Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:101

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/02420
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:336, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen hennepteelt (als medehuurder van het pand). HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:716 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. medeplegen. De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02420

Zitting: 10 januari 2017 (bij vervroeging)

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 mei 2015 door het gerechtshof Amsterdam ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is, omdat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte een zodanig significante bijdrage heeft geleverd aan het telen van hennep, dat sprake is van medeplegen.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 26 juli 2007 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [a-straat 1]) een hoeveelheid van ongeveer 848 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

3.3.

De gebezigde bewijsmiddelen vermelden dat:

- op 26 juli 2007 in een woning aan de [a-straat 1] te Amstelveen op de eerste en de tweede verdieping een hennepplantage is aangetroffen bestaande uit ongeveer 848 hennepplanten. De politie zag de bewoonster, naar later bleek de verdachte, de trap afkomen (bewijsmiddel 1).
- de verdachte het volgende heeft verklaard:

“Ik ben sinds oktober vorig jaar in Nederland. Ik ben samen met mijn vriend gekomen; hij heet [betrokkene 1]. Ik woon al sinds ongeveer maart 2007 op de [a-straat 1], meestal alleen met mijn vriend. Er zijn wat Nederlandse mensen. Die geven ons 2000,= euro per maand om daar te wonen. We moeten het schoon houden. Ongeveer een maand nadat wij in de woning zijn gaan wonen, zijn ze begonnen met bouwen. Ik weet niet hoe lang het duurde voor dat de plantage opgebouwd was. Er kwamen vaak mensen om de planten water te geven. Ik wist niet wat er stond, maar ik dacht dat het wel iets met drugs te maken had. Mijn vriend regelde alle geldzaken.” (bewijsmiddel 2)

- de vriend van de verdachte, medeverdachte [betrokkene 1], de volgende verklaring heeft afgelegd:

“Ik ben samen met mijn vriendin naar Nederland gekomen vorig jaar. Het huurcontract van de woning is 1 maart 2007 ingegaan.

Ik heb een Nederlandse blanke man, genaamd [betrokkene 2], leren kennen. Ik vertelde hem dat ik wel een huis wilde hebben in Nederland. Hij zei vervolgens dat hij mij kon helpen. Ik ontmoet hem nooit. Hij komt overdag als ik weg ben. Hij laat geld achter op de tafel. [betrokkene 2] heeft voor mij een huis gezocht bij [betrokkene 3] in Amstelveen. Ik ben gaan kijken bij het huis samen met mijn vriendin. Daarna ben ik naar [betrokkene 3] zijn huis gegaan en daar hebben we het huurcontract ingevuld. Van [betrokkene 2] moest ik een andere naam opgeven dan mijn eigen naam. [betrokkene 2] zei namelijk als ik mijn eigen Bulgaarse naam op zou geven, dan zou ik geen huis krijgen. Ik heb toen op het huurcontract de haam van [betrokkene 4], geboren [geboortedatum] 1979. Ik heb dit huurcontract getekend samen met [betrokkene 3] en ik wist dat ik iets tekende zonder mijn eigen naam. Ik heb een maand huur betaald en een maand borg. Het geld had ik van [betrokkene 2] gekregen. Ik kon de woonkamer gebruiken en een slaapkamer op de eerste verdieping. Ik kwam er wonen op 1 mei en toen was alles reeds al verbouwd. Ik mocht op de achterkamer en op de zolder niet komen. Men kwam overdag en ik moest voor acht uur ‘s ochtends weg zijn en kon ‘s avonds na zes of zeven uur weer thuis komen. Als [betrokkene 2] in de woning was en de huur moest betaald worden dan legde [betrokkene 2] het geld op tafel. [betrokkene 2] heeft de elektriciteit aangevraagd op naam van [betrokkene 4]. Ik kreeg € 2000 van [betrokkene 2] en daarvan moest ik de huur en alle rekeningen betalen die binnenkwamen.” (bewijsmiddel 3)

3.4.

Het verkort arrest bevat de volgende bewijsoverweging van het hof:

“Nadere bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en dat de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan het telen van de hennepplanten wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integraal vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

Niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de in haar woning aanwezige hennepplanten. (…)

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsvrouw is aangevoerd ten aanzien van het primair tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft volgens haar verklaring bij de politie, afgelegd op 26 juli 2007, samen met haar vriend [betrokkene 1], omstreeks maart 2007 een woning betrokken aan de [a-straat 1] in Amstelveen. Twee niet bij name aangeduide mensen hadden hen gevraagd een huis Ie huren waarbij zij huur en onkosten zouden betalen en iets zouden gaan bouwen in de woning. Verdachte en [betrokkene 1] kregen maandelijks contant € 2000,-. In de woning kwamen regelmatig mensen over de vloer om de ‘planten’ water te geven. De verdachte heeft voorts verklaard dat ‘ze’ de ruimte (naar het hof begrijpt: de ruimten waar zich hennepplanten bevonden) hadden afgesloten. De zolder was met houten planken afgesloten en de deur op de eerste verdieping was ook afgesloten. De verdachte wist naar eigen zeggen niet wat er stond, maar dacht dat het wel iets met drugs te maken zou hebben (Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 26 juli 2007, dossierpagina 9 e.v).

In de woning werd door de politie op 26 juli 2007 een hennepkwekerij aangetroffen met daarin ongeveer 848 hennepplanten.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte, bezien in samenhang met de te bezigen overige bewijsmiddelen, minstgenomen sprake is van voorwaardelijke opzet op het medeplegen van het telen van de in de tenlastelegging bedoelde hoeveelheid hennepplanten. De verdachte heeft immers bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de door haar en [betrokkene 1] gehuurde woning hennep zou worden geteeld. Door het niettemin (blijven) huren en ter beschikking (blijven) stellen van haar woning heeft zij hieraan een dusdanig significante bijdrage geleverd dat van medeplegen sprake is.

(…)

Het hof acht derhalve het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”

3.5.

Voor de kwalificatie medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering dan wel dat nauw en bewust is samengewerkt. Medeplegen vereist dus niet alleen opzet op het grondfeit (op dat punt verschilt deze deelnemingsfiguur niet van de medeplichtigheid), maar ook samenwerking. Genoemde kwalificatie is daarbij slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict voldoende wezenlijk of significant is. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht, dient de rechter dat medeplegen in geval van een bewezenverklaring nauwkeurig te motiveren in de bewijsvoering.1 In geval van hennepteelt lijkt het medeplegen niet snel te worden aangenomen;2 een verdachte die, hoewel op de hoogte van de aanwezigheid van de betrokken hennepplantage, niet méér heeft gedaan dan bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een woning en overigens niet betrokken is geweest bij de teelt zelf of bij de verdeling van de opbrengst daarvan, is geen medepleger van het telen van de hennep.3

3.6.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte - in elk geval in voorwaardelijke zin - op de hoogte was van de aanwezigheid van een hennepplantage in de woning die zij, op verzoek van en gefinancierd door anderen, samen met haar vriend huurde en bewoonde. Uit de bewijsvoering blijkt niet van een gezamenlijke uitvoering van de teelt van de planten, aangezien daaruit niet blijkt dat de verdachte aan die teelt een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Het hof is niettemin tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de hennepteelt gekomen. Nu het hof in dat verband slechts heeft overwogen dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden haar woning is blijven huren en ter beschikking is blijven stellen - een gedraging die bij uitstek faciliterend is en daarom doorgaans in verband wordt gebracht met medeplichtigheid - is het oordeel van het hof dat de verdachte een ‘dusdanig significante bijdrage heeft geleverd’ dat sprake is van het opzettelijk medeplegen van de teelt van 848 hennepplanten, onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd.

3.7.

Het middel slaagt.

4 Het tweede en het derde middel

4.1.

Nu het eerste middel slaagt, behoeven het tweede middel, dat zich richt tegen de onvoldoende gemotiveerde verwerping door het hof van het standpunt van de verdediging over de duur van de tenlastegelegde pleegperiode, en het derde middel, dat opkomt tegen de strafoplegging, geen bespreking. Mocht Uw Raad over de gegrondheid van het eerste middel anders denken, dan ben ik desgewenst bereid aanvullend te concluderen.

5. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel behoeven geen bespreking.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382, r.o. 2.3 en 2.4.

2 Vgl. de Hullu, p. 460 en de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken, ECLI:NL:PHR:2016:567, nr. 4.16 bij ECLI:NL:HR:2016:1317.

3 Vgl. onder meer HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0068, HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2967, r.o. 2.4 (genoemd in het middel), HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317, r.o. 2.3 en 2.4 en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794, r.o. 2.3 en 2.4. Zie voor een falende bewijsklacht inzake het medeplegen van hennepteelt HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696.