Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-01-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/01433
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:756
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsrecht. Mede-naturalisatie van kind met moeder? Was aan kind verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland toegestaan? Art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) in verbinding met art. 47 lid 1 Vreemdelingenbesluit (oud). Betekenis van begrip ‘feitelijk tot het gezin behoren’ in art. 47 lid 1 Vreemdelingenbesluit (oud) en Vreemdelingencirculaire 1982.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/01433

Mr. P. Vlas

Zitting, 6 januari 2017

Conclusie inzake:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)

(hierna: de Staat)

tegen

[verweerster], wonende te Cyprus

(hierna: [verweerster])

In deze zaak tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) gaat het om de vraag of verweerster in cassatie op grond van art. 11 lid 1 RWN (oud) heeft gedeeld in het naturalisatiebesluit van haar biologische moeder, in welk verband vastgesteld dient te worden of aan [verweerster] verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan op grond van art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) in verbinding met art. 47 Vreemdelingenbesluit (oud).

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie zijn de relevante feiten als volgt.1 [verweerster] is op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] (Turkije) geboren. Haar biologische ouders zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 1] resp. [betrokkene 2]).

1.2

De geboorteaangifte van [verweerster] is gedaan door haar grootvader, [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]), die daarbij heeft aangegeven dat hij de vader is van [verweerster] en dat zijn echtgenote, [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), de moeder is van [verweerster].

1.3

[betrokkene 2] heeft zich op 21 september 1990 in Nederland laten inschrijven in de gemeente Amersfoort. Op 5 november 1992 is zij op het Turkse consulaat in Deventer in het huwelijk getreden met [betrokkene 1]. Bij beslissing van 26 juni 1996 heeft de rechtbank te Karaman de echtscheiding tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] uitgesproken.

1.4

Bij beslissing van 16 oktober 1995 heeft een rechtbank in Turkije op verzoek van [betrokkene 1] – met [betrokkene 2] als gevoegde partij – vastgesteld dat niet [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de ouders van [verweerster] zijn, maar dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de ouders zijn, en heeft de rechtbank met die vaststelling de registratie onder hun naam in het bevolkingsregister van [verweerster] aanvaard.

1.5

Aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is bij Koninklijk Besluit van 18 oktober 1995 het Nederlanderschap verleend. Bij dit besluit is tevens bepaald dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan.

1.6

[betrokkene 2] verkreeg het Nederlanderschap bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1996. Daarbij is tevens bepaald dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan.

1.7

[verweerster] stond van 12 augustus 1991 tot (zoals hierna zal blijken) 20 februari 2013 ingeschreven in Nederland.

1.8

Op 29 december 2010 is [verweerster] in Turkije in het huwelijk getreden met [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]).

1.9

Op 17 januari 2011 heeft [verweerster] zich gemeld bij de balie van de gemeente Amersfoort om haar in Turkije gesloten huwelijk te laten inschrijven. Gebleken is dat de oudergegevens van [verweerster] zoals die vermeld worden in haar paspoort afwijken van de gegevens in de Turkse basisadministratie.

1.10

Bij beschikking van 4 mei 2011 heeft het college van B&W van de gemeente Amersfoort geweigerd het huwelijk van [verweerster] in te schrijven en daarmee haar persoonsgegevens te wijzigen in de (toenmalige) Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). [verweerster] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.11

Bij brief van 3 januari 2013 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de gemeente Amersfoort kenbaar gemaakt dat [verweerster] niet heeft gedeeld in de naturalisatiebesluiten van haar grootouders ([betrokkene 3] en [betrokkene 4]) en van haar moeder ([betrokkene 2]). Redengevend achtte de staatssecretaris dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] nimmer de juridische ouders van [verweerster] zijn geweest in de zin van art. 1 sub c en d RWN (1985).

1.12

Bij brief van 9 januari 2013 heeft het college van B&W van de gemeente Amersfoort aan [verweerster] meegedeeld dat zij de oudergegevens in de GBA zal aanpassen in overeenstemming met de feitelijke werkelijkheid. Tevens is meegedeeld dat dit gevolgen heeft voor haar nationaliteit en dat het college voornemens is uit de GBA te verwijderen dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit heeft. [verweerster] is de gelegenheid geboden binnen vier weken haar zienswijze naar voren te brengen.

1.13

Bij brief van 3 februari 2013, verzonden op 25 februari 2013, heeft het college van B&W van de gemeente Amersfoort het bezwaar van [verweerster] tegen de weigering haar persoonsgegevens in de GBA te wijzigen, gegrond verklaard. Het besluit is herzien en de persoonsgegevens van [verweerster] zijn alsnog gewijzigd conform de feitelijke werkelijkheid.

1.14

Blijkens de GBA is bij besluit van 20 februari 2013 uit de GBA verwijderd dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit heeft. De GBA bevat derhalve alleen de vermelding van haar Turkse nationaliteit.

1.15

[verweerster] heeft zich in april 2014 op de voet van art. 17 lid 1 RWN gewend tot de rechtbank Den Haag met het verzoek dat wordt vastgesteld dat zij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar niet op 18 oktober 1995 heeft gedeeld in de naturalisatie van haar grootouders, maar wel op 13 maart 1996 in die van haar (biologische) moeder [betrokkene 2]. [verweerster] verbleef toen rechtmatig in Nederland, terwijl haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland op dat moment niet ter discussie stond.

1.16

In de procedure bij de rechtbank heeft de IND zich op het standpunt gesteld dat [verweerster] niet in het bezit is, en nooit in het bezit is geweest, van de Nederlandse nationaliteit, zodat het verzoek dient te worden afgewezen. Aan [verweerster] was op 13 maart 1996 geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland toegestaan, zodat zij niet heeft gedeeld in de naturalisatie van haar moeder, aldus de IND, bij welk standpunt de officier van justitie zich heeft aangesloten.

1.17

Bij beschikking van 17 december 2015 heeft de rechtbank Den Haag vastgesteld dat [verweerster] vanaf 13 maart 1996 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. In geschil is of [verweerster] meegenaturaliseerd is met haar moeder ([betrokkene 2]) op 13 maart 1996, in welk verband moet worden beoordeeld of [verweerster], dochter van [betrokkene 2] en destijds minderjarig, op dat moment verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan (rov. 4.1). Niet in geschil is dat [verweerster] op 18 oktober 1995, de datum van naturalisatie van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], door medenaturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Nu gebleken is dat [verweerster] niet het kind van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is, maar hun kleinkind, is zij niet meegenaturaliseerd met haar grootouders (rov. 4.6). Gelet op de formulering van het Koninklijk Besluit van 18 oktober 1995 (waarin aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] het Nederlanderschap is verleend, zie hierboven onder 1.5), moet ervan worden uitgegaan dat op dat moment aan [verweerster] vanwege haar verblijf in het gezin van haar veronderstelde ouders verblijf voor onbepaalde duur in Nederland was toegestaan op grond van art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet2 zoals dat gold in 1995, in verbinding met art. 47 Vreemdelingenbesluit en de destijds geldende Vreemdelingencirculaire. Niet in geschil is dat [verweerster] feitelijk behoorde tot het gezin van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in Nederland wonende Nederlanders waren en dat [verweerster] ten minste een jaar als zodanig in Nederland woonde. Uit het feit dat aan [verweerster] in die periode verblijf voor onbepaalde tijd was toegestaan, kan worden geconcludeerd dat zij toen ook houder was van een vergunning tot verblijf (rov. 4.7). Dat achteraf is gebleken dat [verweerster] niet de dochter, maar de kleindochter van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is, brengt in deze omstandigheden geen verandering. Voor het verblijfsrecht was destijds niet vereist dat [verweerster] was geboren uit het huwelijk van degene van wie het verblijfsrecht afhankelijk was, namelijk [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Gelet op het overgangsrecht behorend bij het Koninklijk Besluit van 30 december 1993 tot intrekking van art. 47 Vreemdelingenbesluit behield [verweerster] haar op grond van art. 47 Vreemdelingenbesluit verkregen verblijfsrecht. Een vergunning tot verblijf kon, overeenkomstig het bepaalde in art. 12 sub a Vreemdelingenwet, worden ingetrokken, indien een vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt die hadden geleid tot het verlenen van de vergunning. Een dergelijke intrekking of een intrekking van de verblijfsvergunning op andere gronden is echter door de IND niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken, ook niet nadat de fraude aan het licht is gekomen (rov. 4.8). Dit leidt tot de conclusie dat aan [verweerster] ook ten tijde van het naturalisatiebesluit van haar moeder op 13 maart 1996 verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan. Dit heeft tot gevolg dat [verweerster] op 13 maart 1996 als minderjarige met haar moeder is meegenaturaliseerd en zij vanaf die datum in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit (rov. 4.9).

1.18

Tegen de beschikking van de rechtbank is door de Staat tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerster] heeft verweer gevoerd en op haar beurt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift inzake het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.

2 Bespreking van het principale cassatiemiddel

2.1

Het principale cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.6 t/m 4/9 van de bestreden beschikking. Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op grond van art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) in verbinding met het daarop gebaseerde art. 47 Vreemdelingenbesluit (oud) en/of het ter zake geldende beleid neergelegd in de destijds geldende Vreemdelingencirculaire (oud), tot de beslissing te komen dat aan [verweerster] op 13 maart 1996 verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan. Althans zou de rechtbank een onvoldoende begrijpelijke beslissing hebben gegeven in het licht van de gedingstukken en de standpunten van partijen. De rechtbank heeft daarom evenmin kunnen oordelen dat [verweerster] heeft gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap door haar moeder op 13 maart 1996.

2.2

Het middel betoogt dat uit art. 10 Vreemdelingenwet (oud) en art. 47 Vreemdelingenbesluit (oud) blijkt, dat het de intentie bij het opstellen van deze bepalingen is geweest om een regeling te maken voor verblijf voor onbepaalde tijd voor gezinsleden van degenen die voor onbepaalde tijd in Nederland mogen verblijven, waarbij met gezinsleden wordt gedoeld op het ‘kerngezin’ van ouder(s) en bij die ouder(s) behorende kinderen. In het licht daarvan heeft de rechtbank een onjuiste beslissing gegeven waar zij oordeelt dat [verweerster], die op frauduleuze wijze een verblijfsvergunning heeft verkregen bij haar grootouders, als kind van die grootouders, aansluitend de in art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) bedoelde status heeft verkregen. Volgens het middel (onder 3.1 t/m 3.6) kwam dat verblijfsrecht slechts toe aan de leden van het kerngezin, waartoe [verweerster] als kleinkind niet behoorde.

2.3

Bij de bespreking van deze klacht stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 11 lid 1 RWN, zoals deze wet in 1996 gold ten tijde van de naturalisatie van de moeder ([betrokkene 2]), deelde een minderjarig kind mee in de naturalisatie van een van zijn ouders die tot Nederlander werd genaturaliseerd, tenzij in het naturalisatiebesluit ten aanzien van het kind een voorbehoud was gemaakt. Over dit voorbehoud wordt in de circulaire van de staatssecretaris van Justitie van 31 maart 1992 het volgende opgemerkt:

‘In het vervolg zal in ieder naturalisatiebesluit een algemeen artikel 2 worden opgenomen, luidende: ‘Het Nederlanderschap wordt onthouden aan de minderjarige kinderen van de in artikel 1 van dit besluit vermelde personen, aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan.’ (…)

Deze maatregel is in de praktijk noodzakelijk gebleken daar verschillende malen is voorgekomen dat voor minderjarige kinderen een beroep op het Nederlanderschap werd gedaan, van wie de overheid het bestaan ten tijde van de naturalisatieprocedure niet kende en tegen wier verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba bezwaar bestond. (…)’.3

2.4

Zoals reeds vermeld in 1.6 van mijn conclusie, komt dit voorbehoud voor in het naturalisatiebesluit van [betrokkene 2]. Om vast te kunnen stellen of [verweerster], die sedert de Turkse rechterlijke beslissing van 16 oktober 1995 als kind van [betrokkene 2] geldt4, heeft gedeeld in de naturalisatie van haar biologische moeder op grond van art. 11 lid 1 RWN (oud) en het daarop gebaseerde Koninklijk Besluit van 13 maart 1996, dient te worden nagegaan of aan [verweerster] ten tijde van de naturalisatie van haar moeder in vreemdelingenrechtelijke zin verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan.

2.5

Art. 10 Vreemdelingenwet (hierna: Vw (oud)) luidde ten tijde van de naturalisatie van [betrokkene 2] op 13 maart 1996 als volgt:

‘1. Het is aan vreemdelingen toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven:

a. indien zij houder zijn van een vergunning tot vestiging;

b. indien zij door Onze Minister als vluchteling zijn toegelaten.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aan andere dan de in het eerste lid bedoelde vreemdelingen worden toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven’.5

2.6

In de MvT behorende bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Vw (oud) wordt over het tweede lid van art. 10 Vw (oud) het volgende opgemerkt:

‘Het ligt in de bedoeling van de in artikel 10, tweede lid, voorbehouden bevoegdheid gebruik te maken ten behoeve van leden van het gezin van een Nederlander (voorzover zij niet eveneens de Nederlandse nationaliteit bezitten) en van de houder van een vergunning tot vestiging. Nader zal worden bezien of t.z.t. nog andere categorieën kunnen worden vrijgesteld’.6

2.7

Op basis van het tweede lid van art. 10 Vw (oud) werd in art. 47 Vreemdelingenbesluit (oud) (verder: Vb (oud)) het volgende bepaald:

‘1. Aan de echtgenoot of de echtgenote en aan de kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, die feitelijk behoren tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet [Vreemdelingenwet, A-G], is het krachtens het tweede lid van dat artikel toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven:

a. indien zij sedert tenminste één jaar als zodanig in Nederland wonen en hun gedurende die periode krachtens artikel 9 van de Wet verblijf in Nederland was toegestaan;

b. indien hun op het tijdstip waarop zij deze hoedanigheid verkregen krachtens één der bepalingen van artikel 10, eerste lid, van de Wet verblijf in Nederland was toegestaan.

2. Onze Minister kan bepalen dat het aan andere dan in het voorgaande lid bedoelde categorieën van vreemdelingen krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven’.7

2.8

Over het verblijfsrecht op grond van art. 10 lid 2 Vw (oud) in verbinding met art. 47 lid 1 Vb (oud) wordt in de Vreemdelingencirculaire 1982 (hierna: Vc 1982) het volgende opgemerkt:

‘Dit verblijfsrecht wordt van rechtswege verkregen; een verzoek daartoe behoeft derhalve niet te worden ingediend. Het verblijfsrecht gaat eveneens van rechtswege verloren (…); intrekking van deze verblijfstitel is derhalve niet mogelijk. Gelet op het afhankelijk karakter van dit verblijfsrecht kan het voor de vreemdeling van belang zijn tevens te beschikken over een zelfstandige verblijfstitel. Een daartoe strekkend verzoek moet in behandeling worden genomen en getoetst aan de normen die de Vreemdelingenwet daarvoor geeft. Verkrijging of verlies van dit verblijfsrecht laat een eventueel aan de vreemdeling reeds verleende vergunning tot verblijf, vergunning tot vestiging of toelating als vluchteling onverlet. (…)’.8

2.9

Het verblijfsrecht op grond van art. 10 lid 2 Vw (oud) in verbinding met art. 47 lid 1 Vb (oud) wordt in de Vc 1982 als volgt toegelicht:

De echtgenoot of de echtgenote en de kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar als bedoeld in art. 47, eerste lid, Vb

Verblijf voor onbepaalde duur is krachtens art. 10, tweede lid, Vw bij art. 47, eerste lid, Vb toegestaan aan de echtgenoot of de echtgenote en de kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar die feitelijk behoren tot het gezin van:

- een in Nederland wonende Nederlander; of

- een houder van een vergunning tot vestiging; of

- een vreemdeling die is toegelaten als vluchteling,

indien zij:

a. ten minste een jaar als zodanig in Nederland wonen en zij gedurende die periode houder waren van een vergunning tot verblijf, of

b. op het tijdstip waarop zij deze hoedanigheid verkregen reeds houder waren van een vergunning tot vestiging of waren toegelaten als vluchteling.

Kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar

Voor verkrijging van het verblijfsrecht krachtens art. 10, tweede lid, Vw is niet vereist dat het kind is geboren uit het huwelijk van degene van wie het verblijfsrecht afhankelijk is.

Het kan derhalve bijvoorbeeld ook gaan om:

- vóór het huwelijk geboren kinderen van een vreemdeling die huwt met een Nederlander, met een houder van een vergunning tot vestiging of met een vreemdeling die is toegelaten als vluchteling;

- in het gezin opgenomen buitenlandse pleegkinderen (zowel adoptief- als familiepleegkinderen)’.9

2.10

Art. 47 Vb (oud) is vervallen bij Koninklijk Besluit van 30 december 199310, in werking getreden op 7 januari 1994. De Nota van Toelichting geeft als reden voor het vervallen van art. 47 Vb (oud) het beginsel dat uit de herziene Vreemdelingenwet voortvloeit dat op grond van overwegingen van rechtszekerheid verblijfsrechten niet langer van rechtswege mogen ontstaan of verloren gaan maar dat daarvoor steeds de tussenkomst van de overheid is vereist.11 Met het oog op de bescherming van rechten die zijn opgebouwd onder art. 47 Vb (oud) is voorzien in een overgangsregeling die kort gezegd inhoudt dat de door een vreemdeling op grond van art. 47 Vb (oud) verkregen verblijfsrechten worden geëerbiedigd. Zie art. III lid 1 van het genoemde besluit:

‘Het is aan vreemdelingen aan wie het op de dag onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit krachtens artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet was toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven zolang zij voldoen aan de voorwaarden op grond waarvan hun dit verblijf voor onbepaalde tijd was toegestaan’.12

2.11

In de onderhavige zaak gaat het om de vraag wat moet worden verstaan onder het criterium ‘kinderen die feitelijk behoren tot het gezin’ van degene van wie het verblijfsrecht afhankelijk is, zoals bedoeld in art. 47 lid 1 Vb (oud). Wordt daarbij, zoals door de Staat wordt betoogd, gedacht aan gezinsleden die het ‘kerngezin’ vormen, te weten de echtgenoot/echtgenote en de minderjarige kinderen? Of moet worden aangenomen dat een kleinkind zoals [verweerster] – die ten tijde van de naturalisatie bij haar grootouders in Nederland verbleef en, naar later is gebleken, ten onrechte is opgegeven als zijnde het kind van deze grootouders – óók geacht moet worden te behoren tot het ‘kerngezin’ van die grootouders en daarmee dus een verblijfsrecht krachtens art. 10 Vw (oud) heeft verworven? Anders gezegd, moet het begrip ‘kinderen die feitelijk behoren tot het gezin’ beperkt of ruim worden uitgelegd?

2.12

Tegen de achtergrond van de verschillende wettelijke regelingen en uitvoeringsvoorschriften ligt een beperkte uitleg, zoals door de Staat bepleit, meer voor de hand dan een ruime. Zo schrijft Swart in zijn proefschrift:

‘Memorie van Toelichting en Memorie van Antwoord op art. 10.2 Vw spreken van “leden van het gezin”. De term wordt niet nader omschreven. Het is niet geheel duidelijk aan welke graden van bloed- en aanverwantschap is gedacht, noch blijkt of er tussen de bedoelde personen een familierechtelijke betrekking moet bestaan. Onder leden van het gezin worden in de artikelen 47 Vb en 24a V.V. [Voorschrift Vreemdelingen, A-G] uitsluitend echtgenoten en kinderen beneden de leeftijd van eenentwintig jaar verstaan. Verondersteld lijkt te zijn dat er inderdaad sprake moet zijn van een familierechtelijke betrekking, hetzij een huwelijk, hetzij ouderlijke macht of voogdij. De aanvullende eis dat het lid van het gezin ‘feitelijk’ tot het gezin behoort, zou anders niet geheel begrijpelijk zijn’.13

2.13

Steun voor deze beperkte uitleg valt ook te vinden in het proefschrift van Koens, waar hij in verband met art. 10 Vw (oud) schrijft:

‘Dit betekent dat niet binnen de omschrijving vallende gezins- en familieleden van de buitenlandse werknemer deze status niet van rechtswege kunnen verkrijgen. Het betreft hier niet alleen de bloed- en aanverwanten in de opgaande en zijlinies, doch tevens de kinderen vanaf eenentwintig jaar en de niet feitelijk tot het gezin behorende kinderen beneden eenentwintig jaar. Het ‘feitelijk’ gezinscriterium heeft blijkend de Nota van Toelichting betrekking op de toegelaten minderjarige kinderen die bij de houder van de vergunning tot vestiging inwonen. (…). Een familierechtelijke band tussen de kinderen en de houder van de vergunning tot vestiging is geen conditio sine qua non voor de verkrijging van de status van art. 10.2 Vw. Zowel minderjarige pleeg- als stiefkinderen verkrijgen na één jaar verblijf in de zin van art. 9 Vw in het gezin van de houder van de vergunning tot vestiging deze status. Ook het uitoefenen van het gezag over het minderjarige gezinslid is geen voorwaarde voor de verkrijging van deze status’.14

2.14

Tot de tot het ‘kerngezin’ behorende kinderen worden gerekend de uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren, alsmede de niet uit het huwelijk geboren kinderen, waaronder kunnen worden gerekend adoptiefkinderen en familiepleegkinderen, alsmede kinderen uit een eerder huwelijk van een der echtgenoten.15 In dit verband kan ook nog worden gewezen op andere passages in de Vc 1982, waarin bijvoorbeeld wordt gesproken van ‘(k)inderen beneden de vijftien jaar die inwonen bij één van hun ouders’,16 ‘de vreemdeling of diens wettelijk vertegenwoordiger (ouder, voogd, curator)’,17 en ‘de tot het gezin behorende minderjarige kinderen voor zover een der ouders met het wettig gezag over deze kinderen is belast’.18 Verder kan worden gewezen op (het inmiddels vervallen) art. 24a Voorschrift Vreemdelingen, dat ter uitvoering van art. 47 lid 2 Vb (oud) een uitbreiding gaf van personen aan wie het krachtens art. 10 lid 2 Vw (oud) was toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Art. 24a Voorschrift Vreemdelingen luidde als volgt:

‘1. Ongeacht het bepaalde in artikel 47, eerste lid, Vreemdelingenbesluit, is het krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, aan:

a. de echtgenoot of de echtgenote die feitelijk behoort tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, en die houder is van een vergunning tot vestiging, c.q. die in verband met haar huwelijk met een vreemdeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet het Nederlanderschap heeft verloren;

b. kinderen die in Nederland zijn geboren uit het huwelijk van een in Nederland wonende Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, zolang zij feitelijk tot het gezin van deze Nederlander of van eerstbedoelde vreemdeling behoren en de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt.

2. Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit wordt met krachtens artikel 9 van de Wet in Nederland toegestaan verblijf gelijkgesteld onmiddellijk vóór het tijdstip van het in werking treden van de Wet in Nederland doorgebracht verblijf, voor zover dit verblijf krachtens beschikking van het bevoegde gezag voor onbepaalde tijd werd aanvaard’.19

2.15

Ook uit art. 24a Voorschrift Vreemdelingen volgt dat kleinkinderen niet tot het ‘kerngezin’ behoren waarop het bepaalde in art. 10 lid 2 Vw (oud) betrekking heeft. Overigens is art. 24a Voorschrift Vreemdelingen niet op [verweerster] van toepassing, omdat zij niet aan de vereisten van het bepaalde in het eerste lid van onderdeel b van art. 24a Voorschrift Vreemdelingen voldoet.

2.16

Ik kom tot de slotsom dat aan [verweerster] op het moment van de naturalisatie van haar moeder ([betrokkene 2]) op 13 maart 1996 geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan. Zij behoorde niet feitelijk tot het gezin van haar grootouders in de zin van art. 10 lid 2 Vw (oud) in verbinding met art. 47 Vb (oud), omdat de status van art. 10 lid 2 Vw (oud) uitsluitend was bedoeld voor de kinderen die feitelijk behoorden tot het gezin van een ouder en niet de kleinkinderen. Het zou verstrekkende consequenties voor het verblijfsrecht hebben indien art. 10 lid 2 Vw (oud) in verbinding met art. 47 lid Vb (oud) zo ver zou worden opgerekt dat daaronder valt ieder kind, ongeacht de graad van bloed- of aanverwantschap van dat kind tot degene van wie het verblijfsrecht afhankelijk is (behalve in de reeds genoemde gevallen van voorkinderen, adoptiefkinderen en familiepleegkinderen). [verweerster] is door haar grootouders niet als familiepleegkind opgenomen, maar frauduleus opgegeven als eigen kind. Nu zij door deze door haar grootouders (en ouders) gepleegde fraude niet heeft gedeeld in de naturalisatie van haar grootouders tot Nederlander, heeft zij geen verblijfsstatus verkregen op grond van art. 10 lid 2 Vw (oud), zodat zij derhalve ook niet deelde in de naturalisatie van haar moeder.

2.17

Op grond van het voorgaande meen ik dat het principale middel slaagt. Bij deze stand van zaken behoeven de overige door de Staat voorgestelde (subsidiaire) klachten geen bespreking.

3 Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

3.1

Nu het principale cassatiemiddel slaagt, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele cassatiemiddel is ingesteld en moet het incidentele middel worden besproken. Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank het beroep van [verweerster] op het EEG-Associatieverdrag met Turkije20 ten onrechte niet heeft behandeld, evenals het beroep op art. 17 EG-Verdrag en het arrest van het HvJEU van 2 maart 2010 inzake Rottmann.21 Het middel betoogt dat de rechtbank deze stellingen niet onbesproken had mogen laten, mede vanwege hun strekking en het feit dat met de behandeling ervan de proceseconomie zou zijn gediend. Met het oog op dit laatste betoogt het middel dat na vernietiging van de bestreden beschikking in het incidenteel beroep verwijzing dient te volgen, opdat de rechtbank die stellingen alsnog dient te behandelen.

3.2

[verweerster] heeft in het inleidend verzoekschrift onder 38 en 39 gewezen op Besluit 1/80 van de Associatieraad, ingesteld bij het EEG-Associatieverdrag met Turkije. [verweerster] heeft vervolgens niet meer gesteld dan dat dit besluit ‘bovenvermelde scenario’s weer op zijn kop kan gooien’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op het betoog onder 31 e.v. van het inleidend verzoekschrift dat [verweerster] ten tijde van de naturalisatie van haar moeder een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd had en dat deze vergunning niet met terugwerkende kracht kan worden ontzegd of beëindigd. Een dergelijke ontzegging of beëindiging zou in strijd zijn met art. 6 of art. 7 van het Besluit 1/80.

3.3

Voor zover van belang luidt art. 6 lid 1 van het Besluit 1/80 als volgt:

‘Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze’.

Art. 7 van het Besluit luidt als volgt:

‘Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

- hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste 3 jaar aldaar legaal wonen;

- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen.

Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe zij in de betreffende Lid-Staat wonen, in die Lid-Staat op ieder arbeidsaanbod reageren op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken Lid-Staat heeft gewerkt’.22

3.4

Van het passeren van essentiële stellingen is naar mijn mening geen sprake. De rechtbank behoefde aan deze stellingen van [verweerster] geen aandacht te besteden, omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat [verweerster] vanwege het verblijf in het gezin van haar veronderstelde ouders verblijf voor onbepaalde duur in Nederland was toegestaan (rov. 4.7) en [verweerster] derhalve ook ten tijde van het naturalisatiebesluit van haar moeder op 13 maart 1996 verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland was toegestaan en zij vanaf die datum in het bezit is van het Nederlanderschap (rov. 4.9). Voor het overige geldt dat [verweerster] noch in haar inleidend verzoekschrift noch op enig ander moment in de procedure in eerste aanleg heeft aangevoerd dat haar moeder ten tijde van haar naturalisatie aan de bepalingen van het Besluit 1/80 voldeed op grond waarvan in dat geval aan [verweerster] een verblijfsrecht zou toekomen, zodat niet valt in te zien dat na vernietiging van de bestreden beschikking de rechtbank alsnog over deze stellingen van [verweerster] zou moeten oordelen. De klacht faalt derhalve.

3.5

Over de klacht dat de rechtbank ten onrechte art. 17 EG-Verdrag (thans art. 20 VWEU) en het arrest van het HvJEU inzake Rottmann niet heeft behandeld, kan ik kort zijn. Het middel miskent dat [verweerster] nimmer in het bezit is geweest van het Unieburgerschap, omdat zij het Nederlanderschap nooit heeft verkregen.23 Ook deze klacht faalt derhalve.

3.6

De slotsom is dat het incidentele middel faalt. Nu het principale middel slaagt, dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. De Hoge Raad kan naar mijn mening de zaak zelf afdoen door het verzoek van [verweerster] tot vaststelling van het Nederlanderschap af te wijzen.

4 Conclusie

De conclusie strekt

- in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikking,

- in het incidentele cassatieberoep tot verwerping,

en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad zelf.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 t/m 2.14 van de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15263.

2 De rechtbank heeft abusievelijk verwezen naar art. 10 lid 2 Vreemdelingenbesluit.

3 Circulaire kenmerk 200189/192; zie Schuurman & Jordens, nr. 209, 1994, p. 111; vgl. G.R de Groot, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 11 RWN, aant. 9 en conclusie A-G Mok, nr. 3.2, vóór HR 13 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1844, NJ 1997/148.

4 Vgl. inleidend verzoekschrift, p. 5: ‘Uitgaande van de rechtens gecorrigeerde afstammingsgegevens was ten tijde van dit besluit verzoekster het kind van een ouder die tot Nederlander werd genaturaliseerd’.

5 Wet van 13 januari 1965, Stb. 1965, 40 (nadien gewijzigd).

6 Kamerstukken II 1962/63, 7163, nr. 3, p. 15.

7 Besluit van 19 september 1966, Stb. 1966, 387 (nadien gewijzigd).

8 Vc 1982, A 4 Toelating, onder 8.1. Zie nader A.H.J. Swart, De toelating en uitzetting van vreemdelingen, diss. Amsterdam (UvA) 1978, p. 149 e.v.; P. Boeles, Vreemdelingenrecht en Nederlanderschap, 1984, 2e druk, p. 84-85.

9 Vc 1982, A4, onder 8.2.1.

10 Besluit van 30 december 1993, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit (herziening Vreemdelingenwet), Stb. 1994, 8.

11 Stb. 1994, 8, p. 17 (onderdeel N); G.M.H. Hoogvliet, Gids Vreemdelingenrecht, Wetgeving & Commentaar, deel 2, 3-1, onder 3.

12 De Nota van Toelichting Stb. 1994, 8, p. 26, vermeldt ten aanzien van art. III dat uit ‘principiële (rechtsbescherming) en praktische (werklast uitvoeringsorganisaties) overwegingen is gekozen voor een systeem van eerbiedigende werking’. Zie nader over dit overgangsrecht: K.E. Hendriksen, Overgangsrechtelijke perikelen na verlies 10 lid 2 Vw-status, MR 1994, p. 217-219.

13 A.H.J. Swart, De toelating en uitzetting van vreemdelingen, diss. Amsterdam (UvA) 1978, p. 152.

14 M.J.C. Koens, Jeugdige vreemdelingen in Nederland, diss. Tilburg, 1983, p. 51.

15 Zie R.W.L. Loeb, Inleiding Vreemdelingenrecht, tweede druk, 1987, p. 79 en p. 118 e.v.

16 Vc 1982, A 4-9.2.1.4, p. 111-112.

17 Vc 1982, A 4-9.1.1, p. 104.

18 Vc 1982, B 10-2.2.3, p. 5.

19 Art. 24a Voorschrift Vreemdelingen is vervallen bij ministeriële regeling van 3 januari 1994, Stcrt. 1994, 4, in werking getreden op 8 januari 1994.

20 Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, gesloten te Ankara op 12 september 1963, inwerkingtreding op 1 december 1964, zie Trb. 1963, 184, 1964, 171 en 2007, 160.

21 HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, Jur. 2010, p. I-01449, ECLI:EU:C:2010:104, NJ 2010/291, m.nt. M.R. Mok (Rottmann/Freistaat Bayern).

22 Besluit 1/80 is niet officieel gepubliceerd. De tekst is te vinden in Lexplicatie, deel 3.27d-III (J.A. Raukema, Internationale Vreemdelingenregelgeving), p. 541-569 (art. 6 en 7); zie ook bijlage 18 bij de brief van de IND van 1 juli 2015 gericht aan de rechtbank Den Haag.

23 Zie ook de vaste rechtspraak van Uw Raad: HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9435, NJ 2012/337, rov. 3.5; HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:408 (cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO), en mijn voorafgaande conclusie onder 2.5 en 2.6.