Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1003

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
16/01128
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2536, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Levert bewezenverklaarde medeplegen van gijzeling dan wel medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving op? Art. 282a.1 en 282 Sr.HR herhaalt ECLI:NL: HR:2015:1695: de dader van het in art. 282a Sr omschreven feit is slechts strafbaar indien hij handelt met het oogmerk een ander dan de gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen. Wanneer de wederrechtelijke vrijheidsberoving strekt tot het dwingen van de gijzelaar zelf en niet van een derde om iets te doen of niet te doen, is geen sprake van gijzeling a.b.i. art. 282a Sr. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het bewezenverklaarde medeplegen van gijzeling oplevert; i.c. strekte de in de bewezenverklaring omschreven wederrechtelijke vrijheidsberoving van X ertoe die X en niet een derde te dwingen tot het wijzen van de weg naar de woning of verblijfplaats van Y. HR verbetert de kwalificatie: het bewezenverklaarde levert op medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving a.b.i. art 282 Sr. HR wijst zaak wat betreft strafoplegging terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01128

Zitting: 11 juli 2017 (bij vervroeging)

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 februari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van gijzeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel houdt in dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als gijzeling, en wel omdat gijzeling inhoudt dat men iemand van zijn vrijheid berooft om een derde te dwingen iets te doen en niet om degene die van zijn vrijheid wordt beroofd te dwingen iets te doen.

  4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 04 november 2013 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk één persoon, genaamd [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer] te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen,

- [slachtoffer] mee naar buiten genomen en

- de mobiele telefoon van [slachtoffer] afgepakt en onbruikbaar gemaakt en

- [slachtoffer] meegenomen in (de laadruimte van) een bus en de weg laten wijzen naar (de woning/verblijfplaats van) [betrokkene 1] en hem vervolgens verder vervoerd en op straat gezet.”

5. Art. 282, eerste lid, Sr luidt:

“Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Art. 282a, eerste lid, Sr luidt:

“Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

6. In zijn arrest van 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1695 (NJ 2015/313) overwoog de Hoge Raad:

“3.5. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 282a Sr moet worden aangenomen dat de dader van het daarin omschreven feit slechts strafbaar is indien hij handelt met het oogmerk een ander dan de gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen. Nu de in het eerste deel van de bewezenverklaring omschreven wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] ertoe strekte [slachtoffer] en niet een derde te dwingen tot onder meer de afgifte van een (grote) hoeveelheid hennep, heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat dit feit "medeplegen van gijzeling" in de zin van art. 282a Sr oplevert.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre de kwalificatie verbeteren. Het desbetreffende, eerste gedeelte van de bewezenverklaring moet dan in plaats van "medeplegen van gijzeling" als "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" worden gekwalificeerd.”

7. De in de bewezenverklaring omschreven wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] strekte ertoe [slachtoffer] en niet een derde te dwingen iets te doen. Derhalve heeft het hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “medeplegen van gijzeling”.

8. Het middel slaagt. Met betrekking tot de afdoening in cassatie is het volgende van belang.

9. Het bewezenverklaarde levert op: “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”.

10. Het hof heeft de oplegging van de gevangenisstraf als volgt gemotiveerd:

“Het hof is — alles overwegende — van oordeel dat een substantiële gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt. Teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten wordt een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opgelegd. De gevangenisstraf die het hof oplegt is langer dan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gijzeling van het slachtoffer [slachtoffer]. Het slachtoffer is door de verdachte en zijn mededaders tegen zijn wil meegenomen in de laadruimte van een bus, nadat [slachtoffer] daarvoor reeds door een tweetal mededaders tot bloedens toe was geslagen. Het slachtoffer is na de gijzeling aan zijn lot overgelaten. Hij werd buiten Den Haag langs de weg achtergelaten terwijl zijn telefoon door de daders kapot was gemaakt. De verdachte heeft samen met zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Zijn vriendin heeft hierdoor gevreesd voor het welzijn van haar partner.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 januari 2016 waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorend rapport van Reclassering Nederland van 23 januari 2014. Geadviseerd wordt om aan de verdachte — ingeval van een bewezenverklaring — een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen waarbij bijzondere voorwaarden niet zijn geïndiceerd.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf ook gelet op de proceshouding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep waaruit volgt dat hij de ernst van het feit en de laakbaarheid van zijn handelen niet inziet.

Gijzeling is, gelet op het daarop gestelde strafmaximum (15 jaren gevangenisstraf), een ernstig misdrijf. Het is een misdrijf waarmee niet alleen geweld wordt aangedaan aan het recht om zich veilig en vrij te voelen, maar ook geprobeerd wordt munt te slaan uit de angsten van het slachtoffer. Het is bovendien een feit dat bijdraagt aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. In de regel kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van geruime duur met zich brengt. In deze zaak speelt ook dat de verdachte en zijn broers zich schuldig hebben gemaakt aan eigenrichting in verband met een mishandeling van de verdachte, een feit waarvoor zij [betrokkene 1] ter verantwoording wilden roepen. Het had op de weg van de verdachte gelegen om daarvan (eerder) aangifte te doen en niet om eerst samen met zijn broers de confrontatie te zoeken, laat staan door een derde ten behoeve van de ‘geschillenbeslechting’ te gijzelen. Dat de verdachte en zijn mededaders gekozen hebben voor eigenrichting is in strijd met de fundamentele beginselen van een rechtstaat. Daartegen dient streng te worden opgetreden.

Het hof ziet in de genoemde omstandigheden alsmede in de straffen die doorgaans voor delicten zoals deze worden opgelegd, aanleiding om een hogere straf op te leggen dan die door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd. Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit daarin onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht. Het hof is zich er van bewust dat de straf ten aanzien van de verdachte hoger uitvalt dan die is opgelegd aan zijn beide reeds onherroepelijk veroordeelde broers.

Ambtshalve stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij in aanmerking het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep tegen het vonnis op 5 februari 2015 en de inzending van de stukken naar het hof door de rechtbank op 6 november 2015. De inzendtermijn is aldus met één maand overschreden. Gelet op de geringe overschrijding en de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, zal het hof met de enkele constatering van die overschrijding volstaan en hier verder geen consequenties aan verbinden.”

11. Gelet op het bewezenverklaarde feit, de door het Hof gebezigde kwalificatie en de strafmotivering als hiervoor onder 10 weergegeven, moet worden aangenomen dat het Hof geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere straf wanneer het bewezenverklaarde was gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”.1 Daarbij neem ik niet alleen in aanmerking dat op het aldus gekwalificeerde feit ook een zware vrijheidsstraf staat, te weten acht jaar (art. 282 Sr), maar ook - en in het bijzonder - dat het hof blijkens de strafmotivering de hoogte van de straf met name heeft laten bepalen door hetgeen de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer hebben aangedaan. Derhalve kan de Hoge Raad met vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de kwalificatie deze verbeteren in ”medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”.

12. Het tweede middel klaagt dat het hof Google streetview ten onrechte heeft beschouwd als een feit van algemene bekendheid.

13. De aanvulling met bewijsmiddelen houdt onder meer in:

“Nadere bewijsoverweging

Het hof overweegt nog het volgende.

Het hof stelt — gelet op het voorgaande — vast dat [slachtoffer] op enig moment na het bezoek aan de verblijfplaats van [betrokkene 1] uit de auto is gelaten. Voorts stelt het hof vast dat dat is gebeurd relatief ver weg van zowel de plek waar de auto van de verdachte2 stond geparkeerd als van zijn woning. De bewijsmiddelen houden immers in dat de auto van [slachtoffer] stond geparkeerd in de nabijheid van de Hoefkade te Den Haag en hij uit een auto is gezet in de buurt van de Middachtenweg te Den Haag. Volgens de openbare bron Google Streetview zijn die twee locaties circa 2 kilometer van elkaar verwijderd. De afstand van de Middachtenweg naar de woning van [slachtoffer] aan de Drebbelstraat te Den Haag, is volgens dezelfde openbare bron circa 3 kilometer.”

14. De door het hof in zijn bewijsoverweging genoemde afstanden zijn zonder noemenswaardige moeite te achterhalen uit algemeen toegankelijke bronnen zoals reisplanners. Daarom zijn deze gegevens aan te merken als feiten van algemene bekendheid.3 Derhalve kan in het midden blijven of Google streetview zo’n algemeen toegankelijke bron is.

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, tot kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde als "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:377, rov. 2.4.2.

2 Ik (WHV) lees: “het slachtoffer” in plaats van “de verdachte”.

3 Zie HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6374, NJ 2007/627. Zie voor afstanden reeds HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9537, NJ 1998/881.