Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:969

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
15/04693
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:578, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Terroristische misdrijven i.h.k.v. een niet-internationaal gewapend conflict op Sri Lanka. Veroordeling van “Tamil Tijger” wegens deelname aan een internationale criminele organisatie (LTTE) en een nationale criminele organisatie (TCC) die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven. Middelen gericht tegen vrijspraak van deelname aan nationale criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van afpersing, vrijspraak van opruiingsfeiten en strafoplegging. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02147, 15/04689, 15/04691 en 15/04692.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/04693

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[S. R.]

INHOUDSOPGAVE

I. Inleiding

I.1. De veroordeling van de verdachte

I.2. De vervolging van de verdachte en de vier medeverdachten

I.3. Deelneming aan een internationale resp. nationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven resp. misdrijven – feiten 1A, 1B en 2

I.3.1. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven – feit 1A

I.3.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 1B

I.3.3. Deelneming aan een nationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 2

I.4. De opruiingsfeiten – feiten 2 sub a en b, 5 en 6

I.5. Het overtreden van sanctiemaatregelen – feiten 2 sub c, 3 en 4

I.5.1. De plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

I.5.2. De beslissing van het HvJ EU over de plaatsing van de LTTE op de EU-Terreurlijst

I.5.3. Individuele sanctiemaatregelen

II. De door het Openbaar Ministerie voorgestelde vijf middelen

II.1. De afpersing van Tamils in Nederland/feit 2 sub g – het eerste middel

II.1.1. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissing van het hof

II.1.2. Bespreking van het eerste middel

II.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

II.2. De opruiingsfeiten/feiten 2 sub a en b, 5 en 6 – het tweede, het derde en het vierde middel

II.2.1. De artikelen 131 en 132 Sr

II.2.2. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissingen van het hof

II.2.3. De betekenis van art. 10 EVRM – bespreking van het derde en het vierde middel

II.2.4. De betekenis van art. 17 EVRM – bespreking van het tweede middel

II.2.5. Eindoordeel inzake het tweede, het derde en het vierde middel

II.3. De strafmotivering – het vijfde middel

II.3.1. Bespreking van het vijfde middel

II.3.1.1. De vordering van het Openbaar Ministerie en de strafmotivering van het hof

II.3.1.2. Internationale verplichtingen bezien in verband met de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf ingeval van misdrijven met een terroristisch karakter

II.3.2. Eindoordeel inzake het vijfde middel

III. Afronding

I. Inleiding

I.1. De veroordeling van de verdachte

1. Bij arrest van 30 april 2015 heeft het Hof Den Haag1 de verdachte wegens, kort gezegd, drie feitencomplexen die bestaan uit of verband houden met het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en elf maanden. Het hof heeft deze bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als: Feit 1. De internationale criminele organisatie - onder 1A: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”; - onder 1B: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”; en Feit 2. De nationale criminele organisatie - onder 2 “Het als leider en/of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.

2. Het hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard ter zake van het onder 2 sub c, het onder 3 en het onder 4 tenlastegelegde. Deze (deel)feiten zien op overtredingen van de Sanctiewet en/of van de Wet Conflictenrecht Corporaties en houden in zoverre verband met het overtreden van sanctiemaatregelen. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring zijn de middelen niet gericht. Niettemin kom ik er hieronder in § I.5 op terug.

3. Niet bewezen heeft het hof verklaard 1B sub a (het oogmerk van de internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op het werven in Nederland) en 2 sub g (het oogmerk van de nationale criminele organisatie op afpersing). Daarover meer in § II.1. Daarnaast heeft het hof niet bewezenverklaard de tenlastegelegde vormen van opruiing als bedoeld onder 2 sub a en b, 5 en 6. Zie daarover nader hieronder § I.4 en § II.2.

4. Voorts heeft het hof enkele deelonderdelen van een drietal feitencomplexen bewezenverklaard maar niet strafbaar geacht en de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging ontslagen. Het gaat om de onderdelen 1A sub e (oogmerk internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op samenspanning), 1B sub a (oogmerk internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op het werven voor gewapende strijd in Sri Lanka), 1B sub i (oogmerk internationale criminele organisatie op de opzettelijke voorbereiding van de onder 1B sub a en d vermelde misdrijven) en 2 sub h (oogmerk nationale criminele organisatie op de opzettelijke voorbereiding van de eerder onder 2 in sub d, e en f vermelde misdrijven). Tegen deze beslissingen van het hof inzake de deelonderdelen van deze drie feitencomplexen keren de cassatiemiddelen zich niet.

5. Verder heeft het hof beslissingen genomen over de verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen respectievelijk de teruggave daarvan, een en ander zoals in het arrest vermeld. Ook tegen deze beslissingen komt geen van de cassatiemiddelen op.

6. De feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd en door het hof is veroordeeld hangen alle samen met activiteiten van het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), algemeen bekend als de Tamil Tigers (Tamil Tijgers) en of de Tamil Coordinating Committee (TCC). Tezamen met de verdachte zijn vier medeverdachten door het hof veroordeeld.2 Om die reden bestaat er samenhang tussen de onderhavige zaak van de verdachte en de zaken tegen [J.M. J.] (15/02147), [L. T.] (15/04689), [T. E.] (15/04691) en [R. S.] (15/04692). Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.

7. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. S.A. Minks, advocaat-generaal bij het hof Den Haag, cassatieberoep ingesteld. Bij schriftuur hebben mr. M.E. de Meijer en mr. W.N. Ferdinandusse, advocaat-generaal respectievelijk plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

8. Namens de verdachte is geen cassatieberoep ingesteld zodat in deze zaak – anders dan in de genoemde samenhangende zaken – alleen middelen van het Openbaar Ministerie worden besproken.

I.2. De vervolging van de verdachte en de vier medeverdachten

9. Voor een goed begrip schets ik voorafgaand aan de bespreking van de middelen de feitelijke en de juridische context van de onderhavige materie, waarvan de onderhavige zaak tegen de verdachte deel uitmaakt. Dat doe ik aan de hand van de feiten die aan de verdachte en de vier medeverdachten zijn tenlastegelegd en het rechtskader waarin deze feiten zijn te plaatsen. Het is nodig het beeld en de complexiteit ervan goed weer te geven, in het bijzonder de daaraan verbonden internationale kwesties en het door het hof toegepaste toetsings- en beoordelingsschema. Om dat te doen zal ik, zij het zo kort mogelijk, moeten ingaan op onderdelen van het bestreden arrest waarop de middelen met hun rechts- en motiveringsklachten naar de kern bezien geen betrekking hebben maar waarover het hof wel beslissingen heeft genomen, daar die onderdelen niet los gemaakt kunnen worden van het grotere geheel. Daarbij wijs ik erop dat het hof het opportuun heeft geacht de in alle vijf zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken, waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft, gemeenschappelijk te bespreken. Het Openbaar Ministerie heeft namelijk in hoger beroep voor alle vijf verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden over de juridische context en de rechtsvragen, terwijl de raadslieden in hoger beroep tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek (met toestemming van het hof) bij elkaar aansluiting hebben gezocht op de gevoerde verweren. Het in elke afzonderlijke zaak (en dan ook nog op verschillende wijzen) versnipperen van het totale feitencomplex tot slechts die (onder)delen waartegen de ingediende middelen zich specifiek richten, zou denk ik ten koste gaan van een helder overzicht van en inzicht in (de problematiek van) de zaak en de leesbaarheid van mijn conclusies. In de samenhangende zaken heb ik er om die reden voor gekozen de middelen die namens de medeverdachten zijn voorgesteld op onderdelen gezamenlijk te bespreken. Wat de onderhavige zaak betreft, ligt dat anders omdat namens de verdachte geen schriftuur met middelen is ingediend.

10. Zoals voor een deel al uit het voorgaande is gebleken, ziet de verdenking tegen de verdachte op feiten die gecomprimeerd kunnen worden aangeduid als (i) het deelnemen aan een (internationale en/of nationale) criminele organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van terroristische misdrijven respectievelijk misdrijven (feiten 1A, 1B en 2), (ii) het overtreden van sanctiemaatregelen (feiten 3 en 4) en (iii) vormen van opruiing (feiten 5 en 6). De verdenking in de vier samenhangende zaken heeft betrekking op dezelfde feitencomplexen, met dien verstande dat in de zaak tegen de medeverdachte [R. S.] de opruiingsdelicten niet als afzonderlijke feiten zijn tenlastegelegd.3

11. De in de tenlastelegging genoemde feiten en omstandigheden vertonen “een nauwe samenhang met het gewelddadig conflict dat zich gedurende ruim 25 jaar op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) heeft afgespeeld”, zo stelt het hof in paragraaf 9.1 “De achtergrond van de zaak” van het arrest vast, mede op grond van rapportages van deskundigen. Het hof doelt daarbij op de strijd die de LTTE decennialang op Sri Lanka heeft gevoerd en overweegt in dat verband het volgende. De LTTE is op 5 mei 1976 opgericht door Thiruvenkadam Velupillai Prabhakaran (verder: Prabhakaran) als gevolg van een onder de Tamil minderheid op Sri Lanka in de jaren 1960/1970 groeiend gevoel dat zij werd achtergesteld ten opzichte van de Singalese meerderheid aldaar. In de vanaf 1990 door haar verworven en beheerste gebieden in het noordelijk en oostelijk deel van Sri Lanka, fungeerde de LTTE met haar politieke vleugel als een soort overheid voor de bevolking en stelde zij zich ten doel in die gebieden een eigen onafhankelijke en autonome staat te bereiken. Daartoe voerde de LTTE een gewelddadige, separatistische en nationalistische campagne, waarbij dodelijke aanslagen werden gepleegd. Het gewapende conflict groeide uit tot de Sri Lankaanse burgeroorlog van 1983 tot 2009, het jaar waarin de LTTE werd verslagen door het Sri Lankaanse leger en dat leidde tot volledige uitroeiing van de militaire en politieke top van de LTTE, waaronder haar voorman Prabhakaran. Tot zover dit, nog eens door mij ingekorte, resumé van het hof. Voor de volledigheid, en ter nuancering, merk ik op dat een panel van experts van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in zijn rapport van 31 maart 2011 tot de conclusie komt dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat door beide partijen grootschalige schendingen van internationaal humanitair recht en rechten van de mens hebben plaatsgevonden en dat ten gevolge daarvan tienduizenden Sri Lankaanse burgers om het leven zijn gebracht en honderdduizenden mensen anderszins slachtoffer zijn geworden.4

I.3. Deelneming aan een internationale resp. nationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven resp. misdrijven – feiten 1A, 1B en 2

12. Het verband met de gewapende strijd die de LTTE in Sri Lanka heeft gevoerd, komt het duidelijkst naar voren bij de feiten die ten laste zijn gelegd als het deelnemen aan een internationale criminele organisatie (feiten 1A en 1B) en aan een nationale criminele organisatie (feit 2) die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven respectievelijk van misdrijven. De steller van de tenlastelegging heeft onder feit 1A verwezen naar art. 140a Sr, en onder de feiten 1B en 2 naar art. 140 Sr. Evenals de rechtbank heeft het hof de onder “Feit 1. De internationale criminele organisatie” tenlastegelegde feiten aldus uitgelegd dat het oogmerk in onderdeel 1A betrekking heeft op het plegen van terroristische misdrijven en het oogmerk in onderdeel 1B op het plegen van ‘gewone’ misdrijven.5 Onder “2. De nationale criminele organisatie” gaat het naar het oordeel van het hof enkel om het oogmerk op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. De feiten waarop het oogmerk van de internationale criminele organisatie onderscheidenlijk de nationale criminele organisatie was gericht – althans gericht zou zijn geweest – zijn in de tenlastelegging onder 1A, 1B en 2 telkens door middel van letters van elkaar onderscheiden maar verder in vrij algemene bewoordingen tot uitdrukking gebracht. Wel kunnen ze nader worden ingevuld aan de hand van de gebeurtenissen zoals deze op de terechtzittingen van het hof en in diens arrest zijn besproken. Ik zal daarom in het hiernavolgende niet de tenlastelegging wat betreft de feiten 1A, 1B en 2 integraal aanhalen, maar de daarin besloten liggende beschuldigingen ten aanzien van de verdachte in eigen bewoordingen en geconcretiseerd naar die gebeurtenissen weergeven, waarbij ik uiteraard wel de lijn van de tenlastelegging volg.

I.3.1. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven – feit 1A

13. Volgens de verdenking aangaande feit 1A heeft de verdachte op tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders), en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, deelgenomen aan een internationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

- (a) het voorhanden hebben en/of overdragen van kanonnen, granaatwerpers, (automatische) vuurwapens, (bijbehorende) munitie en explosieven zoals mijnen en bommen, begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken;


- (b), (c) en (d) het plegen van aanslagen en aanvallen op burgerdoelen, zoals

•de aanslag op de internationale luchthaven Katunayake bij Colombo (Sri Lanka) op 24 juli 2001 waarbij meerdere passagiersvliegtuigen worden vernietigd, zes Singalese soldaten en een technicus worden gedood en een journaliste gewond raakt;

•de aanslag op 2 februari 2008 in of nabij Dambulla (Sri Lanka) door een explosief in een passagiersbus tot ontploffing te brengen waardoor tenminste 12 personen om het leven komen en tientallen personen gewond raken;

•de aanslag op 8 januari 2008 in of nabij Jah Ela (Sri Lanka) waarbij een minister, D.M. Dassanayaka, om het leven wordt gebracht en twaalf anderen gewond raken, telkens begaan met een terroristisch oogmerk;

- (e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot de eerder vermelde misdrijven; en/of

- (f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk.

14. Het hof heeft vastgesteld dat samenspanning (ad e) tot het voorhanden hebben et cetera (ad a) geen strafbaar feit oplevert en heeft de verdachte (en zo ook de medeverdachten) ter zake daarvan van alle rechtsvervolging ontslagen.6

I.3.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 1B

15. Voorts wordt de verdachte er onder feit 1B van verdacht dat hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders), en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een internationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van misdrijven, te weten: - (a) het zonder toestemming van de Koning (in de zin van art. 105 Sr) werven voor gewapende strijd in Sri Lanka, zowel in Nederland door propaganda onder Nederlandse Tamils, in het bijzonder jongeren en kinderen, als in Sri Lanka;

- (b) het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, i.c. kinderen jonger dan vijftien jaar, ten behoeve van de gewapende strijd in Sri Lanka (als bedoeld in art. 6, derde lid onder f, Wet internationale misdrijven, verder WIM);

- (c) het beroven van de vrijheid van burgers in Sri Lanka, waaronder Tamils en gerekruteerde minderjarige kinderen die zich verzetten tegen de overheersing door de LTTE of voor de regering zouden werken, alsmede door zogenoemde “Tamil Eelam-rechtbanken” veroordeelde personen en politieke gevangenen (zoals bedoeld in art. 4, eerste lid onder e, WIM);

- (d), (e), (f): het plegen van aanvallen en aanslagen op gebouwen, transportmiddelen, militairen, overheidsfunctionarissen en burgers, dan wel het voorhanden hebben van de daarbij gebruikte wapens; - (g) doodslag (in verband met de onder (d), (e), en (f) genoemde aanvallen en aanslagen);

- (h) moord (in verband met de onder (d), (e), en (f) genoemde aanvallen en aanslagen); en

- (i) de opzettelijke voorbereiding van de vermelde misdrijven.

16. Het hof heeft ten aanzien van de onder (a) genoemde feiten die in Sri Lanka zijn gepleegd, overwogen dat art. 205 Sr “niet ziet op de werving van personen op Sri Lanka door de LTTE (aldaar), nu dit in een te ver verwijderd verband van Nederland staat. Dit klemt te meer nu niet is gebleken van enige concrete wervingshandeling op Sri Lanka door de Nederlandse verdachten die in deze zaak terecht staan.” Met betrekking tot de onder (a) genoemde feiten die in Nederland of elders ter wereld zijn begaan, heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) vrijgesproken.

Voorts heeft het hof geoordeeld dat de opzettelijke voorbereiding van het werven voor de gewapende strijd, noch de voorbereiding van de rekrutering en inzet van kindsoldaten (zoals genoemd onder (a) en (b)), een strafbaar feit oplevert, nu niet is voldaan aan het in art. 46 Sr vereiste minimale strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf. Ook ter zake van deze bewezenverklaarde onderdelen heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) van alle rechtsvervolging ontslagen.7

I.3.3. Deelneming aan een nationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 2

17. Wat feit 2 betreft, luidt de beschuldiging dat de verdachte

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders) (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een nationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op

- a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in art. 131 Sr) en/of

- b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden, tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in art. 132 Sr) (welke opruiingsfeiten verder als zelfstandige feiten 5 en 6 afzonderlijk aan de verdachte zijn tenlastegelegd en in dat verband nader zijn geconcretiseerd) en/of;

- (c) het overtreden van sanctiemaatregelen die als zelfstandig feit 4 aan de verdachte is tenlastegelegd en daar is geconcretiseerd;

- (d) (gewoonte)witwassen (als bedoeld in art. 420ter en art. 420bis Sr), bestaande uit het verhullen van geldstromen van geldbedragen die zijn verkregen door middel van het organiseren van loterijen zonder de daarvoor vereiste vergunning (ad e) en door dwang uit te oefenen (in de zin van art. 284 Sr) op in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap met betrekking tot de afgifte van geldbedragen (ad f);

- (e) het organiseren van loterijen zonder de daarvoor vereiste vergunning (art. 1 Wet op de kansspelen);

- (f) het uitoefenen van dwang op in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap met betrekking tot het afgeven van geld ten behoeve van de LTTE (dwang door bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in art. 284 Sr);

- (g) het afpersen van in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap (als bedoeld in art. 317 Sr), strekkende tot het afgeven van geld ten behoeve van de LTTE;

- (h) de opzettelijke voorbereiding van de vermelde misdrijven.

18. In dit verband heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) gedeeltelijk van alle rechtsvervolging ontslagen op grond van de overweging dat de opzettelijke voorbereiding van de onder (d), (e) en (f) bewezenverklaarde feiten geen strafbaar feit oplevert, aangezien niet is voldaan aan het in art. 46 Sr vereiste minimale strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf.8 Van de onder (a) en (b) tenlastegelegde opruiingsfeiten is de verdachte vrijgesproken. Zo ook van de afpersing als bedoeld in (g); zie daarover II.1. Ten aanzien van het feit onder (c) tenlastegelegd, is het Openbaar Ministerie op eigen vordering niet-ontvankelijk verklaard (zie daarover hierna § I.5).

I.4. De opruiingsfeiten – feiten 2 sub a en b, 5 en 6

19. Onder 5 en 6 zijn de opruiingsfeiten afzonderlijk en – ten opzichte van de misdrijven waarop volgens feit 2 onder a en b het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht – nader uitgewerkt.

20. Onder 5 is onder het kopje “Opruiing” tenlastegelegd dat de verdachte

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht, Oosterbeek, Den Haag en/of Amsterdam en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, in het openbaar (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka). De uitlatingen zijn op verschillende data gedaan op zogenoemde Heldendagen te Oosterbeek (9 juli 2005), Amsterdam (25 juli 2007), Utrecht (4 november 2007 en 27 november 2009) en Den Haag (22 juni 2008).

Ter illustratie haal ik uit twee uitlatingen de volgende fragmenten aan:

“Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.
Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.” (Heldendag Amsterdam)

en

“Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” en/of

“Wij zullen zeker winnen. Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.” (Heldendag Den Haag)

21. Onder 6 zijn ten laste van de verdachte feiten omschreven die in de tenlastelegging zijn aangeduid onder het kopje “Verspreiding ter opruiing”, en wel als volgt

het op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of Ammerzoden en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging verspreiden en/of openlijk tentoonstellen en/of ter verspreiding of openlijke tentoonstelling in voorraad hebben: -(a) een affiche voor Heldendag 27 november 2009 te Utrecht; -(b) een kalender; -(c) DVD Levend wapen versie 7; -(d) DVD Levend wapen versie 8; -(e) DVD Levend water versie 9, zijnde geschriften en/of afbeeldingen waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam.

Het affiche had de tekst:

“Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.”

22. Het hof heeft de verdachte (en de medeverdachten [J.M. J.] (15/02147), [L. T.] (15/04689) en [T. E.] (15/04691)) vrijgesproken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten en zo ook van de opruiing waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht (feit 2 onder a en b).9

23. Het tweede, het derde en het vierde middel komen tegen de vrijspraak van deze opruiingsfeiten op (zie nader § II.2).

I.5. Het overtreden van sanctiemaatregelen - feiten 2 sub c, 3 en 4

24. Aan de verdachte zijn onder 3 en 4 afzonderlijk feiten tenlastegelegd die betrekking hebben op het overtreden van afgekondigde sanctiemaatregelen. Onder 2 sub c is de overtreding van art. 2 van de Sanctiewet 1977 in verbinding met de Sanctieregeling Terrorisme 2002 als feit tenlastegelegd waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie gericht zou zijn geweest. Deze sanctiemaatregelen betreffen goed beschouwd de LTTE, en niet zozeer de verdachte(n) zelf. Het komt mij dienstig voor om in deze inleiding ook de achtergrond van de bedoelde sanctiemaatregelen te schetsen, zulks met het oog op de wijze waarop deze in de onderhavige strafzaak zouden zijn verlopen. Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie EU heeft reeds beslissingen met betrekking tot de afgekondigde sanctiemaatregelen genomen, die naar het mij voorkomt geen betekenis hebben voor de beoordeling van de onderhavige middelen, maar waar ik voor de volledigheid wel kort op in zal gaan.

I.5.1. De plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

25. De sanctiemaatregelen die in Nederland tegen de LTTE zijn afgekondigd – en waarvan overtredingen zijn tenlastegelegd onder 2 sub c, 3 en 4 – strekken tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (hierna: Verordening (EG) 2580/2001) inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme.10 Op grond van deze Verordening stelt de Raad een lijst vast van “personen, groepen en entiteiten” waarop de Verordening en daarmee de sanctiemaatregelen (de “specifieke beperkende maatregelen”) van toepassing zijn. Dit is de zogenoemde EU-terreurlijst, die overigens naast de ‘VN-terreurlijst’ bestaat.11 Bij Besluit van 29 mei 2006 werden de “Bevrijdingslegers van Tamil Eelam (LTTE)” op de Europese terreurlijst geplaatst.12 In het kader van de voorgeschreven periodieke herbeoordeling, zijn nadien telkens uitvoeringsverordeningen tot stand gekomen waarin die plaatsing is gehandhaafd.

26. In Nederland geschiedt de uitvoering van de sanctiemaatregelen die ingevolge de terreurlijsten dienen te worden genomen op basis van de Sanctiewet 1977.13 Ingevolge de, op de Sanctiewet 1977 gebaseerde, Sanctieregeling Terrorisme 2002 is het in Nederland verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 2580/2001. Gelet op de onder 2 sub c, 3 en 4 tenlastegelegde feiten is het van belang dat op basis van Verordening (EG) 2580/2001 in verbinding met de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Terrorisme 2002 in Nederland:

- “alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst […] bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, [worden] bevroren”; en - “aan of ten behoeve van een in de lijst […] bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking [worden] gesteld”.

Op basis van dezelfde regeling ten tijde van de tenlastegelegde feiten is het nog steeds in Nederland verboden:

-“financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van een natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit als vermeld in de lijst”;

-“willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect” eerdergenoemd verbod wordt ontdoken.

De LTTE is een “groep of entiteit” in voormelde zin.14

27. In het onderhavige verband is aan de verdachte (deels door mij geparafraseerd) tenlastegelegd dat:

2 aanhef en sub c

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

c) overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling Terrorisme 2002;

3 hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens ) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten de LTTE, zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst bedoeld in art. 2, derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001;

4 hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens ) tezamen en in vereniging met anderen (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens art. 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van art. 1, eerste lid, van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344), telkens a) heeft deelgenomen aan en/of bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE en/of b) ten behoeve van de LTTE geld heeft gegeven, uitgeleend, gecollecteerd en/of ingezameld, en/of loten heeft verkocht en/of loterijen (met winstoogmerk) heeft georganiseerd en/of goederen (met winstoogmerk) heeft verkocht en/of

c) geld heeft beheerd en/of een financiële administratie heeft gevoerd ten behoeve van de LTTE en/of d) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan en/of financiële diensten heeft verricht voor de LTTE.

I.5.2. De beslissing van het HvJ EU over de plaatsing van de LTTE op de Europese terreurlijst

28. Aan de vervolging voor feiten als de onderhavige – dat wil zeggen het overtreden van sanctiemaatregelen – zou de grondslag wel eens kunnen ontvallen, gezien de uitspraak van het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 16 oktober 2014, nr. T-208/11 en T-508/11 (Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) t. Raad van de Europese Unie).15 Namens de LTTE was geklaagd dat de beslissingen om haar organisatie op te nemen en te handhaven in de toen meest recente uitvoeringsverordeningen, onvoldoende was gemotiveerd. Het HvJ EU oordeelde dat er inderdaad sprake was van een motiveringsgebrek, onder meer nu de Raad, die tot de plaatsing van de LTTE op de lijst had besloten, zich niet had gebaseerd op concrete elementen die waren onderzocht en vastgesteld in beslissingen van bevoegde nationale instanties, maar op gegevens die de Raad uit de pers of van het internet had gehaald. Tegen de beslissing van het HvJ EU is door de Raad van de Europese Unie tijdig een hogere voorziening ingesteld.16 Op 3 mei 2016 heeft de grote kamer van het HvJ EU het appel behandeld. De drie middelen die in die zaak zijn voorgesteld, richten zich tegen de eisen die het HvJ EU heeft gesteld aan het plaatsen van de LTTE op de terreurlijst.17 Een uitspraak naar aanleiding van die middelen is op het moment van dit schrijven nog niet door de grote kamer gedaan.

29. Wel al heeft advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie van 22 september 2016 het standpunt ingenomen dat de Raad bij zijn beslissingen om de plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst te handhaven, zich niet zonder nadere motivering had mogen baseren op beslissingen van instanties van derde landen (i.c. India), niet kon volstaan met “verschillende nieuwe feiten die niet waren beoordeeld en vastgesteld in beslissingen van bevoegde instanties” en evenmin kon volstaan met de oorspronkelijke beslissing van de bevoegde nationale instanties zoals met name het Britse verbodsbesluit van 2001, omdat dan op zijn minst rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop hetgeen ook in de motivering tot uitdrukking moet worden gebracht.18

30. Na de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014 is de LTTE echter wederom op de lijst geplaatst in de Uitvoeringsverordening en de opvolgende uitvoeringsverordeningen.19 Van betekenis kan zijn dat de uitspraak van het HvJ EU betrekking heeft op de uitvoeringsverordeningen die inzake de LTTE zijn genomen vanaf nr. 83/2011 van 31 januari 2011 tot en met nr. 790/2014 van 22 juli 2014. Hieruit volgt dat de in Nederland afgekondigde sanctiemaatregelen die van belang zijn voor de zaak tegen de verdachte en diens medeverdachten, niet berusten op de uitvoeringsverordeningen die door het HvJ EU nietig zijn verklaard. De betreffende tenlastegelegde feiten hebben immers betrekking op de periode tot en met 26 april 2010. Mij is niet bekend of de uitvoeringsverordeningen waarop die sanctiemaatregelen berusten op vergelijkbare wijze zijn gemotiveerd als de nietig verklaarde sanctiemaatregelen.

31. Niettemin heeft het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak (en in de samenhangende zaken) zich naar aanleiding van de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014 op het standpunt gesteld dat van verdere vervolging alsnog (gedeeltelijk) behoort te worden afgezien op gronden van opportuniteit aan het algemeen belang ontleend, meer in het bijzonder het belang een afdoening van de onderhavige strafzaak op korte termijn mogelijk te maken. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij gewezen op het begin van andere strafzaken in Nederland waarin net als in de onderhavige zaak een oordeel zal moeten worden gegeven over beschuldigingen van terroristische misdrijven gepleegd in het kader van een gewapend conflict.20 Tegen de gevorderde niet-ontvankelijkheid heeft de raadsman van de verdachte bezwaar gemaakt, terwijl de raadsman van medeverdachte [L. T.] om aanhouding van de zaak heeft verzocht om de beslissing op de hogere voorziening af te wachten. De raadslieden van de medeverdachten [J.M. J.], [R. S.] en [T. E.] hebben ingestemd met de gevorderde niet-ontvankelijkheid.21 Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering heeft het hof Den Haag het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wat betreft het onder 3 en 4 alsook het onder 2 sub c tenlastegelegde.

I.5.3. Individuele sanctiemaatregelen

32. Naast de sanctiemaatregelen die jegens de LTTE zijn genomen, zijn ook sanctiemaatregelen afgekondigd tegen diverse leden van de LTTE, waaronder de verdachte en de medeverdachten. Weliswaar hebben de onderhavige zaken geen betrekking op deze individuele sanctiemaatregelen, maar ter completering van het algehele beeld wil ik ze niet onvermeld laten.

33. Zo is bij afzonderlijke besluiten de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing verklaard op de onderhavige verdachte en de medeverdachten.22 De gevolgen die dit voor hen heeft, zijn vergelijkbaar met de gevolgen van de plaatsing op de terreurlijst voor de LTTE. Alle tegoeden, financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden voor de verdachte en de medeverdachten worden bevroren. Het beroep dat drie van hen tegen deze besluiten hebben ingesteld, heeft geleid tot de verwijzingsuitspraak van de Raad van State van 2 april 2014 waarbij aan het HvJ EU een zestal prejudiciële vragen is voorgelegd23, zij het dat ik daaraan onmiddellijk toevoeg dat die naar mijn inzicht geen effect hebben op de beoordeling van de onderhavige cassatiemiddelen. Overigens zijn deze prejudiciële vragen nog niet door het HvJ EU beantwoord. Het verdere verloop van deze zaak, en de conclusie die advocaat-generaal Sharpston daarin inmiddels heeft genomen,24 zijn niet van belang voor de beoordeling van de door het Openbaar Ministerie voorgestelde middelen.

34. Bij het HvJ EU zijn thans dus twee zaken aanhangig die betrekking hebben op de plaatsing van de LTTE respectievelijk leden daarvan op de EU-terreurlijst.

II. De door het Openbaar Ministerie voorgestelde vijf middelen

II.1. De afpersing van Tamils in Nederland/feit 2 sub g – het eerste middel

35. Het eerste middel komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het deelnemen aan een nationale criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van afpersing (feit 2 aanhef en onder g).

II.1.1. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissing van het hof

36. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat aan de verdachte onder 2 aanhef en sub f en g ten laste is gelegd dat:

2. De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten:
[…]
f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06]”

37. Het hof heeft in het verband van deze nationale criminele organisatie en het oogmerk van deze organisatie (als bedoeld in 2 aanhef) de dwang wél, doch de afpersing niet bewezen geacht, en daaromtrent het volgende overwogen25:

11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f)

[…]

[S. R.] verklaart in hoger beroep als volgt: “U vraagt mij of [betrokkene 2] mij instructies heeft gegeven hoe verder te handelen in Nederland. In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen.

U vraagt mij of dit boekje het handboek betreft waarin ook het organisatieschema, dat u mij zojuist heeft voorgehouden, is opgenomen. Ja, dat is hetzelfde.

In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen.

U vraagt of ik degene was die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland. Ja, dat klopt.”

Het hof heeft voorts kennis genomen van het door [S. R.] genoemde handboek. Uit dit geschrift blijkt dat het internationale secretariaat van de LTTE van de verantwoordelijken in de afzonderlijke landen verwacht dat alle noodzakelijk maatregelen getroffen dienen te worden om van elke Tamil in dat land een maandelijkse donatie te verkrijgen ten behoeve van de vrijheidsstrijd op Sri Lanka.

In de woning van [S. R.] is op een CD een brief aangetroffen van 11 februari 2007 van [S. R.] (het hof begrijpt: [S. R.]) aan de districtsverantwoordelijken. [S. R.] schrijft hierin dat zij onmiddellijk de namen, adressen en telefoonnummers van mensen uit hun regio die geen enkele contributie hebben betaald, moeten e-mailen naar Chencholai en Arivucholai verzorgingshuizen en de reden waarom zij niet hebben meegedaan. In bedoeld pand is tevens een brief aangetroffen van [J.M. J.] (het hof begrijpt: [J.M. J.]) aan [S. R.] met namen en telefoonnummers van mensen in Midden Nederland die niet hebben meegedaan en niet willen meedoen. Voorts is in dit pand een lijst aangetroffen met namen en adressen van Tamils in Nederland en België, waarbij achter sommige namen is geschreven “no pay” of “negative”.

Op 26 april 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van [betrokkene 4] te Londen. Daarbij is (in een computerbestand) een brief aangetroffen gedateerd 15 maart 2007 met de volgende inhoud: “[betrokkene 5], [geboortedatum]-1983 uit Den Haag wil de vrouw die voor hem is uitgezocht hier naar toe laten halen. Ze zijn daarheen gegaan voor een pas. Ze hebben verteld dat ze dat pas kunnen geven nadat er een antwoord van ons is. [betrokkene 5] en de moeder van [betrokkene 5] zijn naar me toe gekomen. Hun deelname 2004-2005, totaal € 500,- heb ik ontvangen. In 2006 geen deelname. Voor 2007 heb ik ze ontmoet. Ze hebben geschreven dat ze € 60,- per maand zullen geven. Ik heb een maand 60 euro ontvangen. Mijn mening: als er 2500 gevraagd wordt, zouden we kunnen krijgen. Hoogachtend, [betrokkene 4].”

[betrokkene 6], wonend in Breda, heeft zakelijk weergegeven verklaard dat de mensen die aan de deur kwamen zware morele druk op hem legden. Zij zeiden dat hij zijn land in de steek liet. Met zij bedoelt hij de mensen die aan de deur kwamen; [betrokkene 7], [betrokkene 8] en nog een paar anderen.

Als hij naar zijn broer in Sri Lanka wilde, en hij moest via het gebied van de LTTE, dan had hij een nummer nodig. In Omantha is een controlepost van de LTTE en dan heb je een nummer nodig om te kunnen passeren. Hij moest eerst betalen en dan zou hij een nummer krijgen. Hij heeft geld overgemaakt aan de TCC. Toen is er ook al eens om een groot geldbedrag gevraagd voor de “onophoudelijke golven”. Hij kon dat niet betalen en toen is overeengekomen dat hij periodiek zou betalen. Bij het tonen van foto 1 ([L. T.]) verklaart hij dat dat [L. T.] is en dat die in Breda woont. Hij was tot aan het verlies van de LTTE ervan overtuigd dat hij een nummer nodig had om daar in Sri Lanka te komen, zo niet dan zouden zij hem vasthouden bij Omantha tot alsnog betaald was. Hij verklaart dat [betrokkene 7] praat of hij wil slaan. [betrokkene 7] belde soms en vroeg of het geld al klaar lag. Als hij dan zei van niet, zei [betrokkene 7] dat hij maar een telefoontje hoefde te plegen. Daaruit begreep hij dat hij in Sri Lanka problemen kon verwachten.

Hij verklaart dat [betrokkene 7] in 2004 zijn districtsverantwoordelijke was.

[betrokkene 9], wonend in Breda, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “Ik had van landgenoten die naar Sri Lanka zijn gereisd gehoord dat ik, in het geval ik naar Sri Lanka wilde reizen, een pasje/reisdocument nodig zou hebben. Ik moest geld betalen om dat document te kunnen krijgen.

Ik wilde naar mijn vaderland reizen en ik heb toen aan [betrokkene 7] gevraagd hoe ik zo’n pas zou kunnen regelen en aan wie ik daarvoor geld moest betalen. Van andere mensen heb ik geld geleend om de pas te regelen.

Ik moest naar Sri Lanka reizen en ik was bang dat ze mijn paspoort in beslag zouden nemen, daardoor voelde ik mij bedreigd.

Ik heb aan [betrokkene 7] € 500,- betaald.

In 2005 ben ik in verband met een bezoek aan mijn vader naar Sri Lanka gereisd met een Sri Lankaans paspoort.

Ik denk dat ik de kwitantie van [betrokkene 7] heb gekregen.

Daar stond op dat ik 500 rupees had betaald en dat dit het bewijs daarvan was.

Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat [betrokkene 7] tegen mij gezegd heeft dat ik het betalingsbewijs kon meenemen zodat ik dat daar bij de LTTE kon laten zien.

[betrokkene 10], wonend in Lelystad, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “U houdt mij voor dat ik tegenover de rechter-commissaris heb verklaard dat ik in 2009 contact heb gehad met een persoon genaamd [J.M. J.]. U zegt dat u uit mijn verklaring heeft begrepen dat hij bij mij kwam voor geldinzameling voor de LTTE.

In 2009 had ik een winkel. Toen heb ik hem daar gezien. Hij zei “wij verzamelen geld bij iedereen”. U vraagt mij wie hij met ‘wij’ bedoelde. Hij kwam niet alleen. Hij zei “wij gaan alle winkels langs”.

U vraagt mij of hij de Tamiltijgers of de LTTE heeft genoemd. Hij had een brief bij zich. Hij zei dat hij voor hun geld inzamelde. U vraagt mij of hij nader heeft aangegeven wie met ‘hun’ bedoeld werden. Hij zei dat hij een brief heeft gekregen van ‘daar’ en daarom zamelde hij geld in voor de LTTE. Dat heeft hij gezegd.

U vraagt mij of hij een bonnenboekje heeft laten zien. Ja, dat heeft hij.

U toont mij nu op een groot scherm pagina A07 0155 van het dossier en u vraagt mij of ik dit herken. Ja.

U vraagt mij of ik toen iets soortgelijks heb gezien. Ja, het was zoiets.

U vraagt mij of ik het rode embleem herken. Dat was toen in het zwart.

U vraagt mij wat het voorstelt. Dat is van de Tamiltijgers. Dat staat er ook in de Tamil taal.

U vraagt mij in welke periode [J.M. J.] bij mij is geweest. Mijn winkel is in februari 2009 geopend. Ik denk dat het ongeveer twee maanden na de opening was.

De eerste keer dat hij langskwam zei hij dat ze langs alle Tamilwinkels gingen om geld in te zamelen. Hij zei dat wij moesten helpen.

U vraagt mij naar de tweede keer dat [J.M. J.] langskwam.

Hij vroeg mij toen of ik nagedacht had. Hij liet mij weer een brief zien en zei “het geld is niet voor mij, maar het is voor ons”.

U vraagt mij wie hij met ‘ons’ bedoelde. Ik denk dat hij de LTTE bedoelde, want op de brief die hij liet zien stond LTTE. Ik weet zeker dat de LTTE problemen maakt voor de mensen die geen geld geven.

U vraagt mij of er andere personen bij mij zijn langs geweest. [bijnaam J.M. J.] is met een brief langs geweest. Hij vertelde dat zij bij iedereen 1000 euro inzamelden. Toen ik zei dat ik geen 1000 euro had, zei hij dat ik ook elke maand 50 euro kon geven.

Hij zei “Je bent Tamil, je moet ons helpen”.

U vraagt mij of ik mij op enigerlei wijze onder druk gezet voelde door [J.M. J.] of [S. R.]. Ja, dat voelde ik wel zo.

U vraagt mij of ik kan toelichten waarom ik dat zo voelde. Toen [J.M. J.] mij om geld ging vragen ben ik een beetje bang geworden.

U vraagt mij wat hij deed waardoor ik bang werd. Als er geen geld werd betaald, misschien kreeg ik dan problemen.

U vraagt mij of ik dat dacht of dat hij dat zo gezegd heeft. Hij heeft gezegd dat hij iemand is die problemen kan maken en dat hij andere mensen die niet hebben betaald heeft geslagen.

U vraagt mij of hij nog andere dingen heeft gezegd waardoor ik bang werd. Hij zei “je moet betalen” en ja, ik heb ook kinderen.

U vraagt mij of hij mij op enige wijze bedreigd heeft met mijn kinderen. Hij heeft gezegd “als je niet betaalt dan heb je een probleem”.

Hij heeft gezegd “je moet geld geven, anderen hebben dat ook al gedaan”.

Daarnaast heeft hij gezegd “ik heb al problemen gemaakt bij andere mensen die niet betalen”. Toen dacht ik dat hij problemen met mijn kinderen kon maken.

U houdt mij in dit kader voor dat ik in antwoord op vragen van de rechter-commissaris heb gezegd dat hij had gezegd “Je moet geld betalen of jij moet hulp aanbieden aan de Tijgers”, dat “hij had deelgenomen aan de strijd en scherven in zijn hart heeft” en “Als jij niet helpt, ga ik kinderen ontvoeren”. U vraagt mij of ik dit zo bij de rechter-commissaris heb gezegd. Dit klopt. Ik heb dit zo bij de rechter-commissaris gezegd. Het is zo dat als men problemen met kinderen verwacht, men automatisch geld gaat geven.

U vraagt mij of hij heeft gezegd op welke kinderen hij doelde. Hij kwam geld vragen bij mij, dus ik dacht dat het over mijn kinderen ging.

Hij heeft gezegd dat als ik geld gaf ik geen problemen zou krijgen.

U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris heb gezegd dat hij zei “jouw kinderen”. Omdat hij geld aan mij vroeg, ging het over mijn kinderen.”

11.3.3.3.1. Het oordeel van het hof

Uit deze getuigenverklaringen en bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof, met de rechtbank dat door degenen die geld inzamelden voor de LTTE (waaronder dus begrepen de TGC en andere sub-organisaties) een indringend beroep werd gedaan op leden van de Tamilgemeenschap in Nederland om financieel bij te dragen aan de activiteiten en/of doelstellingen van de LTTE (en sub-organisaties). Mensen werden herhaaldelijk door twee of drie leden van de organisatie bezocht, ook al hadden zij laten weten niet te willen bijdragen of het geld niet te kunnen missen. Er was sprake van een minimaal te betalen bijdrage. Er werd nauwkeurig geregistreerd wie wel en wie niet betaalde en deze registratie werd ook aan Sri Lanka doorgegeven. Bij deze (huis)bezoeken werd mensen te verstaan gegeven dat zij, als zij niet zouden betalen, het onder controle van de LTTE staande gebied in Sri Lanka niet zouden kunnen inreizen of daar problemen zouden kunnen ondervinden. In een geval is gedreigd met ontvoering van kinderen. Veel slachtoffers hadden angst voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt. Door dit alles werd zodanig op de slachtoffers ingewerkt en ingepraat dat sprake is van bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in artikel 284 Sr. Deze handelwijze leidde tot zodanige psychische druk dat de slachtoffers hieraan geen weerstand konden bieden en uiteindelijk gingen zij overstag en betaalden. Immers, veel van de slachtoffers wilden de mogelijkheid openhouden om hun moederland, Sri Lanka, te bezoeken of hadden daar nog familie om wier welzijn zij zich zorgen maakten. Zij vreesden dat die mogelijkheid hun zou worden onthouden als zij niet betaalden. Van die angst werd misbruik gemaakt.

Anders dan wel door de verdediging is betoogd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hier weergegeven (onderdelen van de) verklaringen van de getuigen. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen grond.

Gelet op het vorenstaande komt het hof, net als de rechtbank, mede gelet op het stelselmatige karakter van de aanpak, tot bewezenverklaring van dwang als één van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

11.3.3.4. Afpersing (Feit 2 sub g)

Onder feit 2 sub g wordt de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) verweten het oogmerk te hebben op afpersing.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Anders dan ten aanzien van “dwang” moet immers, voor bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie op afpersing, komen vast te staan dat dat oogmerk was gericht op het plegen van geweld dan wel het bedreigen met geweld tegen personen, en wel zodanig dat bij de afgifte geen andere motieven dan de dreiging met geweld dan wel het geweld een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Anders

dan bij “dwang” in de zin van artikel 284 Sr, kan het dwingende karakter niet worden afgeleid uit andere feitelijkheden dan geweld en dreiging met geweld.

Hoewel uit de hiervoor bewezenverklaarde dwang een aanwijzing kan worden afgeleid dat de Tamils in Nederland, van wie bijdragen ten behoeve van de LTTE werden gevorderd, onder druk werden gezet en er evenzeer aanwijzingen zijn in de daarover afgelegde verklaringen, dat sommige Tamils ook zeer zware druk hebben ervaren, blijkt uit geen van de afgelegde verklaringen dat in die dwang of bedreiging in het algemeen de (enige) reden was gelegen om (financiële) bijdragen aan de LTTE te leveren. Immers: veelal werden de bijdragen kennelijk ook gegeven om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren. Andere omstandigheden waaruit het oogmerk op afpersing, anders dan op grond van de door het openbaar ministerie ook wel aangevoerde, meer algemene beschrijvingen van de LTTE in (internationale) rapporten of verder niet gespecificeerde uitspraken van buitenlandse rechters, die op zichzelf in dit verband niet voldoende gewicht in de schaal leggen, zijn niet komen vast te staan, reeds omdat daarbij niet steeds helder is in hoeverre onderscheid wordt gemaakt tussen de juridische begrippen “dwang” en “afpersing”.

Onder die omstandigheden, acht het hof weliswaar — zoals hiervoor betoogd — het oogmerk van de organisatie op het uitoefenen van dwang in een aantal gevallen, gelet op de bewezenverklaarde feitelijkheden, bewezen, maar het oogmerk op afpersing onvoldoende gespecificeerd en door vaststaande feiten onderbouwd om tot een bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op het afpersen van Tamils te komen. Van het onder feit 2 sub g. ten laste gelegde zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.”

II.1.2. Bespreking van het eerste middel

38. Voorop dient te worden gesteld dat onder feit 2 dwang (art. 284 Sr) en afpersing (art. 317 Sr) niet als zelfstandige delicten zijn tenlastegelegd.26 Tenlastegelegd is hier de deelneming aan een (nationale) criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr27, die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van dwang (sub f) en afpersing (sub g). Zouden dwang en afpersing, een delict dat als een bijzondere en ernstigere vorm van dwang wordt getypeerd, wel beide afzonderlijk zijn tenlastegelegd, dan zou het verschil in delictsomschrijving en strafbedreiging strafrechtelijk relevant zijn, zowel voor de bewezenverklaring en de kwalificatie, als voor de strafoplegging. Maar deze relevantie is gelet op het onder 2 tenlastegelegde niet aan de orde, nu het er voor de kwalificatie en de strafbedreiging er niet zoveel toe doet of het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht op dwang en/of afpersing.

39. Daarbij komt nog het volgende. Uit de tenlastelegging en de bewijsvoering blijkt dat zowel de dwang (sub f) als de afpersing (sub g) betrekking heeft op betalingen die aan de LTTE zijn gedaan of, als het aan de organisatie had gelegen, gedaan hadden moeten worden. Het hof heeft de tenlastelegging voor wat betreft sub f en sub g klaarblijkelijk en – gezien de “en/of”-constructie – niet onbegrijpelijk als impliciet primair/subsidiair uitgelegd. Die aan het hof voorbehouden uitleg is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, waarbij ik tevens in aanmerking heb genomen dat sub f en sub g beide verwijzen naar zaakdossier 06.

40. Reeds op grond van het voorgaande meen ik dat het middel in al zijn onderdelen niet tot cassatie kan leiden.

41. Aldus bezien, bespreek ik het middel hierna ten overvloede. De toelichting op het middel bevat twee klachten met elke een deelklacht.

42. De rechtsklacht houdt in dat het hof ten onrechte als eis heeft gesteld “dat er slachtoffers waren die daadwerkelijk betaald hebben aan de LTTE als gevolg van dreiging met geweld door de LTTE […], aangezien in de onderhavige zaak het oogmerk op afpersing bij een criminele organisatie ten laste is gelegd, en niet de afpersing als zelfstandig delict”.

43. Uit de bewijsvoering blijkt allereerst dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven (i) dat het onder feit 2 gaat om het oogmerk van een nationale criminele organisatie op dwang en/of afpersing, (ii) dat (dus) niet afpersing als zelfstandig delict is tenlastegelegd en (iii) (impliciet) dat voor het bewijs van dat oogmerk niet nodig is dat de organisatie daadwerkelijk succesvol was met het dwingen van slachtoffers tot afgifte van geldbedragen door dreiging met geweld. Wel heeft het hof voor het bewijs van het tenlastegelegde oogmerk (feit 2 aanhef) kennelijk de vraag van betekenis geacht of dat oogmerk daadwerkelijk uit concrete feiten en omstandigheden kan blijken en heeft het daarvoor het bewijsmateriaal enkel kunnen ontlenen aan misdrijven die in het verband van de nationale criminele organisatie reeds waren begaan. Het hof komt dan uit bij misdrijven die, naar het hof heeft vastgesteld, (enkel) dwang opleveren en (nog net) niet afpersing, reden waarom volgens het hof het oogmerk van de organisatie te dezen was gericht op dwang en niet op afpersing.

44. Het op deze (impliciete) overwegingen berustende oordeel van het hof dat vrijspraak dient te volgen voor deelneming aan een criminele organisatie voor zover deze het oogmerk had op het plegen van afpersing, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste of beperkte rechtsopvatting ten aanzien van de reikwijdte en/of werkingssfeer van art. 140 Sr (terwijl het voorts niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is).28

45. Voorts lees ik in de toelichting op het middel de deelklacht dat de feiten zoals die door het hof zijn vastgesteld wel degelijk als bedreiging met geweld moeten worden aangemerkt. Zo begrijp ik tenminste de verwijzing naar gevallen waarin ook sprake is van “dreiging met geweld indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is”29, alsook het beroep op de in de bewijsvoering opgenomen mededelingen dat de betrokkenen problemen zouden kunnen ondervinden wanneer zij niet betaalden. Daarover wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat die “in een andere context wellicht neutrale mededeling […] in deze context onmiskenbaar een bedreiging met geweld” is.

46. Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat het oordeel of een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, afhangt van allerlei omstandigheden en noodzakelijkerwijs verweven is met waarderingen van feitelijke aard, zodat dit oordeel in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst.30 Het hof heeft uitvoerig overwogen dat en waarom de beschreven handelwijzen van de inzamelaars/huisbezoekers wel kunnen worden aangemerkt als bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in art. 284 Sr, maar niet als bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr. Ook die overwegingen acht ik niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Daarbij zij nog opgemerkt dat de “problemen” die men zou kunnen ondervinden en waarop in de toelichting op het middel wordt gewezen, door het hof kennelijk niet in verband zijn gebracht met bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr, maar met praktische problemen die de betrokkenen of derden zouden kunnen ondervinden bij een bezoek aan Sri Lanka omdat voor het bezoek in een door de LTTE gecontroleerd gebied een “nummer” nodig was dat kennelijk (in Nederland) eerst tegen betaling afgegeven werd.

47. Voor het oordeel of in de onderhavige zaak een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, is – anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd – niet essentieel “dat de LTTE een criminele en terroristische organisatie is die zich op Sri Lanka schuldig heeft gemaakt aan vele gevallen van ernstige gewelddadige misdrijven tegen de burgerbevolking”. De onder 2 tenlastegelegde feiten hebben, zo blijkt uit de aanhef ervan, betrekking op de “nationale criminele organisatie” waarbij de feiten zijn begaan in Nederland; in tegenstelling tot de feiten 1A en 1B ontbreken de woorden “en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld” in de tenlastelegging van feit 2. Dat betekent dat het verwijt dat in feit 2 aan de verdachte (en zijn medeverdachten) wordt gemaakt, zich niet uitstrekt over vormen van bedreiging van geweld (of van geweld) waaraan de LTTE zich in Sri Lanka schuldig heeft gemaakt.

48. De motiveringsklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de vaste handelwijze van de organisatie van verdachten (de LTTE) enerzijds geen blijk gaf van een oogmerk op bedreiging met geweld, en dus oogmerk tot afpersing, onbegrijpelijk is gelet op de vaststellingen die het hof anderzijds heeft gedaan, zoals bijvoorbeeld dat “de LTTE overtuigend is beschuldigd van vele gevallen van ontvoering, afpersing, gedwongen verdwijningen en willekeurige opsluiting op Sri Lanka” en “veel slachtoffers angst hadden voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt”.

49. In het arrest van het hof heb ik geen verwijzing naar een “vaste handelwijze” aangetroffen. Voor het overige moet een onderscheid worden gemaakt tussen “allerhande gedragingen” die naar het oordeel van het hof voor rekening van de LTTE komen, en de “gedragingen die voor rekening van de LTTE komen én betrekking hebben op de betalingen”, want om die laatste gedragingen gaat het bij ’s hofs oordeel over de vraag of het oogmerk van de organisatie – voor wat betreft de betalingen – was gericht op dwang of afpersing. Als dat onderscheid in acht wordt genomen, maken de vaststellingen waarop een beroep wordt gedaan het oordeel van het hof inzake het oogmerk niet onbegrijpelijk.

50. Een deelklacht is gericht tegen de overweging van het hof dat “veelal bijdragen kennelijk ook gegeven werden om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren”. Deze overweging strookt niet met het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie, aldus de stellers van het middel.

51. Om twee redenen heb ik cassatie-technisch moeite met deze deelklacht. In de eerste plaats omdat de klacht in feite is gericht tegen de bewezenverklaring door het hof van het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie. Het Openbaar Ministerie kan niet zonder nadere motivering, welke ontbreekt, in cassatie met succes opkomen tegen de veroordeling van de verdachte ter zake van een feit waarom het zelf ter terechtzitting heeft gevraagd. Ten tweede preciseert de klacht niet waarom de aangehaalde overweging van het hof de vrijspraak van het op afpersing gerichte oogmerk van de organisatie, onbegrijpelijk zou maken.

II.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

52. Ook op grond van de voorgaande beschouwingen ten overvloede faalt het middel in al zijn onderdelen.

II.2. De opruiingsfeiten/feiten 2 sub a en b, 5 en 6 – het tweede, het derde en het vierde middel

53. Het tweede, het derde en het vierde middel richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat hetgeen onder 2 sub a en b alsmede onder 5 en 6 – betreffende kort gezegd de opruiingsfeiten – is tenlastegelegd niet kan worden bewezenverklaard. Het derde en het vierde middel klagen in de kern beide over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 10 EVRM waardoor het hof ten onrechte tot (deel)vrijspraken ter zake van de opruiingsfeiten zou zijn gekomen. Het derde middel heeft meer in het bijzonder betrekking op de feiten die onder 5 en 6 ten laste zijn gelegd, het vierde middel legt het accent op de feiten die in 2 sub a en b zijn omschreven. Het tweede middel ligt naar mijn inzicht in het verlengde van het derde en het vierde middel, en klaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 17 EVRM waardoor de verdachte en zo ook de medeverdachten ten onrechte een beroep hebben kunnen doen op art. 10 EVRM.

54. Alvorens tot bespreking van deze middelen over te gaan, ga ik in op het wettelijk kader, de tenlastelegging van de betreffende opruiingsfeiten, de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven en de overwegingen van het hof die betrekking hebben op de gegeven vrijspraken.

II.2.1. De artikelen 131 en 132 Sr

55. De feiten genoemd onder 5 hebben betrekking op art. 131 Sr, terwijl de onder 6 aangeduide feiten op art. 132 Sr zien. Het hof heeft de tenlastelegging aldus uitgelegd, dat onder 2 sub a en b gesteld wordt dat het oogmerk van de nationale criminele organisatie (mede) was gericht op de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten.

56. De tekst van de genoemde artikelen luidden ten tijde van de tenlastegelegde periode, en ook nu nog, als volgt:

Artikel 131 Sr

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 132 Sr

1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

II.2.2. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissingen van het hof

57. Aan de verdachte is onder 2 sub a en b, respectievelijk onder 5 en 6 ten laste gelegd dat:

2. De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten: a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09]

[…]

5. Opruiing

hij op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht en/of Oosterbeek en/of Den Haag en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:

a) “Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting (…)

Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze: jongens iets doen, doen ze het goed.”

(op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)

b) "Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden" en/of

"Onder het leiderschap van onze leider Pirabakaran en zijn tijgermacht zal het land

herwonnen worden" en/of

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.

Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven?

Zie, zie, zie onze moed

Het is het land waarin wij leven’

Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht;

In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op "Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken Denken jullie dat het jullie huis is?

Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen.

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen"

(op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510)

c)

"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze. goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd, dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden" en/of

"Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..)

Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten laat ons dat bevestigen." en/of

"Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'.

Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht."

(op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280)

d)

"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen" en/of "Er is geen andere weg dan te strijden" en/of

"Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen."

(op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,13.18/1319)

e)

"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. (.... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken."

(op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032)

althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka)

(Artikel 131 Wetboek van Strafrecht)

6. Verspreiding ter opruiing

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of Ammerzoden, en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heidendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad:

a) een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te Utrecht met (onder andere) de tekst "Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel"

(B09-35/36, 1262/1263) en/of

b) Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of

c) DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of

d) DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of

e) DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629)

zijnde (een) geschift(en) en/of (een) afbeelding(en) waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam

(Artikel 132 Wetboek van Strafrecht)”.

58. Omtrent de verbinding tussen de onder 2 sub a en b genoemde feiten en de feiten die afzonderlijk zijn tenlastegelegd onder 5 en 6, heeft het hof in zijn arrest het volgende gezegd:

12. Beoordeling feiten 5 en 6

12.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

[…]

Naar het hof begrijpt dienen dezelfde teksten en aangetroffen goederen volgens het openbaar ministerie tot bewijs van sub a en b van het onder 2 ten laste gelegde, derhalve in zoverre tot bewijs van het oogmerk van de nationale criminele organisatie, waarvan alle verdachten wordt verweten te hebben deel uitgemaakt.”

59. Ten aanzien van de onderhavige (deel)vrijspraken heeft het hof het volgende overwogen:31

11.3.3. Beoordeling met betrekking tot feit 2

11.3.3.1. Opruiing en verspreiding ter opruiing (Feit 2 sub a en b)

Onder feit 2 sub a en b is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op opruiing en verspreiding ter opruiing.

Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de LTTE het oogmerk heeft gehad op de onder 2 sub a en b ten laste gelegde misdrijven.

[…]

12. Beoordeling feiten 5 en 6

[…]

12.3.

Het oordeel van het hof

12.3.1.

Beoordelingskader van de feiten 5 en 6

Het hof stelt bij de bespreking van deze feiten het volgende voorop waarin de door partijen ingenomen standpunten worden betrokken.

De artt. 131 en 132 Sr beogen de openbare orde te beschermen en te voorkomen dat met bepaalde middelen tot het begaan van strafbare feiten of van gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt aangezet. Onder openbaar gezag wordt het Nederlands openbaar gezag verstaan.

Voorts bevatten de artt. 131 en 132 Sr het bestanddeel ‘openbaar’ waaronder het hof verstaat dat de opruiing geschiedt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden opgenomen.

Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting - zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM - die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.

De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.

Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uitlating of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.

Het hof neemt bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen en goederen ter verspreiding de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking:

- de uitlatingen als geheel;

- de kennelijke bedoeling van de uitlating;

- de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden;

- onder wiens verantwoordelijkheid werd de uitlating gedaan;

- de plaats of gelegenheid waar de uitlating wordt gedaan.

Het hof tekent daarbij aan dat niet gebleken is dat, voor zover al vereist, geen toestemming door de (lokale) autoriteiten zou zijn gegeven voor de hierna te bespreken manifestaties. Evenmin is gebleken dat deze manifestaties niet vreedzaam zouden zijn verlopen, noch dat er enig gevaar voor de openbare orde zou zijn geweest.

Verdachte en diens medeverdachten, behorend tot de Tamil bevolkingsgroep, hebben gesteld zich te hebben ingespannen voor de Tamilgemeenschap en zich betrokken te hebben gevoeld bij de toenmalige gewapende strijd van de Tamilgemeenschap op Sri Lanka en bij de gevolgen daarvan voor de (Tamil-)inwoners van Sri Lanka. Zij hebben aangegeven dat de bijeenkomsten, waarop de onder 5 ten laste gelegde uitingen (zouden) zijn gedaan, het karakter hadden van herdenkingen van de slachtoffers van de strijd en van het vereren van de strijders met de bedoeling om het moreel van de Tamils te versterken voor de voortdurende strijd en om de toehoorders te bewegen die strijd te (blijven) ondersteunen.

12.3.1.1. De onder 5 ten laste gelegde uitingen

12.3.1.1.1. Onder 5 sub a

Deze tekst is, zo blijkt uit het dossier, afkomstig uit een toneelstuk dat is uitgevoerd tijdens de Zwarte Tijgerdag op 9 juli 2005 in een zalen & party-centrum te Oosterbeek. Deze Zwarte Tijgerdag was een herdenkingsdag voor de Zwarte (Tamil) Tijgers en blijkens het affiche georganiseerd door de TCC.

[L. T.] heeft een rol gehad in dit toneelstuk en in zijn huis is de DVD gevonden waarop onder meer dit toneelstuk is vastgelegd.

De tekst bevat geen concrete, directe aansporingen tot geweldsuitoefening door de toehoorders. Het daarbij - in positieve zin - bezingen van (strijd)geweld kan gelet op de theatrale vorm en in het licht van het karakter van de Zwarte Tijgerdag als herdenking van slachtoffers naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als opruiend in strafrechtelijke zin.

12.3.1.1.2. Onder 5 sub b

Uit het politieonderzoek is gebleken dat deze uitlatingen zijn gedaan op een Zwarte Juli herdenkingsdag op de Dam in Amsterdam op 25 juli 2007. Herdacht werden de vele Tamils die gedood werden tijdens de onlusten die uitbraken op Sri Lanka in 1983.

Hoewel de tekst in positieve zin geweld beschrijft kan daarin, gelet ook op het herdenkende karakter ervan, geen directe aanzet tot het plegen van geweld door de toehoorders worden gelezen, anders dan in termen die het belang van de strijd van de Tamilgemeenschap beschrijven, een overigens ook niet ongewoon kenmerk van oorlogs-strijdliederen en - toespraken.

12.3.1.1.3. Onder 5 sub c

Deze tekst werd uitgesproken bij een herdenkingsbijeenkomst op 4 november 2007 in het zalencomplex Maresca te Utrecht.

Van deze herdenkingsbijeenkomst ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder [betrokkene 11], de politiek leider van de LTTE, zijn op DVD’s beelden aangetroffen.

Op de beelden is te zien en te horen dat [S. R.] op een podium achter een spreekgestoelte staat en daar in het Tamil spreekt.

Uit de zich in het dossier bevindende teksten, waarvan de ten laste gelegde passages een onderdeel vormen, moet worden afgeleid dat de teksten zijn uitgesproken in een duidelijk herdenkingskader van grote strijders en slachtoffers. Weliswaar wordt de strijd van de Tamilgemeenschap bewierookt, maar uit de tekst valt geen (directe) aanzet tot het plegen van geweld door het aanwezige publiek te destilleren.

12.3.1.1.4. Onder 5 sub d

In de woning van [S. R.] is een DVD inbeslaggenomen met daarop de tekst: ‘Nederland Pongu Tamil 22-06-2008’. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een zogeheten Pongu Tamil manifestatie op 22 juni 2008 op het Plein in Den Haag, waar [J.M. J.] optrad als ‘gastheer’.

Een Pongu Tamil manifestatie is een LTTE evenement dat in meerdere landen wordt gehouden en waarbij wordt beleden dat de LTTE de enige vertegenwoordiger is van de Tamils.

Bij de beelden van de DVD is een lied “Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” te horen.

Op de beelden is voorts een toneelstuk te zien waarin de ten laste gelegde uiting: "Er is geen andere weg om te strijden” voorkomt.

Blijkens de beelden op de DVD heeft [betrokkene 12] een toespraak gehouden, waarin de volgende ten laste gelegde uitingen voorkomen: "Wij zullen zeker winnen/Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”

Ook hier kunnen naar het oordeel van het hof de uitingen niet worden gekwalificeerd als directe aanzet tot geweld door de toehoorders, mede gelet op het duidelijke herdenkings- en vereringskader van de - weliswaar - gewapende strijd en de strijders, waarbij ook de vorm van liederen en toneelstukken bijdraagt aan dat herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5. Onder 5 sub e

Tijdens een doorzoeking van het perceel [a-straat 1] te Raalte is een DVD aangetroffen en inbeslaggenomen. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een speech van [S. R.], waarin de ten laste gelegde teksten voorkomen.

De speech was onderdeel van de Heldendag die op 27 november 2009 plaatsvond in Partycentrum Maresca te Utrecht.

Heldendag is de nationale dag van de grote helden van Tamil Eelam. Op deze dag worden grote helden die hun leven hebben opgeofferd herdacht. Deze bijeenkomst vond derhalve plaats na 18 mei 2009, zijnde de dag waarop het leger van de LTTE door het Sri Lankaanse leger werd verslagen.

De bijeenkomst was aangekondigd middels een affiche.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gewraakte uitlatingen niet worden uitgelegd als een directe aanzet van de toehoorders tot geweldpleging, mede gelet op het hiervoor weergegeven karakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 5

Het hof komt bij de beoordeling van feit 5 tot het eindoordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden en context niet kunnen worden gekwalificeerd als opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag noch tot enig strafbaar feit, als bedoeld in art. 131 Sr. Voor zover de uitingen een opzwepend karakter hebben - daarvan is zeker sprake, soms in onomfloerste bewoordingen - beoordeelt het hof die, gelet op alle omstandigheden, vooral als een moreel appel op het gehoor, passend bij het saamhorige karakter van de (herdenkings- en vererings-) bijeenkomsten. Het hof hoort in de ten laste gelegde teksten onvoldoende directe aansporingen tot financiële steun of concrete deelneming aan gewelddadige (terroristische) activiteiten van de LTTE, zodat ook in zoverre van strijd met art. 131 Sr geen sprake is.

Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.

Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan - wat er overigens van zij - niet af.

Het hof zal derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, de verdachte vrijspreken van feit 5.

12.3.1.2. De onder 6 ten laste gelegde opruiende goederen

12.3.1.2.1. Onder 6 sub a

In de woning van [S. R.] is een externe harde schijf in beslag genomen met daarop tal van affiches. Daarbij gaat het om uitnodigingen voor bijeenkomsten, herdenkingsdagen, demonstraties en sportdagen in de periode van 2004 tot en met 2010, waaronder die van de Heldendag op 27 november 2007 te Utrecht. Op de affiche staat onder meer als tekst weergegeven:

“Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.

- Tamil Eelam nationale leider -”.

12.3.1.2.2. Onder 6 sub b

Tijdens doorzoekingen binnen het onderzoek Koninck op maandag zijn op diverse plaatsen scheurkalenders van het jaar 2010 aangetroffen, onder meer op het woonadres van [L. T.]. Op de veel grotere achtergrondplaat van de kalender staat een afbeelding van de oprichter en leider (tot aan zijn dood) van de LTTE, Velupillai Prabhakaran. Op tal van dagen in de kalender zijn afbeeldingen en namen weergegeven van omgekomen Black Tigers, waarbij in het kort, heroïsch, wordt weergegeven bij welk incident zij om het leven zijn gekomen.

Naast deze afbeeldingen zijn in de kalender ook afbeeldingen te vinden van internationaal bekende personen, zoals Mahatma Ghandi, Martin Luther King, David Ben-Gurion.

12.3.1.2.3. Onder 6 sub c, sub d en sub e

Onder het in het onderzoek Koninck aangetroffen propagandamateriaal zijn onder meer DVD's aangetroffen, getiteld (vertaald) "Levend wapen", versie 5 tot en met 9. Volgens opdruk zijn ze vervaardigd door, of in opdracht van, de LTTE.

De DVD's bevatten videobeelden en gesproken tekst. Onderwerpen zijn overwegend geslaagde zelfmoordaanslagen. Naast die aanslagen komen meermaals de zelfmoordenaars in beeld, soms met de grote leider. De gebeurtenissen worden mondeling toegelicht door leidinggevenden van de LITE.

12.3.1.2.3.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 6

Het hierboven besproken beoordelingskader in acht nemend komt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde goederen tot de navolgende overwegingen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, hoewel daaruit bewondering voor (ernstige) gewelddadigheden en het sterven in een strijd blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter heeft. Enige directe of indirecte oproep aan de toehoorders tot het plegen van strafbare feiten, als bedoeld in art. 132 Sr, kan daarin niet voldoende gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de in art. 132 Sr bedoelde norm. De hier genoemde bescheiden roepen niet op tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Voor zover de activiteiten van de LTTE, en de LTTE zelf, worden bewierookt en voor zover beoogd wordt de verkrijgers van de verspreide of te verspreiden goederen aan te sporen de LTTE te ondersteunen, kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hierboven weergegeven context, niet worden geconcludeerd dat daarmee wordt opgeruid tot het plegen van strafbare feiten, dan wel tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Het hof zal verdachte derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, ook vrijspreken van feit 6.”

60. De hierboven aangehaalde overwegingen houden met betrekking tot de onder 5 weergegeven uitlatingen in dat deze – naar het hof heeft vastgesteld – in de gegeven omstandigheden en context niet direct aanzetten tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag zoals bedoeld in art. 131 Sr, mede gelet op het herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomsten, waarop die uitlatingen ook in de vorm van liederen en toneelstukken zijn gedaan. Wat betreft de onder 6 genoemde objecten komen de overwegingen erop neer dat – naar het hof heeft vastgesteld – de inhoud ervan niet direct of indirect oproept tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in art. 132 Sr, waarbij het hof de eerder door hem genoemde context en het verhalende en herdenkende karakter van die objecten in aanmerking heeft genomen.

II.2.3. De betekenis van art. 10 EVRM – bespreking van het derde en het vierde middel

61. Dan nu de middelen. Ik zal beginnen met het derde en het vierde middel, die zich, ook volgens de stellers van de middelen, voor gezamenlijke bespreking lenen. Daarna volgt een beoordeling van het tweede middel.

62. Het derde middel bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de vrijspraken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde opruiingsdelicten. Het vierde middel steunt (grotendeels) op dezelfde gronden als het derde middel, maar richt zijn pijlen op de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten. In de toelichting op het vierde middel wordt in belangrijke mate verwezen naar de toelichting op het derde middel.

63. Als eerste klacht wordt in het derde middel aangevoerd dat het hof “met zijn oordeel dat de in feit 5 en 6 tenlastegelegde uitingen worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en niet bestraft mogen worden […], de strekking en reikwijdte van art. 10 EVRM” miskent.

64. In het arrest van het hof heb ik niet gelezen dat de in de feiten 5 en 6 verwoorde uitingen naar het oordeel van het hof worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Wel heeft het hof met betrekking tot art. 10 EVRM in 12.3.1. respectievelijk in 12.3.1.1.5.1 overwogen:

“Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting - zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM - die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.

De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is.”

En:

“Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.”

65. Deze overwegingen moeten wel in de juiste context worden gelezen. In 12.3.1 geeft het hof aan dat de artikelen 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als een “in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Wanneer het hof dan vervolgens in 12.3.1.1.5.1 overweegt dat geen van de gewraakte uitingen een uitzondering rechtvaardigen op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, herhaalt het hof daarmee zijn oordeel dat die uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als een overtreding van art. 131 Sr en dat zich om die reden niet het geval voordoet van de in art. 10 EVRM toegestane inperking van de vrijheid van meningsuiting. Anders dan de rechtbank32 overweegt het hof dus niet, zoals de klacht lijkt te veronderstellen, dat de uitlatingen vallen onder het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en “dus” niet strafbaar zijn. Het hof redeneert – niet onbegrijpelijk – eigenlijk andersom: de uitingen zijn (naar het hof feitelijk heeft vastgesteld) naar Nederlands recht niet strafbaar en vallen mitsdien onder het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting.

66. De klacht berust mijns inziens dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag.

67. Om vergelijkbare redenen faalt het beroep dat door de stellers van de middelen wordt gedaan op door hen aangehaalde rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft zich in die rechtspraak in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting uitgelaten over beperkingen die daarop door nationale rechters zijn aanvaard en de toelaatbaarheid daarvan. Maar als gezegd zijn déze beperkingen niet aan de orde in het beoordelingskader van het hof.

68. Tot adstructie wijs ik op de stelling die in de schriftuur wordt betrokken, dat uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt “dat het EHRM bescherming van uitingen die aanzetten tot haat, geweld verheerlijken en oproepen tot steun aan terroristische organisaties categoraal afwijst”. Maar daarmee geeft het EHRM niet aan welke uitingen daartoe aanzetten. Dat is ook begrijpelijk, nu immers dát oordeel aan de nationale rechter is voorbehouden. Voor zover dit al niet voor zich zou spreken, komt deze benadering van het EHRM naar voren in een van de zaken waarnaar in de schriftuur wordt verwezen. Uit die zaak kan worden opgemaakt dat de verzoekers in kwestie in Turkije waren veroordeeld wegens propaganda ten gunste van een terroristische organisatie vanwege hun deelname aan een religieuze ceremonie die in een bureau van een politieke partij was gehouden ter nagedachtenis aan drie leden van een verboden organisatie die door veiligheidstroepen waren gedood. Met betrekking tot de feiten waarvoor de verzoekers door de Turkse rechters waren veroordeeld – het verspreiden van berichten waarbij de dader van een aanval werd geprezen, het denigreren van slachtoffers van een aanval, het ophalen van geld voor terroristische organisaties of het deelnemen aan dergelijk gedrag – overwoog het EHRM dat dit het aanzetten tot terroristisch geweld kan opleveren:

“la Cour admet que la diffusion de messages faisant l’éloge de l’auteur d’un attentat, le dénigrement de victimes d’un attentat, l’appel à financer des organisations terroristes ou d’autres comportements similaires peuvent constituer des actes d’incitation à la violence terroriste […].33

69. Ik leg de nadruk op het slot van de geciteerde overweging, dat de genoemde gedragingen “peuvent constituer” (in de door het EHRM verstrekte Engelse vertaling: “may constitute”) het aanzetten tot terroristisch geweld. Met andere woorden: de gedragingen kúnnen het aanzetten tot terroristisch geweld opleveren. Dit hoeft dus niet in elk concreet geval zo te zijn, het is geen gegeven. Het antwoord op de vraag óf sprake is van aanzetten tot terroristisch geweld, hangt af van de context en alle bijzondere omstandigheden van het geval. Ook te dien aanzien is het aan de nationale rechter voorbehouden om daarover een oordeel te geven.

70. Hetzelfde geldt voor een zaak waaruit in de schriftuur wordt afgeleid dat op grond van rechtspraak van het EHRM “ook teksten die op het eerste gezicht niet direct oproepen tot haat of geweld, of dubbelzinnig zijn, toch als zodanig moeten kunnen worden aangemerkt gelet op de omstandigheden waaronder zij zijn geuit.”34 Wat daarvan zij, de interpretatie van de stellers van de middelen van de rechtspraak van het EHRM miskent naar mijn inzicht de taak(opdracht) van het EHRM. Het EHRM laat zich immers pas uit over het toepassingsbereik van art. 10 EVRM nádat een nationale rechter de strafbaarheid van een bepaalde gedraging heeft vastgesteld, en niet over de vraag of de nationale strafrechter een verdachte gelet op het bepaalde in art. 10 EVRM al dan niet terecht heeft vrijgesproken. In de onderhavige zaak tegen de verdachte is dat niet anders.

71. Voor zover de stellers van de middelen met een beroep op het EVRM en het EHRM hebben willen betogen dat het hof Den Haag de tenlastegelegde feiten niet juist heeft geïnterpreteerd, of een verkeerde uitleg heeft gegeven aan art. 131 Sr en/of art. 132 Sr, meen ik dat de desbetreffende klacht voldoende stelligheid en duidelijkheid over een schending van art. 10 EVRM ontbeert, terwijl de stellers van de middelen daarbij overigens eraan voorbij lijken te gaan dat het EHRM geen feitenrechter is.

72. Ook het beroep dat in de schriftuur wordt gedaan op de aldaar weergegeven “internationale verplichtingen” gaat niet op. Het betreft hier – kort gezegd – verplichtingen voor lidstaten om niet alleen in eigen land maar ook in internationaal verband op te treden tegen terrorisme en/of opruiing tot terrorisme, ongeacht of die opruiing direct of indirect geschiedt. Uit deze bewoordingen volgt dat dan reeds enige vorm van terrorisme of opruiing daartoe is komen vast te staan. In de onderhavige zaak heeft het hof juist feitelijk vastgesteld dat hetgeen ten laste is gelegd, niet kan worden aangemerkt als opruiing. De internationale verplichtingen om opruiing als delict strafbaar te stellen en daders van dit feit te bestraffen, impliceren uiteraard niet dat een ieder die van opruiing wordt verdacht ook strafbaar is en veroordeeld moet worden. Aan de feitelijke vaststelling van het hof dat ten aanzien van de verdachte (en de medeverdachten) van opruiing geen sprake is, doen de door de stellers van de middelen genoemde internationale verplichtingen (vanzelfsprekend) niet af.

73. Om dezelfde reden faalt de klacht dat het hof nergens “over de opruiingsfeiten meeweegt dat de verdachten behoorden tot de terroristische organisatie LTTE en de tenlastegelegde feiten pleegden ten behoeve van die terroristische organisatie”, en dat de “evident inadequate weergave van de relevante context van de tenlastegelegde feiten” en het niet-betrekken van de, ook door het hof genoemde, internationale elementen bij de beoordeling van de opruiingsfeiten van een “onjuiste interpretatie van de reikwijdte en werkingssfeer van art. 10 EVRM” getuigen. Nogmaals, de interpretatie van de reikwijdte en de werkingssfeer van art. 10 EVRM is in deze zaak noch – en dat is derhalve niet onbegrijpelijk – in het beoordelingskader van het hof aan de orde.

74. Tot slot wijs ik nog op de klacht dat het onbegrijpelijk zou zijn waarom “het verspreiden van goederen waarin wordt aangespoord een terroristische organisatie te ondersteunen geen verspreiding ter opruiing tot strafbare feiten oplevert”. Deze in de toelichting op het derde middel in vraagvorm geformuleerde klacht, betreft de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten en dient derhalve te worden besproken binnen de context van de strafbaarstelling als bedoeld in art. 140 Sr. Daarvan maken de onder 2 sub a en b tenlastegelegde feiten immers deel uit.

75. Ter onderbouwing van de klacht wordt een beroep gedaan op “de wetsgeschiedenis”, waarbij wordt verwezen naar Kamerstukken II 2002/03, 27 925, 94, p. 7. Dit Kamerstuknummer betreft een brief van de toenmalige minister Donner van Justitie van 24 juni 2003 waarbij deze de notitie “Terrorisme en de bescherming van de samenleving” inbracht. De stellers van de middelen doelen in het bijzonder op de volgende passage daaruit:

“Een nota van wijziging bij het wetsvoorstel terroristische misdrijven stelt verder voor het begrip deelneming zoals genoemd in de delictsomschrijvingen van de artikelen 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht in de wet te expliciteren. Hierdoor wordt duidelijker tot uitdrukking gebracht dat daaronder mede wordt verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. De facto zal aldus elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar zijn.”

76. Zo al kan worden aangenomen dat deze notitie deel uitmaakt van de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet terroristische misdrijven (Kamerstuknummer 28463)35, dan nog laat dat onverlet dat in de Toelichting op de Nota van wijziging bij het wetsontwerp terroristische misdrijven de (laatste) volzin waarop een beroep wordt gedaan – “De facto zal aldus elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar zijn” – ontbreekt.36 Op andere parlementaire stukken, of passages daaruit, hebben de stellers van de middelen te dezen geen beroep gedaan, zodat ik deze hier buiten beschouwing laat. Overigens meen ik dat een beroep daarop al geen doel zou treffen, nu aan de verdachte onder feit 2 niet is tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in algemene zin door middel van bepaalde uitlatingen of het verspreiden van bepaalde voorwerpen, maar deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr waarvan het oogmerk is gericht op opruiing (feit 5) en/of verspreiding tot opruiing (feit 6). En, nogmaals, dát nu heeft het hof niet bewezen geacht. Bovendien legt de klacht mijns inziens de nadruk op het delictsbestanddeel deelneming (de bijdrage die de verdachte als deelnemer aan de organisatie zou hebben geleverd door middel van opruiingsfeiten), terwijl onder 2 ten laste is gelegd dat het oogmerk van de criminele organisatie op opruiingsdelicten was gericht.37 Dat is net iets anders. Strikt genomen berust de klacht dan op een onjuiste lezing van de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven. In aansluiting daarop stel ik vast dat in cassatie niet wordt geklaagd over ’s hofs uitleg van de tenlastelegging.

77. Met mijn bespreking van de laatste klacht van het derde middel, ben ik tevens ingegaan op het vierde middel. Maar ook overigens heeft hetgeen ik hierboven (in het bijzonder) met betrekking tot het derde middel heb opgemerkt, mutatis mutandis te gelden voor het vierde middel

78. Het derde en het vierde middel falen.

II.2.4. De betekenis van art. 17 EVRM – bespreking van het tweede middel

79. In het verlengde van het derde en het vierde middel wordt in het tweede middel met betrekking tot de vrijspraak van feit 5 geklaagd over een onjuiste uitleg door het hof gegeven aan art. 17 EVRM, dat in de Engelse, authentieke tekst als volgt luidt:

“Nothing in this Convention may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or perform any act aimed at the destruction of any of the rights and freedoms set forth herein or at their limitation to a greater extent than is provided for in the Convention.”

80. Voor de leesbaarheid herhaal ik hier ‘s hofs overweging waarin het beroep op art. 17 EVRM wordt verworpen:

“Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan - wat er overigens van zij - niet af.”

81. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te overwegen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de tenlastegelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast, omdat voor een beroep op art. 17 EVRM afdoende zou zijn dat die uitingen zijn gedaan met als doel de rechten of enig in het EVRM gegarandeerd recht aan te tasten. Daarop volgt nog: “Het gaat dus wel degelijk om activiteiten die tot doel hebben verdragsrechten teniet te doen, niet alleen om activiteiten die zelf, concreet en daadwerkelijk, verdragsrechten teniet doen.”

82. Ook dit middel gaat eraan voorbij dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat het opruiende karakter als zodanig aan de tenlastegelegde feiten – hier met name feit 5 – ontbreekt. Het hof heeft dienaangaande geen beroep gedaan op art. 10 EVRM. Ik kan daarom niet inzien hoe vervolgens “de vrijheden van vereniging en meningsuiting […] ingeroepen […] worden om activiteiten te rechtvaardigen die indruisen tegen de tekst en geest van het EVRM” zoals in punt 4 van de toelichting op het middel wordt aangevoerd. Ik stel mij derhalve op het standpunt dat het Openbaar Ministerie hier geen rechtens te respecteren belang bij het middel heeft, voor zover daarin wordt geklaagd over een onjuiste toepassing van art. 17 EVRM door het hof, omdat het bepaalde in art. 17 EVRM ertoe strekt om in voorkomende gevallen een beroep op het bepaalde in art. 10 EVRM uit te sluiten, terwijl dat in het kader van de beoordeling van ’s hofs vrijspraak van feit 5, waartegen het middel zich keert, niet aan de orde is.

83. Het tweede middel faalt eveneens.

II.2.5. Eindoordeel inzake het tweede, het derde en het vierde middel

84. Ook deze drie middelen falen.

II.3. De strafmotivering – het vijfde middel

85. Het vijfde middel richt zich tegen de strafoplegging. Ook los van de vraag of de strafoplegging in stand kan blijven indien een of meer van de voorafgaande middelen slagen, behelst het de klacht dat de opgelegde straf en de motivering ervan verbazing wekken, in het bijzonder omdat de opgelegde straffen “niet in verhouding staan tot de ernst van de (terroristische) feiten” gelet op rechtstreeks werkende bepalingen uit VN resoluties en verdragen.

II.3.1. Bespreking van het vijfde middel

86. Eerst geef ik hieronder de vordering van het Openbaar Ministerie in hoger beroep en de strafmotivering van het hof weer. Daarna ga ik in op de vraag of internationale verplichtingen bepalend (kunnen) zijn bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf ingeval van misdrijven met een terroristisch karakter.

II.3.1.1. De vordering van het Openbaar Ministerie en de strafmotivering van het hof

87. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en 10 maanden gevorderd. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie verzocht, in geval het hof een lagere straf zou opleggen dan gevorderd, te motiveren in hoeverre het hof bij de bepaling van die straf rekening heeft gehouden met “de verplichtingen uit het internationaal recht […] om passende en effectieve straffen op te leggen, en waarom de opgelegde [straf verenigbaar is] met die verplichting.” In het verlengde daarvan wordt in de toelichting op het middel de Hoge Raad gevraagd zich reeds nu uit te laten “over de vraag of deze lezing van het relevant internationaal recht juist is”.38

88. Onder het hoofd Strafmotivering (arrest, p. 154) heeft het hof overwogen:

“Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk — ook internationaal gehoord — signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking. Het spreekt vanzelf dat het bijdragen aan het plegen van terroristische aanslagen leidt tot onnoemelijke angst en ontreddering van de door aanslagen getroffenen, maar ook van degenen die er van kennisnemen en angst onder burgers wekt. Aan directe slachtoffers wordt veelal ernstig fysiek leed toegebracht of zij verliezen daarbij zelfs het leven.

Voor de bepaling van de strafmaat is van belang, in het algemeen bij deelneming aan (criminele) organisaties en ingeval bewezenverklaring van een terroristisch oogmerk in het bijzonder, rekening te houden met de aard en de omvang van de door de verdachte verrichte deelnemingshandelingen. Ook komt daarbij betekenis toe aan de afstand — binnen de organisatie van de verdachte tot de daadwerkelijke uitvoering van de door de organisatie beoogde misdrijven.

In dat verband is het volgende van belang.

De verdachte heeft een leidinggevende rol vervuld binnen de in Nederland opgerichte afdeling van de LTTE, genaamd de TCC (Tamil Coordinating Committee Nederland), waaronder weer een aantal suborganisaties ressorteerde. De deelnemingshandelingen betroffen, samengevat, het organiseren van inzamelingen van geld, waarbij op de contribuanten zeer zware druk werd uitgeoefend om bijdragen te leveren. In bijeenkomsten werden deelnemers opgezweept om de strijd op Sri Lanka te steunen en om daaraan geldelijke bijdragen te leveren. Ook werden er illegale loterijtjes georganiseerd. Het opgehaalde geld werd witgewassen en op min of meer slinkse wijze naar Sri Lanka overgebracht. De verdachte hield contact met de LTTE op Sri Lanka en met de zusterorganisaties in Europa. Daardoor konden jarenlang in Nederland verzamelde, grote geldbedragen naar Sri Lanka worden overgebracht en aldaar onder meer besteed aan de aanschaf van (zware) wapens. De verdachte heeft uitdrukkelijk erkend dat de ingezamelde gelden vooral bedoeld waren voor de steun aan de gewapende strijd.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich in de strijd van zijn Tamil-volksgroep op Sri Lanka laten meeslepen en zich niet laten weerhouden van zijn deelname aan de activiteiten, die - naar de verdachte moet hebben begrepen - onder meer het plegen van die aanslagen en het gebruik van heftig geweld, ook tegen burgers, hebben gefaciliteerd. Mede daardoor is aan burgers op Sri Lanka veel onherstelbaar leed en ernstige schade toegebracht. De verdachte moet daarvoor mede verantwoordelijk worden gehouden.

Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat zijn deelname aan de activiteiten een groot aantal jaren heeft voortgeduurd en dat hij die heeft voortgezet, ook nadat hem duidelijk was tot welke verschrikkelijke misdrijven die activiteiten (mede) hebben geleid, onder meer met behulp van in Nederland onder leiding van de verdachte ingezamelde gelden.

Weliswaar heeft de verdachte aan de door de LTTE beoogde misdrijven zelf geen directe bijdrage geleverd en weliswaar hebben die misdrijven zich vrijwel zonder uitzondering voorgedaan op Sri Lanka, maar aan de strafbaarheid van de verdachte doet dat niet af nu zwaar moet wegen dat een algemeen volkenrechtelijk belang eist dat vervolging en bestraffing plaatsvindt, ook indien dat niet kan in de landen waarin de misdrijven hun gevolgen ondervinden. Dat belang wordt onderstreept door talloze bilaterale en multilaterale verdragen en afspraken daarover. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard de aan de LTTE toegerekende aanslagen te hebben beoordeeld als gevechtshandelingen in een in zijn ogen gerechtvaardigde strijd, maar had naar het oordeel van het hof oog kunnen en moeten hebben voor het kennelijk niets ontziende oogmerk van de LTTE in die gewapende strijd.

In enigszins strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid, dat de verdachte — die in Nederland een blanco strafblad heeft — bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep. Vast staat dat vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van de huidige eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat het familieleven van de verdachte zelf naar zijn zeggen ook bijzonder ernstig is getroffen door bruut optreden van het regeringsleger. De verdachte is daarvan op jonge leeftijd zelf getuige geweest. Ook heeft het hof in de strafmaat betrokken dat er geen twijfel is over het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief: aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem. Ook acht het hof in strafmatigende zin van betekenis dat niet is gebleken dat de verdachte zelf een (mede-)beslissend aandeel heeft gehad bij de — vooral militaire — besluitvorming binnen de LTTE over de te plegen terroristische aanslagen.
De verdachte heeft zich in Nederland met name met allerlei organisatorische zaken bezig gehouden die mede het oog hadden op de inzameling van fondsen voor hulp aan de Tamilbevolking, en dus niet alleen voor de gewapende strijd, en zich van door hem zelf gebruikt geweld onthouden. De verdachte onderhield daarover ook contacten met zusterorganisaties in andere Europese landen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij — voor het eerst –opening van zaken gegeven en verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.

Alhoewel het hof de indruk heeft gekregen dat de verdachte van de kern van het gedachtengoed van de Tamil-organisatie LTTE op zichzelf geen afstand heeft genomen, acht het hof de kans gering, dat de verdachte zich daarmee in de toekomst opnieuw zodanig zal inlaten, dat moet worden gevreesd voor hernieuwde terroristische of anderszins ernstige strafbare activiteiten. Ook daarmee zal het hof in strafmatigende zin rekening houden.

Voorts heeft het hof begrepen dat de detentie van verdachte zwaar is geweest, niet alleen voor hemzelf maar met name voor zijn gezin mede gezien de slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw.
Aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan evenwel, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte daarbij, niet worden ontkomen. Niet alleen voor de verdachte, ook voor anderen, in Nederland en waar ook, moet immers duidelijk zijn dat de strafrechtelijke normen niet uit ideologische motieven terzijde mogen worden gesteld.

Bij de straftoemeting heeft het hof zich mede georiënteerd op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd door rechters in onder meer de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland, waarin straffen variërend van 2 tot 7 jaar zijn opgelegd, met een enkele uitzondering naar boven en naar beneden.39 Het hof ziet aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met de bepalingen over de eendaadse samenloop aangezien (onderdelen van de) bewezenverklaarde feiten in meer dan één wettelijke bepaling strafbaar zijn gesteld.

De behandeling van de strafzaak heeft een zeer lange tijd in beslag genomen. De gebruikelijke, als wenselijke te beschouwen termijn is met ongeveer twaalf maanden overschreden, deels als gevolg van de moeizame loop van het ook in hoger beroep voortdurende, zeer gecompliceerde onderzoek en de samenhang met Europese procedures, deels als gevolg van de aanvankelijk weinig meewerkende houding van de verdachte en de noodzaak tot vervanging van de verdediging in de zaken van [S. R.] en [J.M. J.]. Hoewel de overschrijding van de termijn aldus in redelijkheid te verklaren is ziet het hof, evenals het openbaar ministerie een correctie van ongeveer 10% op de op te leggen straf gerechtvaardigd. Het hof ziet mitsdien aanleiding de passend en geboden geachte straf van 5 jaren en 6 maanden te verminderen met 7 maanden.

Met name gelet op de (gedeeltelijke) vrijspraken en alle door het hof in acht genomen strafmatigende factoren komt het hof aldus tot een beduidend lagere strafoplegging dan door het openbaar ministerie gevorderd.

Alles af wegende komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar en 11 (elf) maanden, met aftrek van voorarrest.”

II.3.1.2. Internationale verplichtingen bezien in verband met de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf in geval van misdrijven met een terroristisch karakter

89. In de toelichting op het middel worden in de eerste plaats verplichtingen aangehaald, die zijn opgenomen in resoluties van de VN Veiligheidsraad en verdragen die naar het oordeel van de stellers van het middel rechtstreeks werken. Verder wordt een beroep gedaan op een kaderbesluit. De door het hof opgelegde straf en de motivering daarvan zouden niet in overeenstemming zijn met – dit is de eerste klacht – die verplichtingen, althans – de tweede klacht – in het licht daarvan verbazing wekken.

90. Met betrekking tot de internationale verplichtingen waarop een beroep wordt gedaan, kan een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds een tweetal verdragen en een kaderbesluit die betrekking hebben op de straf die op terroristische misdrijven moet worden gesteld (niet: opgelegd, AG) en anderzijds een tweetal resoluties die betrekking hebben op de straf die ter zake van terroristische misdrijven zou moeten worden opgelegd.

91. Wat betreft de straf die op terroristische misdrijven moet worden gesteld, wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op (onder meer) de volgende internationale verplichtingen:

- Art. 4 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme:

“Each Party shall adopt such measures as may be necessary:

a) To establish as criminal offences under its domestic law the offences set forth in article 2;

b) To make those offences punishable by appropriate penalties which take into account the grave nature of the offences.”40

- Art. 11, eerste lid, Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme: “Each Party shall adopt such measures as may be necessary to make the offences set forth in Articles 5 to 7 and 9 of this Convention punishable by effective, proportionate and dissuasive penalties.”41

- Art. 5 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding: “1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen te stellen, die kunnen leiden tot uitlevering. 2. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in artikel 1, lid 1, bedoelde terroristische misdrijven en op de in artikel 4 bedoelde strafbare feiten voor zover deze in verband staan met terroristische misdrijven, vrijheidsstraffen te stellen die hoger zijn dan de straffen die het nationale recht kent voor dergelijke feiten indien deze zonder het in artikel 1, lid 1, bedoelde oogmerk zijn gepleegd, tenzij de beoogde straffen krachtens het nationale recht reeds de hoogst mogelijke straffen zijn.”42

92. Daarnaast halen de stellers van het middel twee rechtsbronnen aan die betrekking hebben op straffen die voor terroristische misdrijven zouden moeten worden opgelegd. Deze bronnen zijn:

- Par. 2 aanhef en onder e van Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001:

“2. Decides also that all States shall: […]

e) Ensure that any person who participates in the financing, planning, preparation or perpetration of terrorist acts or in supporting terrorist acts is brought to justice and ensure that, in addition to any other measures against them, such terrorist acts are established as serious criminal offences in domestic laws and regulations and that the punishment duly reflects the seriousness of such terrorist acts;

f) […]”43

- Par. 3 van Resolutie 1566 (2004) van de Veiligheidsraad van de VN van 8 oktober 2004:

“3. Recalls that criminal acts, including against civilians, committed with the intent to cause death or serious bodily injury, or taking of hostages, with the purpose to provoke a state of terror in the general public or in a group of persons or particular persons, intimidate a population or compel a government or an international organization to do or to abstain from doing any act, which constitute offences within the scope of and as defined in the international conventions and protocols relating to terrorism, are under no circumstances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other similar nature, and calls upon all States to prevent such acts and, if not prevented, to ensure that such acts are punished by penalties consistent with their grave nature;

4. […]”44

93. Allereerst kan ik niet inzien waarom en op welke wijze de rechter gebonden zou zijn aan internationale verplichtingen waarmee internationale regelgeving zich niet tot hem richt, maar tot een lidstaat, en als afgeleide daarvan tot de nationale wetgever.45 Alle hiervoor geformuleerde verplichtingen hebben betrekking op een straf die op terroristische misdrijven zou moet worden gesteld; er wordt achtereenvolgens gesproken van “make those offences punishable”, “punishable by” en “vrijheidsstraffen te stellen”. Het gaat hier om verplichtingen waaraan de Nederlandse staat gehoor dient te geven en die nader in wetgeving dient te worden verwerkt. In cassatie wordt – en terecht – niet aangevoerd dat de straffen die in de Nederlandse wetgeving op terroristische misdrijven zijn gesteld, niet aan de daarvoor geldende internationale eisen voldoen.

94. De hoogte van de straf die ter zake van terroristische misdrijven ten minste zou moeten worden opgelegd, wordt door het internationale recht niet aan de rechter gedicteerd, zij het dat de wetgever ertoe gehouden kan zijn voor opgehoogde maximumstraffen zorg te dragen, bijvoorbeeld op grond van art. 5 van het genoemde Kaderbesluit.

95. Met betrekking tot de aangehaalde resoluties doet zich de vraag voor of de daarin opgenomen verplichtingen rechtstreekse werking hebben. Uitgangspunt is dat bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, als regels van internationaal recht, deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde.46 Zij hebben dan zonder nadere tussenkomst van de wetgever rechtstreekse werking en naar hun inhoud een voor eenieder verbindende kracht. De rechtstreekse werking van een resolutie van de VN Veiligheidsraad die wordt genomen op basis van hoofdstuk VII van het Handvest van de VN – welk hoofdstuk handelt over het optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie – kan niet worden uitgesloten.47 Naar art. 93 Grondwet vastlegt, geldt echter wel het vereiste dat die verdragsbepalingen en “volkenrechtelijke” besluiten pas rechtstreekse werking en een eenieder verbindende kracht hebben, nadat zij zijn bekendgemaakt.48

96. Reeds op die grond treft het beroep op Resolutie 1566 (2004) geen doel; deze is namelijk niet bekendgemaakt.

97. Resolutie 1373 (2001) is in het Tractatenblad gepubliceerd. Noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze resolutie49 kan volgen dat geen rechtstreekse werking is beoogd.50 In dat geval is de inhoud van de bepaling beslissend voor het antwoord op de vraag of zij rechtstreekse werking heeft. Het gaat er dan om, in de woorden van de Hoge Raad in de zaak Staat/CAN, “of deze (bepaling, AG) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast”.51 Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat de rechtstreekse werking van een bepaling afhangt van het antwoord op de vraag “of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”. Deze toevoeging geeft de Hoge Raad met het oog op het geval waarin de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt aangaande de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat. Ik denk dat de toevoeging evenzeer van belang is voor de onderhavige verplichting die betrekking heeft op de straftoemeting omdat de rechterlijke vrijheid daarbij “bijzonder groot” is.52 De vraag zou dan moeten zijn of de verplichting – te verzekeren dat, kort gezegd, terroristische misdrijven worden gestraft met straffen die overeenkomen met de ernstige aard ervan – “in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”.

98. Voor een geval waarin het gaat om strafrechtelijke sanctionering moeten naar mijn mening aan de vereiste nauwkeurigheid hoge eisen worden gesteld, gelijk wanneer het gaat om het vaststellen van het strafbare feit zelf.53 Aan die hoge eisen voldoet de verplichting “to ensure that such acts are punished by penalties consistent with their grave nature” naar mijn mening niet. Hier is onvoldoende duidelijk wat die verplichting zou moeten meebrengen in het kader van de straftoemeting waarbij de Nederlandse rechter, zoals ik eerder opmerkte, beschikt over een grote mate van vrijheid met als doel “voldoende recht kunnen doen aan de handelingen en hun gevolgen, maar ook, en misschien vooral, aan het individuele geval in iedere concrete zaak.”54 De ernstige aard van de feiten is dus weliswaar een belangrijke factor, maar niettemin ‘slechts’ één van de factoren die de strafrechter moet betrekken bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij komt dat niet snel mag worden aangenomen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter in een concrete zaak zou verplichten een bepaalde straf op te leggen.55

99. Op grond van het voorgaande mist de eerste klacht doel.

100. Dan de tweede klacht. Ook los van de internationale verplichtingen waarop een beroep is gedaan, wordt geklaagd dat de opgelegde straf en de motivering daarvan “verbazing wekt nu de opgelegde straffen niet in verhouding staan tot de ernst van de (terroristische) feiten”.

101. Bij de beoordeling van dit onderdeel van het middel moet worden vooropgesteld dat:

– de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat die keuze geen motivering behoeft56; en

– in cassatie niet kan worden onderzocht of de opgelegde straf beantwoordt aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.57 Dit beoordelingskader wordt niet anders omdat het hier om een zaak van de Tamil Tijgers gaat.

102. In de toelichting op het middel worden in het kader van de tweede klacht uiteenlopende bezwaren aangevoerd tegen verschillende onderdelen van de strafmotivering. Het is ondoenlijk die één voor één hier weer te geven en te bespreken en dat is ook niet nodig gelet op hetgeen bij de beoordeling van deze klacht is vooropgesteld.

103. Daarbij komt dat het middel in gelijke bewoordingen is voorgesteld in de samenhangende zaken, ten gevolge waarvan enkele deelklachten niet zijn toegespitst op de strafmotivering die het hof in de onderhavige zaak heeft gegeven. Zo een deelklacht moet om die reden, bij gebrek aan feitelijke grondslag, falen. Als voorbeeld noem ik de klacht dat het “simpelweg niet begrijpelijk [is] dat de verdachten [L. T.], [J.M. J.] en [T. E.] een lagere straf krijgen voor het gedurende meer dan zes jaren fungeren als lid van een terroristische en criminele organisatie en als leider van een criminele organisatie die vele aanslagen pleegt met talloze doden tot gevolg dan de straffen die met enige regelmaat worden opgelegd aan personen die in een aanzienlijke kortere periode financiële delicten hebben gepleegd voor eigen gewin van veel beperkter omvang dan de geldstroom van verdachten voor terroristische misdrijven.” Verder wordt met een beroep op internationale regelgeving aangevoerd dat de verplichting om voor terroristische misdrijven doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen op te leggen die voldoende recht doen aan de ernst van die feiten, meebrengt dat voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen andere staten dezelfde straffen moeten worden opgelegd als voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen de staat van berechting.

104. Voor zover de klacht aldus berust op de opvatting dat het hof een lagere straf zou hebben opgelegd omdat de bewezenverklaarde terroristische misdrijven niet tegen Nederland zijn begaan, wijs ik op de eerste alinea van de overwegingen die het hof aan de strafoplegging heeft gewijd. Ik herhaal deze hier om duidelijk te maken waarom deze klacht en de aanverwante deelklachten feitelijke grondslag missen:

“Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk — ook internationaal gehoord — signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking.”

105. Naast de deelklachten die gemeenschappelijk inhouden dat het hof te weinig gewicht heeft toegekend aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, staat de deelklacht die als strekking heeft dat het hof te veel gewicht heeft gehecht aan de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het wordt onbegrijpelijk genoemd dat het hof in strafmatigende zin rekening heeft gehouden met (i) de omstandigheid dat de verdachte “bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep” en (ii) “het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief”, want, zo vervolgt de deelklacht, een en ander “is voor terroristen van IS en Hamas niet anders dan voor terroristen van de Tamil Tijgers.”

106. Ten eerste merk ik op dat de gewraakte overwegingen van het hof worden gemaakt als opmaat voor een op de persoon van de verdachte toegesneden overweging dat “vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van deze eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden” en “aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem.” Binnen dit perspectief moeten de gewraakte overwegingen van het hof naar haar inhoud worden gewaardeerd, en zo bezien vind ik die overwegingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

107. Ten tweede is wat de onderhavige zaak betreft in cassatie geen plaats voor het maken van vergelijkingen tussen organisaties als de LTTE, Hamas en Islamitische Staat. Daarmee zou worden voorbijgegaan aan de eigen, ook ten opzichte van elkaar, meer of minder terroristische en/of afschuwwekkende karakteristieken van die organisaties, en zo ook aan de individualisering waardoor een strafproces wordt getypeerd, nu daarin een persoon terechtstaat en niet de gehele organisatie waaraan hij heeft deelgenomen.

108. Ten derde wijs ik erop dat het middel wel heel sterk de nadruk lijkt te (willen) leggen op het terroristische karakter van de bewezenverklaarde misdrijven, terwijl het hof – het spreekt zelf ook van de terreurdaden van de LTTE – daarbij een zekere nuancering heeft aangebracht door in strafmatigende zin ook rekening te houden met de bijzondere context waarin die misdrijven zijn begaan en de rol die de verdachte daarbij heeft vervuld.

109. Wat dan nog resteert zijn klachten die voortkomen uit een vergelijking met een reeks andere strafzaken en de daarin bewezenverklaarde feiten en opgelegde straffen. Uit die vergelijking zou (tevens) blijken dat en waarom de aan de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten opgelegde straf verbazing wekt.

110. Deze deelklachten miskennen (eveneens) grotendeels dat een dergelijke vergelijking een feitelijk oordeel vergt en dat daarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is. Bovendien dateren een zevental door de stellers van het middel gegeven voorbeelden58 van na de uitspraak van het hof waartegen het cassatieberoep is gericht. Eenzelfde probleem doet zich voor met de zaken waarop in cassatie een beroep wordt gedaan maar die niet aan het hof zijn voorgelegd. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, kunnen die voorbeelden lijkt mij er evenmin toe “dienen om vast te stellen of aan de genoemde verplichtingen uit het internationaal recht is voldaan”, nu ook dat een vergelijking en dus een feitelijk oordeel zou vergen.

111. Tot slot wordt geklaagd dat ’s hofs verwijzing naar een drietal uitspraken die buitenlandse rechters hebben gedaan in zaken die betrekking hebben op de LTTE onbegrijpelijk is. De hiertegen gerichte deelklacht dat buitenlandse strafzaken per definitie “niet goed inzichtelijk zijn voor Nederlandse procesdeelnemers door een gebrek aan kennis van het buitenlands rechtssysteem en de daar geldende regels”, wekt bij mij enige bevreemding. Op de terechtzittingen van het hof heeft het Openbaar Ministerie er immers zelf bij het hof op aangedrongen om bij de strafoplegging de daarop betrekking hebbende verplichtingen uit het internationaal recht mee te wegen.59 Waar het in de kern om gaat is dat de zaken waarin die drie uitspraken zijn gedaan evenals de onderhavige zaak betrekking hebben op de LTTE en – naar het hof kennelijk feitelijk heeft vastgesteld – in zoverre enigszins vergelijkbaar met elkaar zijn. Vanuit die invalshoek bezien wekt het geen verbazing dat het hof mede acht heeft geslagen op strafzaken die in andere landen zijn gevoerd tegen personen wegens deelneming aan de LTTE en is de verwijzing naar het drietal uitspraken door het hof niet onbegrijpelijk.

II.3.2. Eindoordeel inzake het vijfde middel

112. Het middel faalt in alle onderdelen.

III. Afronding

113. Alle middelen falen. Naar het mij voorkomt kunnen het tweede middel, het derde middel, het vierde middel en de tweede klacht van het vijfde middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

114. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NLGHDHA:2015:1082.

2 De zaak tegen een zesde verdachte is geseponeerd, zo maak ik op uit de beschikking van Rb. Den Haag 15 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2697 op een verzoekschrift ex art. 89 Sv. Zie over de zaken in eerste aanleg H. Post, ‘Tamil Tijgers voor de Haagse strafkamer’, NJB 2012/589.

3 Wel echter als misdrijven waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.

4 Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on Accountability in Sri Lanka, 31 maart 2011, p. 115 par. 421: “Both parties to the armed conflict in Sri Lanka conducted military operations with flagrant disregard for the protection, rights, welfare and lives of civilians and failed to respect the norms of international law. There is reasonable basis to believe that large-scale violations of international humanitarian law and human rights law were committed by both sides. As a direct consequence, up to tens of thousands of Sri Lankan civilians were killed and hundreds of thousands suffered immensely, including through the loss of loved ones, serious injuries, displacement and loss of homes and livelihoods.” Het rapport is te raadplegen via <www.un.org/en/rights/srilanka.shtml> Overigens wordt het rapport elders in het arrest door het hof aangehaald (zie sub 10.4.2.3.4 (voetnoot 101) en 11.3.2.3.1.2). Zie voorts mijn bespreking van het vijfde middel.

5 Tegen deze uitleg van het hof keert zich zowel in de zaak-[R. S.] als in de zaak-[T. E.] het eerste middel.

6 Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.1.5.

7 Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.

8 Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.

9 Zoals ik al opmerkte waren de opruiingsdelicten niet zelfstandig tenlastegelegd aan de medeverdachte [R. S.]. Hij is vrijgesproken van de opruiing waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.

10 Pb EG L 344/70 van 28 december 2001. In Verordening EG 2580/2001 wordt kortheidshalve verwezen naar “de Raad”, in de tekst van art. 1, eerste lid, Sanctieregeling Terrorisme 2002 wordt verwezen naar “de Raad van de Europese Unie”.

11 Zie R. van Elst, T&C Internationaal strafrecht 2015, Inl. opm., aant. 6.

12 Art. 1, tweede lid sub 17, Besluit van de Raad van 29 mei 2006 tot uitvoering van artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Besluit 2005/930/EG (2006/379/EG). Zie Pb EU L 144, 31 mei 2006, p. 21.

13 Zie ook Van Elst, supra noot 11, Inl. opm., aant. 1.

14 Door de plaatsing in de lijst groepen en entiteiten, is de LTTE in Nederland van rechtswege verboden. Vgl. art. 5b Wet Conflictenrecht corporaties (oud): “Een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon en is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) of in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.” Met ingang van 1 januari 2012 is de Wet Conflictenrecht corporaties ingetrokken en de verbodsbepaling ex art. 5b opgenomen in art. 10:123 BW; zie art. IV onder i Wet Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011/272 (i.w.tr. Stb. 2011/340).

15 ECLI:EU:T:2014:885 punt 187.

16 PbEU C 89 van 16 maart 2015, p. 6 (zaaknummer C-599/14 P).

17 Voor de goede orde: de middelen hebben dus geen betrekking op het oordeel dat het kaderbesluit van toepassing is op gevallen van een niet-internationaal gewapend conflict.

18 Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston 22 september 2016, ECLI:EU:C:2016:723 (punt 125-126 onder verwijzing naar punt 77-91, i.h.b. punt 89).

19 Meest recent de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van art. 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425, PbEU L 188/1 van 13 juli 2016. Hieraan vooraf gingen (teruggaande tot de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014) de Uitvoeringsverordening van respectievelijk 21 december 2015 (2015/2425), 31 juli 2015 (2015/1325) en 26 maart 2015 (2015/513). De aan de laatstgenoemde Uitvoeringsverordening voorafgaande Uitvoeringsverordening dateert van 22 juli 2014 en betreft nr. 790/2014.

20 Requisitoiraantekeningen bij de zitting “Koninck” d.d. 26 januari 2015.

21 Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 januari 2015.

22 In volgorde van de zaaknummers gaat het om de medeverdachten [J.M. J.] (15/02147), Stcrt. 2010, 9235; [L. T.] (15/4689), Stcrt. 2010, 9224; [T. E.] (15/04691), Stcrt. 2010, 9233; [R. S.] (15/04692), Stcrt. 2010, 9227 en de verdachte (15/04693), Stcrt. 2010, 9229.

23 RvS (Bestuursrechtspraak) 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148. De hierboven aangehaalde uitspraak van het Gerecht van het HvJ EU van 16 oktober 2014 is gedaan in een andere zaak na het verzoek van de Raad van State aan het HvJ EU om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de zes geformuleerde vragen.

24 Conclusie advocaat-generaal Sharpston 29 september 2016, zaak C-158/14, ECLI:EU:C:2016:734.

25 De voetnoten van het hof heb ik ter wille van de leesbaarheid weggelaten.

26 Art. 284 Sr luidt, voor zover hier relevant, dat hij “die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden”, gestraft wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Art. 316 Sr luidt, voor zover van belang, dat hij “die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens” als schuldig aan afpersing wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

27 Art. 140 Sr houdt in, voor zover van belang, dat deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie (eerste lid). Deze gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd ten aanzien van oprichters, leiders of bestuurders (derde lid).

28 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 (rov. 3.4): “Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”

29 Waarbij de stellers van het middel verwijzen naar HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225, NJ 1988/785 m.nt. Th.W. van Veen.

30 In dezelfde zin N. Keijzer in zijn annotatie (sub 2) onder HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 met betrekking tot bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.

31 Met weglating van de voetnoten.

32 De rechtbank motiveerde de vrijspraak ter zake van de feiten onder 5 en 6 als volgt (vonnis p. 29):
Feit 5
[…]
Van een aantal van de uitlatingen moet worden geoordeeld dat ze ontegenzeggelijk een opzwepend karakter hebben. Van de context waarin de uitlatingen gedaan zijn, herdenkingsbijeenkomsten, kan enerzijds gezegd worden dat het herdenken van omgekomen strijders het opzwepend karakter mogelijk versterkt, maar anderzijds ook dat juist dergelijke herdenkingen begrijpelijkerwijs tot enigszins krachtiger taal aanleiding geven. Een directe oproep tot het plegen van strafbare feiten kan daarin niet gevonden worden. Ook de zinsnede ‘staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen’ kan onder de gegeven omstandigheden, waaronder de geografische, evenmin als zodanig geduid worden. Indien een uitlating begrepen zou kunnen worden als een indirecte aansporing, zal die uitlating tevens moeten worden beoordeeld in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door onder andere artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen, ook die waarin een hoge morele waardering voor geweld wordt uitgesproken, in de gegeven omstandigheden geen van alle dusdanig zijn dat daarmee de grens van de vrijheid van meningsuiting is overschreden en zal verdachte vrijspreken van feit 5 (cursivering van mij, AG).
Feit 6
De inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, heeft, hoewel daar ook bewondering voor gewelddadigheden en het sterven in een strijd uit blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter. Enige directe of indirecte oproep tot het plegen van strafbare feiten, die ook nog eens de grens van de vrijheid van meningsuiting overschrijdt (cursivering van mij, AG), kan daarin niet gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de grens van vrijheid van meningsuiting. De rechtbank zal verdachte derhalve ook vrijspreken van feit 6.”

33 EHRM 2 december 2014 (Güler en Uğur t. Turkije), nr. 31706/10 en 33088/10, par. 52. De door het EHRM verstrekte Engelse vertaling luidt als volgt: “The Court thus accepts that certain forms of identification with a terrorist organisation, and especially apologia for such an organisation, may be regarded as a manifestation of support for terrorism and an incitement to violence and hatred. Similarly, the Court accepts that to disseminate messages praising the perpetrator of an attack, to denigrate the victims of an attack, to raise money for terrorist organisations, or to engage in other similar conduct, may constitute acts of incitement to terrorist violence […].”

34 Onder verwijzing naar – waarbij ik de paragraaf en het citaat daaruit verbeterd weergeef – EHRM 8 juli 1999 (Errond en İnce t. Turkije), nrs. 25067/94 en 25068/94 [GC], par. 52: “nor could they be construed as liable to incite to violence”.

35 Stb. 2004, 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004, Stb. 2004, 373).

36 Kamerstukken II 2002/03, 28463, 7.

37 In het vonnis van de rechtbank komt dit fraai naar voren in de overweging waarmee wordt vrijgesproken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde feiten (p. 29): “Ook de overige uitlatingen en uitingen in het dossier zijn onvoldoende voor het bewijs dat de onder feit 2 bedoelde organisatie het oogmerk had op de strafbare feiten van – kort gezegd – opruiing of verspreiding ter opruiing.”

38 Zie ook de Inleidende opmerkingen in de (niet gepagineerde) schriftuur.

39 In het arrest is dit voetnootnummer 606 met de volgende inhoud: “Zie o.a. United States v. Thavaraja, United States Court of Appeals, Second Circuit (Docket no. 12-4330-cr) d.d. 23 January 2014, zie: http://caselaw.findlaw-.com/us-2nd-circuit/1655425.html (gezien op 20 april 2015); Gerechtshof Parijs (Cour d'Appel de Paris, pool 8, kamer 1, RG nr. 09.13096) d.d. 22 februari 2012, p. 34-36 (D03-1043 t/m 1045) en Federaal Gerechtshof Düsseldorf (III-6 StS 4/10, III-6 StS 1/11) dd 20 oktober 2011 p. 41-45 (D09-0464 t/m 0468).”

40 New York 9 december 1999, Trb. 2000, 12 p. 8 (i.w.tr. 10 april 2002, ook voor Nederland, Trb. 2002, 110, p. 9).

41 Warschau 16 mei 2005, Trb. 2006, 34, p. 10 (i.w.tr. 1 juni 2007, voor Nederland 1 november 2010, Trb. 2010, 244, p. 8).

42 PbEG L 164 van 22 juni 2002, p. 5.

43 VN document S/RES/13737 (2001), Trb. 2001, 179, p. 4.

44 VN document S/RES/1566 (2004), geraadpleegd op <documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N04/542/82/PDF/N0454282.pdf?OpenElement>. Anders dan de eerdergenoemde Resolutie is deze niet gepubliceerd in het Tractatenblad.

45 Vgl. HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9941, NJ 2013/296 rov. 2.3 m.b.t. de in art. 23 Verdrag van Lanzarote opgenomen verplichting: “Each Party shall take the necessary legislative or other measures to criminalise […]”.

46 Ontleend aan L. Besselink, ‘Internationaal recht en nationaal recht’, in N. Horbach, R. Lefeber & O. Ribbelink, Handboek internationaal recht, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2007, p. 47-80. Deze auteur noemt echter niet uitdrukkelijk besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dat doen wel P.A. Nollkaemper, Kern van het Internationaal publiekrecht, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2014, p. 467, en J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen (diss.), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2004, p. 3 en 19-20. Zie voor verdragen expliciet HR 3 maart 1919, NJ 1919 p. 317 en HR 25 mei 1906, W 8383.

47 HR (Tweede Kamer) 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8351, NJ 2013/411 m.b.t. resoluties van de VN Veiligheidsraad gebaseerd op Hoofdstuk VII van het Handvest VN. B. Simma e.a. (eds.), The Charter of the United Nations. A Commentary, vol. I, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 806 nr. 53 (A. Peters): “The traditional criteria of suitability for direct application, namely unconditionality and precision of the international act normally do not pose a problem for Security Council decisions. […] the direct effect of the Council decision should not be ruled out as impossible from the outset”.

48 Daarover: J.W.A. Fleuren, ‘The Application of Public International Law by Dutch Courts’, Netherlands International Law Review LVII (2010), p.245-266 (op p. 247 schrijft hij: “treaties and resolutions of international organizations to be binding on all persons insofar as they had been published”, en op p. 249: “In so far as such resolutions are published and contain provisions which are self-executing, they may affect the rights and duties of natural and legal persons and will have supremacy over the Constitution, Acts of Parliament and other legal rules”. En zo ook J.W.A. Fleuren in T&C Grondwet, 2015, art. 93, aant. 1 (online, bijgewerkt tot 1 oktober 2015). Besselink 2007, supra noot 46, p. 64 schrijft: “Bekendmaking beoogt niet zozeer het verdrag deel te laten uitmaken van de rechtsorde, maar is slechts een rechtszekerheidseis met het oog op de belangen van de burgers die door een verdragsbepaling direct of indirect kunnen worden geraakt.” C.A.J.M. Kortmann, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2012, p. 171: “In deze zin bezit art. 93 Gw een dualistisch trekje: bekendmaking is vereist, wil een eenieder verbindende bepaling van een verdrag toegepast kunnen worden, als een burger er een beroep op doet of ermee wordt geconfronteerd.” Zie voorts A.K. Koekkoek (red.), de Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 457 (F.M.C. Vlemminx & M.G. Boekhorst) onder aanhaling van Kamerstukken II 1951/52, 2374, 10, p. 32: “Ook onder diegenen, die zich plaatsen op het standpunt van de gelding van de internationale overeenkomst boven een latere nationale wet, zijn er, die ernstige bezwaren hebben tegen de stelling, dat de onderdanen van de Staat gebonden zouden kunnen zijn aan regels, van welker bestaan zij geen kennis hebben kunnen nemen. Dit achten zij in strijd met de primaire rechtsbeginselen en zij weigeren deze uiterste consequenties van de theorie van het primaat van het internationale recht te aanvaarden. De Regering is het hiermede eens. De rechtszekerheid van het individu is een kostbaar goed, en aantasting daarvan moet in hoge mate bedenkelijk worden geacht. Indien een nationale Regering nalaat de burgers in kennis te stellen van het bestaan van internationale regels, die ook voor de burgers bindend zijn, moet uitsluitend deze nalatige Regering hiervoor aansprakelijk worden gesteld, zonder dat de onderdanen slachtoffer moeten worden van dit verzuim.” En in Kamerstukken II 1977/78, 15049 (R1100), 7, p. 17 kan men lezen: “Deze bepaling […] houdt voor de burgers de waarborg in, dat de een ieder verbindende bepalingen van verdragen of besluiten hen eerst daadwerkelijk verbinden nadat deze bepalingen zijn bekendgemaakt op door de wet voorgeschreven wijze.”

49 In de resolutie zelf wordt niet naar voorbereidende documenten verwezen. In het gepubliceerde verslag van de zitting van de Veiligheidsraad van 28 september 2001 waar de resolutie is aangenomen, wordt verwezen naar een ontwerpresolutie welke unaniem is aangenomen. Uit het gepubliceerde verslag blijkt niet dat tijdens de vijf minuten durende zitting stemverklaringen zijn afgelegd, zie VN doc. S/PV.4385.

50 Staat/CAN, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit.

51 HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit (onderdeel 3.5.2).

52 G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 233.

53 Simma e.a. 2012, supra noot 47, p. 805 nr. 51 (A. Peters): “The third aspect of direct effect is the principle of legality. […] The question […] is whether a Security Council decision constitutes a sufficient legal basis. That question is most acute when it comes to the establishment of a crime through a rule of international law.”

54 P.M. Schuyt, Verantwoorde straftoemeting, diss. Leiden, Deventer: Kluwer 2010, p. 10.

55 In dezelfde zin N. Keijzer, Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme, openbare les Amsterdam (VU), Deventer: Kluwer 1979, p. 10. Volgens Keijzer kunnen “verdragsluitende partijen hun onafhankelijke rechters natuurlijk niet binden.” Vgl. evenwel ook de VN Veiligheidsraadresolutie 748 (1992) op basis waarvan Libië werd verplicht twee met naam en toenaam genoemde verdachten uit te leveren. Zo een verplichting zou mijns inziens ook voor de rechter rechtstreeks kunnen werken. Ik kan me wel voorstellen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter verbiedt een bepaalde straf op te leggen, zoals de doodstraf (of een levenslange gevangenisstraf zonder tussentijdse toetsing).

56 HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, NJ 2013/33 (rov. 2.3).

57 HR 3 januari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AB7055, NJ 1978/246 m.nt. Th.W. van Veen.

58 Zie nr. 8 in de toelichting op het middel.

59 Op schrift gesteld requisitoir overgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2015, p. 6.