Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:985

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-10-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
16/01401
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2830, Contrair
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Is vordering tot overlegging bankafschriften een ‘fishing expedition’? Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

16/01401

mr. De Bock

Zitting 7 oktober 2016 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verzoekster tot cassatie

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum

tegen

[de man]

(hierna: de man)

verweerder in cassatie

in cassatie niet verschenen

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Partijen zijn op 19 augustus 1994 gehuwd in gemeenschap van goederen.

1.2 Op 19 november 2012 heeft de man de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Hij heeft verder verzocht om partijen te veroordelen om over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van onzijdige personen en een notaris voor zover tussen partijen geen algehele overeenstemming mocht worden bereikt.2

1.3 In haar verweerschrift heeft de vrouw de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek eveneens verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Daarnaast heeft zij verzocht de verdeling en toedeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen zoals door haar verzocht.3

1.4 De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw.4

1.5 Bij beschikking van 1 juli 2013 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap pro forma aangehouden tot 1 september 2013 en deze afgesplitst van de behandeling van het hoofdverzoek (het verzoek tot echtscheiding).5

1.6 De echtscheidingsbeschikking is op 25 oktober 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.6

1.7 Na het wijzen van een tussenbeschikking op 1 april 2014 en het inwinnen van een deskundigenbericht om de marktwaarde van de voormalige echtelijke woning vast te stellen, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 9 maart 2015, hersteld bij beschikking van 28 april 2015, de wijze van verdeling als volgt gelast (voor zover in cassatie nog relevant):

- degene die de woning met hypotheek en kapitaalverzekering overneemt moet de ander daarvoor € 10.601,39 vergoeden (tussenbeschikking rov. 2.3.7 en eindbeschikking rov 5.2);

- voor zover op de polis nog kapitaal is opgebouwd ná 19 november 2012 (dus voor zover de polis op het moment van verdeling een waarde heeft boven € 21.202,78) komt dit toe aan de man (tussenbeschikking rov. 2.3.7 en eindbeschikking rov 5.2).

1.8 De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. De man heeft verweer gevoerd.

1.9 Bij beschikking van 15 december 2015 heeft het hof de eindbeschikking van de rechtbank van 9 maart 2015 op enkele punten vernietigd en de beschikking voor het overige bekrachtigd, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

1.10 Bij verzoekschrift, ingekomen op 14 maart 2016, heeft de vrouw - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 15 december 2015. De man heeft geen verweerschrift ingediend.


2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat drie klachten.

Klacht 1

2.2

De klacht is gericht tegen rov. 5.11.7 Daarin heeft het hof als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid wordt ook rov. 5.10 geciteerd):

“5.10 In haar zevende grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gehele vermogensopbouw van de kapitaalpolis bij de Rabobank (bekend onder nummer [001]) na de peildatum geheel ten gunste van de man komt. Deze kapitaalverzekering, waarvan ten tijde van de peildatum al ongeveer 20 jaar was verstreken, heeft een looptijd van 30 jaar, maar de helft van het kapitaal wordt opgebouwd gedurende de tien laatste jaren. De vrouw maakt aanspraak op het surplus aan kapitaalopbouw gedurende de laatste tien jaar van de looptijd, door haar berekend op € 15.161,30. De man heeft de door de vrouw gestelde aanspraak gemotiveerd betwist.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige procedure als peildatum 19 november 2012 geldt. De samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap wordt vastgesteld op de peildatum. Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd om hiervan af te wijken. In dit verband is van belang dat de vrouw aanspraak maakt op een waarde die op de peildatum nog niet bestond. Daarbij komt nog dat de vrouw niet bijdraagt aan de vermogensopbouw van deze kapitaalverzekering. Grief VII faalt.”

2.3

In punt 5 stelt de klacht dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat. In punt 6, 7 en 9 wordt geklaagd dat, voor zover het oordeel aldus moet worden begrepen dat partijen overeenstemming zouden hebben over de peildatum voor de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap, de beslissing onbegrijpelijk is, nu dit niet kan worden afgeleid uit het procesdossier. In punt 10 stelt de klacht dat de tekst van de bestreden overweging er op wijst dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de peildatum. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap en de peildatum voor de waardering. Ter toelichting wijst de klacht erop dat in het oordeel van het hof “dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om hiervan af te wijken” de suggestie besloten ligt dat het door de vrouw bepleite standpunt een afwijking van de hoofdregel betreft waarvoor zij bijzondere omstandigheden zou moeten stellen, terwijl de vrouw juist toepassing van de hoofdregel bepleit, waarvoor zij geen bijzondere omstandigheden behoeft te stellen. De klacht stelt in punt 11 dat het hof heeft miskend dat art. 3:172 BW meebrengt dat partijen naar rato van hun eigendomsaandeel dienen bij te dragen in de lasten en dat zij profiteren van de vruchten. Volgens de klacht volgt uit dit wetsartikel dat de vrouw recht heeft op de vruchten van de kapitaalpolis (de waardestijging daarvan) tot het moment van feitelijke verdeling. De klacht merkt in dat verband op dat de vrouw via de partneralimentatie haar aandeel in de premie voor de kapitaalpolissen voldoet.8 In zoverre is de overweging van het hof dat “daarbij nog komt dat de vrouw niet bijdraagt aan de vermogensopbouw van deze kapitaalverzekering” volgens de klacht onbegrijpelijk en niet relevant bij de toepassing van de hoofdregel. Volgens de klacht kan het enkele feit dat de vrouw de premies voor de kapitaalpolissen niet (rechtstreeks) betaalde, geen argument zijn om af te wijken van de wettelijke peildatum en de hoofdregel van art. 3:172 BW. Het had hoogstens aanleiding kunnen zijn om de vrouw de veroordelen om alsnog de helft van de premies te betalen, wanneer dit door de man was gevorderd. Gesteld wordt dat de man dit niet heeft gedaan en dat, indien dit wel het geval was geweest, zulks voor de vrouw aanleiding zou zijn geweest om een wijziging van de alimentatie te verzoeken.

2.4

Voor een goed begrip van de aangevallen rechtsoverweging merk ik het volgende op. In eerste aanleg is een overzicht gegeven van de verschillende hypothecaire leningen die partijen hadden afgesloten.9 Aan één van die leningen - die met nr. 3629.943.500 - was een kapitaalverzekering verbonden ten belope van een bedrag van € 44.016,68. Deze verzekering had een looptijd van 30 jaar, waarvan er op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap 20 waren verstreken (de polis was gestart op 16 maart 1992 en liep tot 16 maart 2022). Na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap is de man de premies voor deze verzekering blijven betalen. In hoger beroep verzoekt de vrouw bij grief VII dat zij ook meedeelt in de kapitaalopbouw van de polis ná verdeling. Daarmee vorderde zij in feite dat voor de kapitaalverzekering als waardepeildatum wordt genomen het moment waarop de looptijd van 30 jaar is voltooid.

2.5

Bij de bespreking van de klacht is het volgende voorop te stellen. Art. 1:99 BW, gewijzigd met de invoering van de nieuwe gemeenschap van goederen per 1 januari 2012, regelt door welke oorzaken de huwelijksgemeenschap van rechtswege wordt ontbonden. Voor zover hier van belang bepaalt art. 1:99 lid 1, aanhef en onder b, BW dat de huwelijksgemeenschap in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Dit is een wijziging ten opzichte van het vóór 1 januari 2012 geldende recht, dat inhield dat de huwelijksgemeenschap werd ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.10 De ontbinding van de huwelijksgemeenschap betekent nog niet het einde van de tussen de echtgenoten bestaande gezamenlijke mede-eigendom. Met de ontbinding van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd eindigt de werking van de regels van afdeling 1 en 2 van titel 7 Boek 1 BW. De ontbonden huwelijksgemeenschap is voortaan een bijzondere gemeenschap in de zin van art. 3:189 lid 2 BW, waarop de regels van titel 7 Boek 3 BW van toepassing zijn, met dien verstande dat de bepalingen van afdeling 1 alleen gelden voor zover daarvan in afdeling 2 niet wordt afgeweken. Daarnaast is nog afdeling 3 van titel 7 Boek 1 BW van toepassing.11 Door ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt de omvang van de gemeenschap in beginsel gefixeerd. Alle activa en passiva die de echtgenoten na de ontbinding krijgen, zijn in beginsel privé; er vindt dus geen boedelmenging meer plaats. Verder geldt de bijzondere regeling ten aanzien van de door echtgenoten aangegane schulden niet meer en is de bestuursregeling uitgeschakeld. In plaats daarvan treedt het - in beginsel - gezamenlijk bestuur en beheer als omschreven in art. 3:170 BW in. De ontbonden huwelijksgemeenschap is vatbaar voor verdeling en ook bestemd om te worden verdeeld.

2.6

Aangezien een huwelijksgemeenschap voortduurt totdat zij wordt ontbonden door een van de in art. 1:99 BW vermelde gronden, moet bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap worden uitgegaan van de samenstelling daarvan op het in dat artikel genoemde tijdstip.12 In het onderhavige geval is dat het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding (art. 1:99 lid 1, aanhef en sub b BW). Bij het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap kan niet van dit tijdstip worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.13

2.7

Voor wat betreft het tijdstip van waardering van de tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen geldt dat een goed bij de verdeling in beginsel moet worden betrokken voor de waarde die het heeft op het moment van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Zie hierover HR 20 oktober 2001, NJ 2003/534:14

“3.3 Bij de beoordeling (…) moet het volgende worden vooropgesteld (…).

A. De rechter, die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt, bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd.

B. Bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen moet, ter bepaling van hun waarde, in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken.”

De rechter dient dus in beginsel uit te gaan van de datum van verdeling, dat is de datum van de rechterlijke uitspraak waarin tot verdeling wordt overgegaan. De rechter heeft echter de vrijheid om anders te beslissen. Als de appelrechter tot een ander oordeel komt over het tijdstip van verdeling, dan geldt dat in beginsel de dag van de uitspraak van de appelrechter als peildatum moet worden aangemerkt.15

2.8

Breederveld gaat in zijn proefschrift in op verschillende gevallen waarin afwijking van de in 2.7 weergegeven hoofdregel op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de orde kan zijn.16 Hij onderscheidt vier categorieën goederen, waarbij, afhankelijk van de aard van het goed, voor een bepaalde peildatum kan worden gekozen:17

(i) goederen waarvan de waarde in overwegende mate door het gebruik wordt beïnvloed (met name roerende zaken).

Een redelijke waardepeildatum voor deze goederen is de dag dat één van de echtgenoten exclusief het duurzaam feitelijk gebruik van het goed heeft verkregen, dan wel de dag van de feitelijke verdeling ervan.

(ii) goederen waarvan de waarde niet in overwegende mate door het gebruik wordt beïnvloed (bijvoorbeeld onroerende zaken, voorwerpen van kunst en antiek en de effectenportefeuille).

Voor deze goederen kan over het algemeen gelden dat de dag van de verdeling als de waardepeildatum niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, nu beide echtgenoten het voordeel genieten of het nadeel ondervinden van optredende waardefluctuaties. Daarnaast kan het exclusieve gebruik na ontbinding van de huwelijksgemeenschap tot aan de verdeling bovendien eventueel aanspraak geven op een gebruiksvergoeding.

(iii) goederen die betrekking hebben op de (eigen) onderneming van een van de echtgenoten, die na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt voortgezet (door de echtgenoot/ ondernemer).

Als redelijke waardepeildatum komt het meest in aanmerking de dag van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, omdat door de inspanning door de echtgenoot/ondernemer de ondernemingsactiviteiten kunnen worden gecontinueerd, terwijl de inspanning niet meer toegerekend kan worden aan de ontbonden huwelijksgemeenschap.

(iv) goederen waarvan de opbouw van rechten na ontbinding van de huwelijksgemeenschap door loopt (rechten uit levensverzekeringen, lijfrentes, spaarpolissen, stamrechten en pensioenen in eigen beheer).

Tenzij de rechten worden afgekocht, loopt de opbouw van deze rechten door na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Een van de echtgenoten of de onderneming (ten behoeve van een of beide echtgenoten) zet de premiebetaling of dotatie voort. De premiebetaling is van invloed op de opbouw van de waarde. Indien de rechten worden opgebouwd (mede) ten behoeve van een oudedagsvoorziening gebiedt de redelijkheid volgens Breederveld om aansluiting te zoeken bij de wettelijke regeling voor verevening van pensioenrechten. De dag van de echtscheiding geldt daarvoor als waardepeildatum. Voor de opgebouwde rechten die niet direct te beschouwen zijn als een oudedagsvoorziening maar wel voorzien in een kapitaalopbouw, is het redelijk om aansluiting te zoeken bij de datum van ontbinding van de gemeenschap, aldus nog steeds Breederveld.

2.9

In het onderhavige geval gaat het om een goed in de laatste categorie, namelijk een kapitaalverzekering die is verbonden aan een leningdeel voor de eigen woning. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verzekering ook voorziet in een oudedagsvoorziening. Uitgaande van de beschouwingen van Breederveld is het in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid om bij de verdeling van een dergelijke polis uit te gaan van de waarde van de polis ten tijde van de ontbinding van de gemeenschap. Dit wordt ook elders in de literatuur aangenomen. Zo stelt bijvoorbeeld Keijser dat ten aanzien van verzekeringspolissen behoort te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer en dat in de praktijk pleegt te worden uitgegaan van de afkoopwaarde, hoewel de werkelijke waarde voor degene die de verzekering voortzet hoger is. Dit hangt samen met het feit dat de kosten van de verzekeringsmaatschappij over de eerste jaren plegen te worden omgeslagen.18

2.10

Ik keer terug naar de verschillende onderdelen van de klacht. Het oordeel van het hof in rov. 5.11, dat tussen partijen niet in geschil is dat in de onderhavige procedure als peildatum 19 november 2012 geldt, is niet helemaal duidelijk. De daarop volgende zinnen lijken erop te wijzen dat het hof hiermee doelt op de peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en de omvang van de gemeenschap. Maar omdat, zoals besproken onder punt 2.6, bij het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap niet kan worden afgeweken van het moment van ontbinding van de gemeenschap - i.c. de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank op 19 november 2012 - voegt de overweging dat die datum tussen partijen niet in geschil is, weinig toe. Het maakt immers niet uit of partijen het hierover wel of niet eens zijn.
Het ligt dan ook meer voor de hand om het bestreden oordeel zo uit te leggen dat het hof van oordeel is dat voor wat betreft de vraag tegen welke datum de kapitaalverzekering moet worden gewaardeerd, bij de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 19 november 2012 moet worden aangesloten. Van deze datum was ook de rechtbank uitgegaan19, in aansluiting op het partijdebat.20 Zij is ook af te leiden uit het vervolgoordeel in rov. 5.11, dat “in dit verband” van belang is dat de vrouw aanspraak maakt op een waarde die op de peildatum nog niet bestond en dat daarbij nog komt dat de vrouw niet bijdraagt aan de vermogensopbouw van de kapitaalverzekering in kwestie. Hieruit blijkt dat het hof van oordeel is dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij de verdeling van de kapitaalpolis als peildatum moet worden genomen de dag van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Hierover zou men nog twijfels kunnen hebben, omdat niet duidelijk is waarom niet zou moeten worden uitgegaan van de hoofdregel, het tijdstip van verdeling. Dit doet echter niet ter zake, omdat de kern is dat het hof klaarblijkelijk geen aanleiding ziet - zo is hoe dan ook uit de bestreden overweging af te leiden - om bij de waardering van de kapitaalpolis aan te knopen bij een later tijdstip, zoals de vrouw voorstond, en haar te laten meedelen in de vermogensopbouw in de resterende tien jaar van de looptijd van de polis. Dit oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. De zinsnede “Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om hiervan af te wijken” berust in het licht van het voorgaande op een vergissing. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om als waardepeildatum voor de kapitaalverzekering te nemen het moment waarop de looptijd van 30 jaar is voltooid.

2.11

Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat het hof van oordeel is dat partijen overeenstemming zouden hebben over de peildatum voor de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap, dan faalt zij in het licht van het bovenstaande bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht dat het hof heeft miskend dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap en de peildatum voor de waardering mist bij de voorgestane lezing eveneens feitelijke grondslag.

2.12

De klacht dat het hof het bepaalde in art. 3:172 BW heeft miskend, faalt eveneens. Men kan zich afvragen of bij de uitkering van de waarde van een kapitaalpolis op een zeker moment wel kan worden gesproken van vruchten (of andere voordelen). Feit is dat de vrouw haar aandeel in de waarde van de kapitaalpolis tot 19 november 2012 heeft ontvangen en vaststaat eveneens dat zij niet direct heeft bijgedragen aan de verdere vermogensopbouw van de kapitaalverzekering. De vrouw heeft in de feitelijke instanties niet aangevoerd dat zij via de partneralimentatie haar aandeel in de premie voor de kapitaalpolissen voldoet. De klacht verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats waar dit argument is aangevoerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de man niet heeft gevorderd om de vrouw te veroordelen om alsnog de helft van de premies te betalen en dat, indien hij dit had gedaan, de vrouw in wijziging van de alimentatie had verzocht. De klacht, wat daar inhoudelijk ook van zij, dient reeds op die grond te falen.

Klacht 2

2.13

De klacht is gericht tegen rov. 5.7 van de bestreden beschikking. Het hof heeft daar als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid citeer ik ook rov. 5.6):

“5.6 In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft opgelegd de bankafschriften van zijn nieuwe bankrekening(en) vanaf maart 2012 aan de vrouw over te leggen. De vrouw vermoedt dat bij de man van maart 2012 tot en met november 2012 meer geld is binnengekomen dan thans bij haar bekend is. Zij stelt dat deze tot dusverre onbekende vermogensbestanddelen nog tussen partijen dienen te worden verdeeld. Volgens de vrouw heeft de man zich hiertoe ter mondelinge behandeling in eerste aanleg ook (…) bereid verklaard. De man voert gemotiveerd verweer.

5.7

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vrouw moet worden aangemerkt als een zogeheten fishing expedition, waarvoor artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nadrukkelijk geen ruimte biedt. Het enkele niet nader onderbouwde vermoeden van de vrouw dat de man in de periode van maart 2012 tot en met november 2012 meer inkomsten heeft gehad dan waarvan zij kennis heeft, is onvoldoende om de man te verplichten al zijn bankafschriften over deze periode over te leggen. Het verzoek van de vrouw dient daarom te worden afgewezen, zodat grief II faalt.”

2.14

In punt 14 stelt de klacht dat de motivering die het hof heeft gegeven in het kader van het oordeel dat de tweede grief faalt onbegrijpelijk is voor zover deze mede strekt tot afwijzing van het verzoek van de vrouw tot verdeling van de nog onverdeelde bankrekening van de man. Ter toelichting wijst de klacht er in de punten 15 tot en met 17 op dat uit de door de vrouw gegeven nadere toelichting en uit haar stellingen duidelijk blijkt dat de tweede grief mede is gericht op het bewerkstellingen van een verdeling van de nog onverdeelde bankrekening van de man en de daaraan gekoppelde spaarrekening21 en dat uit de samenvatting van de stellingen van partijen in rov. 5.6 blijkt dat ook het hof de stellingen van de vrouw heeft opgevat als gericht op een verdeling. In punt 18 wordt geklaagd dat onbegrijpelijk alsmede in strijd met art. 23 Rv is dat het hof niet heeft beslist op het verzoek van de vrouw tot verdeling van de hiervoor genoemde bankrekening van de man. Ter toelichting wijst punt 19 erop dat de overwegingen van het hof uitsluitend lijken te zijn gericht op het verzoek van de vrouw om de man te verplichten al zijn bankafschriften uit de periode maart 2012 tot en met november 2012 over te leggen. Voor zover de motivering ook moet worden beschouwd als redengevend voor de afwijzing van het verzoek tot verdeling van het saldo op de peildatum van de nieuwe bankrekening van de man voldoet deze motivering niet aan de daaraan te stellen eisen, nu uitgangspunt is dat de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte verdeeld dient te worden en de man heeft erkend dat hij voor de peildatum een nieuwe bankrekening heeft geopend waar hij zijn salaris op heeft laten storten en vanaf welke bankrekening hij betalingen heeft gedaan.22 In punt 20 tot slot wordt geklaagd dat, voor zover het bestreden oordeel aldus moet worden begrepen dat het verzoek van de vrouw om de man te verplichten om het saldo van zijn nieuw geopende bankrekening per 19 november 2012 over te leggen, moet worden beschouwd als een zogenaamde fishing expedition, dit oordeel onbegrijpelijk is nu de vrouw op grond van art. 1:100 BW er een rechtmatig belang bij heeft dat het saldo van de bankrekening in de verdeling wordt betrokken, niet betwist is dat de man een nieuwe bankrekening had geopend voor de peildatum ten aanzien waarvan het saldo in de verdeling dient te worden betrokken en de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven niet vrijwillig bereid te zijn de bankafschriften aan de vrouw over te leggen23 en de vrouw niet anderszins mogelijkheden heeft om het saldo per de peildatum op te vragen. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom de man niet via de weg van art. 843a Rv verplicht kan worden om een bankafschrift van de door hem erkende bankrekening per peildatum over te leggen aan de vrouw.

2.15

Met betrekking tot de informatieplicht tussen (ex-) echtgenoten merk ik het volgende op.24

Art. 1:83 BW25, opgenomen in Titel 6 (rechten en verplichtingen van echtgenoten), bepaalt dat echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen verschaffen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. In de literatuur wordt aangenomen dat een beroep op art. 1:83 BW ook na echtscheiding mogelijk blijft, al zal het daarbij alleen kunnen gaan om inlichtingen over de huwelijkse periode. Na de scheiding vloeit een informatieplicht (in ieder geval) voort uit art. 3:166 lid 3 BW juncto art. 6:2 BW.26

Als een gemeenschap op grond van het bepaalde in art. 1:99 BW is ontbonden, maar de echtscheiding, scheiding van tafel en bed of opheffing van de gemeenschap nog niet tot stand is gekomen, dan kan de echtgenoot van de echtgenoot die het beheer over de ontbonden gemeenschap heeft gevoerd, bovendien jaarlijks en in ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording vorderen.

In het kader van de inlichtingenplicht van echtgenoten kan ook art. 3:15j BW een rol spelen. Dit artikel bepaalt dat deelgenoten in een gemeenschap ten aanzien van de boekhouding betreffende de gemeenschap openlegging van (tot deze administratie of boekhouding behorende) boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen vorderen, voor zover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben. Deze bepaling geldt in elk geval voor een ontbonden huwelijksgemeenschap. Niet valt in te zien dat deze ook niet geldt voor een nog niet ontbonden huwelijksgemeenschap.27

Ook de exhibitieplicht van art. 843a Rv kan (ex-)echtgenoten te baat komen.28 Op grond van deze bepaling kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het artikel kan derhalve ook worden ingeroepen in de situatie dat de informatie niet bij (ex-)echtgenoten, maar bij derden (zoals bankinstellingen) gevraagd moet worden.

Het inzagerecht kan slechts uitgeoefend worden met betrekking tot bepaalde bescheiden waarbij de verzoeker een rechtmatig belang tot inzage heeft. Met beide criteria - rechtmatig belang en bepaalde bescheiden - beoogt de wetgever het inzagerecht aldus in te perken dat geen ruimte bestaat voor te ruime verzoeken tot inzage. Voorwaarde voor de mogelijkheid van een vordering op grond van art. 843a Rv is dat daarvoor een ‘rechtmatig belang’ komt vast te staan, alsmede dat het gaat om ‘bepaalde bescheiden’.29 Door deze beperkingen kunnen zogenaamde fishing expeditions voorkomen worden.

De beide begrippen - rechtmatig belang en bepaalde bescheiden - hebben in onderlinge samenhang betekenis: slechts wanneer voldoende duidelijk is om welke bescheiden wordt gevraagd, laat zich beoordelen of bij inzage in (juist) deze bescheiden het vereiste rechtmatige belang bestaat.

Bij de verdeling van een (ontbonden huwelijks)gemeenschap bestaat de mogelijkheid te vorderen dat de verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving (art. 3:194 lid 1 BW en 671vv Rv). Wie goederen verzwijgt loopt het risico zijn aandeel in dat goed te verbeuren (art. 3:194 lid 2 BW) of te worden verplicht de gehele waarde daarvan aan de andere echtgenoot te vergoeden (art. 1:135 lid 3 BW). Een vergelijkbare sanctie treedt op indien de echtgenoten een verrekenbeding zijn overeengekomen; zie art. 1:135 lid 3 BW.

2.16

Voor klacht 2 geldt het volgende. De aangevallen overweging van het hof moet worden gezien tegen de achtergrond van grief II, de toelichting daarop en het verweer van de man.
Grief II houdt in ‘dat de rechtbank de man [ten onrechte] niet heeft veroordeeld om de bankafschriften van zijn nieuwe bankrekening(en) (sedert maart 2012) aan de vrouw te overleggen’ en dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft veroordeeld om de overgespaarde inkomsten uit het salaris van de man met de vrouw te delen. In de toelichting op de grief is vermeld dat de man nadat hij de woning heeft verlaten in maart 2012 een nieuwe bankrekening heeft geopend, dat hij vanaf mei 2012 zijn salaris daarop heeft laten storten, dat dit ook door de man is erkend, en dat de vrouw meent dat er bij de man in die periode van mei tot en met november 2012 meer geld is binnengekomen dan uit het saldo van zijn bankrekening blijkt. Daarom wil de vrouw inzage in het verloop van die rekening, alsmede van een mogelijk daaraan gekoppelde bankrekening (bedoeld zal zijn: spaarrekening) over de periode mei t/m 19 november 2012. Ook wil zij zien of er sprake is van benadeling van de gemeenschap. De man heeft daar in zijn verweerschrift tegenover gesteld - kort weergegeven - dat vanaf 1 juli 2012 op basis van zijn jaaropgaven een bijdrage in het levensonderhoud voor de vrouw is vastgesteld, aanvankelijk bij wijze van voorlopige voorziening en vanaf 25 oktober 2013 bij wege van partneralimentatie.Niet gesteld is dat hij naast zijn inkomen bij zijn werkgever nog andere inkomsten heeft. Van benadeling is geen sprake, aldus de man.

2.17

Tegen deze achtergrond kan rov. 5.7 zo worden begrepen, dat het hof geen aanleiding ziet om de man op te dragen inzage te geven in de afschriften van de bankrekening waarop hij vanaf maart 2012 zijn salaris heeft laten storten, nu de vrouw geen concrete aanwijzingen heeft dat de man meer of andere inkomsten op die rekening heeft gehad. Hoewel het begrip fishing expedition niet altijd een vastomlijnde betekenis heeft,30 is aannemelijk dat het hof daarmee bedoelt dat de vrouw zoekt naar informatie (met betrekking tot extra inkomsten van de man naast zijn salaris uit loondienst), terwijl er geen enkele aanwijzing is dat die informatie bestaat. Steun voor deze uitleg is te vinden in de passage “het enkele niet nader onderbouwde vermoeden van de vrouw (...) dat de man meer inkomsten heeft gehad dan waarvan zij kennis heeft, is onvoldoende (...)” (onderstreping a-g).
Ook kan het hof bedoeld hebben - gezien het verzoek in grief II om overlegging van bankafschriften “van zijn nieuwe bankrekening(en)” - dat de vrouw onvoldoende nauwkeurig heeft afgebakend in welke bescheiden zij inzage wenst. Ook dan kan namelijk gesproken worden van een ongewenste fishing expedition. Dat het hof dit heeft bedoeld, is af te leiden uit de passage “ (…) is onvoldoende om de man te verplichten al zijn bankafschriften over deze periode over te leggen” (onderstreping a-g).

2.18

In beide gevallen is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Voor de eerste uitleg geldt dat inderdaad niets is aangevoerd dat ook maar de geringste aanwijzing oplevert dat de man extra inkomsten heeft gehad naast zijn vaste salaris. In het cassatiemiddel wordt ook niet verwezen naar een relevante vindplaats van zo’n aanwijzing. Onder die omstandigheden kan inderdaad gezegd worden dat gevist wordt naar gegevens waarvan niet bekend is of die bestaan.
Voor de tweede uitleg geldt het volgende. In een brief van 27 september 2013 heeft de vrouw melding gemaakt van vijf bankrekeningen in de ontbonden huwelijksgemeenschap, met de eindcijfers 984, 577, 108, 067 en 848, alsmede een spaarrekening op naam van de man waarvan het nummer aan de vrouw niet bekend is. Ik merk op dat de rekening met eindcijfers 067 de rekening is waarop de man vanaf mei 2012 zijn salaris heeft laten storten. In rov. 2.3.11 van haar tussenbeschikking van 1 april 2014 heeft de rechtbank overwogen dat er vier bankrekeningen zijn en dat partijen daarover ter zitting afspraken hebben gemaakt. De rechtbank noemt vervolgens evenwel vijf rekeningen met de eindcijfers 577, 145, 984, 108 en 848. In haar eindbeschikking van 9 maart 2015 heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot deze vijf bankrekeningen. De 067-rekening zit daar dus niet bij.
Bij grief II heeft de vrouw niet gespecificeerd dat zij inzage wenst in of verdeling wil van de 067-rekening. De vrouw heeft ook niet gegriefd tegen rov. 2.3.11 van de tussenbeschikking van 1 april 2014, waarin de opsomming van de bankrekeningen is gegeven. Van het rekeningnummer waarin zij inzage of verdeling wenst heeft de vrouw pas melding gemaakt in productie 7, die bij V-formulier d.d 30 oktober 2015 is ingediend ten behoeve van de mondelinge behandeling op 10 november 2015. Na vermelding van het rekeningnummer eindigend op 067, staat op die productie: “Hoogstwaarschijnlijk is zoals gebruikelijk ook een spaarrekening aan deze rekening gekoppeld. De vrouw wenst ook verdeling van deze spaarrekening en verlangt opgave van het verloop van deze spaarrekening en het saldo per peildatum.

Nu de vrouw in grief II niet heeft verduidelijkt om welke rekening het precies ging, is het oordeel van het hof dat zij onvoldoende gespecificeerd heeft in welke stukken zij inzage wenst, niet onbegrijpelijk. De enkele vermelding in (niet bij het beroepschrift gevoegde) productie 7 is daartoe onvoldoende. Van het hof hoeft immers niet te worden verwacht dat het zelfstandig, zonder verwijzing daarnaar in een processtuk, alle overgelegde producties aan een beschouwing onderwerpt.31

Klacht 3

2.19

De derde klacht richt zich tegen de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3. Daarin heeft het hof als volgt overwogen met betrekking tot de door de vrouw naar voren gebrachte grief I:

“5.2 In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft veroordeeld haar een vergoeding te betalen vanwege gemaakte huishoudelijke kosten in de periode vanaf het moment dat de man in maart 2012 de woning heeft verlaten tot aan het moment van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voorts heeft de rechtbank de man ten onrechte niet veroordeeld de vrouw de na de indiening van het echtscheidingsverzoek gemaakte en door de vrouw betaalde gemeenschappelijke kosten te vergoeden. De man was ten tijde van het huwelijk de kostwinner en de vrouw had geen inkomsten. Alle kosten, waaronder de kosten van de huishouding, werden voldaan uit het inkomen van de man. Vanaf april 2012 heeft de man zijn salaris niet langer overgemaakt op de gezamenlijke bankrekening van partijen, waardoor de hypotheekkosten enige tijd niet zijn voldaan en de vrouw de kosten van de huishouding uit andere middelen heeft moeten voldoen.

De man voert gemotiveerd verweer.

5.3

Het hof overweegt als volgt. De man heeft de echtelijke woning in maart 2012 verlaten. Bij verzoekschrift van 16 november 2012 (ingekomen op 19 november 2012) heeft de vrouw de rechtbank verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Op 22 november 2012 heeft de vrouw de rechtbank verzocht met ingang van 1 juli 2012 voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft daarop met ingang van 1 juli 2012 kinder- en partneralimentatie vastgesteld, waarbij de rechtbank ervan is uitgegaan dat de man de hypothecaire lasten van de voormalig echtelijke woning zal blijven voldoen. Evenals de man is het hof van oordeel dat, indien de vrouw huishoudelijke kosten voorafgaand aan de datum van 1 juli 2012 vergoed had willen zien, het op haar weg had gelegen op een eerder moment een dergelijk verzoek in te dienen en wel in haar verzoek in eerste aanleg, dan wel in haar verzoek tot het vaststellen van voorlopige voorzieningen, hetgeen zij heeft nagelaten. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat zij een dergelijk verzoek achterwege heeft gelaten - de vrouw verzoekt eerst in hoger beroep om vergoeding van de huishoudelijke kosten in de periode vanaf het vertrek van de man - voor haar rekening en risico dienen te blijven. De man heeft erop mogen vertrouwen dat de vrouw in hoger beroep niet alsnog zou verzoeken om vergoeding van kosten met ingang van een datum voorafgaand aan 1 juli 2012. Grief I faalt.”

2.20

In punt 23 stelt de klacht dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht neemt tot uitgangspunt dat het hof kennelijk van oordeel is dat het verzoek van de vrouw om te man te veroordelen om haar een vergoeding te betalen vanwege door haar gemaakte huishoudelijke kosten in de periode van vóór 1 juli 2012 moet worden afgewezen omdat de vrouw dat verzoek eerst in hoger beroep en daarmee te laat heeft ingediend, en dat zij daarom haar recht heeft verwerkt om een dergelijk verzoek alsnog te doen. In punt 24 wordt geklaagd dat het hof met dit oordeel miskent dat de vrouw het recht heeft om in hoger beroep haar verzoek te vermeerderen en daarnaast miskent dat het de vrouw vrij staat om voor het eerst in hoger beroep (nieuwe) nevenvoorzieningen bij echtscheiding te verzoeken. Voorts wordt geklaagd dat het hof miskent dat voor het aannemen van rechtsverwerking méér nodig is dan uitsluitend het stilzitten van de vrouw. De klacht stelt dat het hof zijn oordeel dat sprake is van rechtsverwerking baseert op de enkele omstandigheid dat de vrouw tot het hoger beroep heeft gewacht met het instellen van de vordering. Indien zulks op zichzelf al voldoende zou zijn om rechtsverwerking aan te nemen dan zou de mogelijkheid van een eisvermeerdering in hoger beroep daarmee volgens de klacht illusoir worden. In punt 25 stelt de klacht dat, ook indien in de bestreden overweging rechtsverwerking niet als grondslag voor de afwijzing van het verzoek van de vrouw zou zijn gelegen, dit oordeel onbegrijpelijk is, nu de vrouw niet meer of minder heeft gedaan dan gebruik heeft gemaakt van een aan haar toekomend processueel recht om in hoger beroep haar verzoek te vermeerderen. Het is volgens de klacht onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat een dergelijk verzoek te laat is.

2.21

Bij de beoordeling van de klacht is het volgende voorop te stellen. Het leerstuk rechtsverwerking is een toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.32 De redelijkheid en billijkheid beperken de schuldeiser of schuldenaar in dat geval geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn rechten of bevoegdheden in verband met eigen voorafgaand gedrag (handelen of nalaten). Het is vaste rechtspraak dat enkel tijdsverloop geen grond oplevert voor rechtsverwerking.33 Rechtsverwerking wordt meestal in verband gebracht met het gedrag van de gerechtigde, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar moet zijn met de rechtsuitoefening. Enkel tijdsverloop levert een dergelijke onverenigbaarheid niet op. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist, namelijk gerechtvaardigd vertrouwen of onredelijke benadeling.34 In het eerste geval gaat het om bijzondere omstandigheden waardoor bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn recht of bevoegdheid niet (meer) zal uitoefenen.35 In het tweede geval gaat het om bijzondere omstandigheden waardoor de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de gerechtigde zijn recht of bevoegdheid alsnog zou uitoefenen.36 Bij de toepassing van het leerstuk rechtsverwerking dient de rechter, evenals bij andere toepassingen van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, de nodige terughoudendheid betrachten. Alleen ‘uitzonderlijke omstandigheden’ kunnen een beroep op rechtsverwerking rechtvaardigen. De rechter moet bij de beantwoording van de vraag of een beroep op rechtsverwerking slaagt, rekening houden met alle omstandigheden van het geval.37

2.22

Het hof heeft, in cassatie niet bestreden, overwogen dat de man de echtelijke woning in maart 2012 heeft verlaten. Op 19 november 2012 heeft de man38 de rechtbank verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Drie dagen later, op 22 november 201239, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om met ingang van 1 juli 2012 voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft daarop bij beschikking voorlopige voorzieningen van 21 december 201240 met ingang van 1 juli 2012 kinder- en partneralimentatie vastgesteld, waarbij de rechtbank ervan is uitgegaan dat de man de hypothecaire lasten van de voormalig echtelijke woning zal blijven voldoen. In haar appelschrift van 5 juni 2015, derhalve twee en een half jaar na de door haar verzochte voorlopige voorzieningen en het door haar ingediende verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken, heeft de vrouw verzocht om de man te veroordelen om aan haar een vergoeding te betalen voor de door haar gemaakte huishoudelijke kosten in de periode nadat de man de echtelijke woning had verlaten tot aan het moment van indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. Eerst op dat moment was het voor de man duidelijk dat de vrouw ook vergoeding wenste van de door haar gemaakte kosten in de periode van maart tot en met juni 2012.
In het licht van het feit dat de vrouw niet eerder had verzocht om de man te veroordelen tot het betalen aan haar van een vergoeding van de huishoudelijke kosten in de periode van maart tot en met juni 2012, terwijl zij wel kort na aanvang van de echtscheidingsprocedure had verzocht om de man te veroordelen tot betaling aan haar van alimentatie over de periode met ingang van 1 juli 2012, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het verzoek van de vrouw af te wijzen. Naar het klaarblijkelijke oordeel van het hof heeft de vrouw in het licht van het bovenstaande bij de man het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij niet een bijdrage in het levensonderhoud zou vragen voor de periode voorafgaand aan 1 juli 2012. Met de woorden “in hoger beroep” heeft het hof niet op het oog de appelprocedure als zodanig, maar op de tamelijk lange tijd die is verstreken na het indienen van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waarin de vrouw verzoeken heeft ingediend voor de periode met ingang van 1 juli 2012, en het verzoek in hoger beroep. Dit oordeel is zodanig verweven met een beoordeling van de feiten dat het oordeel niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. De verschillende onderdelen van de klacht stuiten alle hierop af.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In cassatie is nog maar één aspect aan de orde van hetgeen partijen in de feitelijke instanties verdeeld heeft gehouden, te weten de verdeling van bepaalde goederen van de huwelijksgoederengemeenschap. Voor de overzichtelijkheid geef ik daarom alleen die feiten weer die in cassatie van belang zijn. Hetzelfde geldt voor de weergave van het procesverloop. Zie voor een volledig overzicht van de feiten rov. 3.1 tot en met 3.6 van de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 15 december 2015.

2 De man heeft daarnaast nevenverzoeken ingediend met betrekking tot het gezag over en de gewone verblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen. Deze verzoeken zijn thans in cassatie niet langer van belang.

3 De vrouw heeft verder nevenverzoeken ingediend met betrekking tot het uitsluitend gebruik door haar van de echtelijke woning en de inboedel voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen, de kinder- en partneralimentatie en de verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Ook deze verzoeken zijn thans in cassatie niet langer aan de orde.

4 De man heeft in zijn verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens een aanvullend verzoek gedaan met betrekking tot de zorgregeling. Nadien heeft de man bij afzonderlijk verzoekschrift van 14 mei 2013 verzocht om een bepaalde zorgregeling vast te stellen. Hij heeft daarin verder verzocht te bepalen dat de vrouw een ingevulde inboedellijst dient te overleggen.

5 De rechtbank heeft daarnaast beslissingen gegeven met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie, het hoofdverblijf van de kinderen, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en het uitsluitend gebruik door de vrouw van de echtelijke woning en de inboedel.

6 Zie rov. 3.3 van de bestreden beschikking.

7 In punt 4 (aanvang) stelt de klacht dat zij zich richt tegen rov. 5.10. Feitelijk wordt tegen de rechtsoverweging, die een weergave bevat van grief 7 van de vrouw en het door de man daartegen gevoerde verweer, evenwel geen klacht gericht. In rov. 5.11 beoordeelt het hof grief 7. Dit oordeel wordt in cassatie wel bestreden.

8 Ter toelichting wijst de klacht erop dat in de draagkrachtberekening is opgenomen dat de man de premie voor de kapitaalpolissen volledig voor zijn rekening neemt, waardoor zijn draagkracht en, in het verlengde daarvan, de door de vrouw te ontvangen partneralimentatie, lager is.

9 Bijlage 7 bij brief d.d. 23 januari 2014 (processtuk 13).

10 Zie hiervoor Losbladige Personen- en Familierecht, art. 1:99 BW, aant. A3 (B.E. Reinhartz). Hoofdargument om in geval van echtscheiding (en in geval van scheiding van tafel en bed) de huwelijksgemeenschap op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift te laten eindigen, is dat vanaf dat moment niet meer mag worden verondersteld dat de onderlinge solidariteit die ten grondslag ligt aan de huwelijksgemeenschap nog aanwezig is. Zie hiervoor onder meer Breedveld-de Voogd (T&C Burgerlijk Wetboek, art. 1:99 BW, aant 2b).

11 Van Mourik & Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A 2014, hoofdstuk 5, par. 1.1.

12 HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2130, NJ 1997/593 m.nt. W.M. Kleijn.

13 HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050, NJ 2014/129 m.nt. S.F.M. Wortmann. Deze zaak had betrekking op de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap waarop het recht van vóór 1 januari 2012 van toepassing was. Ook onder het huidige recht, dat zoals gezegd leidt tot een eerdere peildatum voor wat betreft de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap, kan van die peildatum niet worden afgeweken op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zie hiervoor het slot van de noot van Wortmann.

14 HR 20 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3697, NJ 2003/534 m.nt. W.M. Kleijn.

15 Zie over het tijdstip van waardering HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2515, NJ 1996/710 m.nt. W.M. Kleijn, HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205, NJ 2000/643, HR 20 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3697, NJ 2003/534 m.nt. W.M. Kleijn, HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0760, NJ 2006/660 en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1106, RvdW 2007/107. Zie over de waardepeildatum voorts: B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter (diss. VU Amsterdam), 2008, blz. 462 e.v., J.A.M.P. Keijser (m.m.v. F.M.J.A. Lohuis), Handleiding bij scheiding, Deventer 2014, blz. 261 e.v.

16 B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter (diss. VU Amsterdam), 2008, blz. 466-468.

17 B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter (diss. VU Amsterdam), 2008, blz. 469-472.

18 J.A.M.P. Keijser (m.m.v. F.M.J.A. Lohuis), Handleiding bij scheiding, Deventer 2014, blz. 262.

19 Beschikking 1 april 2014, rov. 2.3.7 en beschikking 9 maart 2015, rov. 2.5

20 Zo had de vrouw in haar brief van 24 oktober 2013 (processtuk 12) aangegeven ‘dat het op zichzelf juist [is] dat de waardeopbouw in de polis na de peildatum aan de man toekomt’, waarbij zij eerder in die brief vermeldt dat als peildatum heeft te gelden de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 19 november 2012. In hoger beroep is zij dus teruggekomen op dit standpunt, zij het dat zij onder punt 8.1 van haar appelschrift (nog steeds) schrijft dat ‘peildatum 18 november 2012 [is]’. In hoger beroep is de man in zijn verweerschrift eveneens uitgegaan van de peildatum 19 november 2012 voor de waardering van de kapitaalverzekering (zie onder 7.1).

21 De klacht verwijst in dat verband allereerst naar de omschrijving en de inhoud van de bij V-formulier van 30 oktober 2015 overgelegde prod. 7. Voorts wordt verwezen naar de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2015, blz. 2 (laatste alinea), waaruit volgens de klacht blijkt dat de advocaat van de vrouw duidelijk heeft toegelicht dat de grief twee aspecten omvat (inzage en verdelen).

22 De klacht verwijst in dat verband naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 februari 2014, blz. 4 (vijfde alinea).

23 De klacht verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2015, blz. 4 (eerste alinea).

24 Ontleend aan de Losbladige Personen- en Familierecht (J.H. Lieber), art. 1:83 BW, aant 2.

25 In werking getreden op 1 januari 2012.

26 Asser/De Boer 1* 2010/192.

27 Losbladige Personen- en Familierecht (J.H. Lieber), art. 1:83 BW, aant 2.

28 Losbladige Burgerlijke rechtsvordering (J. Ekelmans), art. 843a Rv, aant. 4.1.

29 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, blz. 553.

30 Zie hierover E.F. Groot, Het voorlopig getuigenverhoor 2015, p. 268 e.v.; J. Ekelmans, De exhibitieplicht, 2010, hfd. 6 en J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, 2010, par. 7.3.

31 Zie over de wegwijsplicht van partijen V.C.A. Lindijer, De goede procesorde. Een onderzoek naar de betekenis van de goede procesorde als normatief begrip in het burgerlijk procesrecht, 2006, par. 4.4.1.3, met verwijzing naar rechtspraak. Zie ook Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 85 Rv (De Bock).

32 HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, RvdW 2005/75 ([...]). Zie over het leerstuk rechtsverwerking uitvoerig de Groene Serie Verbintenissenrecht (J.J. Valk), artikel 2 Boek 6 BW, aant. 27 e.v. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010/423 e.v.

33 Zie onder meer HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89 ([...] /Provincial Insurance) en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317 m.nt. M.R. Mok (Q-Park).

34 Groene Serie Verbintenissenrecht (J.J. Valk), artikel 2 Boek 6 BW, aant. 44.2.

35 Deze grond voor rechtsverwerking kan worden beschouwd als een uitvloeisel van het vertrouwensbeginsel. Zie Groene Serie Verbintenissenrecht (J.J. Valk), artikel 2 Boek 6 BW, aant. 42. Zie bijvoorbeeld HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1939, NJ 1996/302 ([...] /Rabobank).

36 Groene Serie Verbintenissenrecht (J.J. Valk), artikel 2 Boek 6 BW, aant. 43.

37 Groene Serie Verbintenissenrecht (J.J. Valk), artikel 2 Boek 6 BW, aant. 30.2. Zie ook HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2212, NJ 1997/153 ([...]).

38 Uit het procesdossier blijkt dat het de man is geweest die het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. Het hof heeft zich op dat punt klaarblijkelijk vergist.

39 Overgelegd als prod. 1 bij het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken.

40 Overgelegd als prod. 4 bij het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken.