het camerasysteem staat circa één (1) uur eerder. De daadwerkelijke tijdspanne is van circa 16:15:34 tot 16:45:34 uur. De datum is wel correct. De tijdstippen verderop in dit proces-verbaal betreffen de daadwerkelijke tijdstippen.

Bevindingen bestand: 06152012-151534 ~ 06152012-154534[1].avi

Vanuit het standpunt van de camera is de gevel van coffeeshop [A] te zien, welke is gericht op de Beijerlandselaan te Rotterdam. Op bijgevoegde plattegrond is aangegeven welk gedeelte van de openbare weg er op de camerabeelden te zien is. Doormiddel van een pijl is aangegeven wat de opnamerichting is. Ter verduidelijking is ook een foto van de daadwerkelijke situatie ter plaatse bij gevoegd (foto 12).

16:31:23 - 16:31:34 uur (foto 1)

Vanaf de linkerzijde, de Beijerlandselaan komende vanuit de richting van de Groningerstraat is een persoon te zien die vanaf de Beijerlandselaan rechtsaf slaat de Slaghekstraat op. Voordat de persoon daadwerkelijk rechtsaf.slaat, staat diegene met zijn lichaam in de richting van de overkant van de Beijerlandselaan en blijft diegene een kort moment staan. Vervolgens draait de persoon zich om en loopt een aantal meter de Slaghekstraat in. Terwijl de persoon dat doet, maakt hij met zijn rechterarm bewegingen alsof hij iets in zijn rechterjaszak doet of daar iets uithaalt. Vervolgens gaat hij naast een persoon staan die daar op een paaltje zit (die later de getuige [getuige 1] blijkt te zijn) en blijft daar een seconde staan.

De persoon heeft een zwarte jas met daaronder een lichte kleur, een -vermoedelijk- blauwe spijkerbroek, zwarte pet en witte schoenen. In de rest van het proces-verbaal wordt deze persoon dader 1 genoemd.

16:31:57 uur (foto 3)

Dader 1 loopt twee personen tegemoet en steekt de voetgangersoversteekplaats van de Beijerlandselaan over en blijft vervolgens ongeveer, tien seconden staan. Dader 1 staat op dat moment tussen de voetgangersoversteekplaats en de trambaan, zijnde het trottoir waarop de tramhalte zich bevindt. Dader 1 heeft kennelijk zijn rechterhand in zijn rechter jaszak. Zijn linkerarm hangt langs zijn lichaam. Ter hoogte van de tramhalte staan op dat moment vijf personen naast elkaar. Van links naar rechts:

Persoon die in de rest van dit proces-verbaal dader 2 zal worden genoemd, persoon welke later blijkt getuige [getuige 2] te zijn, het latere slachtoffer [slachtoffer] , persoon met roodkleurige bovenkleding en dader 1.

Dader 2 komt links het beeld ingelopen en loopt direct op het latere slachtoffer af. Hij maakt daarbij een beweging alsof hij het slachtoffer van achteren beet pakt.

16:32:00 uur (foto 4)

Op het moment dat dader 2 het slachtoffer beet heeft gepakt, rent dader 1 de trambaan over richting dader 2 en het slachtoffer. Hierbij haalt hij zijn rechterhand uit zijn jaszak.

16:32:03 (foto 5)

Links boven in beeld is te zien dat dader 2 en het slachtoffer bewegingen maken alsof zij met elkaar aan het worstelen dan wel vechten zijn. Dader 1 staat inmiddels bij dader 2 en het slachtoffer.

16:32:04 (foto 6)

Nadat er enkele momenten een worsteling heeft plaatsgevonden, valt het slachtoffer op de grond.

16:32:21 (foto 8)

Dader 1 en 2 rennen samen weg.

Dader 1 heeft het volgende signalement:

- (licht) getint uiterlijk

- normaal tot slank postuur

- zwarte baseballpet

Dader 2 heeft het volgende signalement:

- donkergekleurd/negroïde uiterlijk

- kaal hoofd dan wel zeer kort gemillimeterd haar.
(…)

10. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 maart 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. ir. A. Knijnenberg. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 7-16):

als relaas van deze deskundige: (…)

De bevindingen van het onderzoek die betrekking hebben op de beschadiging 1 zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand groter is dan 25 centimeter, dan wanneer de schootsafstand kleiner is of gelijk is aan 25 centimeter.

11. Een proces-verbaal van verhoor getuige van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 juni 2012, nr. PL 1710 2012377150-80. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 179-184):

als de op 19 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ik stond tegen een soort elektriciteitskastje op de hoek van de Beijerlandselaan en de Slaghekstraat. Ik zag links van mij een man staan. Ik zal hem verder dader 1 noemen. Ik zag dat dader 1 een wapen uit zijn zak haalde en dat hij het wapen gereed maakte om te schieten. Ik zag dat de man aan het kijken was in de richting van de Mac Donalds. Ik zag dat er een man aan kwam lopen aan de andere kant van de tramrails. De man kwam vanuit de richting van de Mac Donalds. Ik zal hem verder slachtoffer noemen. Ik zie dat een andere man naar het slachtoffer toeloopt. Ik zal deze tweede man verder dader 2 noemen. Ik zag dat dader 2 het slachtoffer van achteren vast pakte. Ik zag dat dader 2 zijn arm van achteren om de hals van het slachtoffer deed, met zijn andere arm blokkeerde dader 2 zijn arm die hij om het slachtoffer heen had. Ik zag dat het slachtoffer zich los wilde maken van dader 2. Hierdoor liepen zij de tramrails op. Ik zag op dat moment dat dader 1 naar het slachtoffer toeliep. Ik zag dat dader 1 onderweg het wapen pakte. Ik zag en hoorde dat dader 1 vervolgens met het wapen schoot op hele korte afstand in de richting van het slachtoffer. Dader 1 bewoog daarbij zijn arm nog. Dader 2 had het slachtoffer praktisch nog vast als dader 1 schoot.

Dader 2 liet vervolgens het slachtoffer los. Ik zag dat het slachtoffer op de grond viel.

Dader 1 was een jongere jongen. Hij was slank. Hij droeg een zwarte pet.

Dader 2 was kaal. Het was een oudere man. Hij was groot gebouwd.

12. Een proces-verbaal van verhoor getuige van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 16 juni 2012, nr. PL 1710 2012377150-26. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 63-69):

als de op 15 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 2] :

Op 15 juni 2012 was ik met mijn vriend " [slachtoffer] " op weg naar de halte van tram 25. Toen we er bijna waren zei " [slachtoffer] ": "Kijk daar is die man waar ik problemen mee heb en die gewapend is". Die man stond aan de ander kant van de tramhalte. Ik sprak de man aan.

Toen ik achterom keek naar " [slachtoffer] ", zag ik dat een andere persoon " [slachtoffer] " van achteren beetpakte. Ik zag dat de man waar ik mee stond te praten een pistool uit zijn rechterjaszak pakte. De man met het pistool' liep naar " [slachtoffer] ". " [slachtoffer] " probeerde zich los te worstelen van de man die bij hem stond. Ik hoorde een schot. Ik zag dat " [slachtoffer] " zich los had gemaakt. Ik zag dat " [slachtoffer] " één of twee passen maakte en toen viel.

Het schot is gevallen toen " [slachtoffer] " zich al vechtend probeerde los te worstelen. De twee mannen en " [slachtoffer] " stonden allemaal dicht bij elkaar.

13. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 16 december 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 16 december 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2] :

Op 15 juni 2012 waren [slachtoffer] en ik op weg naar de tramhalte. Wij zagen [verdachte] lopen. [slachtoffer] zei tegen mij: "Het lijkt of hij gewapend is". [slachtoffer] stopte toen met lopen. Ik liep naar [verdachte] toe. Ik zei tegen hem: "Laat hem met rust, die persoon wil geen problemen krijgen". Toen ik achterom keek naar [slachtoffer] bleek dat een andere persoon [slachtoffer] van achter had vast gegrepen. [verdachte] haalde vervolgens een wapen te voorschijn. [verdachte] rende richting [slachtoffer] en de andere persoon. Ik weet dat er geschoten is omdat ik dat hoorde.

Ik heb één schot gehoord. U vraagt mij of ik bij iemand anders dan [verdachte] een vuurwapen heb gezien. Nee.

[verdachte] is de naam die [slachtoffer] heeft gezegd. Het is een soort aanduiding.

14. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2012, nr. PL 1710 2012377150-58. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 862-863):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op vrijdag 15 juni 2012 omstreeks 16:29 uur vond er een schietincident plaats op de Beijerlandselaan ter hoogte van de Slaghekstraat te Rotterdam. Op 18 juni 2012 heb ik contact opgenomen met de gebruiker van een telefoonnummer welke op 15 juni 2012 gebeld had naar de meldkamer van Rotterdam-Rijnmond. De gebruiker van dat nummer verklaarde dat hij op de vrijdag van de schietpartij zich als passagier in een auto bevond die stond te wachten bij de Kijkshop. Hij zag een man een vuurwapen pakken. Hij zag dat de man een wapen in zijn rechterhand had op het moment dat hij een harde knal hoorde.

Er was nog een tweede man bij. Volgens hem hoorden zij bij elkaar. De tweede man was dik en de schutter was magerder.

15. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 juni 2012, nr. PL 17J0 2012377150-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 39-41):

als de op 15 juni 2012 afgelegde verklaring van [getuige 3] :

Ik ben getuige geweest van een schietpartij. Ik liep op de Slaghekstraat en ik ging linksaf de Beijerlandselaan op. Ik hoorde één knal. Ik zag een man naar voren vallen. Ik zag dat er twee mensen bij het slachtoffer stonden. Ik zag dat er twee daders waren, een had een pistool, die zal ik dader 1 noemen. De ander was een flinke man, die zal ik dader 2 noemen.

Toen de daders mij passeerden zag ik dat dader 1 het pistool in zijn broeksband stopte.”

7. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer dat “de verklaring van de getuige [getuige 1] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de getuige te ondervragen en er overigens onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van de getuige, op onjuiste gronden, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.”

8. De getuigenproblematiek zorgt voor een stroom rechtspraak van de Hoge Raad, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de arresten gewezen op 4 juli 2017. Twee arresten2 bevatten een overzicht van de stand van de rechtspraak, omdat mede naar aanleiding van recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens3 (EHRM) de vraag is gerezen hoe de eisen, die in de rechtspraak van de Hoge Raad worden gesteld aan de onderbouwing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige, zich verhouden tot het in art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces.

9. In de onderhavige zaak staat niet de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige centraal, maar de onmogelijkheid tot ondervraging van de getuige door de verdediging. Voor dat geval zijn de volgende overwegingen uit een ander arrest van 4 juli 20174 van betekenis:

“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

10. Uit de hierboven onder punt 5 geciteerde bewijsoverwegingen blijkt dat het hof heeft onderzocht of de verklaring van de getuige [getuige 1] het enige en beslissende bewijs is en of het daderschap van verdachte voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarmee is het uitgangspunt van de benadering van het hof juist. Ik begrijp het middel zo dat het de vinger probeert te leggen op de omstandigheid dat steunbewijs voor de betwiste onderdelen van de belastende verklaring ontbreekt. Er is namelijk in de opvatting van de steller van het middel geen ander (direct) bewijs dat verdachte het fatale schot heeft gelost en dat ontkent hij nu ook juist.

11. Het komt mij voor dat het bewijs dat verdachte het fatale schot heeft gelost mede valt te baseren op andere in de bewijsvoering van het hof vervatte feiten en omstandigheden dan de verklaring van de getuige [getuige 1] . Verdachte heeft van korte afstand een doorgeladen vuurwapen op verdachte gericht, alleen verdachte en zijn vader stonden bij het slachtoffer (bewijsmiddel 1), terwijl de vader het slachtoffer vasthield (bewijsmiddel 2) en er viel een schot toen het slachtoffer zich probeerde los te worstelen (bewijsmiddel 12). Zowel verdachte (bewijsmiddel 2) als getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 13) en getuige [getuige 3] (bewijsmiddel 15) heeft/hebben één schot/knal gehoord en er is door verdachte (bewijsmiddel 3) en de getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 13) niemand anders met een vuurwapen gezien.

12. Ook al heeft verdachte niet verklaard dat hij heeft geschoten en is door [getuige 2] en [getuige 3] niet verklaard dat verdachte de schutter is, uit andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de getuige [getuige 1] heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het verdachte is die waarschijnlijk heeft geschoten. Dat die waarschijnlijkheid in aanzienlijke mate wordt versterkt door de verklaring van de getuige [getuige 1] staat wel vast, maar voor het schieten door verdachte is die verklaring niet het enige en beslissende bewijs.

13 Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt over een onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerde afwijking van een door verdachte naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

15. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in feitelijke aanleg is betoogd dat uit de camerabeelden en de verklaringen van getuigen blijkt dat verdachte op het schietmoment niet achter het slachtoffer stond, waardoor verzoeker het schot niet kan hebben gelost, gelet op de baan van het schot in het lichaam van het slachtoffer.

16. Merkwaardigerwijs wordt in de toelichting op het middel weliswaar een passage uit de hierboven onder punt 5 opgenomen bewijsoverwegingen geciteerd, maar dat is nu juist niet de passage waarin het hof dit standpunt bespreekt met als aanhef dat het hof de raadsvrouwe niet in het standpunt kan volgen. Het hof licht toe dat de baan van het schot niet uitsluit dat verdachte niet achter het slachtoffer heeft gestaan. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat, nu het slachtoffer in beweging was, de rug van het slachtoffer op enig moment naar verdachte gekeerd kan zijn geweest. Deze niet onbegrijpelijke vaststelling is op zich reeds toereikend ter verwerping van het ingenomen standpunt. Dat het hof vervolgens in het midden laat of wellicht een arm/hand/polsbeweging van verdachte de verklaring vormt voor de baan van het schot, maakt dit niet anders.

17 Ook het tweede middel treft geen doel.

18. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan aan de hand van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De voetnoten zijn weggelaten.

2 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

3 De Hoge Raad noemt Schatschaschwili t. Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, EHRC 2016/89, m.nt. M.J. Dubelaar) en doelt – naar valt aan te nemen – voorts (onder meer) op Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. T.N.B.M. Spronken).

4 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016.