Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:971

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
15/03320
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2289, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, art. 287. Stiefvader slingert in bed liggende peuter met zoveel kracht tegen de muur dat deze blijvend hersenletsel alsook schade aan zijn gezichtsveld oploopt. CAG: Falende middelen m.b.t. voorwaardelijk opzet, denatureren van de verklaring van de verdachte en het gebruik van deskundigenverslagen voor het bewijs. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03320

Zitting: 20 september 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 9 juli 2015 de verdachte wegens 1 primair “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. I. van Straalen, advocaat te Den Haag, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte heeft op 12 juli 2011 het toentertijd (ruim) drie jaar oude zoontje van zijn vriendin ([slachtoffer]), dat ’s ochtends vroeg nog in het ouderlijk bed lag te slapen, naar eigen zeggen uit boosheid met kracht, “keihard”, een ruk aan zijn arm gegeven richting de muur. [slachtoffer] is daardoor uit het bed geslingerd. Daarbij is de peuter zo hard met zijn hoofd tegen de muur gekomen dat in de wand van de slaapkamer een deuk is ontstaan en de verdachte de kamer voelde trillen. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer] geruime tijd in kritieke toestand in het ziekenhuis gelegen en heeft hij blijvend hersenletsel en blijvende schade aan zijn gezichtsveld opgelopen. De verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld ter zake van poging tot doodslag.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 12 juli 2011 te Bolsward, in de gemeente Súdwest Fryslân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2007) van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer], terwijl [slachtoffer] op bed lag heeft vastgepakt en met kracht uit het bed heeft getrokken en vervolgens met het hoofd tegen een muur heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 19 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende:

“Getuige [getuige 1] is werkzaam bij Ambulancezorg Fryslân als zijnde chauffeur van een ambulance.

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: Wat kunt u verklaren over hetgeen u op dinsdag 12 juli 2011 heeft meegemaakt in de woning [a-straat 1] te Bolsward.

A: Wij hebben een melding gehad nadat mijn pieper afging, A1 melding op de [a-straat 1] te Bolsward. Het zou om een melding gaan van een kind van 3 jaar. Onderweg aanrijdend nadere informatie van de meldkamer gekregen dat de jongen blauw cynotisch was en moeite met ademhaling had.

Ik stapte de huiskamer binnen en trof de vader in de huiskamer aan op de bank zittend met het kind naakt op schoot. Wat mij opviel was dat het kind onder de blauwe plekken zat.

Het kind reageerde niet op aanspreken en nauwelijks op aanraken. Ik vermoedde toen neurologisch letsel.”

(ii) Een op 6 april 2012 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2], voor zover inhoudende:

“Ik lag in bed en ik werd wakker van hard gebonk, gebons en gestamp. De huizen zijn best gehorig, maar dit was meer lawaai dan normaal. Ik werd er wakker van. Op een gegeven moment, dat was ongeveer na een kwartier later, werd het stil. Volgens mij heeft het lawaai ongeveer een kwartier geduurd.”

(iii) Een op 13 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende:

“[slachtoffer] heeft die nacht, maandag 11 op dinsdag 12 juli 2011, verder bij ons in bed geslapen. De sigaretten waren op. Dat was om 06:00 uur. Ik ben snel sigaretten gaan halen bij het benzinestation.

Toen ik binnenkwam zat [verdachte] met mijn kind op de arm. Hij had hem helemaal uitgekleed. [slachtoffer] zag eruit als een pop, hij was helemaal blauw en kreeg geen lucht, alsof hij zwaar astmapatiënt was. Daarna deed hij niks meer. Alles was slap, levenloos. Ik schreeuwde naar [verdachte]: “Wat is er gebeurd?"

(...)

Zijn pupillen stonden naar boven. Zijn armen waren slap en het leek alsof hij een aanval kreeg. Zijn hoofd was helemaal blauw en paars.”

(iv) Een op 16 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende:

“[slachtoffer] is op 4 december 2007 geboren.”

(v) Een proces-verbaal van technisch onderzoek van de politie van 29 september 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

“Ons werd verzocht een forensisch onderzoek in te stellen in de woning te Bolsward. Ouderslaapkamer.

In de achterwand van een inbouwkast werd door ons een deuk aangetroffen. Het middelpunt van deze deuk bevond zich op ongeveer 88 cm hoogte. De deuk was 1 cm diep en het vliesbehang ter hoogte van de deuk was gescheurd. Enkele behangschilfers lagen direct onder de deuk op de vloer.”

(vi) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2012 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Die nacht lag [slachtoffer] vanaf een uur of vier bij ons in bed. (...)

Ik ging vast naar beneden maar [slachtoffer] bleef in bed liggen. Op een gegeven moment ging ik weer naar boven omdat hij nog steeds in het ouderlijk bed lag. Ik trok [slachtoffer] uit bed omdat ik boos was en vond dat hij op moest schieten. [slachtoffer] lag in het midden van het bed en ik pakte hem bij zijn bovenarm.”

(vii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2013 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik heb hem een ruk gegeven.

(…)

U vraagt mij of dat hard ging. Ja dat ging heel hard. Boem. Ik hoorde de muren van de slaapkamer trillen. U vraagt nog eens hoe hard dat ging. Dat ging... “BOEM”. Alles trilde.

Hij knalde met zijn hoofd en ik voelde de kamer trillen.

Het klopt dat zij, de moeder, sigaretten aan het halen was. [slachtoffer] lag toen op ons bed.

(…)

Toen ik weer boven kwam, lag hij nog steeds op bed. Toen ging alles heel snel. Ik zag zwart. Ik was ook boos toen ik bij [slachtoffer] kwam.

Hij lag op zijn rug op bed. Hij lag in het midden. Een beetje naar boven. Met de voeten naar het voeteneind. Ik stond aan de rechterkant van het bed. Ik pakte hem bij de linker bovenarm. Vlak bij de schouder. Ik pakte hem met mijn rechterhand.

(…)

Toen ik [slachtoffer] uit bed trok, ging hij voor mij langs.

De kamer trilde door de klap. Ik hoorde een klap. Het ging heel snel. “Pang”. Het was pure frustratie. Ik zag direct dat [slachtoffer] bewusteloos was. Zijn ogen zaten omhoog en hij had een zware ademhaling.

(…)

Ik doe het nog een keer voor. Mijn arm was niet gestrekt, maar in een hoek gebogen. Een gestrekte arm kan ook niet want dan zou mijn hand tegen de muur komen zoals u zegt.

(…)

Ik had hem die ruk nooit moeten geven. Ik was ontzettend boos.”

(viii) Een proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 1 maart 2014, voor zover inhoudende als relaas van de rechter-commissaris:

“De reconstructie vond plaats in een ruimte met daarin een nagebouwde setting van de slaapkamer. De reconstructie ging op 5 februari 2015 niet door vanwege het niet beschikbaar zijn van een z.g. crashtestdummy van ongeveer hetzelfde gewicht als van het slachtoffer ten tijde van het voorval op 12 juli 2011 (+/- 13 kilogram). Op 14 februari 2014 kon de reconstructie doorgang vinden. Op dat moment kon worden beschikt overeen z.g. crashtestdummy dat qua gewicht en grootte nagenoeg overeenkwam met het gewicht en grootte van het slachtoffer ten tijde van het voorval.”

(ix) Een proces-verbaal van reconstructie van de politie van 20 februari 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als bevindingen van de verbalisant:

“In een ruimte werd een gedeelte van de betrokken slaapkamer van de woning te Bolsward zo natuurgetrouw mogelijk nagebouwd. In de ruimte werd door een aannemer een wand geplaatst van soortgelijke materialen en kleuren als de wand in de woning te Bolsward.

Tijdens het uitvoeren van de reconstructie trok [verdachte] de pop met kracht uit bed waarbij de pop met het hoofd tegen de wand van de slaapkamer kwam. Op deze plaats in de wand was hierdoor een deuk ontstaan op een hoogte van ongeveer 85 centimeter. De deuk die tijdens de reconstructie was ontstaan bevond zich ongeveer 30 cm meer naar rechts ten opzichte van de deuk in de woning in Bolsward.

In de woning te Bolsward was op een hoogte van ongeveer 88 cm een deuk in de wand rechts naast het bed aanwezig. Over deze deuk werd destijds door mij gerapporteerd. (het hof begrijpt bewijsmiddel onder … [5; AG])”

(x) De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2015:

“Zichtbaar was het eerste deel van de reconstructie.

De reconstructie-begeleider vraagt verdachte om na te doen wat er is gebeurd op de ochtend van 12 juli 2011. Verdachte stelt vervolgens hoorbaar voor om eerst te laten zien wat zijn bedoeling was. De begeleider zegt verdachte dat hij dit mag doen, als hij dat nodig vindt. Verdachte loopt vervolgens naar het bed. Op het midden van het bed ligt een pop op de rug, met het gezicht naar boven/het plafond en met het hoofd op het hoofdkussen. Verdachte loopt vanaf de voet van het bed gezien rechts langs het bed in de richting van het hoofdkussen. Hij pakt met zijn rechterhand de linkerarm van de pop. Hij zwaait de pop snel voor zich langs. De pop gaat met aanzienlijke snelheid rakelings met het hoofd langs de muur en komt met het bovenlichaam en benen tegen de muur. Duidelijk hoorbaar zijn twee van elkaar te onderscheiden klappen.

De voorzitter neemt waar dat verdachte volgens zijn mededeling vervolgens laat zien hoe het in de ochtend van 12 juli 2011 daadwerkelijk is gegaan. Verdachte pakt met zijn rechterhand op ruwe wijze de linkerarm van de pop. Verdachte houdt de arm van de pop dan vast en slingert de pop snel voor zich langs waarbij het lichaam van de pop zich in een horizontale positie bevindt met het gezicht richting het plafond. In die slingerbeweging slaat het hoofd van de pop vol tegen de muur en verdachte laat de pop dan los. De pop komt op de grond terecht.”

(xi) Een deskundigenverslag van 21 november 2011, opgemaakt door de NFI-deskundige en forensische arts van het KNMG W.A. Karst, voor zover inhoudende als verklaring van de deskundige:

“Slachtoffer [slachtoffer], [geboortedatum] 2007.

Op 12 juli 2011 werd een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) geconstateerd in combinatie met hersenzwelling op basis van hersenschade. Op 14 juli 2011 was sprake van afsterving van verschillende hersendelen.

Op 12 juli 2011 werden enkele netvliesbloedingen in beide ogen geconstateerd.

De combinatie van hersenletsel, de bloeding onder het harde hersenvlies en de netvliesbloedingen is juist voor (ordergrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, ontstaan.

De klinische noodsituatie (bewustzijnsvermindering, ademhalingsstoornis), een bloeding onder het harde hersenvlies en de aanwezigheid van netvliesbloedingen zijn veel waarschijnlijker bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidentele toedracht.”

(xii) Een aanvullend deskundigenverslag van 23 juli 2014, opgemaakt door de NFI-deskundige en forensische arts van het KNMG W.A. Karst, voor zover inhoudende als verklaring van de deskundige:

“Eerdere conclusies ondergetekende

In de rapportage van 21 november 2011 concludeerde ondergetekende dat de combinatie van de klinische noodsituatie (bewustzijnsvermindering, ademhalingsstoornis), een bloeding onder het harde hersenvlies en de aanwezigheid van netvliesbloedingen veel waarschijnlijker is bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidentele toedracht.

Verder concludeerde ondergetekende dat er geen medische aandoeningen waren geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren, en dat de geconstateerde letsels in combinatie niet zijn ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [slachtoffer], bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de bevalling.

Ter terechtzitting op 22 mei 2012 werd ondergetekende gevraagd wat gezegd kon worden over de juist daarvoor door de verdachte afgelegde verklaring in relatie tot de geconstateerde letsels. Ondergetekende gaf aan de verklaring passend te kunnen vinden.

Interpretatie

Bij [slachtoffer] werd op 12 juli 2011 ernstig hersenletsel geconstateerd, wat geleid heeft tot op 14 juli 2011 geconstateerde afsterving van hersencellen. De bloeduitstorting langs de hersenen (onder het harde hersenvlies) en de netvliesbloedingen hebben, zoals verwoord in de rapportage van 21 november 2011, tot de conclusie geleid dat het geconstateerde hersenletsel veel waarschijnlijker was bij een contacttrauma, bij een schudincident of bij de combinatie van beide, dan bij een accidentele toedracht.

De verdachte verklaarde en demonstreerde nadien een contacttrauma van het hoofd van [slachtoffer], nadat hij met een zwaaiende beweging tegen de muur was gekomen.

Beoordeeld moet worden of het beschreven contacttrauma (uitgaande van de juistheid van de verklaring en de demonstratie) met dusdanige krachten gepaard is gegaan, dat het hersenletsel, de bloeduitstorting langs de hersenen en de netvliesbloedingen hiermee verklaard kunnen worden.

In de rapportage van 21 november 2011 concludeerde ondergetekende bij de bespreking van de bloeduitstorting langs de hersenen dat - indien sprake is van impact - veel kracht nodig is, en dat krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte (1 tot 2 meter) en bij gebruikelijke huis-, tuin- en keukenongevallen hiervoor onvoldoende zijn.

(..)

Vallen van beperkte hoogte van jonge kinderen leiden zeer zelden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd. Met name een studie naar valincidenten vanaf speeltoestellen laat zien dat zelfs potentieel wat meer gecompliceerde valincidenten zelden tot nooit tot ernstig hersenletsel leiden.

De beperkte hoogte wordt in deze studies veelal gedefinieerd als minder dan 1,5 meter of 5 feet, maar soms ook als minder dan 10 feet (circa 3 meter) of minder dan 15 feet (circa 4,5 meter).

In een recente Daubert analysis over toegebracht hersenletsel wordt onder meer accidenteel trauma als alternatieve verklaring van hersenletsel besproken. In deze Daubert analysis wordt onder meer geconcludeerd dat valpartijen van beperkte hoogte in een geobjectiveerde setting, zoals in ziekenhuizen, nooit tot een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies hebben geleid.

Deze studies leiden tot de conclusie dat de benodigde krachten bij [slachtoffer] groter moeten zijn geweest dan die van een val van enkele meters hoogte (als in een val vanaf de eerste verdieping of hoger).

Het moet daarom in casu noodzakelijk zijn geweest dat de zwaaibeweging (indien die heeft plaatsgevonden) met forse kracht moet zijn uitgevoerd, teneinde de genoemde krachten te kunnen bereiken. Ondergetekende acht het daarbij aannemelijk dat er sprake moet zijn geweest van grotere krachten dan getoond in de reconstructievideo.

Mocht de zwaaibeweging hebben geleid tot impact tegen het hoofd van [slachtoffer] met een kracht als bij een val van enkele meters hoogte, dan vormt de impact een passende verklaring voor de combinatie van hersenletsel (met afsterving van hersencellen), de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en de netvliesbloedingen.

Beantwoording vraagstelling

Wijzigt u, na kennisgenomen te hebben van de reconstructie, uw standpunt, zoals u dat ter zitting van de rechtbank heeft ingenomen?

Nee. Wel heeft ondergetekende zijn conclusies toegespitst op de beschreven en de gedemonstreerde impact tegen het hoofd van [slachtoffer].

De benodigde krachten moeten in casu groter zijn geweest dan die van een val van enkele meters hoogte (als in een val vanaf de eerste verdieping of hoger).

Ondergetekende acht het daarbij aannemelijk dat er sprake moet zijn geweest van grotere krachten dan getoond in de reconstructievideo.

Mocht de zwaaibeweging hebben geleid tot impact met grotere krachten dan die van een val van enkele meters hoogte, dan vormt de impact een passende verklaring voor de combinatie van de bevindingen.”

(xiii) Een aanvullend deskundigenverslag van 18 februari 2015, opgemaakt door de NFI-deskundige en forensische arts van het KNMG W.A. Karst, voor zover inhoudende als verklaring van de deskundige:

“Korte omschrijving van de zaak

De destijds 3-jarige [slachtoffer] werd op 12 juli 2011 met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis ontstond op basis van de medische bevindingen een vermoeden van een niet-accidentele oorzaak van geconstateerd hersenletsel.

In zijn rapport van 21 november 2011 (aanvraag 002) concludeerde ondergetekende onder meer dat de combinatie van de klinische noodsituatie (bewustzijnsvermindering en ademhalingsstoornis), een bloeding onder het harde hersenvlies en de aanwezigheid van netvliesbloedingen veel waarschijnlijker is bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidentele toedracht.

In zijn aanvullend rapport van 23 juli 2014 (aanvraag 006) betrok ondergetekende een op DVD beschikbaar gestelde reconstructie bij de beantwoording van vragen. Ondergetekende concludeerde onder meer dat de benodigde krachten voor het ontstaan van de medische bevindingen in casu groter moeten zijn geweest dan die van een val van enkele meters hoogte, waarbij ondergetekende het daarbij aannemelijk achtte dat er sprake moet zijn geweest van grotere krachten dan getoond in de reconstructievideo.

Vraagstelling

In een brief van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2015, werd een verzoek tot beantwoording van een aanvullende vraag als volgt beschreven:

[...] De verdediging heeft [...] het volgende gesteld:

‘Naar aanleiding van het aanvullend rapport d.d. 23 juli 2014 van dr. Karst heerst bij de verdediging de vraag of bij de conclusie ook de omstandigheid is meegenomen dat de jongen (het slachtoffer), nadat hij in aanraking is gekomen met de muur, iets minder dan één meter met zijn hoofd naar beneden is gevallen en derhalve met kracht op de grond is terecht gekomen. In het geval deze omstandigheid niet is meegenomen, is het van belang voor de verdediging om te weten hoe de conclusie van de deskundige zal luiden met inachtneming van deze omstandigheid.’

Beantwoording

Een val (met het hoofd) op de grond na de getoonde en beschreven impact tegen de muur, is inderdaad niet expliciet benoemd in de aanvullende rapportage van 23 juli 2014. Een dergelijke val is echter wel betrokken in de conclusie, maar niet relevant geacht in relatie met de combinatie van medische bevindingen, zoals hierna toegelicht.

Op het moment van de getoonde en de beschreven impact, is niet of hooguit zeer beperkt sprake van een verticale beweging. De verticale beweging (de val) start pas na de impact tegen de muur, en kan als zelfstandige val gezien worden naast de impact als gevolg van een horizontaal georiënteerde zwaaibeweging (zoals getoond).

Met betrekking tot deze val, van naar schatting van ondergetekende tussen 0,5 en 1 meter hoogte, geldt de interpretatie over vallen van beperkte hoogte in het aanvullend rapport van 23 juli 2014. Het relevante deel daarvan:

Vallen van beperkte hoogte van jonge kinderen leiden zeer zelden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd. Met name een studie naar valincidenten vanaf speeltoestellen laat zien dat zelfs potentieel wat meer gecompliceerde valincidenten zelden tot nooit tot ernstig hersenletsel leiden.

De beperkte hoogte wordt in deze studies veelal gedefinieerd als minder dan 1,5 meter of 5 feet, maar soms ook als minder dan 10 feet (circa 3 meter) of minder dan 15 feet (circa 4,5 meter).

In een recente Daubert analysis over toegebracht hersenletsel wordt onder meer accidenteel trauma als alternatieve verklaring van hersenletsel [...] besproken. In deze Daubert analysis wordt onder meer geconcludeerd dat valpartijen van beperkte hoogte in een geobjectiveerde setting, zoals in ziekenhuizen, nooit tot een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies hebben geleid.

Deze studies leiden tot de conclusie dat de benodigde krachten bij [slachtoffer] groter moeten zijn geweest dan die van een val van enkele meters hoogte (als in een val vanaf de eerste verdieping of hoger).

Gezien de relatieve goedaardigheid van vallen van beperkte hoogte, in combinatie met de mogelijke ontstaansmechanismen van de combinatie van hersenletsel en een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, is er geen reden om aan te nemen dat sprake kan zijn geweest van effectpotentiatie (verhoogde kwetsbaarheid van het hoofd bij de val als gevolg van de impact tegen de muur).

De algehele conclusie uit het aanvullend rapport van 23 juli 2014 wordt volledigheidshalve aangevuld met de (getoonde en beschreven) val na de impact, en luidt:

Ondergetekende acht het aannemelijk dat sprake moet zijn geweest van grotere krachten dan getoond in de reconstructievideo.

Mocht de zwaaibeweging hebben geleid tot impact met grotere krachten dan die van een val van enkele meters hoogte, dan vormt de impact tegen de muur (los van de daarop volgende als goedaardig te beschouwen val op de grond) een passende verklaring voor de combinatie van de bevindingen.”

(xiv) De op de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik heb me bij de reconstructie wel ingehouden. In het echt ging het met meer kracht en harder. Ik voelde mij bij de reconstructie ook niet zo boos als toen in de ochtend van 12 juli 2011. Ik weet dat het die ochtend harder ging dan ik heb voorgedaan op de reconstructie.

(..)

Ik heb [slachtoffer] een ruk gegeven richting de muur. Dat ging echt keihard.

(..)

Het klopt dat de pop de eerste keer ook al tegen de muur kwam.”

7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2015, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat er sprake is geweest van een mishandeling door de verdachte met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Van opzet op zwaar lichamelijk letsel is volgens hem geen sprake geweest. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat uit verklaringen blijkt dat de verdachte in paniek was en heeft geschreeuwd om een ambulance, hetgeen niet past bij iemand die opzettelijk letsel heeft toegebracht aan het slachtoffer.

8. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte wordt primair vervolgd wegens poging tot doodslag. Voor bewezenverklaring van poging tot doodslag, dient er sprake te zijn van opzet op de dood van het slachtoffer.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedragingen in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra- indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

Ten tijde van het feit betrof [slachtoffer] een driejarig jongetje met een gewicht van ongeveer dertien kilo. [slachtoffer] lag ruggelings op het bed. Verdachte stond naast het bed. Met zijn rechterhand pakte verdachte [slachtoffer] bij de linkerbovenarm. Vervolgens slingerde verdachte [slachtoffer] met veel kracht tegen de slaapkamerwand. Daarbij raakte het hoofd van [slachtoffer] de wand met zoveel energie dat in de wand een deuk ontstond met een diepte van ongeveer één centimeter. [slachtoffer] heeft direct zijn bewustzijn verloren. [slachtoffer] is naar het ziekenhuis overgebracht en heeft daar nog enige tijd in kritieke toestand gelegen. Hij is met spoed overgeplaatst naar het Universitair Medisch Centrum Groningen wegens een dreigende levensgevaarlijke drukverhoging in de schedel. Er werd besloten om operatief in te grijpen. Door de klap heeft [slachtoffer] blijvend en tot functieverlies leidend hersenletsel opgelopen.

Verdachte heeft omtrent zijn intenties het volgende naar voren gebracht. Hij ontkent [slachtoffer] met opzet tegen de muur te hebben geslingerd. Het was zijn bedoeling om [slachtoffer] langs de muur te zwaaien in de richting van de slaapkamerdeur. Verdachte heeft verklaard ten tijde van het delict boos en geïrriteerd te zijn geweest.

In deze zaak heeft een reconstructie plaatsgevonden in een ruimte waarvan de (relevante) verhoudingen en afstanden overeenkwamen met die van de plaats delict. [slachtoffer] is daarbij verbeeld door een min of meer levensechte pop met [slachtoffers] gewicht, te weten ongeveer dertien kilo. Verdachte heeft bij de reconstructie gedemonstreerd wat hij beoogde te doen en daarna wat feitelijk plaatsvond. Het hof heeft aan de hand van (de videobeelden van) die reconstructie vastgesteld dat de pop ([slachtoffer]) bij de door verdachte eerste beoogde zwaai in de richting van de muur en deur met het lichaam en de benen de muur raakte. Daarbij waren duidelijk twee te onderscheiden klappen te horen, hetgeen ernstig afbreuk doet aan het realiteitsgehalte van verdachtes, door hemzelf uitgebeelde veronderstelling, te weten dat [slachtoffer] na de zwaai keurig op zijn twee voetjes bij de slaapkamerdeur zou landen. Tevens heeft het hof vastgesteld dat het hoofd van de pop tijdens de beoogde zwaai met aanzienlijke snelheid rakelings langs de muur scheert. Bij de door verdachte uitgevoerde tweede demonstratie van hetgeen feitelijk plaatsvond, verdient opmerking dat het hoofd van de pop ‘vol’ de muur raakt waardoor de horizontale verplaatsing abrupt eindigt.

Verdachte heeft ter zitting van het hof nader verklaard dat hij tijdens de reconstructie niet de kracht, maar de wijze waarop hij [slachtoffer] slingerde heeft nagebootst. In werkelijkheid, zo verklaarde verdachte ter zitting, heeft hij [slachtoffer] met meer kracht dan gedemonstreerd tijdens de reconstructie, opzij geslingerd.

Het met heel veel kracht tegen een muur slingeren van het hoofd van een driejarig kind gelijk hier aan de orde is, is zonder meer geëigend om de dood van dat kind teweeg te brengen. Dit wordt door verdachte ook niet betwist en in zoverre staat het opzet dan ook niet ter discussie.

Wel daarentegen betwist verdachte dat hij het opzet heeft gehad om [slachtoffer] met zijn hoofd tegen de slaapkamerwand te slingeren. Het was immers zijn intentie om [slachtoffers] hoofd langs de muur te slingeren en in zoverre is volgens de raadsman sprake van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Het hof verwerpt dit verweer.

Gegeven de lompe, welhaast onverschillig aandoende wijze waarop verdachte zijn zeer krachtige zijwaartse slingerbeweging waarbij het hoofd van de driejarige [slachtoffer] tegen de muur werd geslagen, daadwerkelijk heeft uitgevoerd, is deze gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook heeft aanvaard. Overtuigende indicaties voor het tegendeel zijn het hof niet gebleken.

Het hof acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag derhalve bewezen.

Het hof komt uitgaande van de door verdachte gedemonstreerde door hem beoogde handeling overigens evenzeer tot een bewezenverklaring van opzet.

Door te trachten [slachtoffer] met veel kracht in de richting van de slaapkamerdeur te slingeren en dit voornemen op zodanige ongecontroleerde wijze uit te voeren dat 1) het lichaam en de benen van [slachtoffer] met aanzienlijke snelheid en kracht de muur zouden hebben geraakt en 2) [slachtoffers] hoofd rakelings langs de muur zou zijn gescheerd, heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof in deze door hem beoogde constellatie willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het hoofd van [slachtoffer] daarbij zodanig hard de muur zou raken dat dit [slachtoffers] dood tot gevolg zou hebben.”

9. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.1

10. Zoals blijkt uit de toelichting, neemt het middel tot uitgangspunt dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen ervan zou zijn uitgegaan dat het de bedoeling van de verdachte is geweest om [slachtoffer] uit bed te trekken en op zijn voeten te doen belanden. Dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de hiervoor onder 8 weergegeven nadere bewijsoverwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Zoals bij de bespreking van de tweede klacht van het tweede middel uiteen zal worden gezet, heeft het hof in die bewijsoverwegingen immers feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het de intentie van de verdachte is geweest om [slachtoffer] met veel kracht in de richting van de slaapkamerdeur te slingeren.

11. In de nadere bewijsoverwegingen van het hof, beschouwd in samenhang met de bewezenverklaring en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte door de ruggelings op bed liggende, drie jaar oude, [slachtoffer] vast te pakken, met kracht uit bed te trekken en vervolgens met zijn hoofd tegen een muur te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk letsel zou oplopen.

12. Het oordeel van het hof geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 9 is voorop gesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de hiervoor onder 6 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de vaststellingen van het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen, is dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De verdachte heeft uit boosheid en irritatie het driejarige zoontje van zijn vriendin uit bed geslingerd. De verdachte heeft deze slingerbeweging met zeer veel kracht uitgevoerd bij een jongetje dat een gewicht had van ongeveer dertien kilogram. Deze gedraging heeft plaatsgevonden in een relatief kleine ruimte (een slaapkamer) op het moment dat [slachtoffer] in het ouderlijk bed lag te rusten. Daarbij is het hoofd van [slachtoffer] met zo veel kracht tegen een slaapkamerwand aangekomen, dat in die wand een deuk is ontstaan. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] buiten bewustzijn geraakt, waarna hij geruime tijd in kritieke toestand in het ziekenhuis gelegen en hij blijvend hersenletsel en blijvende schade aan zijn gezichtsveld heeft opgelopen. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof onder deze omstandigheden de krachtige, “keiharde” slingerbeweging van de verdachte ten aanzien van het driejarige slachtoffer richting de muur van de slaapkamer, waarbij het hoofd van het kind tegen de muur werd geslagen, naar haar uiterlijke verschijningsvorm heeft aangemerkt als zo zeer gericht op een dodelijk gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet aannemelijk bevonden dat de verdachte zich niet heeft gerealiseerd welk risico verbonden was aan zijn handelen en tot welke gevolgen zijn handelen zou kunnen leiden.

13. Uit de hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen blijkt dat het hof zijn oordeel ten aanzien van het voorwaardelijk opzet van de verdachte uitgebreid heeft gemotiveerd. In het licht van hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het in hoger beroep gevoerde verweer heeft aangevoerd, is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis der wet met redenen omkleed.

14. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen onder meer heeft betrokken dat de verdachte de slingerbeweging, waarbij het hoofd van [slachtoffer] tegen de muur is geslagen, op lompe, welhaast onverschillig aandoende, wijze heeft uitgevoerd. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de welbewust uitgevoerde gedraging van de verdachte getuigt van een dermate onverschillige houding ten aanzien van de mogelijke gevolgen daarvan, in het bijzonder het slaan van het hoofd van [slachtoffer] tegen de muur met dodelijk letsel tot gevolg, dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft het hof zich mede kunnen baseren op de uitgevoerde reconstructie en de door de verdachte beoogde constellatie, die eveneens een aanmerkelijke kans meebracht dat het hoofd van [slachtoffer] de muur zodanig hard zou raken dat dit zijn dood tot gevolg zou hebben.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de verklaringen van de verdachte ten aanzien van zijn intenties heeft gedenatureerd.

17. Het middel doelt in de eerste plaats op de door het hof als bewijsmiddel 6 tot het bewijs gebezigde, op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde, verklaring van de verdachte, waarvan de inhoud hiervoor onder 6 sub vi is weergegeven.

18. De hiervoor genoemde verklaring van de verdachte luidt, zoals blijkt uit het onderliggende proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2012, als volgt:

“Ik vind dat de tijd nu rijp is om precies te vertellen wat er is gebeurd op 12 juli 2011. Ik heb stukjes informatie achtergehouden, maar voor het overige heb ik wel de waarheid verteld. [slachtoffer] woonde sinds twee weken bij ons. Mijn toenmalige vriendin [betrokkene 1] en ik hadden die nacht ervoor niet geslapen. [betrokkene 1] werd constant gebeld door [betrokkene 2], de biologische vader van [slachtoffer]. Vanwege hem zijn we naar Bolsward verhuisd. Die nacht lag [slachtoffer] vanaf een uur of vier bij ons in bed omdat hij onder de muggenbulten zat en een bult op zijn hoofd had waardoor hij niet kon slapen. [betrokkene 1] was gestrest en ging op een gegeven moment weg om sigaretten te kopen. [slachtoffer] sliep op dat moment niet helemaal. Ik ging naar beneden om ontbijt te maken en had tegen [slachtoffer] gezegd dat hij op moest staan, omdat we die dag naar het ziekenhuis zouden gaan met hem. Ik ging vast naar beneden maar [slachtoffer] bleef in bed liggen. Op een gegeven moment ging ik weer naar boven omdat hij nog steeds in het ouderlijk bed lag. Ik trok [slachtoffer] uit bed omdat ik boos was en vond dat hij op moest schieten. [slachtoffer] lag in het midden van het bed en ik pakte hem bij zijn bovenarm. Ik verloor de grip op zijn bovenarm waardoor hij uit mijn hand vloog. [slachtoffer] kwam vervolgens met zijn hoofd tegen de muur aan en viel daarna op de grond waarbij zijn hoofd weer de grond raakte. De deuk die de technische recherche aantrof in de muur, is de plaats waar [slachtoffer] met zijn hoofd de muur raakte. Ik stond aan de rechterkant van het bed toen ik [slachtoffer] vastpakte. De afstand tussen het bed en de muur waar hij met zijn hoofd tegenaan kwam is ongeveer een meter. Ik zag direct dat [slachtoffer] bewusteloos was. Ik raakte in paniek en pakte [slachtoffer] op en schudde hem door elkaar. Ook goot ik water over zijn hoofd en ben ik met hem naar buiten gegaan om hem frisse lucht te geven. Ik heb van alles geprobeerd om hem weer bij bewustzijn te krijgen. Toen [betrokkene 1] thuis kwam, schreeuwde ik naar haar dat ze de ambulance moest bellen. Ik heb nog wel meer geroepen maar ik weet niet meer precies wat. U zegt mij dat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] 13 kilo woog destijds en dat ik hem dus wel met behoorlijk veel kracht uit bed moet hebben getrokken; u noemt dat een slinger. Ik heb hem geen slinger gegeven. Ik heb niks tegen [betrokkene 1] gezegd omdat ik me schaamde.

De raadsman vraagt mij of het mijn bedoeling was om [slachtoffer] op zijn beentjes neer te zetten of dat ik hem in de richting van de deur naar de overloop wilde krijgen. Ik wilde hem in de richting van de deur krijgen omdat we naar het ziekenhuis moesten en naar mijn moeder in Den Haag zouden gaan.”

19. Het middel doelt voorts op de door het hof als bewijsmiddel 7 voor het bewijs gebruikte, op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde, verklaring van de verdachte, waarvan de inhoud hiervoor onder 6 sub vii is weergegeven.

20. De hiervoor genoemde verklaring van de verdachte luidt, zoals blijkt uit het onderliggende proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2013, als volgt:

“U vraagt mij of ik de stukken heb gelezen. Het dossier heb ik weggegooid omdat er niets van klopt. Ik heb hem niet geslagen. Ik heb hem een ruk gegeven. Hij vloog keihard uit mijn handen. U vraagt mij of dat hard ging. Ja dat ging heel hard. Boem. Ik hoorde de muren van de slaapkamer trillen. U vraagt nog eens hoe hard dat ging. Dat ging.... “BOEM”. Alles trilde.

Het leven werd op dat moment uit me getrokken.

Hij knalde met zijn hoofd en ik voelde de kamer trillen. Hij viel zo als een bal uit mijn handen.

Het klopt dat zij, de moeder, sigaretten aan het halen was. [slachtoffer] lag toen op ons bed. Hij was wakker.

Ik ging ontbijt maken en zei tegen hem dat hij kleren aan moest doen omdat we eerst naar het ziekenhuis zouden gaan. Daarna zouden we die dag naar mijn moeder gaan.

Toen ik weer boven kwam, lag hij nog steeds op bed. Toen ging alles heel snel. Ik zag zwart. Ik dacht aan de vader van [slachtoffer]. Waarom liet hij ons niet met rust?

Alles ging die ochtend verkeerd. De la in de keuken wilde niet dicht. Elke deur die ik aanraakte, knalde tegen de muur. Ik was daarom ook boos toen ik bij [slachtoffer] kwam. Ik zei toen tegen [slachtoffer]: "Schiet op."

Het was zoals een keeper die de bal tegen zijn vingers krijgt. Hij denkt dat hij de bal vast heeft, maar dat is niet zo.

Zo ging het ook met [slachtoffer]. Hij lag op zijn rug op bed. Hij lag in het midden. Een beetje naar boven. Met de voeten naar het voeteneind. Ik stond aan de rechterkant van het bed. Ik pakte hem bij de linker bovenarm. Vlak bij de schouder. Ik pakte hem met mijn rechterhand.

(…)

Toen ik [slachtoffer] uit bed trok, ging hij voor mij langs. Ik stond met mijn rug richting de groene muur. Het was alsof je met een frisbee gooit. Ik stond rechts van het bed.

Het was een redelijk hoog bed.

Ik herken de muur op de foto. Ik heb toen niet gezien dat de muur was ingedeukt. Dat las ik later. Ik heb daarom ook verklaard hoe dat kon.

Het kan wel zijn dat de deuk op 88 cm hoogte zit.

[slachtoffer] lag zo'n 20 cm onder de bovenste rand van het bed. De kussens lagen helemaal bovenin. Het was redelijk netjes in de slaapkamer.

(…)

U vraagt mij nogmaals naar 12 juli 2011.

De kamer trilde door de klap. Ik hoorde een klap. Het ging heel snel. 'Pang'. Het was pure frustratie.

Ik zag direct dat [slachtoffer] bewusteloos was. Zijn ogen zaten omhoog en hij had een zware ademhaling. Hij reageerde niet op mijn stem. Hij reageerde helemaal niet.

Ik heb wel een uur geschreeuwd en geprobeerd hem bij te brengen.

Het is onmogelijk dat het buurmeisje de stem van [slachtoffer] heeft gehoord.

Ik heb [slachtoffer] door elkaar gehusseld. Zoals je iemand schudt.

U vraagt mij hoe [slachtoffer] op de grond is terechtgekomen.

Eerst met zijn hoofd op de grond en daarna de rest van zijn lichaam.

Ik denk dat hij plat op de borst lag. Dat weet ik niet zeker. Het moet denk ik wel op zijn buik zijn geweest.

Ik heb hem opgetild en schudde hem heel hard omdat hij wakker moest worden.

Zijn hoofd lag opzij. Zo kon ik zijn ogen zien. Ik heb hem een pijnprikkel in zijn wang gegeven. Ik beet hem in zijn wang. Hoe ik dat deed, weet ik niet meer precies.

(…)

U vraagt waarom ik het ambulancepersoneel niet heb verteld wat er was gebeurd. Het ambulancepersoneel heeft me helemaal niets gevraagd.

Ik kan echt niet begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren.

Ik zei alleen maar: "Schiet op". Ik maakte mijn zin niet af omdat het zo snel ging.

Ik heb [slachtoffer] nooit geslagen. Dan had ik mezelf allang van de flat gegooid. Dat kan ik niet.

(…)

U vraagt waarom ik het ambulancepersoneel niet heb verteld wat er was gebeurd. Het ambulancepersoneel heeft me helemaal niets gevraagd.

Ik kan echt niet begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren.

Ik zei alleen maar: "Schiet op". Ik maakte mijn zin niet af omdat het zo snel ging.

(…)

In antwoord op vragen van de oudste raadsheer verklaar ik dat de moeder die ochtend zelf sigaretten wilde halen. [slachtoffer] sliep niet toen ze vertrok.

Ik zei toen dat hij zijn kleren aan moest doen omdat we naar het ziekenhuis zouden gaan.

Ik ging naar beneden om ontbijt te maken. Ik was de hele dag al geïrriteerd. U zegt dat de dag nog amper was begonnen. Maar ik had de hele nacht niet geslapen.

Ik heb ook tegen [slachtoffer] gezegd dat we naar mijn moeder gingen. Dat vond hij altijd leuk.

Ik heb hem niet geslagen. Ik was alleen boos omdat hij zijn kleren niet aan ging doen.

Ik was niet boos op hem. Hij heeft niets verkeerds gedaan.

Als je niet hebt geslapen en gegeten en ook nog eens al die telefoontjes krijgt, dan doet dat wat met je.

In de keuken had ik de waterkoker aangedaan en het brood klaargezet.

Boven ging het allemaal verkeerd.

[slachtoffer] lag op bed en was wakker. Hij dacht misschien dat hij werd aangekleed door mij.

Ik zei boven maar één zin en die heeft hij niet eens gehoord.

Ik zei: "Schiet"...en toen bam.

(…)

[slachtoffer] lag op zijn rug. Hij keek me aan. Hij lag niet onder het dekbed.

Ik had oogcontact met hem. Hij keek normaal. Hij lachte niet of zo.

Ik was woest, maar niet op hem. [slachtoffer] kan niets fout hebben gedaan.

Ik pakte hem met mijn rechterhand bij zijn linkerarm. Hij glipte uit mijn hand.

(…)

Hij vloog zo uit mijn hand. Ik wilde hem richting de deur hebben. Die deur bevond zich schuin rechts achter mij. Ik weet niet precies waar ik hem los heb gelaten.

(…)

Op de vraag van de advocaat-generaal of [slachtoffer] nu wel of niet uit mijn handen is geglipt, antwoord ik dat dat wel zo was. Ik had geen controle meer. Dus was hij al los op het moment dat hij tegen de muur kwam.

Ik wist op dat moment niet hoe zwaar hij was. Hij kwam ongeveer tot mijn heup. Ik weet niet hoe lang ik zelf ben. Het kan wel dat hij een meter lang was. Het ging wel met snelheid, maar niet met kracht.

(…)

Ik had hem die ruk nooit moeten geven.

Het ging wel krachtig maar wanneer ik alle kracht had gebruikt was het wel anders afgelopen. Ik realiseerde me op dat moment niet hoeveel kracht ik gebruikte. Het gebeurde spontaan. Ik was ontzettend boos. Dat kunt u ook aan de moeder vragen.

Ik kan het mezelf niet vergeven.

(…)

De raadsman vraagt wat de bedoeling van verdachte was bij het beetpakken van [slachtoffer].

De bedoeling was om [slachtoffer] naar de deur te krijgen. Hij moest opschieten en zijn kleren aandoen.”

21. Volgens de steller van het middel heeft het hof een andere betekenis gegeven aan de verklaringen van de verdachte dan de verdachte daaraan heeft bedoeld te geven door uit de weergave van die verklaringen in de bewijsmiddelen 6 en 7 weg te laten dat de verdachte de grip op de arm van [slachtoffer] verloor en dat de verdachte zich niet realiseerde hoeveel kracht hij toepaste op het moment dat hij [slachtoffer] uit bed wilde trekken om hem te laten opstaan.

22. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.2 Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring.3De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan voor wat betreft die geselecteerde onderdelen, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen.4 De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.5

23. Het hof heeft de op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2012 afgelegde verklaring van de verdachte betrouwbaar geacht, voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] uit bed heeft getrokken omdat hij boos was en dat hij [slachtoffer] bij zijn bovenarm heeft gepakt. Voorts heeft het hof de op de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2013 afgelegde verklaring van de verdachte betrouwbaar geacht, voor zover hij heeft verklaard dat hij boos was toen hij bij [slachtoffer] kwam, dat hij [slachtoffer] bij zijn linker bovenarm heeft gepakt, dat hij [slachtoffer] uit bed heeft getrokken, dat het heel hard ging, dat [slachtoffer] met zijn hoofd tegen de muur knalde en dat de kamer door deze klap trilde. Het hof heeft ervoor gekozen andere delen van de verklaringen van de verdachte niet voor het bewijs te gebruiken, mogelijk omdat het aan deze onderdelen geen geloof hechtte. Daarbij gaat het in het bijzonder om zijn verklaring voor zover inhoudende dat hij de grip op de bovenarm van [slachtoffer] verloor waardoor [slachtoffer] uit zijn hand vloog, dat hij [slachtoffer] in de richting van de deur wilde krijgen omdat zij naar het ziekenhuis en naar zijn moeder in Den Haag zouden gaan en dat hij zich op dat moment niet realiseerde hoeveel kracht hij gebruikte.

24. Het hof heeft aldus geen andere betekenis gegeven aan de inhoud van de verklaringen van de verdachte. Van strijd met de bewoordingen van de verklaring van de verdachte is geen sprake, terwijl het hof aan de delen waaraan het wel geloof heeft gehecht geen andere feitelijke inhoud heeft gegeven. Het hof heeft de desbetreffende onderdelen van de verklaringen van de verdachte tot het bewijs kunnen bezigen, met weglating van de in het middel bedoelde passages, zonder de feitelijke inhoud van die verklaringen te veranderen.6

25. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel ten slotte de klacht dat de door het hof in de bestreden uitspraak gegeven samenvatting van de intentie van de verdachte niet strookt met diens werkelijke intentie. Volgens de steller van het middel was het niet de bedoeling van de verdachte om [slachtoffer] met zijn hoofd langs de muur te slingeren maar wilde de verdachte [slachtoffer] uit bed trekken en hem laten opstaan, zodat ze eerst naar het ziekenhuis en daarna naar Den Haag konden gaan.

26. In de onder 8 weergegeven nadere bewijsoverwegingen heeft het hof geoordeeld dat het de intentie van de verdachte was om het hoofd van [slachtoffer] niet tegen maar langs de muur te slingeren. Deze feitelijke vaststelling is gelet op het navolgende niet onbegrijpelijk. Op de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2015 heeft de voorzitter van het hof als waarneming van het hof ten aanzien van het eerste deel van de (met een pop uitgevoerde) reconstructie, waarin de verdachte heeft laten zien wat zijn bedoeling zou zijn geweest, meegedeeld dat de verdachte de linkerarm van de pop heeft gepakt, dat de verdachte de pop snel voor zich langs heeft gezwaaid en dat de pop met aanzienlijke snelheid rakelings met het hoofd langs de muur is gegaan en met het bovenlichaam en de benen tegen de muur is gekomen. Voorts heeft de verdachte op die terechtzitting verklaard dat het klopt dat de pop de eerste keer ook al tegen de muur kwam, dat het niet zijn bedoeling was dat [slachtoffer] überhaupt de muur zou raken maar dat [slachtoffer] gewoon richting de deur moest worden gezet waarbij hij de muur niet zou raken. De raadsman van de verdachte heeft bij pleidooi ten aanzien van de reconstructie opgemerkt dat de dummy (pop) vrij hard de muur heeft geraakt, dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was dat [slachtoffer] de muur zou raken en dat het feit dat de dummy de muur heeft geraakt niet betekent dat dit daarom ook de bedoeling van de verdachte was. Het hof heeft aldus geen andere betekenis gegeven aan de inhoud van de verklaringen van de verdachte.

27. Het middel faalt.

28. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte als bewijsmiddelen 11, 12 en 13 deskundigenverslagen tot het bewijs heeft gebezigd, waarin de desbetreffende deskundige zich heeft uitgelaten over de schuldvraag, zodat deze deskundigenverslagen een oordeel bevatten dat is voorbehouden aan de rechter.

29. Ingevolge art. 343 Sv wordt onder een verklaring van een deskundige verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaring over datgene wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is, al dan niet naar aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht deskundigenverslag. Voor zover er een deskundigenverslag is uitgebracht, vormt dat verslag een afzonderlijk bewijsmiddel, te weten een schriftelijk bescheid in de zin van art. 344, eerste lid, onder 4, Sv. Bij de verklaring van de deskundige staat centraal hetgeen zijn wetenschap en kennis hem leren. Anders dan de getuige, verklaart de deskundige niet primair over hetgeen hij heeft waargenomen of ondervonden.7 De verklaring van de deskundige moet voldoen aan de regel dat de beslissing over de vragen van art. 348 Sv en art. 350 Sv aan de rechter is voorbehouden (de zogenoemde “ultimate issue rule”). Daaruit vloeit voort dat de rechter geen verklaringen of verslagen van deskundigen aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen waarin een ontoelaatbaar voorschot wordt genomen op dit beslissingsschema.8 In een deskundigenverklaring en in een deskundigenverslag mag dus niet worden vooruitgelopen op een aan de rechter voorbehouden oordeel, terwijl deze stukken geen aan de rechter opgedragen beslissingen mogen bevatten.9

30. Het middel doelt op de als bewijsmiddelen 11, 12 en 13 voor het bewijs gebruikte (aanvullende) deskundigenverslagen van 21 november 2011, 23 juli 2014 en 18 februari 2015, opgemaakt door de NFI-deskundige en forensische arts van het KNMG W.A. Karst. Het deskundigenverslag van 21 november 2011 houdt als verklaring van de deskundige onder meer het volgende in:

“De klinische noodsituatie (bewustzijnsvermindering, ademhalingsstoornis), een bloeding onder het harde hersenvlies en de aanwezigheid van netvliesbloedingen zijn veel waarschijnlijker bij een niet-accidenteel contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidentele toedracht.”10

31. In zijn hiervoor weergegeven conclusie in de deskundigenverslagen is de deskundige Karst niet vooruitgelopen op een aan het hof voorbehouden oordeel. De deskundige heeft slechts op basis van zijn expertise als NFI-deskundige en forensische arts verklaard dat het veel waarschijnlijker is dat het bij het jongetje geconstateerde letsel is veroorzaakt door een niet-accidenteel contacttrauma en/of schudden (geweldshandelingen van een ander) dan dat dit letsel zou zijn veroorzaakt door een accidentele toedracht (een ongeluk). Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft de deskundige zich aldus niet uitgelaten over de aan de rechter voorbehouden vraag in hoeverre dit letsel aan de schuld of het opzet van de verdachte is te wijten.

32. In aanmerking genomen dat het hof de deskundigenverslagen van Karst voor het bewijs heeft gebruikt, ligt in de bestreden uitspraak als het oordeel van het hof besloten dat de deskundige heeft verklaard over hetgeen zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 31 uiteen is gezet en in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. In aanmerking genomen dat de verdediging geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de deskundigenverslagen, terwijl deze verslagen op de terechtzittingen in hoger beroep ter sprake zijn gekomen, Karst op de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2013 als deskundige aanwezig is geweest en op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 mei 2012 als deskundige is gehoord, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.11

33. Het stond het hof aldus vrij de deskundigenverslagen van Karst met inbegrip van de in het middel bestreden passage tot het bewijs te bezigen. De bewezenverklaring is ook in zoverre voldoende met redenen omkleed.

34. Het middel faalt.

35. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

2 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5 en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.

3 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, NJ 2006/550, rov. 5.5.

4 Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592, rov. 3.5.

5 Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, rov. 3.3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9172, NJ 2007/71, rov. 4.2, HR 4 januari 2000, NJ 2000/225, rov. 3.5, HR 8 oktober 1991, NJ 1992/155, rov. 6.1 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 766.

6 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8 en HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5.

7 Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 807-808.

8 Vgl. Van Kampen in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 10 bij art. 343 Sv (bijgewerkt tot 18 juli 2008).

9 Vgl. J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, zesde druk, Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2011, p. 198. Vgl. voorts HR 18 mei 1993, NJ 1993/782 m.nt. ’t Hart, rov. 5.

10 In de aanvullende deskundigenverslagen van 23 juli 2014 en 18 februari 2015 heeft de deskundige deze conclusie herhaald.

11 Vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8569, NJ 2004/200, rov. 3.