Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:967

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
15/02147
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:574, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie en cassatie verdachte. Terroristische misdrijven i.h.k.v. een niet-internationaal gewapend conflict op Sri Lanka. Veroordeling van “Tamil Tijger” wegens deelname aan een internationale criminele organisatie (LTTE) en een nationale criminele organisatie (TCC) die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, art. 83a, 140 en 140a Sr, Verdragen van Genève en Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Handelingen van LTTE tijdens niet-internationaal gewapend conflict aan te merken als handelingen van een terroristische organisatie?

In Sri Lanka was sprake van een niet-internationaal gewapend conflict tussen regeringsstrijdkrachten van de Sri Lankaanse overheid en strijders van LTTE, terwijl LTTE i.h.k.v. dat conflict (ook) personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen als doelwit van aanslagen heeft genomen. Middel steunt op opvatting dat o.g.v. art. 3 Verdragen van Genève de leden van de strijdkrachten van LTTE “combattanten” zijn en dat o.g.v. die bepaling het internationale humanitaire recht, met uitsluiting van het commune strafrecht, van toepassing is. Deze opvatting vindt geen steun in het recht, waaronder begrepen het internationale humanitaire recht. Onjuist is opvatting dat i.g.v. een intern gewapend conflict het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AF6988). Middel berust voorts op opvatting dat louter Sri Lanka de bevoegdheid heeft om gedragingen verricht door strijders van LTTE, als zijnde leden van een gewapende oppositionele groep tijdens een intern conflict, volgens commuun strafrecht te vervolgen en te bestraffen, nu Sri Lanka heeft te gelden als "de betrokken staat". Deze opvatting getuigt van een onjuiste uitleg van voormeld arrest van de HR, aangezien de desbetreffende zinsnede is toegesneden op de context van een vervolgingsuitlevering, en vindt (ook overigens) geen steun in het recht. Gelet hierop getuigt ’s Hofs oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven en dat hij daarvoor naar commuun Nederlands strafrecht kan worden vervolgd en bestraft, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk.

Middelen OM: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/04689, 15/04691, 15/04692 en 15/04693.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/02147

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[J.M. J.]

INHOUDSOPGAVE

I Inleiding

I.1. De veroordeling van de verdachte

I.2. De vervolging van de verdachte en de vier medeverdachten

I.3. Deelneming aan een internationale resp. nationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven resp. feiten – 1A, 1B en 2

I.3.1. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven – feit 1A

I.3.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 1B

I.3.3. Deelneming aan een nationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 2

I.4. De opruiingsfeiten – feiten 2 sub a en b, 5 en 6

I.5. Het overtreden van sanctiemaatregelen – feiten 2 sub c, 3 en 4

I.5.1. De plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

I.5.2. De beslissing van het HvJ EU over de plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

I.5.3. Individuele sanctiemaatregelen

I.6. De opbouw van deze conclusie

II De namens de verdachte voorgestelde vier middelen

II.1. Toepasselijkheid commuun strafrecht op de strijdmacht van partijen en hun gedragingen in het kader van een intern gewapend conflict/feit 1A – het eerste middel

II.1.1. De klachten

II.1.2. Bespreking van het eerste middel

II.1.2.1. Beroep op volkenrechtelijke immuniteit/rechtsmacht

II.1.2.2. ‘Combattanten’-status?

II.1.2.3. Toepasselijkheid van commuun strafrecht/het Kesbir-arrest van de Hoge Raad

II.1.2.4. Kwalificatie van gedragingen als terroristische misdrijven in het kader van een gewapend conflict/ het internationaal humanitair recht

II.1.2.4.1. Toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving ingeval van terroristische misdrijven

II.1.2.4.2. Internationale regelgeving inzake terrorisme niet van toepassing op gedragingen waarop het internationaal humanitair recht ziet?

II.1.2.4.3. Afsluitende opmerkingen en bespreking motiveringsklacht aangaande het eerste middel

II.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

II.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie en deelnemingsvormen krachtens internationaal strafrecht/feit 1B – het tweede middel

II.2.1. De klachten

II.2.2. Bespreking van het tweede middel

II.2.3. Eindoordeel inzake het tweede middel

II.3. Bewijs van deelneming aan de internationale criminele organisatie/feiten 1A en 1B – het derde middel

II.3.1. De klachten

II.3.2. Bespreking van het derde middel

II.3.3. Eindoordeel inzake het derde middel

II.4. Overtreding van de Wet op de kansspelen/feit 2 sub e – het vierde middel

II.4.1. De klachten

II.4.2. Bespreking van het vierde middel

II.4.3. Eindoordeel inzake het vierde middel

III. De door het Openbaar Ministerie voorgestelde vijf middelen

III.1. De afpersing van Tamils in Nederland/feit 2 sub g – het eerste middel

III.1.1. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissing van het hof

III.1.2. Bespreking van het eerste middel

III.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

III.2. De opruiingsfeiten/feiten 2 sub a en b, 5 en 6het tweede, het derde en het vierde middel

III.2.1. De artikelen 131 en 132 Sr

III.2.2. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissingen van het hof

III.2.3. De betekenis van art. 10 EVRM – bespreking van het derde en het vierde middel

III.2.4. De betekenis van art. 17 EVRM – bespreking van het tweede middel

III.2.5. Eindoordeel inzake het tweede, het derde en het vierde middel

III.3. De strafmotivering – het vijfde middel

III.3.1. Bespreking van het vijfde middel

III.3.1.1. De vordering van het Openbaar Ministerie en de strafmotivering van het hof

III.3.1.2. Internationale verplichtingen bezien in verband met de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf in geval van misdrijven met een terroristisch karakter

III.3.2. Eindoordeel inzake het vijfde middel

IV. Afronding

I. Inleiding

I.1. De veroordeling van de verdachte

1. Bij arrest van 30 april 2015 heeft het Hof Den Haag1 de verdachte wegens, kort gezegd, drie feitencomplexen die bestaan uit of verband houden met het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven respectievelijk misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden. Het hof heeft deze bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:
Feit 1. De Internationale criminele organisatie
- onder 1A: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”;
- onder 1B: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”; en
Feit 2. De nationale criminele organisatie - onder 2: “Het als leider en/of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.

2. Het hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard ter zake van het onder 2 sub c, het onder 3 en het onder 4 tenlastegelegde. Deze (deel)feiten zien op overtredingen van de Sanctiewet en/of van de Wet Conflictenrecht Corporaties en houden in zoverre verband met het overtreden van sanctiemaatregelen. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring zijn de middelen van de verdachte respectievelijk van het Openbaar Ministerie niet gericht. Niettemin kom ik er hieronder in § I.5 op terug.

3. Niet bewezen heeft het hof verklaard 1B sub a (het oogmerk van de internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op het werven in Nederland) en 2 sub g (het oogmerk van de nationale criminele organisatie op afpersing). Daarover meer in § III.1. Daarnaast heeft het hof niet bewezenverklaard de tenlastegelegde vormen van opruiing als bedoeld onder 2 sub a en b, 5 en 6. Zie daarover nader hieronder § I.4 en § III.2.

4. Voorts heeft het hof enkele deelonderdelen van een drietal feitencomplexen bewezenverklaard maar niet strafbaar geacht en de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging ontslagen. Het gaat om de onderdelen 1A sub e (oogmerk internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op samenspanning), 1B sub a (oogmerk internationale criminele organisatie voor zover betrekking hebbend op het werven voor gewapende strijd in Sri Lanka), 1B sub i (oogmerk internationale criminele organisatie op de opzettelijke voorbereiding van de onder 1B in sub a en d vermelde misdrijven) en 2 sub h (oogmerk nationale criminele organisatie op de opzettelijke voorbereiding van de onder 2 sub d, e en f vermelde misdrijven). Tegen deze beslissingen van het hof inzake de deelonderdelen van deze drie feitencomplexen keren de middelen van de verdachte en de middelen van het Openbaar Ministerie zich niet.

5. Verder heeft het hof beslissingen genomen over de verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen respectievelijk de teruggave daarvan, een en ander zoals in het arrest vermeld. Ook tegen deze beslissingen komt geen van de cassatiemiddelen op.

6. De feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd en door het hof is veroordeeld hangen alle samen met activiteiten van het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), algemeen bekend als de Tamil Tigers (Tamil Tijgers) en of de Tamil Coordinating Committee (TCC). Tezamen met de verdachte zijn vier medeverdachten door het hof veroordeeld.2 Om die reden bestaat er samenhang tussen de onderhavige zaak van de verdachte en de zaken tegen [R. S.] (15/04692), [L. T.] (15/04689), [T. E.] (15/04691) en [S. R.] (15/04693). Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.

7. De verdachte heeft cassatieberoep doen instellen. Namens de verdachte heeft mr. N. Bertrand, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

8. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. S.A. Minks, advocaat-generaal bij het hof Den Haag, cassatieberoep ingesteld. Bij schriftuur hebben mr. M.E. de Meijer en mr. W.N. Ferdinandusse, advocaat-generaal respectievelijk plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

I.2. De vervolging van de verdachte en de vier medeverdachten

9. Voor een goed begrip schets ik voorafgaand aan de bespreking van de middelen de feitelijke en de juridische context van de onderhavige materie, waarvan de onderhavige zaak tegen de verdachte deel uitmaakt. Dat doe ik aan de hand van de feiten die aan de verdachte en de vier medeverdachten zijn tenlastegelegd en het rechtskader waarin deze feiten zijn te plaatsen. Het is nodig het beeld en de complexiteit ervan goed weer te geven, in het bijzonder de daaraan verbonden internationale kwesties en het door het hof toegepaste toetsings- en beoordelingsschema. Om dat te doen zal ik, zij het zo kort mogelijk, moeten ingaan op onderdelen van het bestreden arrest waarop de middelen met hun rechts- en motiveringsklachten naar de kern bezien geen betrekking hebben maar waarover het hof wel beslissingen heeft genomen, daar die onderdelen niet los gemaakt kunnen worden van het grotere geheel. Daarbij wijs ik erop dat het hof het opportuun heeft geacht de in alle vijf zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken, waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft, gemeenschappelijk te bespreken. Het Openbaar Ministerie heeft namelijk in hoger beroep voor alle vijf verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden over de juridische context en de rechtsvragen, terwijl de raadslieden in hoger beroep tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek (met toestemming van het hof) bij elkaar aansluiting hebben gezocht op de gevoerde verweren. Het in elke afzonderlijke zaak (en dan ook nog op verschillende wijzen) versnipperen van het totale feitencomplex tot slechts die (onder)delen waartegen de ingediende middelen zich specifiek richten, zou denk ik ten koste gaan van een helder overzicht van en inzicht in (de problematiek van) de zaak en de leesbaarheid van mijn conclusies. In de onderhavige zaak en de samenhangende zaken, behoudens die tegen [S. R.] (in die zaak is enkel door het Openbaar Ministerie cassatieberoep ingesteld en een drietal middelen voorgesteld), heb ik er om die reden voor gekozen de middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld op onderdelen gezamenlijk te bespreken met de daarvoor in aanmerking komende middelen van de medeverdachten. In de voorkomende gevallen, zal ik dat duidelijk aangeven.

10. Zoals voor een deel al uit het voorgaande is gebleken, ziet de verdenking tegen de verdachte op feiten die gecomprimeerd kunnen worden aangeduid als (i) het deelnemen aan een (internationale en/of nationale) criminele organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van terroristische misdrijven respectievelijk misdrijven (feiten 1A, 1B en 2), (ii) het overtreden van sanctiemaatregelen (feiten 3 en 4) en (iii) vormen van opruiing (feiten 5 en 6). De verdenking in de vier samenhangende zaken heeft betrekking op dezelfde feitencomplexen, met dien verstande dat in de zaak tegen de medeverdachte [R. S.] de opruiingsdelicten niet als afzonderlijke feiten zijn tenlastegelegd.3

11. De in de tenlastelegging genoemde feiten en omstandigheden vertonen “een nauwe samenhang met het gewelddadig conflict dat zich gedurende ruim 25 jaar op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) heeft afgespeeld”, zo stelt het hof in paragraaf 9.1 “Achtergrond van de zaak” van het arrest vast, mede op grond van rapportages van deskundigen. Het hof doelt daarbij op de strijd die de LTTE decennialang op Sri Lanka heeft gevoerd en overweegt in dat verband het volgende. De LTTE is op 5 mei 1976 opgericht door Thiruvenkadam Velupillai Prabhakaran (verder: Prabhakaran) als gevolg van een onder de Tamil minderheid op Sri Lanka in de jaren 1960/1970 groeiend gevoel dat zij werd achtergesteld ten opzichte van de Singalese meerderheid aldaar. In de vanaf 1990 door haar verworven en beheerste gebieden in het noordelijk en oostelijk deel van Sri Lanka, fungeerde de LTTE met haar politieke vleugel als een soort overheid voor de bevolking en stelde zij zich ten doel in die gebieden een eigen onafhankelijke en autonome staat te bereiken. Daartoe voerde de LTTE een gewelddadige, separatistische en nationalistische campagne, waarbij dodelijke aanslagen werden gepleegd. Het gewapende conflict groeide uit tot de Sri Lankaanse burgeroorlog van 1983 tot 2009, het jaar waarin de LTTE werd verslagen door het Sri Lankaanse leger en dat leidde tot volledige uitroeiing van de militaire en politieke top van de LTTE, waaronder haar voorman Prabhakaran. Tot zover dit, nog eens door mij ingekorte, resumé van het hof. Voor de volledigheid, en ter nuancering, merk ik op dat een panel van experts van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in zijn rapport van 31 maart 2011 tot de conclusie komt dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat door beide partijen grootschalige schendingen van internationaal humanitair recht en rechten van de mens hebben plaatsgevonden en dat ten gevolge daarvan tienduizenden Sri Lankaanse burgers om het leven zijn gebracht en honderdduizenden mensen anderszins slachtoffer zijn geworden.4

I.3. Deelneming aan een internationale resp. nationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven resp. misdrijven – feiten 1A, 1B en 2

12. Het verband met de gewapende strijd die de LTTE in Sri Lanka heeft gevoerd, komt het duidelijkst naar voren bij de feiten die ten laste zijn gelegd als het deelnemen aan een internationale criminele organisatie (feiten 1A en 1B) en aan een nationale criminele organisatie (feit 2) die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven respectievelijk van misdrijven. De steller van de tenlastelegging heeft onder feit 1A verwezen naar art. 140a Sr, en onder de feiten 1B en 2 naar art. 140 Sr. Evenals de rechtbank heeft het hof de onder “Feit 1. De internationale criminele organisatie” tenlastegelegde feiten aldus uitgelegd dat het oogmerk in onderdeel 1A betrekking heeft op het plegen van terroristische misdrijven en het oogmerk in onderdeel 1B op het plegen van ‘gewone’ misdrijven.5 Onder “2. De nationale criminele organisatie” gaat het naar het oordeel van het hof enkel om het oogmerk op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. De feiten waarop het oogmerk van de internationale criminele organisatie onderscheidenlijk de nationale criminele organisatie was gericht – althans gericht zou zijn geweest – zijn in de tenlastelegging onder 1A, 1B en 2 telkens door middel van letters van elkaar onderscheiden maar verder in vrij algemene bewoordingen tot uitdrukking gebracht. Wel kunnen ze nader worden ingevuld aan de hand van de gebeurtenissen zoals deze op de terechtzittingen van het hof en in diens arrest zijn besproken. Ik zal daarom in het hiernavolgende niet de tenlastelegging wat betreft de feiten 1A, 1B en 2 integraal aanhalen, maar de daarin besloten liggende beschuldigingen ten aanzien van de verdachte in eigen bewoordingen en geconcretiseerd naar die gebeurtenissen weergeven, waarbij ik uiteraard wel de lijn van de tenlastelegging volg.6

I.3.1. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen terroristische misdrijven – feit 1A

13. Volgens de verdenking aangaande feit 1A heeft de verdachte

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders), en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, deelgenomen aan een internationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van terroristische misdrijven, te weten: -(a) het voorhanden hebben en/of overdragen van kanonnen, granaatwerpers, (automatische) vuurwapens, (bijbehorende) munitie en explosieven zoals mijnen en bommen, begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken;
-(b), (c) en (d) het plegen van aanslagen en aanvallen op burgerdoelen, zoals

•de aanslag op de internationale luchthaven Katunayake bij Colombo (Sri Lanka) op 24 juli 2001 waarbij meerdere passagiersvliegtuigen worden vernietigd, zes Singalese soldaten en een technicus worden gedood en een journaliste gewond raakt; •de aanslag op 2 februari 2008 in of nabij Dambulla (Sri Lanka) door een explosief in een passagiersbus tot ontploffing te brengen waardoor tenminste 12 personen om het leven komen en tientallen personen gewond raken; •de aanslag op 8 januari 2008 in of nabij Jah Ela (Sri Lanka) waarbij een minister, D.M. Dassanayaka, om het leven wordt gebracht en twaalf anderen gewond raken, telkens begaan met een terroristisch oogmerk;
-(e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot de eerder vermelde misdrijven; en/of -(f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk.

14. Het hof heeft vastgesteld dat samenspanning (ad e) tot het voorhanden hebben et cetera (ad a) geen strafbaar feit oplevert en heeft de verdachte (en zo ook de medeverdachten) ter zake daarvan van alle rechtsvervolging ontslagen.7

I.3.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 1B

15. Voorts wordt de verdachte er onder feit 1B van verdacht dat hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders), en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een internationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van misdrijven, te weten: -(a) het zonder toestemming van de Koning (in de zin van art. 105 Sr) werven voor gewapende strijd in Sri Lanka, zowel in Nederland door propaganda onder Nederlandse Tamils, in het bijzonder jongeren en kinderen, als in Sri Lanka;

-(b) het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, i.c. kinderen jonger dan vijftien jaar, ten behoeve van de gewapende strijd in Sri Lanka (als bedoeld in art. 6, derde lid onder f, Wet internationale misdrijven, verder WIM);

-(c) het beroven van de vrijheid van burgers in Sri Lanka, waaronder Tamils en gerekruteerde minderjarige kinderen die zich verzetten tegen de overheersing door de LTTE of voor de regering zouden werken, alsmede door zogenoemde “Tamil Eelam-rechtbanken” veroordeelde personen en politieke gevangenen (zoals bedoeld in art. 4, eerste lid onder e, WIM);

-(d), (e), (f): het plegen van aanvallen en aanslagen op gebouwen, transportmiddelen, militairen, overheidsfunctionarissen en burgers, dan wel het voorhanden hebben van de daarbij gebruikte wapens; --(g) doodslag (in verband met de onder (d), (e), en (f) genoemde aanvallen en aanslagen);

-(h) moord (in verband met de onder (d), (e), en (f) genoemde aanvallen en aanslagen); en

-(i) de opzettelijke voorbereiding van de vermelde misdrijven.

16. Het hof heeft ten aanzien van de onder (a) genoemde feiten die in Sri Lanka zijn gepleegd, overwogen dat art. 205 Sr “niet ziet op de werving van personen op Sri Lanka door de LTTE (aldaar), nu dit in een te ver verwijderd verband van Nederland staat. Dit klemt te meer nu niet is gebleken van enige concrete wervingshandeling op Sri Lanka door de Nederlandse verdachten die in deze zaak terecht staan.” Met betrekking tot de onder (a) genoemde feiten die in Nederland of elders ter wereld zijn begaan, heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) vrijgesproken.

Voorts heeft het hof geoordeeld dat de opzettelijke voorbereiding van het werven voor de gewapende strijd, noch de voorbereiding van de rekrutering en inzet van kindsoldaten (zoals genoemd onder (a) en (b)), een strafbaar feit oplevert, nu niet is voldaan aan het in art. 46 Sr vereiste minimale strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf. Ook ter zake van deze bewezenverklaarde onderdelen heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) van alle rechtsvervolging ontslagen.8

I.3.3. Deelneming aan een nationale criminele organisatie/oogmerk plegen misdrijven – feit 2

17. Wat feit 2 betreft, luidt de beschuldiging dat de verdachte op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 op meerdere plaatsen in Nederland (Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders) (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een nationale criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op

-a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in art. 131 Sr) en/of

-b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden, tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in art. 132 Sr) (welke opruiingsfeiten verder als zelfstandige feiten 5 en 6 afzonderlijk aan de verdachte zijn tenlastegelegd en in dat verband nader zijn geconcretiseerd) en/of;

-(c) het overtreden van sanctiemaatregelen die als zelfstandig feit 4 aan de verdachte is tenlastegelegd en daar is geconcretiseerd;

-(d) (gewoonte)witwassen (als bedoeld in art. 420ter en art. 420bis Sr), bestaande uit het verhullen van geldstromen van geldbedragen die zijn verkregen door middel van het organiseren van loterijen zonder de daarvoor vereiste vergunning (ad e) en door dwang uit te oefenen (in de zin van art. 284 Sr) op in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap met betrekking tot de afgifte van geldbedragen (ad f);

-(e) het organiseren van loterijen zonder de daarvoor vereiste vergunning (art. 1 Wet op de kansspelen);

-(f) het uitoefenen van dwang op in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap met betrekking tot het afgeven van geld ten behoeve van de LTTE (dwang door bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in art. 284 Sr);

-(g) het afpersen van in Nederland woonachtige leden van de Tamilgemeenschap (als bedoeld in art. 317 Sr), strekkende tot het afgeven van geld ten behoeve van de LTTE;

-(h) de opzettelijke voorbereiding van de vermelde misdrijven.

18. In dit verband heeft het hof de verdachte (en de medeverdachten) gedeeltelijk van alle rechtsvervolging ontslagen op grond van de overweging dat de opzettelijke voorbereiding van de onder (d), (e) en (f) bewezenverklaarde feiten geen strafbaar feit oplevert, aangezien niet is voldaan aan het in art. 46 Sr vereiste minimale strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf.9 Van de onder (a) en (b) tenlastegelegde opruiingsfeiten is de verdachte vrijgesproken. Zo ook van de afpersing als bedoeld in (g); zie daarover verder III.1. Ten aanzien van het feit onder (c) tenlastegelegd, is het Openbaar Ministerie op eigen vordering niet-ontvankelijk verklaard (zie daarover hierna § 1.5).

I.4. De opruiingsfeiten – feiten 2 sub a en b, 5 en 6

19. Onder 5 en 6 zijn de opruiingsfeiten afzonderlijk en – ten opzichte van de misdrijven waarop volgens feit 2 onder a en b het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht – nader uitgewerkt.

20. Onder 5 is onder het kopje “Opruiing” tenlastegelegd dat de verdachte

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht, Oosterbeek, Den Haag en/of Amsterdam en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, in het openbaar (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka). De uitlatingen zijn op verschillende data gedaan op zogenoemde Heldendagen te Oosterbeek (9 juli 2005), Amsterdam (25 juli 2007), Utrecht (4 november 2007 en 27 november 2009) en Den Haag (22 juni 2008).

Ter illustratie haal ik uit twee uitlatingen de volgende fragmenten aan:

“Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.
Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.” (Heldendag Amsterdam)

en

“Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” en/of

“Wij zullen zeker winnen. Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.” (Heldendag Den Haag)

21. Onder 6 zijn ten laste van de verdachte feiten omschreven die in de tenlastelegging zijn aangeduid onder het kopje “Verspreiding ter opruiing”, en wel als volgt

het op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of Ammerzoden en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging verspreiden en/of openlijk tentoonstellen en/of ter verspreiding of openlijke tentoonstelling in voorraad hebben: (a) een affiche voor Heldendag 27 november 2009 te Utrecht; (b) een kalender; (c) DVD Levend wapen versie 7; (d) DVD Levend wapen versie 8; (e) DVD Levend water versie 9,

zijnde geschriften en/of afbeeldingen waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam.

Het affiche had de tekst:

“Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.”

22. Het hof heeft de verdachte (en de medeverdachten [S. R.] (15/04693), [L. T.] (15/04689) en [T. E.] (15/04691)) vrijgesproken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten en zo ook van de opruiing waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht (feit 2 onder a en b).10

23. Het tweede, het derde en het vierde middel van het Openbaar Ministerie komen tegen de vrijspraak van deze opruiingsfeiten op (zie nader § III.2).

I.5. Het overtreden van sanctiemaatregelen – feiten 2 sub c, 3 en 4

24. Aan de verdachte zijn onder 3 en 4 afzonderlijk feiten tenlastegelegd die betrekking hebben op het overtreden van afgekondigde sanctiemaatregelen. Onder 2 sub c is de overtreding van art. 2 van de Sanctiewet 1977 in verbinding met de Sanctieregeling Terrorisme 2002 als feit tenlastegelegd waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie gericht zou zijn geweest. Deze sanctiemaatregelen betreffen goed beschouwd de LTTE, en niet zozeer de verdachte(n) zelf. Het komt mij dienstig voor om in deze inleiding ook de achtergrond van de bedoelde sanctiemaatregelen te schetsen, zulks met het oog op de wijze waarop deze in de onderhavige strafzaak zouden zijn verlopen. Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie EU heeft reeds beslissingen met betrekking tot de afgekondigde sanctiemaatregelen genomen, die naar het mij voorkomt geen betekenis hebben voor de beoordeling van de onderhavige middelen, maar waar ik wel voor de volledigheid kort op in zal gaan.

I.5.1. De plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

25. De sanctiemaatregelen die in Nederland tegen de LTTE zijn afgekondigd – en waarvan overtredingen zijn tenlastegelegd onder 2 sub c, 3 en 4 – strekken tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (hierna: Verordening (EG) 2580/2001) inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme.11 Op grond van deze Verordening stelt de Raad een lijst vast van “personen, groepen en entiteiten” waarop de Verordening en daarmee de sanctiemaatregelen (de “specifieke beperkende maatregelen”) van toepassing zijn. Dit is de zogenoemde EU-terreurlijst, die overigens naast de ‘VN-terreurlijst’ bestaat.12 Bij Besluit van 29 mei 2006 werden de “Bevrijdingslegers van Tamil Eelam (LTTE)” op de Europese terreurlijst geplaatst.13 In het kader van de voorgeschreven periodieke herbeoordeling, zijn nadien telkens uitvoeringsverordeningen tot stand gekomen waarin die plaatsing is gehandhaafd.

26. In Nederland geschiedt de uitvoering van de sanctiemaatregelen die ingevolge de terreurlijsten dienen te worden genomen op basis van de Sanctiewet 1977.14 Ingevolge de, op de Sanctiewet 1977 gebaseerde, Sanctieregeling Terrorisme 2002 is het in Nederland verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 2580/2001. Gelet op de onder 2 sub c, 3 en 4 tenlastegelegde feiten is het van belang dat op basis van Verordening (EG) 2580/2001 in verbinding met de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Terrorisme 2002 in Nederland:

- “alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst […] bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, [worden] bevroren”; en - “aan of ten behoeve van een in de lijst […] bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking [worden] gesteld”.

Op basis van dezelfde regeling ten tijde van de tenlastegelegde feiten en is het nog steeds in Nederland verboden dezelfde regeling is het nog steeds in Nederland verboden:

- “financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van een natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit als vermeld in de lijst”;

- “willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect” eerdergenoemd verbod wordt ontdoken.

De LTTE is een “groep of entiteit” in voormelde zin.15

27. In het onderhavige verband is aan de verdachte (deels door mij geparafraseerd) tenlastegelegd dat:

2 aanhef en sub c

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

c) overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling Terrorisme 2002;

3 hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens ) tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten de LTTE, zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst bedoeld in art. 2, derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001;

4 hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht, Nieuwegein, Schagen, Den Haag, Breda, Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens ) tezamen en in vereniging met anderen (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens art. 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van art. 1, eerste lid, van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344), telkens a) heeft deelgenomen aan en/of bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE en/of b) ten behoeve van de LTTE geld heeft gegeven, uitgeleend, gecollecteerd en/of ingezameld, en/of loten heeft verkocht en/of loterijen (met winstoogmerk) heeft georganiseerd en/of goederen (met winstoogmerk) heeft verkocht en/of

c) geld heeft beheerd en/of een financiële administratie heeft gevoerd ten behoeve van de LTTE en/of d) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan en/of financiële diensten heeft verricht voor de LTTE.

I.5.2. De beslissing van het HvJ EU over de plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst

28. Aan de vervolging voor feiten als de onderhavige – dat wil zeggen het overtreden van sanctiemaatregelen – zou de grondslag wel eens kunnen ontvallen, gezien de uitspraak van het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 16 oktober 2014, nr. T-208/11 en T-508/11 (Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) t. Raad van de Europese Unie).16 Namens de LTTE was geklaagd dat de beslissingen om haar organisatie op te nemen en te handhaven in de toen meest recente uitvoeringsverordeningen, onvoldoende was gemotiveerd. Het HvJ EU oordeelde dat er inderdaad sprake was van een motiveringsgebrek, onder meer nu de Raad, die tot de plaatsing van de LTTE op de lijst had besloten, zich niet had gebaseerd op concrete elementen die waren onderzocht en vastgesteld in beslissingen van bevoegde nationale instanties, maar op gegevens die de Raad uit de pers of van het internet had gehaald. Tegen de beslissing van het HvJ EU is door de Raad van de Europese Unie tijdig een hogere voorziening ingesteld.17 Op 3 mei 2016 heeft de grote kamer van het HvJ EU het appel behandeld. De drie middelen die in die zaak zijn voorgesteld, richten zich tegen de eisen die het HvJ EU heeft gesteld aan het plaatsen van de LTTE op de terreurlijst.18 Een uitspraak naar aanleiding van die middelen is op het moment van dit schrijven nog niet door de grote kamer gedaan.

29. Wel al heeft advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie van 22 september 2016 het standpunt ingenomen dat de Raad bij zijn beslissingen om de plaatsing van de LTTE op de EU-terreurlijst te handhaven, zich niet zonder nadere motivering had mogen baseren op beslissingen van instanties van derde landen (i.c. India), niet kon volstaan met “verschillende nieuwe feiten die niet waren beoordeeld en vastgesteld in beslissingen van bevoegde instanties” en evenmin kon volstaan met de oorspronkelijke beslissing van de bevoegde nationale instanties zoals met name het Britse verbodsbesluit van 2001, omdat dan op zijn minst rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop hetgeen ook in de motivering tot uitdrukking moet worden gebracht.19

30. Na de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014 is de LTTE echter wederom op de lijst geplaatst in de Uitvoeringsverordening en de opvolgende Uitvoeringsverordeningen.20 Van betekenis kan zijn dat de uitspraak van het HvJ EU betrekking heeft op de uitvoeringsverordeningen die inzake de LTTE zijn genomen vanaf nr. 83/2011 van 31 januari 2011 tot en met nr. 790/2014 van 22 juli 2014. Hieruit volgt dat de in Nederland afgekondigde sanctiemaatregelen die van belang zijn voor de zaak tegen de verdachte en diens medeverdachten, niet berusten op de uitvoeringsverordeningen die door het HvJ EU nietig zijn verklaard. De betreffende tenlastegelegde feiten hebben immers betrekking op de periode tot en met 26 april 2010. Mij is niet bekend of de uitvoeringsverordeningen waarop die sanctiemaatregelen berusten op vergelijkbare wijze zijn gemotiveerd als de nietig verklaarde sanctiemaatregelen.

31. Niettemin heeft het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak (en in de samenhangende zaken) zich naar aanleiding van de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014 op het standpunt gesteld dat van verdere vervolging alsnog (gedeeltelijk) behoort te worden afgezien op gronden van opportuniteit aan het algemeen belang ontleend, meer in het bijzonder het belang een afdoening van de onderhavige strafzaak op korte termijn mogelijk te maken. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij gewezen op het begin van andere strafzaken in Nederland waarin net als in de onderhavige zaak een oordeel zal moeten worden gegeven over beschuldigingen van terroristische misdrijven gepleegd in het kader van een gewapend conflict.21 Tegen de gevorderde niet-ontvankelijkheid heeft de raadsman van medeverdachte [S. R.] bezwaar gemaakt, terwijl de raadsman van medeverdachte [L. T.] om aanhouding van de zaak heeft verzocht om de beslissing op de hogere voorziening af te wachten. De raadslieden van de verdachte en de medeverdachten [R. S.] en [T. E.] hebben ingestemd met de gevorderde niet-ontvankelijkheid.22 Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering heeft het hof Den Haag het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wat betreft het onder 3 en 4 alsook het onder 2 sub c tenlastegelegde.

I.5.3. Individuele sanctiemaatregelen

32. Naast de sanctiemaatregelen die jegens de LTTE zijn genomen, zijn ook sanctiemaatregelen afgekondigd tegen diverse leden van de LTTE, waaronder de verdachte en de medeverdachten. Weliswaar hebben de onderhavige zaken geen betrekking op deze individuele sanctiemaatregelen, maar ter completering van het algehele beeld wil ik ze niet onvermeld laten.

32. Zo is bij afzonderlijke besluiten de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing verklaard op de onderhavige verdachte en de medeverdachten.23 De gevolgen die dit voor hen heeft, zijn vergelijkbaar met de gevolgen van de plaatsing op de terreurlijst voor de LTTE. Alle tegoeden, financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden voor de verdachte en de medeverdachten worden bevroren. Het beroep dat drie van hen tegen deze besluiten hebben ingesteld, heeft geleid tot de verwijzingsuitspraak van de Raad van State van 2 april 2014 waarbij aan het HvJ EU een zestal prejudiciële vragen is voorgelegd24, zij het dat ik daaraan onmiddellijk toevoeg dat die naar mijn inzicht geen consequenties hebben voor de beoordeling van de onderhavige cassatiemiddelen.25 Overigens zijn deze prejudiciële vragen nog niet door het HvJ EU beantwoord. Wel heeft advocaat-generaal Sharpston op 29 september 2016 conclusie genomen (zie ook randnummer 126).26

34. Bij het HvJ EU zijn thans dus twee zaken aanhangig die betrekking hebben op de plaatsing van de LTTE respectievelijk leden daarvan op de EU-terreurlijst.

I.6. De opbouw van deze conclusie

35. In de zaken van de verdachte en de medeverdachten [T. E.] , [L. T.] en [R. S.] heb ik er telkens voor gekozen eerst de respectieve middelen die namens hen zijn voorgesteld, en gedeeltelijk in gezamenlijk verband, te bespreken. Dat doe ik in deel II van de conclusie. Daarna volgt – in deel III – een bespreking van de vijf in deze zaak door het Openbaar Ministerie voorgestelde middelen.

II De namens de verdachte voorgestelde vier middelen

II.1. Toepasselijkheid commuun strafrecht op de strijdmacht van partijen en hun gedragingen in het kader van een niet-internationaal (intern) gewapend conflict/feit 1A - het eerste middel

36. Aan het eerste middel in de onderhavige zaak zijn het tweede middel in de samenhangende zaak- [R. S.] (nr. (15/04692), het tweede middel in de zaak- [T. E.] (nr. 15/04691) en het tweede middel in de zaak [L. T.] (nr. 15/04689) verwant. Aan deze vier middelen ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat leden van een strijdmacht in een niet-internationaal (intern) gewapend conflict – als het gaat om de toepasselijkheid van het commune strafrecht – dezelfde bijzondere positie toekomt als leden van een strijdmacht in een internationaal gewapend conflict. Deze vier middelen gaan er – het zij nu reeds opgemerkt – met het hof van uit dat het gewapende conflict een niet-internationaal karakter heeft, dat wil zeggen een intern gewapend conflict is. De belangrijkste aspecten van deze vier middelen kunnen in één geheel worden besproken aan de hand van de diverse klachten die daarin worden aangevoerd. Indien de middelen per zaak afzonderlijk zouden worden besproken, en ik me strikt tot de in de betreffende zaak aangevoerde klachten zou beperken, zouden naar mijn oordeel niet alle aspecten in elke zaak voldoende voor het voetlicht kunnen komen, terwijl het voor een goed beeld van de problematiek beter is in te gaan op alle klachten tezamen die in de onderhavige zaak en in die van de samenhangende zaken zijn aangevoerd. Bovendien doet zich naar mijn mening niet het cassatie-technische probleem voor, dat in de ene zaak de uitspraak vernietigd zou moeten worden omdat een daarin verwoorde klacht gegrond is en in de andere samenhangende zaak of zaken de veroordeling in stand blijft omdat de slagende klacht daar niet is voorgesteld. Ik stel mij namelijk op het standpunt dat het eerste middel in de onderhavige zaak en de drie andere genoemde middelen (uit de samenhangende zaken) alle falen.

II.1.1. De klachten

37. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de handelingen van de LTTE (en daaraan aanverwante organisaties) tijdens het niet-internationaal gewapende conflict in Sri Lanka als handelingen van een terroristische organisatie kunnen worden aangemerkt en dat bij die handelingen sprake is geweest van een terroristisch oogmerk, dan wel dat het hof verzuimd heeft te reageren op het onderbouwde standpunt of verweer dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het internationaal humanitair recht en anderzijds het recht betreffende de bestrijding van terrorisme.

38. De klachten die nader in de toelichting op het middel zijn omschreven, berusten op twee veronderstellingen. Ten eerste dat het International Humanitarian Law (verder: IHL) exclusief van toepassing is, waardoor hooguit van schendingen van IHL sprake kan zijn, en derhalve niet van terrorisme. Ten tweede zou van terrorisme geen sprake kunnen zijn omdat internationale instrumenten die betrekking hebben op terrorisme, bepalingen bevatten waaruit blijkt dat die instrumenten niet zien op gedragingen die tot IHL worden gerekend. Om deze veronderstelling te toetsen, zal ik ingaan op de internationale instrumenten waarop door de verdediging op de terechtzitting van het hof en door de steller van het middel een beroep wordt gedaan. Maar ik vang aan met de eerste veronderstelling, dat wil zeggen dat het IHL exclusief van toepassing zou zijn. Dit onderdeel van het middel komt inhoudelijk overeen met de eerder genoemde drie middelen die in de samenhangende zaken zijn voorgesteld.

39 In de zaken tegen de medeverdachten [R. S.] en [T. E.] is het tweede middel gelijkluidend, en houdt in dat het hof “het verweer inhoudende dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet als terroristische handelingen dienen te worden beschouwd op onjuiste gronden, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.” Het tweede middel in de zaak tegen de medeverdachte [L. T.] komt op hetzelfde neer ook al wordt daar geklaagd dat het hof het “toetsingskader” waarop de verdediging een beroep had gedaan, niet in acht heeft genomen. Dat toetsingskader dient er volgens dat middel- [L. T.] immers toe te bepalen of “een handeling onder het bereik van het internationaal humanitair recht valt”, en indien dat het geval is “aanvallen in dat kader […] niet als terroristische misdrijven [kunnen] worden aangemerkt”.

40. Al deze vier middelen, waaronder dus het eerste middel dat in de onderhavige zaak is voorgesteld, berusten op de rechtsopvatting dat de LTTE in het gewapende conflict een strijdende partij is, zodat de leden ervan als ‘combattant’ moeten worden aangemerkt en derhalve aan hen de ‘combattantenstatus/-immuniteit’ toekomt, hetgeen betekent dat het commune strafrecht, en meer in het bijzonder de daartoe behorende categorie terroristische misdrijven, niet mag worden toegepast. Daarbij dient te worden benadrukt dat deze vier (aan elkaar verwante) middelen betrekking hebben op de bijzondere positie van leden van een strijdmacht in een niet-internationaal (intern) gewapend conflict. Daarin verschillen ze van een drietal middelen dat is voorgesteld in de samenhangende zaken [R. S.] , [T. E.] en [L. T.] . Die drie middelen richten zich namelijk op de bijzondere positie van leden van een strijdmacht in een internationaal gewapend conflict. Bij mijn bespreking van die drie middelen in die samenhangende zaken is de (echte) combattantenstatus in dat verband betrokken. Het begrip ‘combattant’ heb ik in relatie tot gewapende conflicten van een niet-internationaal gewapend karakter tussen enkelvoudige aanhalingstekens geplaatst omdat beide elkaar de jure uitsluiten. In het navolgende zal dat blijken zodat goed beschouwd sprake is van oneigenlijk gebruik van het begrip combattant in het kader van niet-internationaal gewapende conflicten. Voor nu volsta ik met een korte verwijzing naar het grootse onderzoek naar internationaal humanitair gewoonterecht, dat onder auspiciën van het ICRC Is uitgevoerd:

“Combatant status […] exists only in international armed conflict”.27

41. Van de middelen die in dit onderdeel van de conclusie worden besproken, moet voor het tweede middel dat in de zaak- [L. T.] is voorgesteld, eerst worden bepaald waarover het precies klaagt.28 Dat middel behelst de klacht dat het hof “ten onrechte de artikelen 83a en 140a Sr niet conform het internationaal humanitair recht heeft uitgelegd en aldus een onjuist, althans een te beperkt toetsingskader heeft gehanteerd.” In de toelichting op het middel wordt aangegeven dat “niet [is] betoogd dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing zou zijn, zodat het commune strafrecht is uitgeschakeld” maar dat het hof “het geschetste toetsingskader niet in acht heeft genomen”.

42. Toch komt het geschetste “toetsingskader”, zoals dat ter ’s hofs terechtzitting door de verdediging naar voren is gebracht en in de toelichting op het middel wordt herhaald, erop neer dat het humanitair oorlogsrecht exclusief van toepassing is. De vragen die volgens dat zogenoemde “toetsingskader” moeten worden beantwoord houden namelijk in (1) wie verantwoordelijk is voor de aanslag, (2) of de handeling door IHL wordt bestreken, en (3) wat de bedoeling van de persoon is geweest. De toelichting op het middel vervolgt dan:

“Wanneer het antwoord op vraag a) is dat de verantwoordelijke persoon behoort tot ‘a party of conflict’ en het antwoord op vraag b) bevestigend luidt, dan kan de beantwoording van vraag c achterwege blijven. In dat geval is er geen sprake van een terroristisch misdrijf. Dat is de bedoelde ‘waterscheiding’: een handeling die onder het bereik van het internationaal humanitair recht valt, is naar haar aard immers bedoeld om de tegenpartij te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling en een dergelijke handeling leidt per definitie tot angst onder de bevolking. Een gewapend conflict is niet leuk, maar aanvallen in dat kader kunnen niet als terroristische misdrijven worden aangemerkt.”

43. Het toetsingskader waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan, is terug te vinden in de pleitnota die mr. Franken en mr. Croes ter terechtzitting van het hof van 23 juni 2014 hebben overgelegd in de onderhavige zaak tegen de verdachte.29 In de ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota van mr. Peters, de raadsman van de medeverdachte [L. T.] , vind ik het “toetsingskader” niet terug maar hij heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven dat de verdediging zich met betrekking tot feit 1A aansluit “bij de gevoerde materiële verweren van de raadslieden mr. Franken en mr. Croes, mr. Knoops en mr. Vosman alsook bij de nog te voeren materiële verweren aangaande dit feit van mr. Seton, met het verzoek deze verweren hier als herhaald, ingelast en voorgedragen te beschouwen.”30

44. Het beroep op voormeld toetsingskader komt materieel uiteindelijk neer op het verweer dat IHL exclusief van toepassing is en verschilt inhoudelijk niet van de klacht die is vervat in het eerste middel in de onderhavige zaak. Het toetsingskader dient er immers toe te bepalen of “een handeling onder het bereik van het internationaal humanitair recht valt”, en zo dit het geval aanvallen in dat kader niet als terroristische misdrijven kunnen worden aangemerkt. Dat dit verweer in de toelichting op het tweede middel- [L. T.] wordt gepresenteerd als een “toetsingskader”, verandert aan de inhoud uiteraard niets.31

45. Samenvattend: in de vier samenhangende middelen, waarvan er één in de onderhavige zaak is voorgesteld (het eerste middel), worden diverse klachten aangevoerd die erop neerkomen dat het hof ten onrechte het commune strafrecht heeft toegepast, nu op de feiten die zijn begaan in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict in Sri Lanka bij uitsluiting (exclusief) het internationaal humanitair recht van toepassing is aangezien dit het recht is dat voor die situatie is geschreven.

II.1.2. Bespreking van het eerste middel

46. Bij de beoordeling van het eerste middel, en zo ook van de drie samenhangende middelen, moet worden vooropgesteld dat indien de Nederlandse strafwet van kracht is, haar toepasselijkheid slechts wordt beperkt “door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend” (art. 8d Sr; in dezelfde zin art. 13a Wet algemene bepalingen). Artikel 8d Sr bevat “niet meer dan een wettelijke erkenning van aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie”.32 Voor de Nederlandse rechter is in dat verband maar een beperkte rol weggelegd voor het beoordelen van de wijze waarop de Nederlandse wetgever rechtsmacht heeft gevestigd.33

II.1.2.1 Beroep op volkenrechtelijke immuniteit/rechtsmacht

47. Heeft de wetgever eenmaal rechtsmacht gevestigd door de Nederlandse strafwet toepasselijk te verklaren, dan wordt de Nederlandse rechtsmacht alleen nog beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. De rechtsmacht wordt niet beperkt doordat de wetgever bij het vestigen van rechtsmacht niet volledig zou hebben aangesloten bij de internationale verplichtingen die daarmee zouden worden uitgevoerd. Deze vaststelling kan worden gestaafd aan de hand van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2008 betreffende Afghaanse oorlogsmisdrijven.34 De zaak had betrekking op een voormalig hoofd van de Afghaanse veiligheidsdienst, die ervan werd verdacht in Afghanistan gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève 1949 te hebben geschonden. De universele rechtsmacht van de Nederlandse rechter berustte destijds op art. 1 in verbinding met de artikelen 3 en 8 Wet oorlogsstrafrecht (WOS). Uit de parlementaire voorbereiding van de WOS bleek dat daarmee uitvoering werd gegeven aan de verplichtingen om in universele rechtsmacht te voorzien waartoe Nederland zich had verplicht door partij te worden bij die verdragen. De Verdragen van Genève 1949 verplichten echter alleen tot het vestigen van universele rechtsmacht inzake de zogenoemde “grave breaches” op deze verdragen en niet voor inbreuken op gemeenschappelijk artikel 3. Ter terechtzitting van het hof en in cassatie werd in de zaak van het voormalig hoofd van de Afghaanse veiligheidsdienst aangevoerd dat het volkenrechtelijk mandaat ontbrak dat vereist zou zijn voor de universele rechtsmacht die in de WOS was gevestigd inzake gemeenschappelijk artikel 3, waarvoor de verdachte in Nederland werd vervolgd. De Hoge Raad verwierp de daartegen gerichte klacht en overwoog het volgende:

“6.6. Anders dan ter terechtzitting in hoger beroep en in het middel is aangevoerd, biedt art. 8 Sr geen grondslag voor het op de genoemde volkenrechtelijke gronden buiten toepassing laten van de rechtsmachtregeling van art. 3 (oud) WOS.

Art. 8 Sr houdt weliswaar in dat de toepasselijkheid van de Nederlandse rechtsmachtbepalingen wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend, doch bevat – naar mede volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1891, blz. 147) – niet meer dan een wettelijke erkenning van aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie.”

48. Hieruit volgt mijns inziens dat het eerste middel in de onderhavige zaak en de drie andere middelen alleen kans van slagen hebben indien de leden van de LTTE een ‘combattanten’-status toegewezen zouden kunnen krijgen. Alleen dan komt hen immuniteit toe en kan het commune, nationale strafrecht niet worden toegepast.

II.1.2.2. ‘Combattanten’-status?

49. Voor de beoordeling van het eerste middel (en de aanverwante drie middelen in de samenhangende zaken) verdient opmerking dat in geen enkele regel van internationaal humanitair recht aan personen die deelnemen aan de vijandelijkheden die kunnen worden aangemerkt als een gewapend conflict van een niet-internationaal gewapend karakter, het ‘recht’ is toegekend aan de vijandelijkheden deel te nemen. In het bijzonder niet in Aanvullend Protocol II bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (hierna: Aanvullend Protocol II).35 In zoverre kan ter zijde worden opgemerkt dat Sri Lanka geen partij is bij dit Aanvullend Protocol II.

50. In Aanvullend Protocol II wordt nergens verwezen naar combattanten, krijgsgevangenen of strijdkrachten. Dat is een bewuste keuze. Misschien nog wel meer dan bij de andere regels van internationaal humanitair recht staat bij dit protocol het humanitaire karakter van de regels voorop, zoals helder blijkt uit de preambule waarin de focus wordt gelegd op achtereenvolgens “humanitarian principles”, “international instruments relating to human rights offer a basis protection to the human person”, “protection for the victims” en “principles of humanity”. Anders dan in Aanvullend Protocol I (art. 43), ontbreekt in Aanvullend Protocol II een verwijzing naar het “recht” om aan de vijandelijkheden deel te nemen. Het doel is puur humanitair, evenals bij gemeenschappelijk artikel 3 waarvan Aanvullend Protocol II een uitwerking vormt36.

51. In zijn commentaar bij art. 6 Aanvullend Protocol II maakt Bothe duidelijk dat (i) de leden van de gewapende oppositiegroep geen bijzondere status bezitten en dat (ii) het nationale strafrecht van toepassing blijft, waaruit volgt dat van immuniteit geen sprake is:

“The article is based on the concept, that the rebels are bound by the provisions of this Protocol, that they do not enjoy a special status as prisoners of war when captured and that the legal provisions regarding penal prosecutions enacted by the State Party either remain in force in the territory occupied by the rebels or are replaced by new provisions, which have to be in accordance with the rules enacted here.”37

52. Bothe hanteert hier het begrip rebellen dat in het Aanvullend Protocol II niet wordt gebruikt. Ik geef de voorkeur aan het neutrale begrip “gewapende oppositiegroep”, waarmee ook groepen worden aangeduid wier typering van rebellen, opstandelingen, of terroristen een meer emotionele lading (kunnen) hebben.38

53. Het verband tussen enerzijds de combattantenstatus en –immuniteit en anderzijds de toepasselijkheid van het nationale strafrecht, komt ook naar voren in het andere gezaghebbende commentaar op Aanvullend Protocol II. Junod schrijft in het ICRC-commentaar:

“The precarious position in which insurgent combatants find themselves requires that such guarantees [de judicial guarantees, AG] should be clarified and reinforced for their benefit, particularly with regard to matters of judicial procedure. In fact, an insurgent combatant does not enjoy immunity when charged with having taken up arms, as do members of the armed forces in a conflict between States; on the contrary, he may be punished for having violated the national law.”39

54. Thomas en Cuvelier benadrukken eveneens dat de gewapende oppositiegroepen waarop Aanvullend Protocol II van toepassing is, geen “bijzonder statuut” hebben. De strekking van Aanvullend Protocol II en de betekenis ervan voor de toepassing van het commune strafrecht, hebben Thomas en Cuvelier handzaam uiteengezet, en wel als volgt:

“Het Protocol vloeit voort uit een compromis tussen de humanitaire bezorgdheid en de zorg om de staatsveiligheid. Daarom hebben de ontwerpers van de tekst er een clausule in gelast met betrekking tot de onschendbaarheid van de staatssoevereiniteit (art. 3).
De Titel I van het P II en het art. 3 van de Conventies van Genève vertonen een aantal gemeenschappelijke kenmerken:

a. zij zijn automatisch van toepassing zodra een bepaalde toestand zich in feite als een gewapend conflict voordoet.
[…]

b. zij kennen geen internationale erkenning toe aan de opstandige partij, d.w.z. de partij die een regering met de wapens bestrijdt.
[…]

c. zij verlenen geen bijzonder statuut aan de leden van de strijdkrachten of van gewapende groepen, die in handen van de vijand zijn gevallen. Evenmin als art. 3, voor het P II een bijzondere categorie van beschermde personen in of aparte juridische statuten. Het lid van de strijdkrachten en de burger, van zijn vrijheid beroofd om redenen die verband houden met het conflict, kunnen aanspraak maken op dezelfde rechtsbescherming ([…] art. 6 ‘Strafvervolgingen’). De nationale wet ddd blijft van kracht. Dit betekent dat de overheid het recht behoudt verdachten te vervolgen en eventueel te veroordelen wegens misdrijven in verband met het conflict. Het P II [s]taat de berechting niet in de weg van een lid van een opstandige gewapende groep wegens het grijpen naar de wapens. Het erkent in diens hoofde noch de hoedanigheid van combattant noch het statuut van krijgsgevangene”.40

Het van kracht zijn van Aanvullend Protocol II – ruimer gezegd: van normen van internationaal humanitair recht die betrekking hebben op gewapende conflicten van een niet-internationaal gewapend karakter – laat de toepasselijkheid van de nationale wet dus onverlet en staat niet eraan in de weg de leden van de gewapende oppositiegroep te berechten ter zake van het deelnemen aan de vijandelijkheden.

55. Ook in het onderzoek van het ICRC naar internationaal humanitair gewoonterecht wordt ondubbelzinnig vastgesteld dat het nationale recht van toepassing blijft:

“Persons taking a direct part in hostilities in non-international armed conflicts are sometimes labelled ‘combatants’. […]

However, this designation is only used in its generic meaning and indicates that these persons do not enjoy the protection against attack accorded to civilians, but does not imply a right to combatant status or prisoner-of-war status, as applicable in international armed conflicts […].


The lawfulness of direct participation in hostilities in non-international armed conflicts is governed by national law.”41

56. Van recenter datum zijn twee belangrijke publicaties – die van de eerder genoemde Sivakumaran en Crawford – over niet-internationaal gewapende conflicten en de positie of hoedanigheid van ‘combattanten’ daarin. In deze publicaties wordt de combattantenstatus enkel voorbehouden aan betrokkenen in een internationaal gewapend conflict en uitgesloten voor degenen die bij een niet-internationaal gewapend conflict betrokken zijn. Bij gebrek aan een combattanten-status kunnen de leden van een gewapende oppositiegroep op grond van het nationale recht worden vervolgd, meer in het bijzonder wegens het opnemen van de wapens en elk ander feit dat in het kader daarvan wordt gepleegd ongeacht of het feit rechtmatig was krachtens internationaal humanitair recht, aldus Sivakumaran:

“Pursuant to international humanitarian law applicable in international armed conflict, combatants who violate that law are at least in theory, prosecuted for war crimes, but those who respect the law are immune from prosecution. This should be contrasted with the situation in non-international armed conflicts, in which fighters may be prosecuted under the state’s domestic law for taking up arms and for any act committed in the course of the conflict, regardless of whether or not that act was lawful under international humanitarian law.”

57. Ook Crawford is helder:

“By definition, any person who participates in an internal armed conflict who is not a member of the State’s armed forces is an ‘unlafwul combatant’ – that is, a person who is not immunized for their warlike acts under international law. Such persons do not fulfil the requirements of combatancy since that category only exists for specific persons in international armed conflict.

[…]

Combatant status and the attendant POW rights are categorically denied to non-State participants in non-international armed conflicts.”42

En:

“There is also nothing in the customary international law that replicates combatant status and combatant immunity for persons who participate in non-international armed conflicts.”43

58. Voor het tegenovergestelde standpunt – dat de combattanten-status wel zou toekomen aan gewapende oppositiegroepen in een niet-internationaal gewapend conflict – is namens de verdachten op de vele terechtzittingen van het hof (en de rechtbank) niet méér aangevoerd dan dat het wenselijk zou zijn of gewoonweg zo is. Ook in cassatie wordt voor dat standpunt geen enkele (rechts)bron aangehaald. Als zodanig kan niet worden aangemerkt het uit 2010 daterende standpunt van het ICRC waarin – onder de titel “Challenges for IHL-terrorism: overview” – het onderscheid wordt benadrukt tussen IHL en terrorismeregelgeving:

“A crucial difference between IHL and the legal regime governing terrorism is that IHL is based on premise that certain acts of violence in war – against military objectives and personnel – are not prohibited. Any act of ‘terrorism’, however, is by definition prohibited and criminal. The two legal regimes should not be blurred given the different logic and rules that apply. This is particularly important in situations of non-international armed conflict, where a ‘terrorist’ designation may act as an additional disincentive for organized armed groups to respect IHL (they are already subject to criminal prosecution under domestic law).”44

59. Aan het hier aangebrachte onderscheid liggen pragmatische overwegingen ten grondslag – namelijk het bevorderen van de naleving van internationaal humanitair recht door gewapende oppositiegroepen – en hieruit kan ik niet opmaken dat aan de (leden van) een gewapende oppositiegroep immuniteit toekomt of dat het nationale strafrecht niet kan worden toegepast. Integendeel zelfs. Er staat dat die leden reeds onderworpen zijn aan strafrechtelijke vervolging krachtens nationaal recht: “they are already subject to criminal prosecution under domestic law”.

60. In een recent artikel voert Ohlin een aantal redenen aan op grond waarvan hij de combattanten-status bepleit voor gewapende oppositiegroepen in een niet-internationaal gewapend conflict. Dat doet hij vanuit een conceptueel en vanuit een beleidsmatig perspectief. Met conceptueel heeft hij het oog op de omstandigheid dat ook niet-statelijke actoren in staat zijn de formele vereisten te vervullen die aan een collectieve strijdmacht worden gesteld. Daarbij denkt hij aan een commandostructuur, het dragen van onderscheidingstekenen, het openlijk dragen van de wapens en het naleven van de wetten en gebruiken van de oorlog.45 Beleidsmatig zou het toekennen van de combattanten-status in het hier bedoelde geval een belangrijke prikkel kunnen zijn voor de oppositiegroepen om zich te houden aan de regels van het internationaal humanitair recht.46Ohlin stelt echter voorop dat:

“It would be foolish to argue that this principle is embodied in customary international law since most states (or at least their official statements) reject the right of rebels to engage in combatancy against the state.”47

61. Ook David lijkt het begrip combattanten (en daarmee ook de combattanten-status) voor een niet-internationaal gewapend conflict niet te willen uitsluiten maar dan, net als trouwens Ohlin, wel met overneming van de vier voorwaarden die worden gesteld om als combattant in een internationaal gewapend conflict te worden aangemerkt. Daarbij ziet David overigens een sterk praktisch probleem onder ogen: in de praktijk valt niet goed in te zien hoe aan al die eisen kan worden voldaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Om dat probleem wat minder knellend te maken doet hij een voorstel dat hier verder niet van belang is.48

62. Melzer gebruikt een geheel ander onderscheidend criterium om combattanten aan te wijzen in de door de ICRC gepubliceerde Interpretive Guidance on the Notion of Direct Participation in Hostilities under International Humanitarian Law. Onder “armed forces of a non-State party to the conflict” verstaat hij “individuals whose continuous function is to take a direct part in hostilities”. Dat criterium dient er echter enkel toe om een onderscheid te kunnen maken tussen burgers enerzijds en gewapende oppositiegroepen anderzijds opdat de staat niet alle burgers die tegen de staat strijden als lid van de gewapende oppositiegroep aanmerkt.49 Ook Melzer beklemtoont dat het criterium “continuous combat function” geen combattanten-status impliceert.50

63. Sivakumaran relativeert het ontbreken van immuniteit voor ‘combattanten’ in een niet-internationaal gewapend conflict door te wijzen op “some practice suggesting that the principle of combatant immunity can be applied in certain non-international armed conflicts. This is particularly true of non-international armed conflicts that are of a significant magnitude and extended duration.” Hierop volgen voorbeelden van verschillende niet-internationaal gewapende conflicten waarin leden van de gewapende oppositiegroepen na het beëindigen van het gewapende conflict niet strafrechtelijk zijn vervolgd op grond van hun enkele deelname aan de vijandelijkheden.51Deze voorbeelden doen vermoeden, aldus Sivakumaran, dat “combatant immunity or its functional equivalant is more embedded in the practice of non-international armed conflicts than the law suggests.”52

64. Bij de voorbeelden die Sivakumaran geeft, en andere relativerende voorbeelden, moet niet uit het oog worden verloren – en dat is voor de onderhavige zaak en de samenhangende zaken van belang – dat deze betrekking hebben op gewapende conflicten waarbij de strijdende partijen zelf overeen zijn gekomen dat de gewapende oppositiegroepen niet vervolgd zullen worden voor het enkele deelnemen aan de vijandelijkheden. Deze situatie sluit aan bij het bepaalde in art. 6, vijfde lid, Aanvullend Protocol II. Artikel 6 ziet blijkens het opschrift op “penal prosecutions” en blijkens het eerste lid meer specifiek op “the prosecution and punishment of criminal offences related to the armed conflict”. Het vijfde lid houdt in dat bij beëindiging van de vijandelijkheden “the authorities in power shall endeavour to grant the broadest possible amnesty to persons who have participated in the armed conflict, or those deprived of their liberty for reasons related to the armed conflict, whether they are interned or detained.”53

65. De voorbeelden van Sivakumaran zien welbeschouwd op amnestieverlening door de staat waartegen de gewapende oppositiegroep heeft gestreden. Sivakumaran verwoordt het als volgt:

“Although amnesties are by no means the same as combatant immunity – amnesties exist after the fact while combatant status and immunity exists at the outset – amnesties are, in many ways, a functional equivalent of combatant immunity in that both prevent fighters from being prosecuted under domestic law for taking part in the conflict and for committing lawful acts of war. This type of amnesty is encouraged and greater use could be made of Article 6(5) of Additional Protocol II in this regard. Indeed, an argument could be made that, pursuant to Article 6(5), at the end of the hostilities the relevant authorities are obliged, if not actually to grant amnesties, actively to consider the granting of amnesties.”54

66. Het niet strafrechtelijk vervolgen van leden van een gewapende oppositiegroep in een niet-internationaal gewapend conflict is zo bezien geen equivalent van een op internationaal niveau bestaande immuniteit, maar een beslissing op nationaal niveau om amnestie te verlenen. Van een verplichting amnestie te verlenen of van strafrechtelijke vervolging af te zien ter zake van het enkele deelnemen aan de vijandelijkheden is evenwel geen sprake. Crawford schrijft daarover:

“The provision of amnesty is, however, entirely discretionary on the part of the authorities, and thus does not amount to a pre-war immunity from criminal prosecution.

[…]

Furthermore, the growth in post-war amnesties and other forms of transitional justice has demonstrated an emergent trend of States waiving criminal prosecutions against persons who have participated in internal armed conflicts, in favour of achieving greater political and social aims.”55

67. Nog afgezien van de betekenis die zo een amnestie zou hebben voor de vraag of de verdachten in Nederland vervolgd zouden kunnen worden, is niet aangevoerd dat Sri Lanka een dergelijke amnestie heeft afgekondigd.

68. Nog een reden waarom de toepasselijkheid van internationaal humanitair recht in een niet-internationaal gewapend conflict de werking van het nationale strafrecht niet opzijzet, is te vinden in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève 1949. Het vierde lid houdt in dat de toepassing van de voorafgaande onderdelen van gemeenschappelijk artikel 3 “shall not affect the legal status of the Parties to the conflict.”56 Hieruit wordt opgemaakt dat de soevereiniteit van de staat op wiens territoir het gewapend conflict plaatsvindt, niet wordt beperkt door de constatering dat gemeenschappelijk artikel 3 op dat gewapend conflict van toepassing is. In een van de ICRC commentaren is dat als volgt toegelicht:

“It makes it absolutely clear that the object of the clause is a purely humanitairian one, that is in no way concerned with the internal affairs of States, and that it merely ensures respect for the few essential rules of humanity which all civilized nations consider as valid everywhere and in all circumstances. Consequently, the fact of applying Article 3 does not in itself constitute any recognition by the de jure Government that the adverse Party has authority of any kind; it does not limit in any way the Government’s right to suppress a rebellion by all the means – including arms – provided by its own laws; nor does it in any way affect that Government’s right to prosecute, try and sentence its adversaries, according to its own laws.”57

69. Ik meen dan ook dat op de soevereiniteit van een staat een inbreuk wordt gemaakt indien de nationale strafwet niet zou mogen worden toegepast op feiten die op zijn grondgebied zijn begaan gedurende een gewapend conflict van een niet-internationaal gewapend karakter.

70. Tot besluit kan nog worden gewezen op het al genoemde, omvangrijke onderzoek dat onder auspiciën van het ICRC is uitgevoerd en is uitgemond in het standaardwerk Customary International Humanitarian Law. In de toelichting op het tweede middel in de zaak- [R. S.] (sub 2.6) – en dit geldt eveneens voor de toelichting op het tweede middel in de zaak- [T. E.] – wordt op dit standaardwerk een beroep gedaan ter ondersteuning van de stelling dat voor “zover de gedragingen van de LTTE de drempel van ‘normale krijgshandelingen’ niet overschrijden […] de Nederlandse rechter hier niets mee van doen” heeft. Alleen het nationale strafrecht van Sri Lanka zou mogen worden toegepast omdat Sri Lanka “heeft te gelden als de betrokken staat die uitsluitend de bevoegdheid heeft om strafbare feiten, in casu reguliere krijgshandelingen, begaan door leden van een gewapende oppositionele groep (de LTTE) in verband met een intern gewapend conflict, volgens zijn commune strafrecht te vervolgen en te bestraffen.”58

71. Met betrekking tot de toepasselijkheid van het nationale recht, houdt Customary International Humanitarian Law, het volgende in (vanwege het belang ervan haal ik het citaat nog eens aan):

“Persons taking a direct part in hostilities in non-international armed conflicts are sometimes labelled ‘combatants’. […] However, this designation is only used in its generic meaning and indicates that these persons do not enjoy the protection against attack accorded to civilians, but does not imply a right to combatant status or prisoner-of-war status, as applicable in international armed conflict. […] The lawfulness of direct participation in hostilities in non-international armed conflicts is governed by national law. While such persons could also be labelled ‘fighters, this term would be translated as ‘combatant’ in a number of languages and is therefore not wholly satisfactory either.”59

72. Uit de tekst leid ik niet af dat met “national law” wordt gedoeld op het nationale recht van de staat waar het gewapend conflict zich afspeelt, en evenmin dat daarmee het nationale recht van andere staten zou worden uitgesloten. Bovendien wordt “national law” hier gebruikt als tegenstelling tot “customary international law in international armed conflict”. Uit het onderzoek naar gewoonterechtelijk IHL blijkt dat het nationale strafrecht kan worden toegepast op strafbare feiten die worden begaan in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict. Het tegendeel dus van hetgeen in het middel wordt betoogd.

73. Bij deze stand van zaken kom ik tot de conclusie dat er geen regel van internationaal (gewoonte)recht kan worden aangewezen waaruit zou volgen dat leden van een gewapende groep – of de gewapende groep zelf – die deelnemen aan vijandelijkheden in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3 en Aanvullend Protocol II, enige vorm van immuniteit genieten.

74. Zie ook het Supreme Court voor het Verenigd Koninkrijk in de zaak Regina versus Gul van 23 oktober 2013 waarin het overweegt:

“In international humanitarian law, it appears that insurgents in non-international armed conflicts do not enjoy combatant immunity.”60

75. En het HvJ EU oordeelt in zijn arrest van 16 oktober 2014 (LTTE t. Raad van de EU):

“Wat de eventuele omstandigheid betreft dat de terroristische daden afkomstig zijn van „vrijheidsstrijders” of vrijheidsbewegingen die zich in een gewapend conflict met een „onderdrukkende regering” bevinden, volgt eveneens uit de bovenstaande overwegingen dat deze irrelevant is. Een dergelijke uitzondering op het verbod van terroristische daden in situaties van gewapend conflict heeft geen enkele grondslag in het Unierecht en zelfs niet in het internationale recht. Daarin wordt geen enkel onderscheid naargelang de hoedanigheid van de pleger of de doelstellingen die hij nastreeft gemaakt bij hun veroordeling van terroristische daden.”61

76. Nu er geen “uitzonderingen in het volkenrecht erkend” zijn die de toepasselijkheid van de Nederlandse wet beperken, stel ik mij op het standpunt dat de werking van het nationaal strafrecht niet wordt uitgesloten doordat het internationaal humanitair recht van toepassing is op een niet-internationaal gewapend conflict.

77. Voor dit standpunt vind ik voorts steun in het Kesbir-arrest van de Hoge Raad waarop het hof een beroep heeft gedaan. Op dit arrest ga ik afzonderlijk in omdat over de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven, in de toelichting op het tweede middel- [R. S.] wordt geklaagd (en zo ook in de toelichting op het tweede middel in de zaak- [T. E.] ).

II.1.2.3. Toepasselijkheid van commuun strafrecht/het Kesbir-arrest van de Hoge Raad

78. In verband met de toepasselijkheid van het commune strafrecht op feiten die zijn begaan in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict, is voorts van belang dat de Hoge Raad in het Kesbir-arrest – het betrof een verzoek tot vervolgingsuitlevering van de kant van Turkije – de opvatting heeft verworpen dat “het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld.”62

79. Het tweede middel- [R. S.] (idem het tweede middel- [T. E.] ) behelst tevens de klacht dat het hof een onjuiste uitleg aan het Kesbir-arrest zou hebben gegeven. De zaak had betrekking op feiten die zouden zijn begaan in het kader van het gewapend conflict van een niet-internationaal karakter tussen de Koerdische organisatie PKK en de Turkse staat. Aangevoerd wordt dat de Hoge Raad heeft overwogen “dat de toepasselijkheid van artikel 3 van de Geneefse Conventies niet afdoet aan de bevoegdheid van de betrokken staat om strafbare feiten begaan door leden van een gewapende oppositionele groep tijdens een intern conflict volgens commuun strafrecht te vervolgen en te bestraffen.” Uit het Kesbir-arrest zou hooguit kunnen volgen dat het commune strafrecht van Sri Lanka op de feiten mag worden toegepast, en niet het Nederlandse commune strafrecht, omdat alleen Sri Lanka als de betrokken staat kan worden aangemerkt. Ook het eerste middel in de onderhavige zaak klaagt dat het hof de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak-Kesbir verkeerd heeft geïnterpreteerd. Het hof zou “daaruit ten onrechte de conclusie [hebben] getrokken dat daarin is vastgesteld dat op een intern gewapend conflict elders in de wereld zowel het humanitaire oorlogsrecht als het Nederlandse commune strafrecht (met inbegrip van de bepalingen over terrorisme) van toepassing is.”

80. Ten behoeve van de beoordeling van de klachten, geef ik eerst de overwegingen weer waarin het hof heeft verwezen naar het Kesbir-arrest. Daarna volgen de overwegingen van de Hoge Raad over de verhouding tussen internationaal humanitair recht en het commune strafrecht.

81. De overwegingen van het hof luiden:

10.5. Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding

Ingevolge overweging 10.2.3.2. zal het hof thans overweging 11 van de Preambule van het Kaderbesluit bespreken, nu is vastgesteld dat er ten tijde van de ten laste gelegde periode sprake was van een intern gewapend conflict op Sri Lanka. Het hof stelt vast dat de Nederlandse wetgever niet gekozen heeft voor de optie om de uitsluitingsclausule van overweging 11 van de Preambule te implementeren in de door de Europese wetgever voorgeschreven terrorisme wetgeving. De Nederlandse wetgever was daartoe ook niet verplicht, de implementatieverplichting strekt zich immers enkel uit tot de artikelen van het Kaderbesluit en niet tot de Preambule. Het hof overweegt bovendien dat de Hoge Raad reeds in het Kesbir arrest heeft vastgesteld dat tijdens een intern gewapend conflict zowel het humanitaire oorlogsrecht als het commune strafrecht van toepassing is. Het hof stelt bovendien vast dat de Europese rechter van oordeel is dat, kortgezegd, de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van een gewapend conflict en op handelingen die in dat kader zijn verricht, de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet uitsluit. Concluderend stelt het hof vast dat Preambule 11 van het kaderbesluit geen beletsel is om de Nederlandse terrorismewetgeving in deze zaak toe te passen.

[…]

10.8.

Dubbele strafbaarheid

[…] Uit niets blijkt dat de Nederlandse wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden, gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict, uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op terroristische en andere commune geweldsmisdrijven. De strafbaarstelling van schendingen van het humanitair oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 WIM betekent niet dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.63 Het gebruik van geweld tijdens gewapende conflicten dient dan ook te worden gekwalificeerd als strafbaar naar commuun strafrecht en is (tevens) onderworpen aan terrorismeverdragen.

[…]

11.3.1.2. Aanslagen en aanvallen (Feit 1.A. sub b, c en d)

[…]

Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat er terzake van het ten laste gelegde feitencomplex in beginsel geen juridisch onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen aanvallen op burgers en aanvallen op militairen. Zoals het hof elders in het arrest heeft overwogen komt de LTTE, of een daarvan onderdeel uitmakende organisatie, geen beroep toe op het zogeheten combattantenprivilege en is het gebruik van het ten laste gelegde geweldsdaden onderworpen aan de regels van het nationaal (commuun) strafrecht. Ook heeft het hof vastgesteld dat het onderhavige gewapend conflict een niet-internationaal (intern) karakter heeft. In dit verband merkt het hof wederom op dat de Nederlandse wetgever nooit heeft beoogd om gewelddaden gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op terroristische en andere commune geweldsmisdrijven. De strafbaarstelling van schendingen van het humanitair oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 WIM, waarover hierna meer, betekent immers niet dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.64 Het gebruik van geweld tijdens gewapende conflicten dient te worden gekwalificeerd als strafbaar naar commuun strafrecht en (tevens) onderworpen aan de van toepassing zijnde terrorismeverdragen. Of de LTTE het oogmerk had om burgerdoelen, militaire doelen, of beide aan te vallen maakt voor de bewezenverklaring niet uit.”

82. De Hoge Raad is in zijn tussenarrest van 10 december 2002 in de zaak-Kesbir uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen de toepasselijkheid van het commune strafrecht en die van IHL in verband met feiten die hebben plaatsgevonden in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict. Van belang is evenwel de context waarbinnen de verhouding tussen de toepasselijkheid van het commune strafrecht en het internationaal humanitair recht aan de orde kwam: de beoordeling van de voor uitlevering vereiste dubbele strafbaarheid. De voorwaarde van dubbele strafbaarheid brengt mee dat de overwegingen van de Hoge Raad niet alleen betrekking hebben op de toepasselijkheid van het Turkse strafrecht, maar tevens van betekenis zijn voor de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht. In het Kesbir-arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“3.3 Dubbele strafbaarheid

3.3.1

De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn strafbaar gesteld bij art. 168 van het Turkse Wetboek van Strafrecht, in verbinding met de art. 125, 131, 146, 147, 149 en/of 156 van dat Wetboek. Ingevolge die bepalingen kunnen de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste een jaar.

3.3.2

Wat betreft de strafbaarheid naar Nederlands recht komt hier in aanmerking art. 140 Sr. In een zodanig geval is vereist dat het oogmerk van de organisatie is gericht op het begaan van strafbare feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld als misdrijven (hierna ook: de onderliggende feiten). Daarvan is ook de verdediging terecht uitgegaan.

3.3.3

Namens de opgeëiste persoon is ten verwere aangevoerd dat de feiten waarop bedoeld oogmerk was gericht, niet strafbaar zijn naar Nederlands recht, nu deze zijn begaan in het kader van een gewapend conflict van een niet internationaal karakter zoals bedoeld in het gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Conventies (hierna: intern gewapend conflict). Ter toelichting op dit verweer is aangevoerd dat het in dat gemeenschappelijk art. 3 vervatte humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is op een zodanig intern gewapend conflict, zodat wat betreft de gewapende aanvallen door de PKK op Turkse militaire doelen — welke volgens de verdediging zijn gepleegd in het kader van een intern gewapend conflict tussen de PKK en de Turkse Staat — die aanvallen door dat oorlogsrecht niet worden verboden en dus niet strafbaar zijn. In dit verband is betoogd dat voor de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht uitsluitend behoort te worden getoetst aan de voorschriften van het oorlogsstrafrecht, meer in het bijzonder art. 6 Wet internationale misdrijven, en niet aan de bepalingen van het commune strafrecht.

3.3.4

Wat betreft de feitelijke grondslag van het verweer verdient opmerking dat daarbij over het hoofd wordt gezien dat in de uiteenzetting van de onderliggende feiten ook melding wordt gemaakt van aanslagen op dorpen en burgers. Daaruit volgt dat niet gezegd kan worden dat het optreden van de PKK in zoverre uitsluitend gericht was op het plegen van feiten tegen Turkse militairen en militaire doelen. Dat het oogmerk van de PKK tevens gericht was op het bereiken van bepaalde politieke doeleinden, is voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid niet relevant.

3.3.5

Afgezien van hetgeen hiervoor onder 3.3.4 is overwogen, kan bij de beoordeling van het verweer in het midden blijven of te dezen sprake is van een intern gewapend conflict en in hoeverre de onderliggende feiten betrekking hebben op militaire doelen. Ook indien daarvan moet worden uitgegaan, kan het verweer niet slagen aangezien de opvatting die daaraan kennelijk ten grondslag ligt onjuist is.

3.3.6

Genoemd gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Conventies verbiedt, kort gezegd en voorzover hier van belang, ieder van de bij een intern gewapend conflict betrokken partijen ten aanzien van personen die niet of niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen, aanslagen op hun leven of lichamelijk geweld te plegen. Zowel Nederland als Turkije is partij bij die Conventies. Uit de wordingsgeschiedenis van genoemd art. 3 blijkt dat de totstandkoming van die bepaling voortvloeide uit de wens om regels van het op internationale gewapende conflicten van toepassing zijnde humanitair oorlogsrecht, neergelegd in genoemde Conventies, welke als essentieel worden erkend door beschaafde Naties, ook van toepassing te doen zijn op een intern gewapend conflict. Het doel daarvan was dus de bescherming van bedoelde personen in geval van een intern gewapend conflict en tevens het leggen van een juridische basis voor interventies van menslievende aard door het Internationale Rode Kruis of enige andere onpartijdige internationale hulpverleningsorganisatie, zonder dat deze interventies zouden kunnen worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de interne aangelegenheden van de bij het conflict betrokken Staat. Art. 3 houdt minimumnormen in waaraan de strijdende partijen zich jegens meerbedoelde personen hebben te houden en strekt, zoals opgemerkt, ter bescherming van hen.

3.3.7

De omstandigheid dat meergenoemd artikel — dat geen verplichting inhoudt voor de verdragsluitende partijen om bepaalde handelingen strafbaar te stellen — van toepassing is, doet niet af aan de bevoegdheid van de betrokken Staat om strafbare feiten, begaan door leden van een gewapende oppositionele groep in verband met een intern gewapend conflict volgens zijn commune strafrecht te vervolgen en te bestraffen. Uit art. 3 vloeit naar zijn aard dus niet voort dat anderen dan de niet aan de strijd deelnemende personen geen bescherming toekomt tegen aanslagen op hun leven of tegen lichamelijke geweldpleging. Dit artikel legitimeert zodanige handelingen niet. Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld. Een van het voorgaande te onderscheiden vraag is overigens of in het concrete geval sprake is van een politiek delict met als gevolg dat de uitlevering om die reden ontoelaatbaar moet worden verklaard. Die vraag wordt hierna onder 3.4 onderzocht.

3.3.8

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de strafbaarstelling van schendingen van het humanitaire oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 Wet internationale misdrijven, niet betekent dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.

3.3.9

Naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, strafbaar gesteld bij art. 140 Sr in verbinding met art. 289 en/of art. 303 Sr. Op grond van die bepalingen kunnen zij naar Nederlands recht worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste een jaar. Weliswaar heeft de verzoekende Staat geen met de genoemde art. 289 en 303 Sr corresponderende strafbepalingen overgelegd, maar het is van algemene bekendheid dat de in die artikelen strafbaar gestelde gedragingen ook naar het recht van de verzoekende Staat strafbaar zijn gesteld met een straf in de zin van art. 2, eerste lid, EUV en dat die strafbepalingen strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed als de Nederlandse strafbaarstellingen.

3.3.10

Uit het vorenstaande volgt dat te dezen is voldaan aan het vereiste inzake de dubbele strafbaarheid als bedoeld in art. 2, eerste lid, EUV.”

83. Uit deze overwegingen van de Hoge Raad leid ik – met het onderhavige hof – af dat schendingen van het humanitaire oorlogsrecht in het kader van een niet-internationaal (intern) gewapend conflict niet alleen worden bestreken door de strafbaarstelling daarvan in de Wet internationale misdrijven, maar ook kunnen zijn onderworpen aan de strafbepalingen uit het commune strafrecht. Anders dan waarvan de bedoelde middelen uitgaan, beperkt de Hoge Raad zich in het Kesbir-arrest niet tot alleen de toepasselijkheid van de Turkse strafwet.

84. Indien eenmaal mag worden aangenomen dat het commune strafrecht van kracht is, doet het er voor de verhouding tussen het commune strafrecht en het IHL niet toe of vervolgens het strafrecht van de “betrokken” staat wordt toegepast – zoals in casu Sri Lanka – of van een andere staat, zoals Nederland. Daarbij zij terzijde opgemerkt dat de kwestie van de rechtsmacht is te onderscheiden van de vraag naar de strafbaarheid van de gedraging als zodanig. In cassatie wordt echter niet gesteld dat Nederland geen rechtsmacht over de feiten zou toekomen, en evenmin is die stelling op de terechtzittingen in hoger beroep betrokken.

85. Deze klacht van het onderhavige eerste middel faalt, en zo ook de daaraan verwante klachten uit de genoemde samenhangende zaken.

II.1.2.4. Kwalificatie van gedragingen als terroristische misdrijven in het kader van een gewapend conflict/het internationaal humanitair recht

86. Verder bevat de toelichting op het tweede middel- [R. S.] (en zo ook in de zaak- [T. E.] ) de klacht dat het hof “het Kaderbesluit in strijd met de bewoordingen ervan [heeft] uitgelegd en de Nederlandse wetgeving in de zaak [heeft] toegepast.” De klacht maakt deel uit van het middel dat inhoudt dat het hof “het verweer inhoudende dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet als terroristische handelingen dienen te worden beschouwd”. Waarover in die zaken precies wordt geklaagd, is mij niet helemaal duidelijk. Houdt de klacht in dat het hof de feiten niet bewezen had mogen verklaren omdat het terroristisch oogmerk ontbreekt, waarop het middel lijkt te doelen voor zover het inhoudt dat de handelingen “niet als terroristische handelingen dienen te worden beschouwd”? Of kunnen de bewezenverklaarde feiten rechtens niet worden gekwalificeerd omdat de Nederlandse wetgeving inzake terroristische misdrijven aldus moet worden uitgelegd dat deze geen betrekking heeft op de bewezenverklaarde feiten voor zover deze zijn begaan in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict waarop het IHL van toepassing is?; daarop lijkt de zinsnede “en de Nederlandse wetgeving in de zaak toegepast” te wijzen. De klacht in de toelichting op het middel- [R. S.] ziet op de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet terwijl het middel naar de letter betrekking heeft op de bewezenverklaring.

87. Eenzelfde vraag – waarop heeft de klacht precies betrekking? – doet zich voor bij het corresponderende eerste middel in de onderhavige zaak. Het eerste middel voert aan dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat de handelingen van de LTTE (en daaraan aanverwante organisaties) tijdens het niet-internationaal gewapend conflict op Sri Lanka als handelingen van een terroristische organisatie kunnen worden aangemerkt en dat bij die handelingen sprake is geweest van een terroristisch oogmerk”. Deze klacht knoopt volgens de steller van het middel aan bij wat hij aanduidt als de kern van het ter ’s hofs terechtzittingen gevoerde verweer “dat sprake is van een ‘waterscheiding’ tussen – kort gezegd – terroristische feiten enerzijds en handelingen die vallen onder het bereik van het internationale humanitaire recht anderzijds: het juridisch raamwerk dat bepalend is voor de beoordeling van handelingen die vallen onder het bereik van het internationale humanitaire recht sluit de toepassing van de rechtsregels voor de bestrijding van terrorisme uit.” Daarbij sluit weer aan de in het eerste middel vervatte klacht dat het hof verzuimd zou hebben te reageren op het beroep dat door de verdediging is gedaan op art. 21 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme.

88. Ik lees de klacht die in de zaken [R. S.] en [T. E.] is voorgesteld, bezien in samenhang met de in hoger beroep gevoerde verweren, aldus dat zij betrekking heeft op de kwalificatievraag, en wel in die zin dat het hof niet tot kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten had mogen komen gelet op de Wet terroristische misdrijven.

89. Dat ligt bij de klachten in de onderhavige zaak van de verdachte net iets anders. Volgens die klachten zou van terrorisme geen sprake kunnen zijn omdat uit bepalingen van de internationale instrumenten die toegespitst zijn op terrorisme blijkt, dat deze instrumenten geen betrekking hebben op gedragingen die tot het IHL worden gerekend. Consequent doorgeredeneerd zouden deze klachten er dan op neerkomen dat het hof het tenlastegelegde terroristisch oogmerk niet bewezen had mogen verklaren. In zoverre stellen de klachten in de onderhavige zaak de bewijskwestie aan de orde.

90. Ik neem aan dat al deze klachten moeten worden geplaatst in het kader van het onder 1A tenlastegelegde en bewezenverklaarde terroristisch oogmerk. De andere tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten (1B en 2) hebben immers geen betrekking op wat naar Nederlands recht kan worden aangemerkt als terroristische misdrijven. Om dit te verduidelijken, geef ik de onder 1A, 1B en 2 door het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten weer:65

“Feit 1. De internationale criminele organisatie

1.A.

hij in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka telkens tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [R. S.] en/of [S. R.] en/of [L. T.] en/of [betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ) en/of [betrokkene 2] (alias [betrokkene 2] ) en/of [betrokkene 3] (alias [betrokkene 3] ) en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) te weten:

a) het voorhanden hebben en/of overdragen van wapens en munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie) te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet wapens en munitie) en

b) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en

c) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 WvSr) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en

d) doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en

e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot eerder vermelde misdrijven en/of

f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a van het Wetboek van Strafrecht)

(art. 140a Wetboek van Strafrecht)

en

1.B.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka als leider telkens tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [R. S.] en/of [S. R.] en/of [L. T.] en/of [betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ) en/of [betrokkene 2] (alias [betrokkene 2] ) en/of [betrokkene 3] (alias [betrokkene 3] ) en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) te weten:

a) het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafrecht, met ingang van 10 augustus 2004) en/of

b) het onder de wapenen roepen en/of in militaire dienst nemen en/of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen beneden de vijftien jaar in een niet-internationaal gewapend conflict (op het grondgebied van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven) een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) en

c) het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers in Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) en

d) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 en 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) en

e) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) en

f) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) en

g) doodslag, (zoals bedoeld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht) en

h) moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en

i) de opzettelijke voorbereiding van eerder vermelde misdrijven.

(art. 140 Wetboek van Strafrecht)

2. De nationale criminele organisatie

hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [R. S.] en/of [S. R.] en/of [L. T.]

en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

d) (gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en

e) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen opzettelijk begaan en

f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) en

h) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven.

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)”

91. Het onder 1A tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is gestoeld op art. 140a Sr, welk artikel is ingevoegd bij de op 10 augustus 2004 in werking getreden Wet terroristische misdrijven.66 In artikel 140a Sr is strafbaar gesteld “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”.67

II.1.2.4.1. Toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving ingeval van terroristische misdrijven

92. Op de terechtzittingen van het hof is aangevoerd dat de Nederlandse wet betreffende terroristische misdrijven, en dan in het bijzonder art. 140a Sr, niet op de verdachte en de medeverdachten mag worden toegepast omdat uit de preambule onder 11 Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding volgt dat de handelingen die aan de verdachte en de medeverdachten zijn tenlastegelegd niet mogen worden aangemerkt als terroristische misdrijven, maar dienen te worden beoordeeld op basis van en naar de maatstaven van IHL.

93. Het Kaderbesluit 2002/475/JBZ terrorismebestrijding heet voluit: Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding 2002/475/JBZ. De preambule luidt onder 11 als volgt:

“Dit kaderbesluit is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch is het van toepassing op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht”.68

94. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe in zijn arrest overwogen:

“10.5 Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding

[…]

Het hof stelt vast dat de Nederlandse wetgever niet gekozen heeft voor de optie om de uitsluitingsclausule van overweging 11 van de Preambule te implementeren in de door de Europese wetgever voorgeschreven terrorisme wetgeving. De Nederlandse wetgever was daartoe ook niet verplicht, de implementatieverplichting strekt zich immers enkel uit tot de artikelen van het Kaderbesluit en niet tot de Preambule. Het hof overweegt bovendien dat de Hoge Raad reeds in het Kesbir arrest heeft vastgesteld dat tijdens een intern gewapend conflict zowel het humanitaire oorlogsrecht als het commune strafrecht van toepassing is. Het hof stelt bovendien vast dat de Europese rechter van oordeel is dat, kortgezegd, de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van een gewapend conflict en op handelingen die in dat kader zijn verricht, de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet uitsluit.

Concluderend stelt het hof vast dat Preambule 11 van het kaderbesluit geen beletsel is om de Nederlandse terrorisme wetgeving in deze zaak toe te passen.”

95. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat hij hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd met betrekking tot de preambule onder 11 van het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding heeft opgevat als een verweer dat ertoe strekt dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing kan of mag zijn op “handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht”. Het zal duidelijk zijn dat de geciteerde bewoordingen zijn overgenomen uit de preambule onder 11. De uitleg van een ter terechtzitting gevoerd verweer is voorbehouden aan de feitenrechter. Ik meen dat de uitleg die het hof ter zake aan het verweer heeft gegeven niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, en in cassatie verder niet kan worden getoetst.

96. Bij de beoordeling van de klacht dat het hof niet tot kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten had mogen komen krachtens de Wet terroristische misdrijven – omdat de Nederlandse wetgeving op die feiten niet van toepassing kan of mag zijn – moet worden vooropgesteld dat wanneer de Nederlandse strafwet toepasselijk is verklaard, slechts een beperking daarop kan worden gevonden in de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Voor de Nederlandse rechter is daarom maar een beperkte rol weggelegd bij het beoordelen van de wijze waarop de Nederlandse wetgever rechtsmacht heeft gevestigd.

97. Verder moet worden vooropgesteld dat voor de uitleg van de wet in de eerste plaats de tekst van de wet bepalend is. De tekst van de wet biedt geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat de wet niet van toepassing zou zijn op gedragingen die worden begaan in het kader van een gewapend conflict ongeacht het internationale of het niet-internationale karakter ervan. Ook de parlementaire voorbereiding van de Wet terroristische misdrijven, waarbij art. 140a Sr is ingevoegd, biedt daarvoor geen aanwijzing. Datzelfde geldt voor zover in de toelichting op het tweede middel- [R. S.] een beroep is gedaan op de preambule onder 11 van Kaderbesluit 2002/475/JTB inzake terrorismebestrijding. Bij de parlementaire voorbereiding van de Wet terroristische misdrijven is een mogelijk beperkende werking van dit onderdeel van de preambule in het geheel niet aan de orde geweest.69 Uit de wordingsgeschiedenis van de Wet terroristische misdrijven kan daarentegen wel worden afgeleid dat de wetgever zich niet heeft willen beperken tot slechts het uitvoering geven aan verplichtingen die zijn vervat in het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding. Van regeringswege is aangegeven dat is gekozen voor een “royale implementatie” van het Kaderbesluit, welke keuze “er vooral toe [heeft] geleid dat bestaande ernstige misdrijven, begaan met terroristisch oogmerk, in ruimere mate als terroristisch misdrijf zijn aangewezen dan bij een enge implementatie wellicht mogelijk zou zijn geweest.”70

98. Voorts blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de Wet terroristische misdrijven dat daarbij (wel) aandacht is besteed aan de mogelijkheid dat gewelddadige acties die ten doel hebben “het repressieve apparaat van een abject regime aan te tasten” worden aangemerkt als terroristische misdrijven.71

99. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer kwam senator Kox hierop terug:

“Wij hebben het over terrorisme. Collega Rosenthal sprak over nieuw, catastrofaal terrorisme, maar er zijn natuurlijk nog tal van andere soorten terrorisme. Je hebt crimineel terrorisme waar terreur een middel is om tot zelfverrijking te komen. Dat is een ander soort terrorisme. Je hebt ideologische geïnspireerd terrorisme. Je hebt terrorisme dat op zich een redelijk doel, bijvoorbeeld de bevrijding van een land of de verwijdering van een abject regime nastreeft, met ongepermitteerde middelen. Is het niet buitengewoon gevaarlijk om dit allemaal in één begrip in deze wet te vatten? Collega De Wolff verwees al naar een aantal organisaties die lange tijd min of meer gerespecteerd werden in Nederland, maar inmiddels door de Europese Unie als terroristische organisatie worden geduid. Ik noem als voorbeeld de organisatie van Sison en de Raad van verzet voor Iran die hier voor de deur handtekeningen ophaalde. Is het niet vreemd om dat allemaal op één hoop te gooien. Ik zou daar graag de mening van de minister over horen.”72

100. De kwestie was ook eerder aan de orde gesteld, in een hoorzitting van de vaste commissie voor Justitie. De mening van Y. Buruma, destijds hoogleraar straf(proces)recht te Nijmegen, is in het van die hoorzitting opgemaakte verslag als volgt weergegeven:

“Ik kom bij het punt van bepaalde terroristische misdrijven. Er bestaan honderden definities over. De Europese Unie is op anderhalf punt verder gegaan dan de rest van de wereld in wat in het algemeen wordt beschouwd als het beste verdrag qua definitie, te weten het internationaal verdrag tegen de financiering van terrorisme. Het gaat om het punt van de ontwrichting van de samenleving. In de Amerikaanse definitie van terrorisme staat ook dat het om burgerdoelen moet gaan. Dat vind ik een heel goed onderscheidend punt ten opzichte van militaire acties. In de Verenigde Naties is er altijd zoveel gedoe over: dit is bevrijdingsstrijd, optreden tegen Saddam Hoessein in plaats van terrorisme. Wij hebben er in Nederland niet zoveel mee te maken, maar dat neemt niet weg dat wij er bij rekrutering wel mee worden geconfronteerd. Kashmir is al een ingewikkeld punt, Tsjetsjenië idem dito met een sterretje. Er zijn wel meer definities mogelijk, maar aan de andere kant vind ik het niet zo gek dat men met het begrip ‘terroristische aanslagen’ is afgeweken van het oorspronkelijke BVD-concept, waarin het ook nog nadrukkelijk om mensenlevens moest gaan. Ik kan mij voorstellen dat je het iets verder uitbreidt.”73

101. Samengevat: uit de parlementaire voorbereiding van de Wet terroristische misdrijven kan worden opgemaakt dat in ogenschouw is genomen dat de gewapende strijd tegen een onderdrukkend regime, onder (bijzondere) omstandigheden kan worden aangemerkt als een terroristisch misdrijf. Dit heeft niet geleid tot een uitdrukkelijke beperking van de wetsbepalingen in de vorenbedoelde zin.

102. De klacht die zich keert tegen de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet faalt mitsdien.

103. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat een vergelijkbare kwestie zich in Engeland heeft voorgedaan met betrekking tot de vraag of de Engelse Terrorism Act 2006 van toepassing is op aanvallen die Al-Qaida, de Taliban en andere verboden groeperingen hebben uitgevoerd op militaire doelen in Tsjetsjenië en op coalitietroepen in Irak en Afghanistan. M. Gul was veroordeeld voor het verspreiden van terroristische publicaties als bedoeld in sectie 2 Terrorism Act 2006 zoals later aangevuld, door het op YouTube en andere internetadressen plaatsen van video’s. Op deze video’s waren beelden te zien van de hierboven genoemde aanvallen. De rechter instrueerde de jury dat aanvallen op coalitietroepen in Irak en Afghanistan in 2008 en 2009 moeten worden aangemerkt als terrorisme als bedoeld in de Terrorism Act 2000. In hoger beroep kwam de rechtsvraag centraal te staan of die instructie juist was: heeft, krachtens internationaal recht, de definitie van terrorisme naar internationaal gewoonterecht zich zo ontwikkeld dat een aanval door opstandelingen op militaire eenheden van een overheid geen terrorisme is?

104. In de zaak Regina versus Gul heeft het Court of Appeal geoordeeld dat er geen regel is van internationaal gewoonterecht die bepaalde aanvallen van gewapende oppositiegroepen op militairen van een overheid, van de definitie van terrorisme uitsluit:

“47. […] we conclude that, although international law may well develop through state practice or opinio juris a rule restricting the scope of terrorism so that it excludes some types of insurgents attacking the armed forces of government from the definition of terrorism, the necessary widespread and general state practice or the necessary opinio juris to that effect has not yet been established.
[…]
49. It seems to us, therefore, that there is nothing in international law which would exempt those engaged in attacks on the military during the course of an insurgency from the definition of terrorism.”74

105. In dezelfde uitspraak heeft het Court of Appeal beslist dat sectie 1 naar de letter toepasselijk is op aanvallen op militairen van een overheid of op de coalitietroepen in Afghanistan of Irak en dat internationaal recht niet ertoe dwingt om sectie 1 beperkt uit te leggen (“read down”):

“The definition in s.1 is clear. Those who attacked the military forces of a government or the Coalition forces in Afghanistan or Iraq with the requisite intention set out in the Act are terrorists. There is nothing in international law which either compels or persuades us to read down the clear terms of the 2000 Act to exempt such persons from the definition in the Act.”75

106. Aan het Supreme Court werd de vraag voorgelegd: “Does the definition of terrorism in section 1 of the Terrorism Act 2000 operate so as to include within its scope any or all military attacks by a non-state armed group against any or all state or intergovernmental organisation armed forces in the context of a non-international armed conflict?”.76

107. Het Supreme Court heeft in zijn uitspraak in de eerste plaats de stelling van de veroordeelde verworpen dat “terrorisme” zich niet uitstrekt over gedragingen van opstandelingen of “vrijheidsstrijders” in een niet-internationaal gewapend conflict. In de tweede plaats heeft het Supreme Court onderkend dat de definitie van terrorisme in VN Verdragen en verdragen van de Raad van Europa die betrekking hebben op terrorisme, activiteiten van gewapende groepen gedurende een gewapend conflict uitsluit. Daaraan voegde het Supreme Court echter toe dat over de precieze betekenis discussie kan bestaan terwijl het onmogelijk is te suggereren dat op dit punt een duidelijke en consistente benadering bestaat in de VN verdragen die hierop betrekking hebben:

“45. The appellant seeks to meet this point through the contention that, whereas there is no international agreement as to the meaning of terrorism, there is a general understanding that it does not extend to the acts of insurgents or “freedom fighters” in non-international armed conflicts. The short answer to this point is that, while there is significant support for such an idea, any such support falls far short of amounting to a general understanding which could be properly invoked as an aid to statutory interpretation.

[…]

47. It is true that there are UN Conventions and Council of Europe Conventions concerned with counter-terrorism, which define terrorism as excluding “activities of armed forces during an armed conflict”, but there is room for argument as to their precise effect, and, more importantly, it is quite impossible to suggest that there is a plain or consistent approach in UN Conventions on this issue.”77

108. Ten aanzien van de uitleg die moet worden gegeven aan terrorisme als bedoeld in sectie 1, heeft het Supreme Court overwogen dat er geen regel bestaat die voorschrijft dat de regering van het Verenigd Koninkrijk in wetgeving niet verder zou mogen gaan dan waartoe zij bij verdrag is verplicht:

“First, there is no rule that the UK government cannot go further than is required by an international treaty when it comes to legislating – the exercise is often known as “gold-plating”. It is not as if there is anything in either the 1997 or the 1999 Convention which excludes a signatory state going further than the requirements of the Convention, or anything in the 2000 Act which suggests that Parliament intended to go no further. That is not to say that gold-plating is never objectionable, but no argument was advanced on this appeal to suggest that there was any reason why it was objectionable in this case (save that considered and rejected in paras 44-51 above).

[…]

The 2006 Act takes the appellant’s argument no further. It is true that some of its provisions give effect to the UK’s obligations under the Council of Europe Convention on the Prevention of Terrorism 2005 and the International Convention for the Suppression of Acts of Nuclear Terrorism 2005. However, section 2 of the 2006 Act was not enacted to give effect to any international Convention, and, even if it had been and had gone further than the Convention concerned required, there is no reason why Parliament should not have gold-plated the legislation, as already explained.”78

109. De uitspraken van de Britse rechters in de zaak-Gul geven steun aan mijn standpunt dat er geen reden is de Nederlandse terrorismewetgeving beperkt uit te leggen in die zin dat zij geen betrekking heeft op gedragingen van (leden van) een gewapende oppositiegroep in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict. Hierbij merk ik op dat de zaak-Gul weliswaar hoofdzakelijk betrekking had op gedragingen die Gul in Engeland had begaan79, maar niettemin toch ook op feiten die zich buiten Engeland hadden afgespeeld, namelijk in Irak en Afghanistan. In zoverre zeggen deze uitspraken dus ook iets over de wijze waarop de gedragingen die buiten Engeland waren begaan worden gekwalificeerd, te weten als terrorisme naar Engels recht.

110. Indien aan het eerste middel in de onderhavige zaak (idem de desbetreffende klachten in de zaken [R. S.] en [T. E.] ) de opvatting ten grondslag ligt dat de wet in strijd is met het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding, stuit het af op het toetsingsverbod, nu het Kaderbesluit berust op art. 34 (oud) Verdrag betreffende de Europese Unie.80 Toetsing van de wet aan het kaderbesluit zou neerkomen op toetsing aan het verdrag.

111. Voor zover het eerste middel in de onderhavige zaak (gelijk de desbetreffende klachten in de zaken [R. S.] en [T. E.] ) wil betogen dat van een terroristisch oogmerk geen sprake kan zijn indien de tenlastegelegde feiten zien op handelingen “van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht”, wordt kennelijk gerefereerd aan de overweging van het hof dat “de Europese rechter van oordeel is dat, kortgezegd, de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van een gewapend conflict en op handelingen die in dat kader zijn verricht, de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet uitsluit.” Die overweging dient ter onderbouwing van het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat de preambule onder 11 geen beletsel is om de Nederlandse strafwet toe te passen. Dat oordeel is juist, en daaraan doet het beroep op het oordeel van de Europese rechter niet af. Overigens kom ik op het oordeel van de Europese rechter aanstonds terug en zal ik daarbij ook diens overwegingen over de uitleg van internationaal recht weergeven.

II.1.2.4.2. Internationale regelgeving inzake terrorisme niet van toepassing op gedragingen waarop het internationaal humanitair recht ziet?

112. Dan kom ik toe aan de bespreking van de tweede veronderstelling waarop het eerste middel in de onderhavige zaak berust, dat van terrorisme geen sprake zou kunnen zijn omdat internationale instrumenten die betrekking hebben op terrorisme, bepalingen bevatten waaruit blijkt dat die instrumenten niet zien op gedragingen die tot IHL worden gerekend. Om deze veronderstelling te toetsen, zal ik ingaan op de internationale instrumenten waarop door de verdediging op de terechtzitting van het hof en door de steller van het middel een beroep wordt gedaan.

113. Aangehaald wordt de uitzondering die is opgenomen in verschillende internationale instrumenten met verplichtingen om bepaalde feiten strafbaar te stellen die allemaal aan terrorisme zijn gerelateerd en soms ook als zodanig worden benoemd zoals in het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding 2002/475/JBZ. Door de steller van het middel wordt gewezen op drie internationale instrumenten, te weten (i) het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding, (ii) het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen en (iii) het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme.

114. In de preambule Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding is onder 11 aangegeven dat het Kaderbesluit niet van toepassing is op “handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht”. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in art. 19, tweede lid, Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, dat de volgende inhoud heeft:

“The activities of armed forces during an armed conflict, as those terms are understood under international humanitarian law, which are governed by that law, are not governed by this Convention, and the activities undertaken by military forces of a State in the exercise of their official duties, inasmuch as they are governed by other rules of international law, are not governed by this Convention.”81

115. Een bepaling met een andere inhoud, waarop eveneens een beroep wordt gedaan, betreft art. 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme:

“Nothing in this Convention shall affect other rights, obligations and responsibilities of States and individuals under international law, in particular the purposes of the Charter of the United Nations, international humanitarian law and other relevant conventions.82

116. Anders dan in de twee andere instrumenten, wordt in dit artikel geen uitzondering gemaakt op het toepassingsbereik van het verdrag, maar wordt enkel aangegeven dat de verdragsverplichtingen geen gevolgen hebben voor rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden op basis van onder meer IHL.

117. Het toepassingsbereik van een deel van de gedragingen die op basis van het ‘Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme’ als terrorisme worden gekwalificeerd, wordt echter beperkt in de wijze waarop terrorisme wordt omschreven in art. 2, eerste lid onder b:

“Any person commits an offence within the meaning of this Convention if that person by any means, directly or indirectly, unlawfully and wilfully, provides or collects funds with the intention that they should be used or in the knowledge that they are to be used, in full or in part, in order to carry out: a) An act which constitutes an offence within the scope of and as defined in one of the treaties listed in the annex; or b) Any other act intended to cause death or serious bodily injury to a civilian, or to any other person not taking an active part in the hostilities in a situation of armed conflict, when the purpose of such act, by its nature or context, is to intimidate a population, or to compel a government or an international organization to do or to abstain from doing any act.”

118. Uit het feit dat deze internationale instrumenten geen betrekking hebben op IHL dan wel op gedragingen die krachtens IHL niet verboden zijn (vide art. 2, eerste lid onder b Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme) wordt opgemaakt dat die gedragingen niet als terrorisme mogen worden aangemerkt. Die opvatting miskent echter de strekking van de verplichtingen die in deze internationale instrumenten is opgenomen, dan wel wordt bepaald.

119. In de eerste plaats wordt in dit internationale instrumentarium een algemene definitie van terrorisme niet gegeven. 83 In de tweede plaats lees ik de clausules die het toepassingsbereik van de verdragen bepalen, als een beperking van de verplichtingen die op de staten rusten. Zo zijn de staten niet verplicht de terroristische gedragingen te beoordelen vanuit situaties waarop IHL van toepassing is. De clausules vormen mijns inziens niet een absoluut plafond dat verdere expansie van de toepasselijkheid van het nationale strafrecht onmogelijk maakt.84 De verdragen en het Kaderbesluit bevatten verplichtingen om bepaalde gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen ook indien die gedragingen in het buitenland door buitenlanders zijn begaan. Maar geen van de verdragen noch het Kaderbesluit stelt een beperking aan de bevoegdheden die staten dienaangaande hebben. Dit komt duidelijk tot uiting in de bepalingen die in dezelfde internationale instrumenten zijn opgenomen en waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verplichtingen niet afdoen aan het uitoefenen van rechtsmacht overeenkomstig de nationale wetgeving.

120. Uit het hierboven aangehaalde art. 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, kan worden opgemaakt dat naast de verplichtingen in dat verdrag nog andere verplichtingen bestaan die het verdrag onverlet laat, dus niet door het verdrag beperkt worden. Artikel 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme bedoelt juist inmenging te voorkomen van de voorschriften die in dit verdrag zijn opgenomen, in die andere nationale en internationale rechten, plichten, en verantwoordelijkheden van staten en individuen. De inhoud van de verdragsbepalingen heeft, met andere woorden, geen betekenis voor de inhoud van IHL. Zo lees ik ook het Italiaanse Corte di Cassazione in zijn arrest van 21 januari 2014 in een zaak tegen een drietal Tamil Tijgers die wegens terrorisme werden vervolgd.85

121. De verdragen en het Kaderbesluit bevatten verplichtingen om bepaalde gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen, óók indien die gedragingen in het buitenland door buitenlanders zijn begaan. Geen van de verdragen noch het Kaderbesluit bevat een beperking van de bevoegdheden die staten dienaangaande hebben. Dit komt duidelijk tot uiting in de bepalingen die in dezelfde internationale instrumenten zijn opgenomen en waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verplichtingen niet afdoen aan het uitoefenen van rechtsmacht overeenkomstig de nationale wetgeving.

122. Met betrekking tot de rechtsmacht waarin de lidstaten van de EU moeten voorzien, houdt art. 9, vijfde lid, Kaderbesluit, het volgende in:

“Dit artikel sluit de uitoefening van een door een lidstaat krachtens de nationale wetgeving vastgestelde rechtsmacht niet uit.”86

123. Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de andere internationale instrumenten die verplichtingen bevatten om bepaalde (aan terrorisme gerelateerde) gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen. Ik geef twee voorbeelden:

Artikel 6, vijfde lid, Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen “This Convention does not exclude the exercise of any criminal jurisdiction established by a State Party in accordance with its domestic law.”87

Artikel 7, zesde lid, Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme: “Without prejudice to the norms of general international law, this Convention does not exclude the exercise of any criminal jurisdiction established by a State Party in accordance with its domestic law.”88

124. Uit deze bepalingen die betrekking hebben op rechtsmacht die overeenkomstig het nationale recht wordt gevestigd, kan worden opgemaakt dat de staten die partij worden, in het nationale recht een verdergaande rechtsmacht mogen regelen dan waartoe de internationale instrumenten verplichten en tevens dat zij niet verplicht zijn hun rechtsmacht in het nationale recht te beperken tot de voorwaarden waaronder die, op grond van deze internationale instrumenten, moet worden gevestigd. Ook het Corte di Cassazione wijst daarop in het hierboven aangehaalde arrest, met zijn verwijzing naar art. 7, zesde lid, Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme. Tot hoever de partijen een ruimere, verdergaande rechtsmacht mogen vestigen, is in dit instrumentarium open gelaten.

125. Over de verhouding tussen de internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding en de toepasselijkheid van IHL, heeft het HvJ EU zich uitgelaten in zijn reeds meermalen genoemde arrest LTTE t. de Raad van de EU van 16 oktober 2014. Uit de hierna weer te geven overwegingen blijkt duidelijk waarop de zaak betrekking heeft, zodat deze geen nadere introductie nodig heeft:

“56 Anders dan verzoekster betoogt, houdt de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van gewapend conflict en op de handelingen die in dat kader zijn verricht, niet de niet-toepasselijkheid van de regelgeving over het terrorisme op die feiten in. Dit geldt zowel voor de bepalingen van het Unierecht die in de onderhavige zaak zijn toegepast, met name gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001, als voor de bepalingen van internationaal recht die door verzoekster zijn ingeroepen

57 Wat in de eerste plaats het Unierecht aangaat, moet inderdaad worden opgemerkt dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van het Unierecht inzake het terrorisme op eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit.

58 In gemeenschappelijk standpunt 2001/931 is wat zijn werkingssfeer betreft namelijk geen onderscheid gemaakt tussen het geval waarin de betrokken handeling is gepleegd in het kader van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht en het geval waarin dat niet zo is. Daarnaast, en zoals de Raad terecht opmerkt, hebben de Unie en haar lidstaten de doelstelling het terrorisme te bestrijden, ongeacht de vorm die het aanneemt, zulks in overeenstemming met de doelstellingen van het geldende internationale recht.

59 Juist om binnen de Unie uitvoering te geven aan resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van 28 september 2001, waarin deze „de noodzaak [herbevestigt] om met alle middelen, conform het Handvest van de Verenigde Naties, te strijden tegen de bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid door terroristische handelingen” en „de staten [oproept] om de internationale samenwerking te vervolledigen door het nemen van aanvullende maatregelen, teneinde op hun grondgebied met alle geoorloofde middelen de financiering en de voorbereiding van terroristische daden te voorkomen en te beteugelen”, heeft de Raad gemeenschappelijk standpunt 2001/931 (zie de punten 5‑7 van de considerans van dit gemeenschappelijk standpunt) en vervolgens, overeenkomstig dit gemeenschappelijk standpunt, verordening nr. 2580/2001 (zie de punten 3, 5 en 6 van de considerans van deze verordening) vastgesteld.

60 Wat in de tweede plaats de door verzoekster ingeroepen bepalingen van internationaal recht betreft, moet erop worden gewezen dat, naast het feit dat een gewapend conflict ontegensprekelijk kan leiden tot handelingen die naar hun aard terroristische handelingen zijn, dergelijke handelingen in het internationale humanitaire recht uitdrukkelijk als „terroristische handelingen” zijn aangemerkt, die met dat recht in strijd zijn.

61 Het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949 bepaalt uitdrukkelijk in artikel 33 dat alle maatregelen van terrorisme verboden zijn. In diezelfde zin bepalen de Aanvullende Protocollen I en II bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale en niet-internationale gewapende conflicten van 8 juni 1977, die bedoeld zijn om deze slachtoffers beter te beschermen, dat daden van terrorisme te allen tijde en op iedere plaats verboden zijn (artikel 4, lid 2, van Aanvullend Protocol II) en dat daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, verboden zijn (artikel 51, lid 2, van Aanvullend Protocol I en artikel 13, lid 2, van Aanvullend Protocol II).

62 Uit een en ander volgt dat het plegen van daden van terrorisme door de partijen bij een gewapend conflict uitdrukkelijk voorwerp is van en als zodanig is veroordeeld door het internationale humanitaire recht.

63 Daaraan moet worden toegevoegd dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet blijkt uit te sluiten dat in geval van een terroristische daad die in het kader van dat conflict wordt gepleegd, naast de bepalingen van bedoeld humanitair recht over schending van het oorlogsrecht, de specifieke bepalingen van het internationale recht over het terrorisme worden toegepast.

64 Zo heeft het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, dat op 9 december 1999 te New York is ondertekend, (hierna: „verdrag van New York van 1999”), uitdrukkelijk het plegen van terroristische daden in het kader van een gewapend conflict in de zin van het internationale recht voor ogen. In artikel 2, lid 1, sub b, van dit verdrag wordt als strafbaar feit aangemerkt „enige [...] gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling”.

65 Dit verdrag bevestigt dat er zelfs binnen een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht sprake kan zijn van terroristische daden waar als zodanig tegen kan worden opgetreden, en niet alleen als oorlogsmisdaden. Tot die handelingen behoren de handelingen die bedoeld zijn om burgers te doden of ernstig lichamelijk letsel toe te brengen.

66 Verzoeksters tegenargument dat artikel 2, lid 1, sub b, van het verdrag van New York van 1999 een persoon die „actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict” uitdrukkelijk van de werkingssfeer van dat verdrag uitsluit, doet geenszins af aan die vaststelling.

67 Verzoekster betoogt dus ten onrechte dat de begrippen gewapend conflict en terrorisme in het internationale recht met elkaar onverenigbaar zijn.

68 Wat de eventuele omstandigheid betreft dat de terroristische daden afkomstig zijn van „vrijheidsstrijders” of vrijheidsbewegingen die zich in een gewapend conflict met een „onderdrukkende regering” bevinden, volgt eveneens uit de bovenstaande overwegingen dat deze irrelevant is. Een dergelijke uitzondering op het verbod van terroristische daden in situaties van gewapend conflict heeft geen enkele grondslag in het Unierecht en zelfs niet in het internationale recht. Daarin wordt geen enkel onderscheid naargelang de hoedanigheid van de pleger of de doelstellingen die hij nastreeft gemaakt bij hun veroordeling van terroristische daden.”89

126. De preambule onder 11 Kaderbesluit 2002/475/JBZ is slechts van belang voor de reikwijdte van de verplichtingen die in dit Kaderbesluit zelf zijn opgenomen en bedoelt juist iedere bemoeienis te voorkomen met de inhoud van het internationaal humanitair recht. Dat kan worden geïllustreerd met de conclusie van advocaat-generaal Scharpston in de zaak waarin de Raad van State prejudiciële vragen aan het HvJ EU heeft voorgelegd (zie hierboven randnummer 33). Zij stelt zich daarin op het standpunt dat het Kaderbesluit 2002/475/JB inzake terrorismebestrijding – ik zou daaraan voor mijn conclusie in de onderhavige zaak willen toevoegen: zelfs – geen betekenis heeft voor de inhoud van het andere EU-recht dat betrekking heeft op terrorismebestrijding.90

127. Samenvattend: de genoemde verdragen en het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding bevatten geen algemene definitie van terrorisme, maar slechts verplichtingen om de gedragingen die in de instrumenten als terrorisme worden gekwalificeerd strafbaar te stellen en daarover in rechtsmacht te voorzien. Aan een ruimere toepassing van de nationale strafwet staan zij niet in de weg.

II.1.2.4.3. Afsluitende opmerkingen en bespreking motiveringsklacht aangaande het eerste middel

128. Nu ik aan het slot ben gekomen van de bespreking van de tweede rechtskwestie die aan de orde is gesteld in de middelen die namens de verdachte respectievelijk diens medeverdachten zijn voorgesteld, kan ik de belangrijkste bevindingen samenvatten. De eerste bevinding is dat de leden van een gewapende oppositiegroep die zijn gewikkeld in een gewapend conflict van een niet-internationaal gewapend karakter, niet worden aangemerkt als combattant. Dit betekent dat zij geen aanspraak kunnen maken op de daaraan verbonden status die inhoudt dat zij gerechtigd zijn aan de vijandelijkheden deel te nemen en die aan hen immuniteit toekent voor het deelnemen aan die vijandelijkheden. Hieruit volgt de tweede bevinding, die inhoudt dat het nationale strafrecht van toepassing blijft op alle gedragingen van de leden van een gewapende oppositiegroep. Met het oog op de bereidheid van de leden van de gewapende oppositiegroep om de bepalingen van internationaal humanitair recht na te leven, zou het bevorderlijk kunnen zijn aan hen immuniteit toe te bedelen voor zover hun gedragingen de regels van internationaal humanitair recht respecteren. Maar het erkennen van een immuniteit zou inbreuk maken op de soevereiniteit van de staat tegen wie de gewapende oppositiegroep strijdt. De derde bevinding houdt in dat de regels van internationaal humanitair recht niet exclusief – dus met uitsluiting van het nationale strafrecht en het internationale recht inzake terrorisme – van toepassing zijn op de gedragingen van leden van een gewapende oppositiegroep.

129. Er is dus geen “waterscheiding” tussen de regels van internationaal humanitair recht die toepasselijk zijn op gewapende conflicten van een niet-internationaal karakter en het nationale strafrecht en de regels inzake terrorisme. Het toepasselijk blijven van het nationale strafrecht en de regels inzake terrorisme betekent dus niet “het failliet van het internationale humanitaire recht”, terwijl daardoor evenmin “de bodem onder dat humanitaire recht” wegvalt en evenmin het internationaal humanitair recht “in Nederland als afgeschaft [kan] worden beschouwd”. Dergelijke opmerkingen in de schriftuur van de steller van het middel miskennen de zelfstandige inhoud van het internationaal humanitair recht.91

130. Het hof heeft terecht de verweren verworpen die ertoe strekken dat het tenlastegelegde terroristisch oogmerk niet kan worden bewezen of de bewezenverklaarde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als terroristische misdrijven omdat hetzij de nationale wet niet van toepassing is, hetzij de internationale regelgeving inzake terrorisme daaraan in de weg zou staan. De tegen deze verwerping gerichte middelen falen.

131. Ook faalt de klacht dat het hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende: “het juridisch raamwerk dat bepalend is voor de beoordeling van handelingen die vallen onder het internationale humanitaire recht sluit de toepassing van de rechtsregels voor de bestrijding van terrorisme uit.”

132. Dan de (tweede) klacht dat het hof aan “sommige kernelementen” voorbij “lijkt” te zijn gegaan of “geheel voorbij” is gegaan terwijl het hof bij andere elementen “de kern” heeft gemist. Nog afgezien van de vraag hoe kan worden vastgesteld welke onderdelen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tot de “kern” van de onderbouwing kunnen worden gerekend, indien dit niet expliciet wordt aangegeven, is het hof niet gehouden om indien het afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in te gaan op ieder detail van de argumentatie.92

II.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

133. Het middel faalt in beide onderdelen.

II.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie en deelnemingsvormen krachtens internationaal recht/feit 1B – het tweede middel

II.2.1. De klachten

134. Het tweede middel klaagt dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat de deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld voor gewapende conflicten niet relevant zijn als de tenlastelegging wordt toegespitst op artikel 140 Sr” en dat het heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt of verweer “dat de Nederlandse rechter zich moet oriënteren op die rechtspraak bij de invulling van delictsbestanddelen.” Op de vraag wat met “die rechtspraak” wordt bedoeld, kom ik terug bij de bespreking van deze tweede klacht. Voorts bevat de toelichting op het middel de klacht dat het hof “de wetsgeschiedenis [miskent] die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” wanneer het hof “stelt dat uit niets blijkt dat de wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”.

135. Het middel sluit aan bij het ter terechtzitting gevoerde verweer dat bij internationale misdrijven “strafrechtelijke verantwoordelijkheid […] alleen [kan] worden toegedeeld aan degenen die daadwerkelijk betrokken zijn geweest en niet aan degenen die op heel grote afstand openlijk sympathie hebben voor een strijd die zij zien als een vrijheidsstrijd.”93

II.2.2. Bespreking van het tweede middel

136. Nog voordat ik verder inhoudelijk op het middel inga, wil ik opmerken dat het middel voortbouwt en berust op de opvatting dat IHL een exclusief domein vormt en deswege de mogelijkheid tot toepassing van het commune strafrecht uitsluit. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik uiteengezet dat en waarom IHL niet een zodanig exclusief domein is als het gaat om schendingen ervan in het kader van een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter. De combattantenstatus geldt niet voor leden van een gewapende oppositiegroep in een niet-internationaal gewapend conflict. Aan de orde is dus naar mijn mening niet dat gedragingen die volgens IHL toegelaten of straffeloos zouden zijn in de onderhavige zaak door middel van een of ander juridisch foefje – door het “speelveld” te verleggen, zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd94 – bestaande uit het bewandelen van de omweg van het commune strafrecht, alsnog strafbaar worden verklaard.

137. Voorts heb ik bij de bespreking van het eerste middel aangegeven dat en waarom het commune strafrecht van toepassing blijft. Ik herhaal hier het toonaangevende werk Customary International Humanitarian Law dat onder auspiciën van het ICRC tot stand is gekomen en met betrekking tot de toepasselijkheid van het commune strafrecht tijdens een niet-internationaal gewapend conflict het volgende vaststelt:

“The lawfulness of direct participation in hostilities in non-international armed conflicts is governed by national law.”95

138. Voor de beoordeling van het middel is verder van belang dat ter terechtzitting van het hof het verweer is gevoerd dat voor de tenlastegelegde (oorlogs)misdrijven geen collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen op de voet van art. 140 Sr maar dat sprake moet zijn van persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij de specifieke misdrijven als dader of deelnemer.

139. Het hof heeft dit verweer in het arrest als volgt samengevat en verworpen:96

“10.7.2. Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er op grond van art. 6 lid 2 onder b AP II een vervolgingsbeletsel bestaat ten aanzien van feit 1.B. (behoudens de onderdelen a en d voor zover begaan in Nederland en onderdeel c voor zover geen verband houdend met een gewapend conflict), nu er voor de ten laste gelegde (oorlogs)misdrijven geen collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen op de voet van art. 140 Sr.

Volgens de verdediging dient er ter zake de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ten laste gelegde internationale misdrijven steeds sprake te zijn van een persoonlijke (individuele) betrokkenheid van de verdachte bij de specifieke misdrijven als dader of deelnemer; het principe van de personal culpability. Ook bij de strafrechtelijke aansprakelijkheid op basis van toepasselijke deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld, zoals de joint criminal enterprise en de begrippen common purpose en aiding and abetting, gaat het om het handelen en de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij het specifieke misdrijf.

Nu de verdachte geen significante of substantiële bijdrage heeft geleverd aan enige specifieke aanval of werving van kindsoldaten in de ten laste gelegde zin en hij er ook geen wetenschap van had dat hij door het inzamelen van geld in Nederland aan enig concreet delict zou bijdragen, kan hij daarvoor niet worden veroordeeld, aldus de verdediging.

Het hof neemt dit standpunt in zijn algemeenheid niet over en overweegt daarbij als volgt. Bij de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ‘dader’ moet voorop worden gesteld dat in het commune Nederlandse strafrecht op de voet van art. 51 lid 1 Sr strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging tegen die rechtspersoon worden ingesteld, dan wel tegen de feitelijk leidinggever (art. 51 lid 2 Sr).

Het begrip ‘begaan’ wordt gebezigd ten aanzien van de pleger en de deelnemers, de medepleger, doen-pleger, uitlokker en functioneel dader (art. 47 Sr), medeplichtige (art. 48 Sr) en - voor de rechtspersoon - de feitelijk leidinggever en opdrachtgever daaronder (mede) begrepen. Zoals eerder is overwogen is voorts strafbaar het deelnemen van de dader aan een criminele organisatie of een verboden rechtspersoon (art. 140 Sr), al dan niet met terroristisch oogmerk (art. 140a Sr). Art. 46 Sr stelt ook de voorbereiding van ernstige misdrijven door de dader strafbaar. Voor beide organisatievormen geldt, dat onder deelneming mede wordt begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan, alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie (art. 140 lid 4 Sr en art. 140a lid 3 Sr).

Art. 140 lid 1 Sr betreft het zelfstandig delict van deelneming aan een criminele organisatie, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen rechtspersonen in de zin van art. 51 Sr als deelnemer aan een criminele organisatie worden aangemerkt, waarbij de rechtspersoon overigens onder omstandigheden ook zelf als een ‘organisatie’ kan worden aangemerkt. Het hof merkt op dat de dader kan deelnemen aan het ‘plegen’ van deelneming aan een criminele organisatie. De toepassing van art. 140 lid 1 Sr levert individuele aansprakelijkheid voor deelneming aan een criminele organisatie, ook bij degenen die niet direct participeren in het plegen van de beoogde misdrijven.

Indien iemand onderdeel is van een groep die een strafbaar feit heeft gepleegd, kan immers ook medeplegen worden aangenomen zonder dat zijn persoonlijke aandeel in de gebeurtenis is komen vast te staan. Deelneming aan een criminele organisatie is echter een zelfstandig delict zodat hieruit geen accessoriteit met bepaalde gronddelicten voortvloeit, in tegenstelling tot de algemene deelnemingsvormen in de artikelen 47-48 Sr die altijd accessoir zijn aan gronddelicten.

Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is naar het oordeel van het hof echter meer vereist dan de enkele aanwezigheid bij bijeenkomsten van de criminele organisatie. Het incidenteel participeren aan de activiteiten is in beginsel onvoldoende om de verdachte aan de organisatie te ‘verbinden’.

Bij deelneming aan een criminele organisatie moet niet alleen het bestaan van deze organisatie worden vastgesteld, maar ook het oogmerk tot het plegen van concrete onderliggende strafbare feiten. Vervolgens dient komen vast te staan dat de verdachte ‘behoort tot het samenwerkingsverband’ en voorts dat hij ‘een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het beoogde oogmerk’, alsmede dat hij ‘wetenschap had van het oogmerk van de organisatie’.

De strafbepaling van het eerste lid van art. 140 Sr richt zich tot al diegenen die aan de organisatie ‘deelnemen’. Strafrechtelijk aansprakelijk zijn zij die, behorend tot een criminele organisatie, door hun gedragingen het criminele functioneren van die misdaadorganisatie, door hun gedraging actief bevorderen, er zorg voor dragen dat de organisatie haar misdadige plannen kan verwezenlijken. Zoals het hof eerder heeft overwogen hoeft niet te worden aangetoond waaruit ieders aandeel in de gepleegde misdrijven heeft bestaan. Allerlei vormen van deelneming in de verwezenlijking van het criminele oogmerk kunnen in beginsel al voldoende zijn voor het vestigen van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De strafbepaling van het vierde lid van art. 140 Sr verduidelijkt voorts - zoals gezegd - dat het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie als deelneming in de zin van art. 140 Sr kan worden aangemerkt. De strafbare gedraging in art. 140 Sr bestaat uit deelneming aan een misdaadorganisatie, niet uit het deelnemen aan de verwezenlijking van de door de organisatie beoogde misdrijven zelf, waarbij niet de actieve betrokkenheid bij de misdrijven maar die bij de organisatie centraal staat. De organisatie wordt door die gedragingen in staat gesteld haar criminele activiteiten uit te voeren.

Art. 140 Sr is een zelfstandig misdrijf waaraan kan worden deelgenomen in de zin van artt. 47 en 48 Sr. Ingeval van het ten laste gelegde medeplegen is het nodig dat de medepleger weet dat hij betrokken is bij de activiteiten van een criminele organisatie. Het hof is van oordeel, dat de ten laste gelegde deelnemingsvormen worden beheerst door het toepasselijke Nederlandse materiele strafrecht, meer in het bijzonder de criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr en zijn, anders dan de verdediging betoogt, de deelnemingsvormen en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke aansprakelijkheid uit het internationale recht niet relevant.

Het hof overweegt voorts het volgende. Niet ter discussie staat dat het voeren van een aanvalsoorlog naar internationaal recht strafrechtelijke aansprakelijkheid kan meebrengen. Lange tijd was minder duidelijk of schendingen die gelden in een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter eveneens individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich meebracht. De vraag of ernstige schendingen van het gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Verdragen individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt onder art. 3 van het Statuut van het ICTY (schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog) is bevestigend beantwoord.

In de rechtspraak van de tribunalen wordt voor wat betreft de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid het onderscheid tussen het internationale en niet-internationale conflicten vergaand gerelativeerd.

Ook naar internationaal recht mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Art. 6 lid 2 aanhef en onder b AP II luidt, in dit verband, als volgt:

“2. Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, behalve op grond van een voorafgaand vonnis, gewezen door een rechtbank die essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In het bijzonder: […] b. mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;”

De Nederlandse rechter dient zich, blijkens de wetsgeschiedenis van de WIM, “voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht en de internationale jurisprudentie dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven”.

Een getrouwe toepassing van belangrijke regels van het internationaal strafrecht door de nationale strafrechter dient een tweeledig doel. In de eerste plaats dient voldaan te worden aan de volkenrechtelijke verplichtingen en verwachtingen wat betreft strafbaarstelling en vervolging van internationale misdrijven, hetgeen met zich brengt dat de aansprakelijkheid naar Nederlands recht niet tekort mag schieten ten opzichte van de aansprakelijkheid naar internationaal recht.

Daarnaast dienen evenwel ook de grenzen van de aansprakelijkheid naar internationaal recht door de Nederlandse rechter te worden gerespecteerd. Beide elementen acht het hof van belang.

Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook art. 91 Sr), waarmee in het bijzonder ook wordt gedoeld op de regels met betrekking tot deelneming.

Het Statuut van het Internationaal Strafhof bevat ook regels over deze onderwerpen, grotendeels in deel 3 betreffende Algemene beginselen van strafrecht. Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht.

De Nederlandse rechter dient zich weliswaar voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid mede te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, maar de Nederlandse wet geldt als kader.

10.7.3.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat naar Nederlands recht van deelneming aan een strafbaar feit alleen dan sprake kan zijn indien een persoon een (rechtstreekse) bijdrage heeft geleverd en willen leveren aan een specifiek strafbaar feit. De - mogelijke - verschillen in benadering inzake daderschap en deelneming aan misdrijven tussen het internationale recht zoals toegepast door de tribunalen en het Nederlandse recht worden sterk gerelativeerd doordat het leveren van een bijdrage aan criminele groepsactiviteiten naar Nederlands recht het zelfstandige misdrijf van art. 140 Sr oplevert. Daarbij komt dat voor zover de tribunalen al van oordeel zijn dat de leerstukken met betrekking tot het medeplegen van en de medeplichtigheid aan internationale misdrijven volkenrechtelijk gewoonterecht weergeven, de Nederlandse rechter hiermee, gelet op art. 94 GW, geen rekening kan houden.

Aan de gevoerde verweren, uitgaande van de stelling dat het internationale strafrecht ten aanzien van begrippen als medeplegen en medeplichtigheid en van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid tot andersluidende conclusies zou dwingen dan het Nederlandse strafrecht, gaat het hof dan ook voorbij.”

140. Ik begin met de bespreking van de tweede klacht die het middel bevat, dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt of verweer “dat de Nederlandse rechter zich moet oriënteren op die rechtspraak bij de invulling van delictsbestanddelen”. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen blijkt dat het hof heeft uiteengezet dat het hier gaat om “het leveren van een bijdrage aan criminele groepsactiviteiten naar Nederlands recht” hetgeen “het zelfstandig misdrijf van art. 140 Sr oplevert” en voorts dat “voor zover de tribunalen al van oordeel zijn dat de leerstukken met betrekking tot het medeplegen van en de medeplichtigheid aan internationale misdrijven volkenrechtelijk gewoonterecht weergeven”, de Nederlandse rechter daarmee gelet op het bepaalde in art. 94 Grondwet geen rekening kan houden. Hieruit volgt dat de tweede klacht feitelijke grondslag mist, zonder dat ik daarmee inhoudelijk een oordeel uitspreek over hetgeen het hof te dezen heeft overwogen. De tweede klacht is immers beperkt tot de stelling dat het hof heeft verzuimd te reageren op hetgeen is aangevoerd, maar voert geen inhoudelijke bezwaren aan tegen de overwegingen die het hof heeft gebezigd. Bovendien is in het middel noch in de toelichting daarop met de vereiste precisie “die rechtspraak” aangegeven waarop de Nederlandse rechter zich zou moeten oriënteren.

141. Voor de beoordeling van de eerste klacht, dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat de deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld voor gewapende conflicten niet relevant zijn als de tenlastelegging wordt toegespitst op artikel 140 Sr”, verdient opmerking dat de in art. 140 Sr strafbaar gestelde deelneming een zelfstandig misdrijf is.97 Het zelfstandige karakter van art. 140 Sr brengt mee dat een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, niet betekent dat de verdachte aansprakelijk wordt gesteld als deelnemer aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, maar als deelnemer aan die organisatie.98 De Vries-Leemans drukt dit als volgt uit: “Niet de betrokkenheid bij een bepaald misdrijf staat centraal maar de – actieve – betrokkenheid bij de organisatie.”99

142. De verdachte is in de onderhavige zaak niet veroordeeld als deelnemer aan oorlogsmisdrijven of als oorlogsmisdadiger, maar wegens “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” onderscheidenlijk “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” zoals het hof de onder 1A en 1B bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd. Behalve uit de kwalificatie blijkt het verschil met deelneming aan oorlogsmisdrijven uit het toepasselijke strafmaximum. Op deelneming aan een criminele organisatie is in art. 140, eerste lid, Sr een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren gesteld en ingevolge art. 140a, eerste lid, Sr op deelneming aan een terroristische organisatie een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren (met strafverhoging tot een maximum van dertig jaren voor oprichters, leiders of bestuurders als bedoeld in het tweede lid), terwijl deelneming aan oorlogsmisdrijven (waarop het oogmerk van de criminele organisatie dan gericht zou zijn, zoals blijkt uit de bewijsvoering van het hof) is bedreigd met een levenslange gevangenisstraf (art. 6, eerste lid, Wet internationale misdrijven).

143. Voor zover de klacht er wat betreft de individuele aansprakelijkheid van uitgaat dat de verdachte is veroordeeld wegens deelneming aan schendingen van IHL of oorlogsmisdrijven in Sri Lanka, berust zij op een onjuiste lezing van het arrest.

144. Dan resteert de derde klacht, inhoudende dat het hof “de wetsgeschiedenis [miskent] die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” wanneer het hof “stelt dat uit niets blijkt dat de wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”.

145. Die klacht voldoet niet aan de eisen die gesteld worden aan een middel van cassatie. In de eerste plaats omdat de klacht verwijst naar “wetsgeschiedenis die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” zonder nader aan te geven welke dat is terwijl die toelichting ruim tien bladzijden beslaat. Een klacht moet uit zichzelf begrijpelijk zijn en dat is deze klacht niet vanwege de zoektocht die dit in de toelichting op het eerste middel oplevert.100 In de tweede plaats omdat de tekst waarnaar kennelijk wordt verwezen in de toelichting op het eerste cassatiemiddel onder 1.19, inhoudt dat “uit een nauwkeurige lezing van de wetsgeschiedenis blijkt, zoals bij pleidooi is betoogd, dat de wetgever wel degelijk aansluiting heeft gezocht bij de zogenoemde waterscheiding tussen enerzijds het internationale humanitaire recht en anderzijds de regels betreffende de bestrijding van terrorisme.” Een verwijzing naar de wetsgeschiedenis is daar niet gegeven, zodat ook om die reden de klacht onvoldoende duidelijk is gepresenteerd. Volgens de pleitnota, die ik erbij pakte, blijkt de “nauwkeurige lezing van de wetsgeschiedenis” het volgende te omvatten:

“Uit de parlementaire stukken kan niet worden opgemaakt dat de wetgever expliciet en weloverwogen een keuze heeft gemaakt om, in afwijking van het internationale recht, handelingen tijdens een gewapend conflict onder het bereik van de (Nederlandse) terrorismewetgeving te brengen.”101

146. Na dit speurwerk, kan ik in de derde plaats, ten overvloede opmerken dat de wetsgeschiedenis in de pleitnota die ter terechtzitting is overgelegd, is gebruikt ter onderbouwing van een ander standpunt dan waarop in cassatie een beroep wordt gedaan. Uit de pleitnota blijkt namelijk dat op “de wetsgeschiedenis” een beroep is gedaan om de stelling te onderbouwen dat niet kan blijken dat de wetgever ervoor heeft gekozen om handelingen die tijdens een gewapend conflict worden begaan onder het bereik van de terrorismewetgeving te brengen. Dat is iets anders dan dat daaruit zou blijken dat de wetgever “gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict” zou hebben willen uitzonderen “van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”, om deels de overweging van het hof te parafraseren waarover wordt geklaagd. De wetsgeschiedenis waarop een beroep lijkt te worden gedaan, is niet in strijd met de hier bestreden overwegingen van het hof.

147. De derde klacht is door de verwijzing naar de wetsgeschiedenis onvoldoende duidelijk terwijl de wetsgeschiedenis zelf – voor zover daarop in de pleitnota een beroep is gedaan – het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt.

II.2.3. Eindoordeel inzake het tweede middel

148. Het middel faalt in alle onderdelen.

II.3. Bewijs van deelneming aan de internationale criminele organisatie/feiten 1A en 1B – het derde middel

II.3.1. De klachten

149. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte als deelnemer aan de internationale criminele organisaties heeft aangemerkt doordat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het daaromtrent gevoerde verweer of uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte “niet wist dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken en dat hij geen wetenschap had van de misdrijven waarop de organisatie(s)” het oogmerk hadden. Het middel richt zich in het bijzonder op drie onderdelen van de bewijsvoering. De eerste twee zijn verwoord in het middel zelf en hebben betrekking op de wetenschap van de verdachte dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken en dat het oogmerk van de organisaties was gericht op de tenlastegelegde (terroristische) misdrijven. Het derde onderdeel van de bewijsvoering waarover wordt geklaagd, betreft het inschrijfformulier; het hof zou ongemotiveerd en onbegrijpelijk voorbij zijn gegaan “aan het standpunt van de verdediging dat geen sprake was van een inschrijfformulier en dat verzoeker op dat formulier expliciet heeft vermeld dat hij geen lid was van de LTTE”. Ik begin met het inschrijfformulier en de klacht dienaangaande.

II.3.2. Bespreking van het derde middel

150. Voor zover in cassatie een beroep wordt gedaan op het standpunt van de verdediging “dat verzoeker op dat formulier expliciet heeft vermeld dat hij geen lid was van de LTTE”, merk ik allereerst op dat ik dit standpunt niet heb kunnen terugvinden in de pleitnota noch in het proces-verbaal dat van de terechtzittingen van het hof is opgemaakt.

151. Ter terechtzitting is met betrekking tot de lidmaatschapskaart het volgende aangevoerd, voor zover dat blijkt uit de daar overgelegde pleitnota:

“ [J.M. J.] is in 2003 bij een door de LTTE georganiseerde bijeenkomst in Sri Lanka geweest. Hij heeft zich toen met eigen ogen kunnen vergewissen van de situatie ter plaatse en heeft kennis kunnen nemen van de ideeën en de werkzaamheden van de LTTE. Maar daarmee is hij nog geen lid van de LTTE, net zo min als de voorgeschreven registratie – die slechts gedeeltelijk door hem zelf is ingevuld – als een lidmaatschapskaart van de LTTE kan worden beschouwd.”102

152. In de bewijsvoering onder 11.2.4 houdt het arrest met betrekking tot het inschrijfformulier het volgende in:

“Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, zoals overwogen, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van [betrokkene 2]103 overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten onder meer LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is ‘internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker’. Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [J.M. J.] . Als bijnaam van [J.M. J.] is vermeld ‘ [bijnaam J.M. J.] ’.

In het formulier gedateerd 3 januari 2004 is onder meer vermeld dat [J.M. J.] verantwoordelijke propagana/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving was.”

153. Uit de bewijsvoering kan ik niet opmaken dat het hof het inschrijfformulier als lidmaatschapskaart heeft aangemerkt zoals ter terechtzitting is aangevoerd. In zoverre mist de klacht in cassatie feitelijke grondslag. Ter terechtzitting is immers aangevoerd dat “de voorgeschreven registratie [niet] als een lidmaatschapskaart van de LTTE kan worden beschouwd”. Het hof heeft het formulier niet als lidmaatschapskaart beschouwd maar als inschrijfformulier. In zoverre merk ik ten overvloede op dat uit het formulier blijkt dat de verdachte zich voor een LTTE-bijeenkomst heeft ingeschreven, en dat de verdachte verantwoordelijk was voor werkzaamheden van de LTTE, te weten “propaganda/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving”. Onder meer, en dus niet alleen, hieruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte lid was van de LTTE en die gevolgtrekking vind ik geenszins onbegrijpelijk.

154. De twee resterende klachten worden weerlegd door de bewijsvoering.

155. Uit de bewijsvoering onder 11.2.4 blijkt dat de verdachte geld heeft opgehaald en als betalingsbewijs kwitanties heeft verstrekt met daarop het rode embleem van de Tamil vrijheidsstrijders. Bovendien blijkt uit de voor de bewijsvoering gebezigde verklaring van medeverdachte [S. R.] dat via de TCC werkzaamheden voor de LTTE zijn verricht en dat het “allemaal één” is. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken. Deze desbetreffende klacht faalt daarom.

156. Voorts heeft het hof voor de bewijsvoering de door de verdachte in hoger beroep ter terechtzitting afgelegde verklaring gebruikt die onder meer inhoudt dat hij “op het internet of op het nieuws” te weten kwam als “er ergens op Sri Lanka een incident plaatsvond”. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte wetenschap had van aanslagen die in Sri Lanka door de LTTE werden begaan (of aan de LTTE werden toegeschreven) en daarmee wetenschap had van de misdrijven waarop het oogmerk van de organisaties was gericht, zodat ook deze laatste klacht van het middel faalt.

II.3.3. Eindoordeel inzake het derde middel

157. Het middel faalt in alle onderdelen.

II.4. Overtreding van de Wet op de kansspelen/feit 2 sub e – het vierde middel

II.4.1. De klachten

158. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen het oogmerk had op het overtreden van de Wet op de kansspelen. Het middel valt in twee klachten uiteen.

159. De eerste klacht houdt in dat het hof in strijd met het recht heeft geoordeeld dat de vrijstelling waarin is voorzien in art. 7c Wet op de kansspelen (WoK) niet van toepassing is althans dat het zijn oordeel daarover onvoldoende heeft gemotiveerd. De tweede klacht is gericht tegen de bewezenverklaring van het onderdeel dat de organisatie het oogmerk had op het overtreden van de WoK.

II.4.2. Bespreking van het vierde middel

160. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat het hof ten laste van de verdachte onder 2 heeft bewezenverklaard dat:

“2. De nationale criminele organisatie

hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
d) (gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en
e) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen opzettelijk begaan en
f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) en
h) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven. (artikel 140 Wetboek van Strafrecht)”.

161. Op de terechtzittingen van het hof is namens de verdachte aangevoerd dat de uitzondering van art. 7 Wet op de kansspelen (WoK) van toepassing is zodat geen vergunning was vereist voor de gehouden loterijen, en voorts de overtreding van art. 1 WoK niet opzettelijk is begaan en derhalve geen misdrijf oplevert maar een overtreding.

162. Het hof heeft ter zake het volgende overwogen en daarbij tevens het gevoerde verweer weergegeven en verworpen:

11.3.3.2. Overtreding van de Wet op de kansspelen (Feit 2 sub e)

In feit 2 sub e is tenlastegelegd dat de LTTE (hét hof feest: waaronder de TCC) het oogmerk had op overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen.

Het hof oordeelt als volgt.

[S. R.] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: ‘Er werd ook nog op andere manieren geld ingezameld. Van 2003 tot 2008 werden er een soort loterijen georganiseerd. Deze loterijen vonden op twee manieren plaats. Tijdens de sportdagen, waar ongeveer 800 tot 1000 mensen op afkwamen, werd ter vermaak van de mensen een loterij gehouden. De loten kostten twee à drie euro per lot. In 2005 zijn er overigens ook loten voor de loterij gedrukt, maar die loterij heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. In 2006, 2007 en 2008 is er ook twee keer een loterij georganiseerd voor de Chencholai weeskinderen. Deze loterijen hebben zonder toestemming van de Nederlandse overheid plaatsgevonden. Iemand had ons advies gegeven en gezegd dat het vragen van toestemming niet nodig was, omdat de loterij alleen onder Tamils en vrienden zou worden gehouden. Dit advies bleek onjuist.

De getuige [getuige] verklaart, zakelijk weergegeven: “Ik heb wel loten gekocht voor één a twee euro per stuk. De loterijen werden verkocht voor de sport en soms bij de huizen. De kosten zoals scheidsrechters worden daar mee betaald. De loterij wordt gehouden op de heldendag. Omdat ik heb deelgenomen aan de heldendag heeft [S. R.] mij gevraagd om bij te houden wie wat verkocht had en dat zou ik hem geven. De gegevens van de loterij boekjes, hoeveel die persoon wel of niet heeft verkocht. Ik moest dat noteren, mijn vrouw heeft genoteerd. Ik zei wat zij moest noteren. Je kan een laptop of een fiets winnen dat soort dingen.”


Op het vestigingsadres van de TCC te ’s-Gravenhage zijn vier loten in beslag genomen, voor een loterij die plaats heeft gevonden in 2003.

In de Nederlandse administratie, in beslag genomen zowel in de woning van [L. T.] te Breda, als in de woning van [R. S.] te Schagen, staat onder 31 oktober 2007 een bedrag van € 6.100,00 vermeld, met de omschrijving “De loterijgelden aan Sencholai gegeven”.

[S. R.] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Het klopt dat er op 14 januari 2008 een loterij is georganiseerd. Dit is Pongal Day, Tamil Nieuwjaar.”


Namens [J.M. J.] , [S. R.] en [T. E.] is het verweer gevoerd dat er geen vergunning nodig was voor het organiseren van de loterijen omdat deze zouden vallen onder de uitzondering van artikel 7c van de Wet op de kansspelen. Het hof verwerpt dit verweer, nu deze uitzondering slechts geldt voor kleine loterijen georganiseerd door Nederlandse verenigingen. De LTTE noch de TCC zijn echter verenigingen naar Nederlands recht. Ook blijkt uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [S. R.] ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij over de noodzaak van het vragen van een vergunning advies had gevraagd (en ten onrechte het advies had gekregen dat zulks niet nodig was), dat hij zich bewust is geweest van de mogelijke strijdigheid van de loterijen met de wetgeving terzake, zodat ook in zoverre sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet, en er ook sprake is van het misdrijf als bedoeld in de Wet op de Economische delicten.”

163. Artikel 1 WoK luidt als volgt:

“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;

b. de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in Europa, te bevorderen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben;

c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend;

d. opzettelijk in strijd met de waarheid het vermoeden te wekken dat voor een gelegenheid als onder a bedoeld ingevolge deze wet vergunning is verleend, of dat aan de verleende vergunning geen voorschrift of niet al de gestelde voorschriften zijn verbonden.

2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan de verleende vergunning

verbonden voorschriften."

164. Titel Va van de WoK, waarnaar in de aanhef van het eerste lid wordt verwezen, heeft betrekking op speelautomaten, en is voor de beoordeling van het middel niet relevant.

165. Artikel 7c, eerste en tweede lid, WoK luidde ten tijde van de bewezen verklaarde feiten als volgt:

“1. Onder het organiseren van het kleine kansspel wordt verstaan het door een ten minste drie jaar bestaande Nederlandse vereniging, die krachtens zijn statuten een duidelijk omschreven doel - niet zijnde de beoefening van enigerlei vorm van kansspel - beoogt te dienen, ten bate van een genoemd, niet met het algemeen belang in strijd zijnd doel beleggen van een bijeenkomst, waar gelegenheid tot het deelnemen aan het kleine kansspel wordt gegeven, waarbij de prijzen of premies in geld of goederen, die door de deelnemers aan het spel kunnen worden verkregen, geen hogere waarde hebben dan € 350,- per serie of set en de gezamenlijke waarde daarvan niet meer bedraagt dan € 1.400,- per bijeenkomst.

2. Het is verboden een bijeenkomst, waar gelegenheid tot het deelnemen aan het kleine kansspel wordt gegeven, te organiseren:

a. indien niet ten minste veertien dagen tevoren aan burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de bijeenkomst zal plaatsvinden, op door hen aan te geven wijze of bij gebreke vandien bij aangetekend schrijven, mededeling is gedaan van de plaats waar en het tijdstip waarop de bijeenkomst wordt georganiseerd,

b. indien burgemeester en wethouders zodanige bijeenkomst hebben verboden.”

166. Met ingang van 1 januari 2008, zijn de in art. 7c, eerste lid, WoK genoemde bedragen vastgesteld op respectievelijk € 400,- en € 1.550,-.104

167. Met betrekking tot de eerste klacht, dat het hof in strijd met het recht heeft geoordeeld dat de vrijstelling waarin is voorzien in art. 7c WoK niet van toepassing is, althans dat het zijn oordeel daarover onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt aangevoerd dat “een stichting zoals de TCC wel degelijk gelijk kan worden gesteld met de vereniging, zodat de vrijstelling van artikel 7c WoK ook van toepassing is op de onderhavige loterijen.” Voor de onderbouwing daarvan wordt verwezen naar rechtspraak, praktijk van gemeenten en literatuur waarop ter terechtzitting van het hof een beroep is gedaan. Ik merk op dat in cassatie verder niet wordt onderbouwd dat de LTTE kan worden gelijkgesteld met de vereniging zoals bedoeld in art. 7c WoK, zodat ik het middel aldus uitleg dat het zich beperkt tot de TCC.

168. Literatuurverwijzingen heb ik in de pleitnota waarnaar wordt verwezen, op dit punt niet aangetroffen.

169. Een beroep wordt gedaan op de Afdeling Rechtspraak Raad van State (Voorzitter) van 15 april 1986 waarin het “voorshands” niet uitgesloten wordt geacht dat het organiseren van een kansspel door een stichting die zich materieel niet of weinig onderscheidt van een vereniging tevens onder art. 7c WoK kan vallen.105 Dit wordt ondersteund door een beroep op regelingen in de gemeenten Gemert-Brakel, Ridderkerk en Brielle die ook zouden gelden voor verenigingen en daarmee gelijk te stellen stichtingen.

170. Blijkens de tekst van art. 7c WoK kan een vergunning als bedoeld in art. 1 WoK worden aangevraagd door een “Nederlandse vereniging”. De tekst van de wet is duidelijk en biedt geen ruimte voor een andere (ruimere) uitleg. De Afdeling Rechtspraak Raad van State kiest voor een restrictieve uitleg van art. 7c WoK in zijn uitspraak van 8 augustus 1985, waarin zij overweegt “onvoldoende grond voor een ruime interpretatie van het bepaalde in art. 7c eerste en tweede lid” te zien omdat in Titel Ia WoK “reeds een bijzondere, en met name in vergelijking met hetgeen in het algemeen geldt ten aanzien van kansspelen minder restrictieve, regeling ten aanzien van het kleine kansspel is getroffen”.106 Op dit punt wijkt de Afdeling dus af van de latere beslissing van de Voorzitter waarop in cassatie een beroep wordt gedaan.

171. Toch biedt de parlementaire voorbereiding van deze regeling van de zogenoemde “kleine kansspelen” een aanknopingspunt voor een ruime uitleg. De Memorie van Toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel houdt over de uitzondering op het verbod op kansspelen dat voor kleine kansspelen zou worden gemaakt, het volgende in:

“Kleine kansspelen als het kienen, rad van avontuur, vogelpiekspel e.d. worden met name in het zuiden van ons land als een volstrekt onschuldig volksvermaak beschouwd, waarbij met een bescheiden inleg zowel de kas van de eigen vereniging wordt versterkt als een kans op een aardige prijs wordt verkregen. Het onschuldige karakter van deze spelen gaat uiteraard verloren, indien organisatoren uit eigen winstbejag optreden en door steeds verlokkelijker aanbiedingen de deelnemers tot hogere inzetten trachten te bewegen.

Wij achten het juist, dat deze laatste vorm van beoefening van het zgn. kleine kansspel onder de werking van de wet blijft vallen. Anders is het echter gesteld met bijv. de kienavonden, door verenigingen voor hun leden en introducé’s gehouden met het doel de opbrengst van de kas der vereniging ten goede te doen strekken. Mits voldoende waarborgen worden getroffen dat hier geen gokclubs kunnen opereren, lijken ons geen bezwaren aanwezig deze activiteiten aan de werkingssfeer van de wet te onttrekken. Zodanige waarborgen achten wij gelegen in het voorschrift, dat bijeenkomsten tot het beoefenen van het kleine kansspel alleen belegd kunnen worden – wil van een geoorloofde vorm van kansspel sprake zijn – door verenigingen, die tenminste 5 jaar bestaan en krachtens hun statuten een duidelijk omschreven doel – anders dan de beoefening van een vorm van een kansspel – beogen, te dienen, en dat Burgemeester en Wethouders voor het houden van zo’n bijeenkomst vergunning moeten verlenen, die wordt geweigerd als persoonlijk voordeel wordt beoogd en op termijn wordt verleend, als zulks uit oogpunt van een ordelijk verloop van zaken gewenst is. ”107

172. Bij de bespreking van het initiatiefwetsvoorstel wordt vanuit de bijzondere commissie de reikwijdte van de uitzonderingen voor het kleine kansspel te beperkt gevonden. Bij vele leden was de vraag gerezen

“waarom het aantal kienavonden per vereniging beperkt zou moeten worden tot twee keer per jaar. Dit zou ten opzichte van de bestaande praktijk een achteruitgang zijn. De verenigingen organiseren immers regelmatig kienavonden om de ledenbinding en om hun leden een gezellige middag of avond te bezorgen. Hiernaast vallen uiteraard de grote kienavonden, georganiseerd om geld voor een bepaald doel bijeen te brengen, normaal onder de wet op de kansspelen.
[…]
Vele andere leden waren van mening dat juist de sociale contacten van groot belang zijn bij het kienen en dat daarom gelegenheid moet worden geboden éénmaal per maand een kien-, bingo- of rad van avontuur-avond te organiseren.”108

173. Deze opmerkingen hebben geleid tot een aanpassing van het initiatiefwetsvoorstel dat erop neerkomt dat de vereiste vergunning wordt vervangen door een meldplicht, zoals die uiteindelijk in art. 7c WoK is neergelegd. De toelichting bij de nota van wijziging, houdt het volgende in:

“Onze opzet was een wettelijk stramien te geven, waarbinnen zowel het onschuldig volksvermaak met zijn bescheiden prijzen een plaats zou kunnen vinden als de wat forser opgezette bijeenkomsten, die door de limitering van het prijzentotaal tot f 5000 nog niet als zware goksessies kunnen worden aangemerkt. Het was bepaald niet onze bedoeling om het onschuldig volksvermaak in een te nauw keurslijf te binden, noch om een regeling te treffen voor bijeenkomsten, waaraan geen behoefte bestaat. Na overleg met gemeentelijke en justitiële autoriteiten in Limburg hebben wij dan ook een nieuwe regeling ontworpen, waarvan het hoofdkenmerk is, dat bijeenkomsten om te kienen belegd kunnen worden door tenminste vijf jaar bestaande verenigingen, mits zulke bijeenkomsten 14 dagen tevoren aan B en W worden aangemeld. Op deze wijze wordt verzekerd, dat in ieder geval controle kan worden uitgeoefend. De voor B en W gecreëerde mogelijkheid die bijeenkomsten te verbieden, achten wij gewenst.”109

174. In de Memorie van Antwoord wordt naar de voorgestelde wijzigingen verwezen en ingegaan op de reikwijdte van de in art. 7c, eerste lid, bedoelde vereniging:

“Met de van vele zijden gemaakte opmerkingen, dat het door ons voorgestelde regiem onvoldoende rekening houdt met het onschuldige karakter van met name het kienen, hebben wij bij onze nadere voorstellen op dit punt rekening gehouden.
[…]
Wij hechten eraan, dat de voorgestelde mogelijkheden slechts worden geboden aan verenigingen (waaronder wij willen begrijpen ook andere doelorganisaties (waaronder wij willen begrijpen ook andere doelorganisaties, die leden kennen, maar formeel niet tot de verenigingen worden gerekend, als kerkgenootschappen, kerkelijke gemeenten en parochies), die ook overigens hun waarde hebben bewezen.”110

175. De uitzondering op het verbod op kansspelen dat is gemaakt voor de zogenoemde “kleine kansspelen” is in de wet opgenomen om het reeds bestaande “onschuldig volksvermaak” buiten de reikwijdte van de strafwet te houden, in overeenstemming met de destijds bestaande opsporingspraktijk. Ik meen de uitzondering te kunnen samenvatten als te zijn gericht op “Nederlandse folklore”. Vandaar de beperking tot Nederlandse verenigingen.

176. De uitzondering voor kleine kansspelen is in het bijzonder opgenomen met het oog op kansspelen die worden georganiseerd voor leden van een vereniging aangevuld met introducees. Het gaat om bijeenkomsten die voor de leden van de vereniging worden georganiseerd, waarbij het sociale karakter, de onderlinge band tussen de leden of de band tussen de leden en de vereniging voorop staat.111 Vandaar de verwijzing naar “leden”, ook in de opmerking in de Memorie van Toelichting waar een ruimere uitleg van het begrip vereniging wordt gegeven tot “andere doelorganisaties, die leden kennen”. Bij gebrek aan leden – die een stichting niet mag hebben112 – kan een stichting als de TCC geen aanspraak maken op de uitzondering voor kleine kansspelen waarin art. 7c WoK heeft voorzien.

177. Het oordeel van het hof, dat de uitzondering in art. 7c, eerste lid, WoK niet geldt voor de TCC, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van regelingen van de gemeenten waarop ter terechtzitting een beroep is gedaan nu dit niet de gemeenten zijn waar de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

178. De eerste klacht faalt.

179. De tweede klacht is gericht tegen de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de organisatie het oogmerk had op het overtreden van de WoK. De bewezenverklaring zou ontoereikend zijn gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de organisatie opzet had op het ontbreken van de vereiste vergunning. De door het hof voor de bewijsvoering gebruikte verklaring van de medeverdachte [S. R.] zou “niet voldoende [zijn] om tot opzet te komen” omdat daaruit “bezwaarlijk [kan] worden afgeleid dat deze medeverdachte ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat met een loterij de WoK werd overtreden”.

180. Alvorens inhoudelijk in te gaan op de voorgestelde klacht, merk ik op dat ik het middel en de toelichting daarop aldus versta dat daarin niet afzonderlijk wordt geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat het opzet moet zijn gericht op het organiseren van loterijen zonder vergunning”. In de toelichting wordt wel weergegeven dat dit standpunt ter terechtzitting is ingenomen, maar de klacht dat het hof daaraan voorbijgegaan zou zijn gegaan, ontbreekt.

181. Voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de (tweede) klacht die ik wél in het middel en de toelichting heb gelezen, heeft het hof ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat hij tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen “aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten […] e. overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan”.113

182. De bijzondere overwegingen die het hof heeft gewijd aan de bewijsvoering van dit onderdeel van de bewezenverklaring, heb ik hierboven integraal weergegeven bij de bespreking van de eerste klacht. De tweede klacht richt zich tegen de overweging van het hof dat uit de voor de bewijsvoering gebruikte verklaring van [S. R.] blijkt dat hij “zich bewust is geweest van de mogelijke strijdigheid van de loterijen met de wetgeving terzake, zodat ook in zoverre sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet”.

183. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de opvatting, dat het opzet ook op het niet-naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen dient te zijn gericht, onjuist is.114 Bovendien is in deze zaak niet het overtreden van vergunningsvoorschriften tenlastegelegd, zodat de in HR 15 april 2008 gestelde eis, dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest,115 niet van toepassing is. In het verlengde hiervan ligt dat evenmin is vereist dat het opzet gericht moet zijn op het bestaan van een vergunningsvereiste. Daarbij komt nog dat overtreding van art. 1 WoK niet als zelfstandig strafbaar feit ten laste is gelegd, maar enkel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie waarvan het oogmerk was gericht op overtreding van art. 1 WoK, zodat het voor een bewezenverklaring in het geheel niet nodig is dat art. 1 WoK daadwerkelijk door de verdachte is overtreden.

184. De gevolgtrekking die het hof aan de verklaring van [S. R.] heeft verbonden – “dat sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet” – geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De medeverdachte [S. R.] heeft tezamen en in vereniging met de verdachte en de andere medeverdachten de criminele organisatie gevormd waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van misdrijven, zodat ik het alleszins begrijpelijk vind dat het hof op basis van de wetenschap die het bij [S. R.] aanwezig heeft geacht, tot de conclusie komt dat het oogmerk van de criminele organisatie was gericht op het plegen van misdrijven, te weten overtreding van art. 1 WoK zoals verwoord in het tenlastegelegde en bewezenverklaarde art. 140 Sr (feit 2). Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, blijkt uit het door [S. R.] inwinnen van advies – welk advies luidde dat een vergunning niet was vereist – niet dat hij geen wetenschap had van het ongeoorloofde van het door hem en zijn medeverdachten (waaronder de verdachte in de onderhavige zaak) organiseren van de loterijen maar heeft het hof daaruit mogen afleiden, en kennelijk ook afgeleid, dat [S. R.] wist dat op het organiseren van loterijen de WoK van toepassing was en dat daarvoor in de regel een vergunning is vereist. Met een blik over de papieren muur merk ik in zoverre ten overvloede op dat [S. R.] de naam van degene die hem zou hebben gezegd dat een vergunning niet was vereist, niet heeft willen geven.116

185. De tweede klacht faalt.

186. Voor zover de toelichting op het middel nog de klacht bevat dat het opzet op overtreding van de WoK op basis van de verklaring van [S. R.] niet aan de verdachte kan worden toegerekend – ik lees daarin: “valt niet in te zien dat die wetenschap van [S. R.] ook aan de ten laste gelegde organisatie en daarmee aan verzoeker kan worden toegerekend” –, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat ten laste van de verdachte niet is bewezenverklaard dat hij art. 1 WoK opzettelijk heeft overtreden maar dat hij (tezamen en in vereniging met anderen) heeft deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk had op het overtreden van art. 1 WoK. Rechtstreeks opzet van de verdachte op de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, is daarvoor niet vereist.117

II.4.3. Eindoordeel inzake het vierde middel

187. Het middel faalt in alle onderdelen.

III De door het Openbaar Ministerie voorgestelde vijf middelen

Nu de namens de verdachte voorgestelde middelen zijn besproken, ben ik toegekomen aan bespreking van de middelen die door het Openbaar Ministerie zijn voorgesteld.

III.1. De afpersing van Tamils in Nederland/feit 2 sub g – het eerste middel

188. Het eerste middel van het Openbaar Ministerie komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het deelnemen aan een nationale criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van afpersing (feit 2 aanhef en onder g).

III.1.1. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissing van het hof

189. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat aan de verdachte onder 2 aanhef en sub f en g ten laste is gelegd dat:

2. De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten:
[…]
f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06]”

190. Het hof heeft in het verband van deze nationale criminele organisatie en het oogmerk van deze organisatie (als bedoeld in 2 aanhef) de dwang wél, doch de afpersing niet bewezen geacht, en daaromtrent het volgende overwogen118:

11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f)

[…]

[S. R.] verklaart in hoger beroep als volgt: “U vraagt mij of [betrokkene 2] mij instructies heeft gegeven hoe verder te handelen in Nederland. In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen.

U vraagt mij of dit boekje het handboek betreft waarin ook het organisatieschema, dat u mij zojuist heeft voorgehouden, is opgenomen. Ja, dat is hetzelfde.

In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen.

U vraagt of ik degene was die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland. Ja, dat klopt.”

Het hof heeft voorts kennis genomen van het door [S. R.] genoemde handboek. Uit dit geschrift blijkt dat het internationale secretariaat van de LTTE van de verantwoordelijken in de afzonderlijke landen verwacht dat alle noodzakelijk maatregelen getroffen dienen te worden om van elke Tamil in dat land een maandelijkse donatie te verkrijgen ten behoeve van de vrijheidsstrijd op Sri Lanka.

In de woning van [S. R.] is op een CD een brief aangetroffen van 11 februari 2007 van [S. R.] (het hof begrijpt: [S. R.] ) aan de districtsverantwoordelijken. [S. R.] schrijft hierin dat zij onmiddellijk de namen, adressen en telefoonnummers van mensen uit hun regio die geen enkele contributie hebben betaald, moeten e-mailen naar Chencholai en Arivucholai verzorgingshuizen en de reden waarom zij niet hebben meegedaan. In bedoeld pand is tevens een brief aangetroffen van [J.M. J.] (het hof begrijpt: [J.M. J.] ) aan [S. R.] met namen en telefoonnummers van mensen in Midden Nederland die niet hebben meegedaan en niet willen meedoen. Voorts is in dit pand een lijst aangetroffen met namen en adressen van Tamils in Nederland en België, waarbij achter sommige namen is geschreven “no pay” of “negative”.

Op 26 april 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van [betrokkene 4] te Londen. Daarbij is (in een computerbestand) een brief aangetroffen gedateerd 15 maart 2007 met de volgende inhoud: “ [betrokkene 5] , [geboortedatum] -1983 uit Den Haag wil de vrouw die voor hem is uitgezocht hier naar toe laten halen. Ze zijn daarheen gegaan voor een pas. Ze hebben verteld dat ze dat pas kunnen geven nadat er een antwoord van ons is. [betrokkene 5] en de moeder van [betrokkene 5] zijn naar me toe gekomen. Hun deelname 2004-2005, totaal € 500,- heb ik ontvangen. In 2006 geen deelname. Voor 2007 heb ik ze ontmoet. Ze hebben geschreven dat ze € 60,- per maand zullen geven. Ik heb een maand 60 euro ontvangen. Mijn mening: als er 2500 gevraagd wordt, zouden we kunnen krijgen. Hoogachtend, [betrokkene 4] .”

[betrokkene 6] , wonend in Breda, heeft zakelijk weergegeven verklaard dat de mensen die aan de deur kwamen zware morele druk op hem legden. Zij zeiden dat hij zijn land in de steek liet. Met zij bedoelt hij de mensen die aan de deur kwamen; [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en nog een paar anderen.

Als hij naar zijn broer in Sri Lanka wilde, en hij moest via het gebied van de LTTE, dan had hij een nummer nodig. In Omantha is een controlepost van de LTTE en dan heb je een nummer nodig om te kunnen passeren. Hij moest eerst betalen en dan zou hij een nummer krijgen. Hij heeft geld overgemaakt aan de TCC. Toen is er ook al eens om een groot geldbedrag gevraagd voor de “onophoudelijke golven”. Hij kon dat niet betalen en toen is overeengekomen dat hij periodiek zou betalen. Bij het tonen van foto 1 ( [L. T.] ) verklaart hij dat dat [L. T.] is en dat die in Breda woont. Hij was tot aan het verlies van de LTTE ervan overtuigd dat hij een nummer nodig had om daar in Sri Lanka te komen, zo niet dan zouden zij hem vasthouden bij Omantha tot alsnog betaald was. Hij verklaart dat [betrokkene 7] praat of hij wil slaan. [betrokkene 7] belde soms en vroeg of het geld al klaar lag. Als hij dan zei van niet, zei [betrokkene 7] dat hij maar een telefoontje hoefde te plegen. Daaruit begreep hij dat hij in Sri Lanka problemen kon verwachten.

Hij verklaart dat [betrokkene 7] in 2004 zijn districtsverantwoordelijke was.

[betrokkene 9] , wonend in Breda, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “Ik had van landgenoten die naar Sri Lanka zijn gereisd gehoord dat ik, in het geval ik naar Sri Lanka wilde reizen, een pasje/reisdocument nodig zou hebben. Ik moest geld betalen om dat document te kunnen krijgen.

Ik wilde naar mijn vaderland reizen en ik heb toen aan [betrokkene 7] gevraagd hoe ik zo’n pas zou kunnen regelen en aan wie ik daarvoor geld moest betalen. Van andere mensen heb ik geld geleend om de pas te regelen.

Ik moest naar Sri Lanka reizen en ik was bang dat ze mijn paspoort in beslag zouden nemen, daardoor voelde ik mij bedreigd.

Ik heb aan [betrokkene 7] € 500,- betaald.

In 2005 ben ik in verband met een bezoek aan mijn vader naar Sri Lanka gereisd met een Sri Lankaans paspoort.

Ik denk dat ik de kwitantie van [betrokkene 7] heb gekregen.

Daar stond op dat ik 500 rupees had betaald en dat dit het bewijs daarvan was.

Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat [betrokkene 7] tegen mij gezegd heeft dat ik het betalingsbewijs kon meenemen zodat ik dat daar bij de LTTE kon laten zien.

[betrokkene 10] , wonend in Lelystad, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “U houdt mij voor dat ik tegenover de rechter-commissaris heb verklaard dat ik in 2009 contact heb gehad met een persoon genaamd [J.M. J.] . U zegt dat u uit mijn verklaring heeft begrepen dat hij bij mij kwam voor geldinzameling voor de LTTE.

In 2009 had ik een winkel. Toen heb ik hem daar gezien. Hij zei “wij verzamelen geld bij iedereen”. U vraagt mij wie hij met ‘wij’ bedoelde. Hij kwam niet alleen. Hij zei “wij gaan alle winkels langs”.

U vraagt mij of hij de Tamiltijgers of de LTTE heeft genoemd. Hij had een brief bij zich. Hij zei dat hij voor hun geld inzamelde. U vraagt mij of hij nader heeft aangegeven wie met ‘hun’ bedoeld werden. Hij zei dat hij een brief heeft gekregen van ‘daar’ en daarom zamelde hij geld in voor de LTTE. Dat heeft hij gezegd.

U vraagt mij of hij een bonnenboekje heeft laten zien. Ja, dat heeft hij.

U toont mij nu op een groot scherm pagina A07 0155 van het dossier en u vraagt mij of ik dit herken. Ja.

U vraagt mij of ik toen iets soortgelijks heb gezien. Ja, het was zoiets.

U vraagt mij of ik het rode embleem herken. Dat was toen in het zwart.

U vraagt mij wat het voorstelt. Dat is van de Tamiltijgers. Dat staat er ook in de Tamil taal.

U vraagt mij in welke periode [J.M. J.] bij mij is geweest. Mijn winkel is in februari 2009 geopend. Ik denk dat het ongeveer twee maanden na de opening was.

De eerste keer dat hij langskwam zei hij dat ze langs alle Tamilwinkels gingen om geld in te zamelen. Hij zei dat wij moesten helpen.

U vraagt mij naar de tweede keer dat [J.M. J.] langskwam.

Hij vroeg mij toen of ik nagedacht had. Hij liet mij weer een brief zien en zei “het geld is niet voor mij, maar het is voor ons”.

U vraagt mij wie hij met ‘ons’ bedoelde. Ik denk dat hij de LTTE bedoelde, want op de brief die hij liet zien stond LTTE. Ik weet zeker dat de LTTE problemen maakt voor de mensen die geen geld geven.

U vraagt mij of er andere personen bij mij zijn langs geweest. [bijnaam J.M. J.] is met een brief langs geweest. Hij vertelde dat zij bij iedereen 1000 euro inzamelden. Toen ik zei dat ik geen 1000 euro had, zei hij dat ik ook elke maand 50 euro kon geven.

Hij zei “Je bent Tamil, je moet ons helpen”.

U vraagt mij of ik mij op enigerlei wijze onder druk gezet voelde door [J.M. J.] of [S. R.] . Ja, dat voelde ik wel zo.

U vraagt mij of ik kan toelichten waarom ik dat zo voelde. Toen [J.M. J.] mij om geld ging vragen ben ik een beetje bang geworden.

U vraagt mij wat hij deed waardoor ik bang werd. Als er geen geld werd betaald, misschien kreeg ik dan problemen.

U vraagt mij of ik dat dacht of dat hij dat zo gezegd heeft. Hij heeft gezegd dat hij iemand is die problemen kan maken en dat hij andere mensen die niet hebben betaald heeft geslagen.

U vraagt mij of hij nog andere dingen heeft gezegd waardoor ik bang werd. Hij zei “je moet betalen” en ja, ik heb ook kinderen.

U vraagt mij of hij mij op enige wijze bedreigd heeft met mijn kinderen. Hij heeft gezegd “als je niet betaalt dan heb je een probleem”.

Hij heeft gezegd “je moet geld geven, anderen hebben dat ook al gedaan”.

Daarnaast heeft hij gezegd “ik heb al problemen gemaakt bij andere mensen die niet betalen”. Toen dacht ik dat hij problemen met mijn kinderen kon maken.

U houdt mij in dit kader voor dat ik in antwoord op vragen van de rechter-commissaris heb gezegd dat hij had gezegd “Je moet geld betalen of jij moet hulp aanbieden aan de Tijgers”, dat “hij had deelgenomen aan de strijd en scherven in zijn hart heeft” en “Als jij niet helpt, ga ik kinderen ontvoeren”. U vraagt mij of ik dit zo bij de rechter-commissaris heb gezegd. Dit klopt. Ik heb dit zo bij de rechter-commissaris gezegd. Het is zo dat als men problemen met kinderen verwacht, men automatisch geld gaat geven.

U vraagt mij of hij heeft gezegd op welke kinderen hij doelde. Hij kwam geld vragen bij mij, dus ik dacht dat het over mijn kinderen ging.

Hij heeft gezegd dat als ik geld gaf ik geen problemen zou krijgen.

U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris heb gezegd dat hij zei “jouw kinderen”. Omdat hij geld aan mij vroeg, ging het over mijn kinderen.”

11.3.3.3.1. Het oordeel van het hof

Uit deze getuigenverklaringen en bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof, met de rechtbank dat door degenen die geld inzamelden voor de LTTE (waaronder dus begrepen de TGC en andere sub-organisaties) een indringend beroep werd gedaan op leden van de Tamilgemeenschap in Nederland om financieel bij te dragen aan de activiteiten en/of doelstellingen van de LTTE (en sub-organisaties). Mensen werden herhaaldelijk door twee of drie leden van de organisatie bezocht, ook al hadden zij laten weten niet te willen bijdragen of het geld niet te kunnen missen. Er was sprake van een minimaal te betalen bijdrage. Er werd nauwkeurig geregistreerd wie wel en wie niet betaalde en deze registratie werd ook aan Sri Lanka doorgegeven. Bij deze (huis)bezoeken werd mensen te verstaan gegeven dat zij, als zij niet zouden betalen, het onder controle van de LTTE staande gebied in Sri Lanka niet zouden kunnen inreizen of daar problemen zouden kunnen ondervinden. In een geval is gedreigd met ontvoering van kinderen. Veel slachtoffers hadden angst voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt. Door dit alles werd zodanig op de slachtoffers ingewerkt en ingepraat dat sprake is van bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in artikel 284 Sr. Deze handelwijze leidde tot zodanige psychische druk dat de slachtoffers hieraan geen weerstand konden bieden en uiteindelijk gingen zij overstag en betaalden. Immers, veel van de slachtoffers wilden de mogelijkheid openhouden om hun moederland, Sri Lanka, te bezoeken of hadden daar nog familie om wier welzijn zij zich zorgen maakten. Zij vreesden dat die mogelijkheid hun zou worden onthouden als zij niet betaalden. Van die angst werd misbruik gemaakt.

Anders dan wel door de verdediging is betoogd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hier weergegeven (onderdelen van de) verklaringen van de getuigen. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen grond.

Gelet op het vorenstaande komt het hof, net als de rechtbank, mede gelet op het stelselmatige karakter van de aanpak, tot bewezenverklaring van dwang als één van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

11.3.3.4. Afpersing (Feit 2 sub g)

Onder feit 2 sub g wordt de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) verweten het oogmerk te hebben op afpersing.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Anders dan ten aanzien van “dwang” moet immers, voor bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie op afpersing, komen vast te staan dat dat oogmerk was gericht op het plegen van geweld dan wel het bedreigen met geweld tegen personen, en wel zodanig dat bij de afgifte geen andere motieven dan de dreiging met geweld dan wel het geweld een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Anders dan bij “dwang” in de zin van artikel 284 Sr, kan het dwingende karakter niet worden afgeleid uit andere feitelijkheden dan geweld en dreiging met geweld.

Hoewel uit de hiervoor bewezenverklaarde dwang een aanwijzing kan worden afgeleid dat de Tamils in Nederland, van wie bijdragen ten behoeve van de LTTE werden gevorderd, onder druk werden gezet en er evenzeer aanwijzingen zijn in de daarover afgelegde verklaringen, dat sommige Tamils ook zeer zware druk hebben ervaren, blijkt uit geen van de afgelegde verklaringen dat in die dwang of bedreiging in het algemeen de (enige) reden was gelegen om (financiële) bijdragen aan de LTTE te leveren. Immers: veelal werden de bijdragen kennelijk ook gegeven om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren. Andere omstandigheden waaruit het oogmerk op afpersing, anders dan op grond van de door het openbaar ministerie ook wel aangevoerde, meer algemene beschrijvingen van de LTTE in (internationale) rapporten of verder niet gespecificeerde uitspraken van buitenlandse rechters, die op zichzelf in dit verband niet voldoende gewicht in de schaal leggen, zijn niet komen vast te staan, reeds omdat daarbij niet steeds helder is in hoeverre onderscheid wordt gemaakt tussen de juridische begrippen “dwang” en “afpersing”.

Onder die omstandigheden, acht het hof weliswaar — zoals hiervoor betoogd — het oogmerk van de organisatie op het uitoefenen van dwang in een aantal gevallen, gelet op de bewezenverklaarde feitelijkheden, bewezen, maar het oogmerk op afpersing onvoldoende gespecificeerd en door vaststaande feiten onderbouwd om tot een bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op het afpersen van Tamils te komen. Van het onder feit 2 sub g. ten laste gelegde zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.”

III.1.2. Bespreking van het eerste middel

191. Voorop dient te worden gesteld dat onder feit 2 dwang (art. 284 Sr) en afpersing (art. 317 Sr) niet als zelfstandige delicten zijn tenlastegelegd119. Tenlastegelegd is hier de deelneming aan een (nationale) criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr120, die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van dwang (sub f) en afpersing (sub g). Zouden dwang en afpersing, een delict dat als een bijzondere en ernstigere vorm van dwang wordt getypeerd, wel beide afzonderlijk zijn tenlastegelegd, dan zou het verschil in delictsomschrijving en strafbedreiging strafrechtelijk relevant zijn, zowel voor de bewezenverklaring en de kwalificatie, als voor de strafoplegging. Maar deze relevantie is gelet op het onder 2 tenlastegelegde niet aan de orde, nu het er voor de kwalificatie en de strafbedreiging er niet zoveel toe doet of het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht op dwang en/of afpersing.

192. Daarbij komt nog het volgende. Uit de tenlastelegging en de bewijsvoering blijkt dat zowel de dwang (sub f) als de afpersing (sub g) betrekking heeft op betalingen die aan de LTTE zijn gedaan of, als het aan de organisatie had gelegen, gedaan hadden moeten worden. Het hof heeft de tenlastelegging voor wat betreft sub f en sub g klaarblijkelijk en – gezien de “en/of”-constructie – niet onbegrijpelijk als impliciet primair/subsidiair uitgelegd. Die aan het hof voorbehouden uitleg is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, waarbij ik tevens in aanmerking heb genomen dat sub f en sub g beide verwijzen naar zaakdossier 06.

193. Reeds op grond van het voorgaande meen ik dat het middel in al zijn onderdelen niet tot cassatie kan leiden.

194. Aldus bezien, bespreek ik het middel hierna ten overvloede. De toelichting op het middel bevat twee klachten met elke een deelklacht.

195. De rechtsklacht houdt in dat het hof ten onrechte als eis heeft gesteld “dat er slachtoffers waren die daadwerkelijk betaald hebben aan de LTTE als gevolg van dreiging met geweld door de LTTE […], aangezien in de onderhavige zaak het oogmerk op afpersing bij een criminele organisatie ten laste is gelegd, en niet de afpersing als zelfstandig delict”.

196. Uit de bewijsvoering blijkt allereerst dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven (i) dat het onder feit 2 gaat om het oogmerk van een nationale criminele organisatie op dwang en/of afpersing, (ii) dat (dus) niet afpersing als zelfstandig delict is tenlastegelegd en (iii) (impliciet) dat voor het bewijs van dat oogmerk niet nodig is dat de organisatie daadwerkelijk succesvol was met het dwingen van slachtoffers tot afgifte van geldbedragen door dreiging met geweld. Wel heeft het hof voor het bewijs van het tenlastegelegde oogmerk (feit 2 aanhef) kennelijk de vraag van betekenis geacht of dat oogmerk daadwerkelijk uit concrete feiten en omstandigheden kan blijken en heeft het daarvoor het bewijsmateriaal enkel kunnen ontlenen aan misdrijven die in het verband van de nationale criminele organisatie reeds waren begaan. Het hof komt dan uit bij misdrijven die, naar het hof heeft vastgesteld, (enkel) dwang opleveren en (nog net) niet afpersing, reden waarom volgens het hof het oogmerk van de organisatie te dezen was gericht op dwang en niet op afpersing.

197. Het op deze (impliciete) overwegingen berustende oordeel van het hof dat vrijspraak dient te volgen voor deelneming aan een criminele organisatie voor zover deze het oogmerk had op het plegen van afpersing, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste of beperkte rechtsopvatting ten aanzien van de reikwijdte en/of werkingssfeer van art. 140 Sr (terwijl het voorts niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is).121

198. Voorts lees ik in de toelichting op het middel de deelklacht dat de feiten zoals die door het hof zijn vastgesteld wel degelijk als bedreiging met geweld moeten worden aangemerkt. Zo begrijp ik tenminste de verwijzing naar gevallen waarin ook sprake is van “dreiging met geweld indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is”122, alsook het beroep op de in de bewijsvoering opgenomen mededelingen dat de betrokkenen problemen zouden kunnen ondervinden wanneer zij niet betaalden. Daarover wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat die “in een andere context wellicht neutrale mededeling […] in deze context onmiskenbaar een bedreiging met geweld” is.

199. Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat het oordeel of een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, afhangt van allerlei omstandigheden en noodzakelijkerwijs verweven is met waarderingen van feitelijke aard, zodat dit oordeel in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst.123 Het hof heeft uitvoerig overwogen dat en waarom de beschreven handelwijzen van de inzamelaars/huisbezoekers wel kunnen worden aangemerkt als bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in art. 284 Sr, maar niet als bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr. Ook die overwegingen acht ik niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Daarbij zij nog opgemerkt dat de “problemen” die men zou kunnen ondervinden en waarop in de toelichting op het middel wordt gewezen, door het hof kennelijk niet in verband zijn gebracht met bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr, maar met praktische problemen die de betrokkenen of derden zouden kunnen ondervinden bij een bezoek aan Sri Lanka omdat voor het bezoek in een door de LTTE gecontroleerd gebied een “nummer” nodig was dat kennelijk (in Nederland) eerst tegen betaling afgegeven werd.

200. Voor het oordeel of in de onderhavige zaak een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, is – anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd – niet essentieel “dat de LTTE een criminele en terroristische organisatie is die zich op Sri Lanka schuldig heeft gemaakt aan vele gevallen van ernstige gewelddadige misdrijven tegen de burgerbevolking”. De onder 2 tenlastegelegde feiten hebben, zo blijkt uit de aanhef ervan, betrekking op de “nationale criminele organisatie” waarbij de feiten zijn begaan in Nederland; in tegenstelling tot de feiten 1A en 1B ontbreken de woorden “en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld” in de tenlastelegging van feit 2. Dat betekent dat het verwijt dat in feit 2 aan de verdachte (en zijn medeverdachten) wordt gemaakt, zich niet uitstrekt over vormen van bedreiging van geweld (of van geweld) waaraan de LTTE zich in Sri Lanka schuldig heeft gemaakt.

201. De motiveringsklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de vaste handelwijze van de organisatie van verdachten (de LTTE) enerzijds geen blijk gaf van een oogmerk op bedreiging met geweld, en dus oogmerk tot afpersing, onbegrijpelijk is gelet op de vaststellingen die het hof anderzijds heeft gedaan, zoals bijvoorbeeld dat “de LTTE overtuigend is beschuldigd van vele gevallen van ontvoering, afpersing, gedwongen verdwijningen en willekeurige opsluiting op Sri Lanka” en “veel slachtoffers angst hadden voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt”.

202. In het arrest van het hof heb ik geen verwijzing naar een “vaste handelwijze” aangetroffen. Voor het overige moet een onderscheid worden gemaakt tussen “allerhande gedragingen” die naar het oordeel van het hof voor rekening van de LTTE komen, en de “gedragingen die voor rekening van de LTTE komen én betrekking hebben op de betalingen”, want om die laatste gedragingen gaat het bij ’s hofs oordeel over de vraag of het oogmerk van de organisatie – voor wat betreft de betalingen – was gericht op dwang of afpersing. Als dat onderscheid in acht wordt genomen, maken de vaststellingen waarop een beroep wordt gedaan het oordeel van het hof inzake het oogmerk niet onbegrijpelijk.

203. Een deelklacht is gericht tegen de overweging van het hof dat “veelal bijdragen kennelijk ook gegeven werden om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren”. Deze overweging strookt niet met het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie, aldus de stellers van het middel.

204. Om twee redenen heb ik cassatie-technisch moeite met deze deelklacht. In de eerste plaats omdat de klacht in feite is gericht tegen de bewezenverklaring door het hof van het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie. Het Openbaar Ministerie kan niet zonder nadere motivering, welke ontbreekt, in cassatie met succes opkomen tegen de veroordeling van de verdachte ter zake van een feit waarom het zelf ter terechtzitting heeft gevraagd. Ten tweede preciseert de klacht niet waarom de aangehaalde overweging van het hof de vrijspraak van het op afpersing gerichte oogmerk van de organisatie, onbegrijpelijk zou maken.

III.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel

205. Ook op grond van de voorgaande beschouwingen ten overvloede faalt het middel in al zijn onderdelen.

III.2. De opruiingsfeiten/ feiten 2 sub a en b, 5 en 6 – het tweede, het derde en het vierde middel

206. Het tweede, het derde en het vierde middel richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat hetgeen onder 2 sub a en b alsmede onder 5 en 6 – betreffende kort gezegd de opruiingsfeiten – is tenlastegelegd niet kan worden bewezenverklaard. Het derde en het vierde middel klagen beide in de kern over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 10 EVRM waardoor het hof ten onrechte tot (deel)vrijspraken ter zake van de opruiingsfeiten is gekomen. Het derde middel heeft meer in het bijzonder betrekking op de feiten die onder 5 en 6 ten laste zijn gelegd, het vierde middel legt het accent op de feiten die in 2 sub a en b zijn omschreven. Het tweede middel ligt naar mijn inzicht in het verlengde van het derde en het vierde middel, en klaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 17 EVRM waardoor de verdachte en zo ook de medeverdachten ten onrechte een beroep hebben kunnen doen op art. 10 EVRM.

207. Alvorens tot bespreking van deze middelen over te gaan, ga ik in op het wettelijk kader, de tenlastelegging van de betreffende opruiingsfeiten, de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven en de overwegingen van het hof die betrekking hebben op de gegeven vrijspraken.

III.2.1. De artikelen 131 en 132 Sr

208. De feiten genoemd onder 5 hebben betrekking op art. 131 Sr, terwijl de onder 6 aangeduide feiten op art. 132 Sr zien. Het hof heeft de tenlastelegging aldus uitgelegd, dat onder 2 sub a en b gesteld wordt dat het oogmerk van de nationale criminele organisatie (mede) was gericht op de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten.

209. De tekst van de genoemde artikelen luidden ten tijde van de tenlastegelegde periode, en ook nu nog, als volgt:

Artikel 131 Sr

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Artikel 132 Sr

1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

III.2.2. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissingen van het hof

210. Aan de verdachte is onder 2 sub a en b, respectievelijk onder 5 en 6 ten laste gelegd dat:

2. De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten: a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09]

[…]

5. Opruiing

hij op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht en/of Oosterbeek en/of Den Haag en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:

a) “Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting (…)

Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze: jongens iets doen, doen ze het goed.”

(op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)

b) "Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden" en/of

"Onder het leiderschap van onze leider Pirabakaran en zijn tijgermacht zal het land herwonnen worden" en/of

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.

Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven?

Zie, zie, zie onze moed

Het is het land waarin wij leven’

Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht;

In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op "Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken Denken jullie dat het jullie huis is?

Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen.

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen"

(op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510)

c)

"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze. goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd, dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden" en/of

"Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..)

Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten laat ons dat bevestigen." en/of

"Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'.

Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht."

(op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280)

d)

"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen" en/of "Er is geen andere weg dan te strijden" en/of

"Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen."

(op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,13.18/1319)

e)

"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. (.... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken."

(op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032)

althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka)

(Artikel 131 Wetboek van Strafrecht)

6. Verspreiding ter opruiing

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of Ammerzoden, en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heidendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad:

a) een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te Utrecht met (onder andere) de tekst "Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel"

(B09-35/36, 1262/1263) en/of

b) Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of

c) DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of

d) DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of

e) DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629)

zijnde (een) geschift(en) en/of (een) afbeelding(en) waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam

(Artikel 132 Wetboek van Strafrecht)”.

211. Omtrent de verbinding tussen de onder 2 sub a en b genoemde feiten en de feiten die afzonderlijk zijn tenlastegelegd onder 5 en 6, heeft het hof in zijn arrest het volgende gezegd:

12. Beoordeling feiten 5 en 6

12.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

[…]

Naar het hof begrijpt dienen dezelfde teksten en aangetroffen goederen volgens het openbaar ministerie tot bewijs van sub a en b van het onder 2 ten laste gelegde, derhalve in zoverre tot bewijs van het oogmerk van de nationale criminele organisatie, waarvan alle verdachten wordt verweten te hebben deel uitgemaakt.”

212. Ten aanzien van de onderhavige (deel)vrijspraken heeft het hof het volgende overwogen:124

11.3.3. Beoordeling met betrekking tot feit 2

11.3.3.1. Opruiing en verspreiding ter opruiing (Feit 2 sub a en b)

Onder feit 2 sub a en b is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op opruiing en verspreiding ter opruiing.

Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de LTTE het oogmerk heeft gehad op de onder 2 sub a en b ten laste gelegde misdrijven.

[…]

12. Beoordeling feiten 5 en 6

[…]

12.3.

Het oordeel van het hof

12.3.1.

Beoordelingskader van de feiten 5 en 6

Het hof stelt bij de bespreking van deze feiten het volgende voorop waarin de door partijen ingenomen standpunten worden betrokken.

De artt. 131 en 132 Sr beogen de openbare orde te beschermen en te voorkomen dat met bepaalde middelen tot het begaan van strafbare feiten of van gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt aangezet. Onder openbaar gezag wordt het Nederlands openbaar gezag verstaan.

Voorts bevatten de artt. 131 en 132 Sr het bestanddeel ‘openbaar’ waaronder het hof verstaat dat de opruiing geschiedt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden opgenomen.

Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting - zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM - die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.

De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.

Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uitlating of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.

Het hof neemt bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen en goederen ter verspreiding de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking:

- de uitlatingen als geheel;

- de kennelijke bedoeling van de uitlating;

- de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden;

- onder wiens verantwoordelijkheid werd de uitlating gedaan;

- de plaats of gelegenheid waar de uitlating wordt gedaan.

Het hof tekent daarbij aan dat niet gebleken is dat, voor zover al vereist, geen toestemming door de (lokale) autoriteiten zou zijn gegeven voor de hierna te bespreken manifestaties. Evenmin is gebleken dat deze manifestaties niet vreedzaam zouden zijn verlopen, noch dat er enig gevaar voor de openbare orde zou zijn geweest.

Verdachte en diens medeverdachten, behorend tot de Tamil bevolkingsgroep, hebben gesteld zich te hebben ingespannen voor de Tamilgemeenschap en zich betrokken te hebben gevoeld bij de toenmalige gewapende strijd van de Tamilgemeenschap op Sri Lanka en bij de gevolgen daarvan voor de (Tamil-)inwoners van Sri Lanka. Zij hebben aangegeven dat de bijeenkomsten, waarop de onder 5 ten laste gelegde uitingen (zouden) zijn gedaan, het karakter hadden van herdenkingen van de slachtoffers van de strijd en van het vereren van de strijders met de bedoeling om het moreel van de Tamils te versterken voor de voortdurende strijd en om de toehoorders te bewegen die strijd te (blijven) ondersteunen.

12.3.1.1. De onder 5 ten laste gelegde uitingen

12.3.1.1.1. Onder 5 sub a

Deze tekst is, zo blijkt uit het dossier, afkomstig uit een toneelstuk dat is uitgevoerd tijdens de Zwarte Tijgerdag op 9 juli 2005 in een zalen & party-centrum te Oosterbeek. Deze Zwarte Tijgerdag was een herdenkingsdag voor de Zwarte (Tamil) Tijgers en blijkens het affiche georganiseerd door de TCC.

[L. T.] heeft een rol gehad in dit toneelstuk en in zijn huis is de DVD gevonden waarop onder meer dit toneelstuk is vastgelegd.

De tekst bevat geen concrete, directe aansporingen tot geweldsuitoefening door de toehoorders. Het daarbij - in positieve zin - bezingen van (strijd)geweld kan gelet op de theatrale vorm en in het licht van het karakter van de Zwarte Tijgerdag als herdenking van slachtoffers naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als opruiend in strafrechtelijke zin.

12.3.1.1.2. Onder 5 sub b

Uit het politieonderzoek is gebleken dat deze uitlatingen zijn gedaan op een Zwarte Juli herdenkingsdag op de Dam in Amsterdam op 25 juli 2007. Herdacht werden de vele Tamils die gedood werden tijdens de onlusten die uitbraken op Sri Lanka in 1983.

Hoewel de tekst in positieve zin geweld beschrijft kan daarin, gelet ook op het herdenkende karakter ervan, geen directe aanzet tot het plegen van geweld door de toehoorders worden gelezen, anders dan in termen die het belang van de strijd van de Tamilgemeenschap beschrijven, een overigens ook niet ongewoon kenmerk van oorlogs-strijdliederen en - toespraken.

12.3.1.1.3. Onder 5 sub c

Deze tekst werd uitgesproken bij een herdenkingsbijeenkomst op 4 november 2007 in het zalencomplex Maresca te Utrecht.

Van deze herdenkingsbijeenkomst ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder [betrokkene 11] , de politiek leider van de LTTE, zijn op DVD’s beelden aangetroffen.

Op de beelden is te zien en te horen dat [S. R.] op een podium achter een spreekgestoelte staat en daar in het Tamil spreekt.

Uit de zich in het dossier bevindende teksten, waarvan de ten laste gelegde passages een onderdeel vormen, moet worden afgeleid dat de teksten zijn uitgesproken in een duidelijk herdenkingskader van grote strijders en slachtoffers. Weliswaar wordt de strijd van de Tamilgemeenschap bewierookt, maar uit de tekst valt geen (directe) aanzet tot het plegen van geweld door het aanwezige publiek te destilleren.

12.3.1.1.4. Onder 5 sub d

In de woning van [S. R.] is een DVD inbeslaggenomen met daarop de tekst: ‘Nederland Pongu Tamil 22-06-2008’. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een zogeheten Pongu Tamil manifestatie op 22 juni 2008 op het Plein in Den Haag, waar [J.M. J.] optrad als ‘gastheer’.

Een Pongu Tamil manifestatie is een LTTE evenement dat in meerdere landen wordt gehouden en waarbij wordt beleden dat de LTTE de enige vertegenwoordiger is van de Tamils.

Bij de beelden van de DVD is een lied “Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” te horen.

Op de beelden is voorts een toneelstuk te zien waarin de ten laste gelegde uiting: "Er is geen andere weg om te strijden” voorkomt.

Blijkens de beelden op de DVD heeft [betrokkene 12] een toespraak gehouden, waarin de volgende ten laste gelegde uitingen voorkomen: "Wij zullen zeker winnen/Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”

Ook hier kunnen naar het oordeel van het hof de uitingen niet worden gekwalificeerd als directe aanzet tot geweld door de toehoorders, mede gelet op het duidelijke herdenkings- en vereringskader van de - weliswaar - gewapende strijd en de strijders, waarbij ook de vorm van liederen en toneelstukken bijdraagt aan dat herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5. Onder 5 sub e

Tijdens een doorzoeking van het perceel [a-straat 1] te Raalte is een DVD aangetroffen en inbeslaggenomen. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een speech van [S. R.] , waarin de ten laste gelegde teksten voorkomen.

De speech was onderdeel van de Heldendag die op 27 november 2009 plaatsvond in Partycentrum Maresca te Utrecht.

Heldendag is de nationale dag van de grote helden van Tamil Eelam. Op deze dag worden grote helden die hun leven hebben opgeofferd herdacht. Deze bijeenkomst vond derhalve plaats na 18 mei 2009, zijnde de dag waarop het leger van de LTTE door het Sri Lankaanse leger werd verslagen.

De bijeenkomst was aangekondigd middels een affiche.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gewraakte uitlatingen niet worden uitgelegd als een directe aanzet van de toehoorders tot geweldpleging, mede gelet op het hiervoor weergegeven karakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 5

Het hof komt bij de beoordeling van feit 5 tot het eindoordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden en context niet kunnen worden gekwalificeerd als opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag noch tot enig strafbaar feit, als bedoeld in art. 131 Sr. Voor zover de uitingen een opzwepend karakter hebben - daarvan is zeker sprake, soms in onomfloerste bewoordingen - beoordeelt het hof die, gelet op alle omstandigheden, vooral als een moreel appel op het gehoor, passend bij het saamhorige karakter van de (herdenkings- en vererings-) bijeenkomsten. Het hof hoort in de ten laste gelegde teksten onvoldoende directe aansporingen tot financiële steun of concrete deelneming aan gewelddadige (terroristische) activiteiten van de LTTE, zodat ook in zoverre van strijd met art. 131 Sr geen sprake is.

Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.

Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan - wat er overigens van zij - niet af.

Het hof zal derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, de verdachte vrijspreken van feit 5.

12.3.1.2. De onder 6 ten laste gelegde opruiende goederen

12.3.1.2.1. Onder 6 sub a

In de woning van [S. R.] is een externe harde schijf in beslag genomen met daarop tal van affiches. Daarbij gaat het om uitnodigingen voor bijeenkomsten, herdenkingsdagen, demonstraties en sportdagen in de periode van 2004 tot en met 2010, waaronder die van de Heldendag op 27 november 2007 te Utrecht. Op de affiche staat onder meer als tekst weergegeven:

“Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.

- Tamil Eelam nationale leider -”.

12.3.1.2.2. Onder 6 sub b

Tijdens doorzoekingen binnen het onderzoek Koninck op maandag zijn op diverse plaatsen scheurkalenders van het jaar 2010 aangetroffen, onder meer op het woonadres van [L. T.] . Op de veel grotere achtergrondplaat van de kalender staat een afbeelding van de oprichter en leider (tot aan zijn dood) van de LTTE, Velupillai Prabhakaran. Op tal van dagen in de kalender zijn afbeeldingen en namen weergegeven van omgekomen Black Tigers, waarbij in het kort, heroïsch, wordt weergegeven bij welk incident zij om het leven zijn gekomen.

Naast deze afbeeldingen zijn in de kalender ook afbeeldingen te vinden van internationaal bekende personen, zoals Mahatma Ghandi, Martin Luther King, David Ben-Gurion.

12.3.1.2.3. Onder 6 sub c, sub d en sub e

Onder het in het onderzoek Koninck aangetroffen propagandamateriaal zijn onder meer DVD's aangetroffen, getiteld (vertaald) "Levend wapen", versie 5 tot en met 9. Volgens opdruk zijn ze vervaardigd door, of in opdracht van, de LTTE.

De DVD's bevatten videobeelden en gesproken tekst. Onderwerpen zijn overwegend geslaagde zelfmoordaanslagen. Naast die aanslagen komen meermaals de zelfmoordenaars in beeld, soms met de grote leider. De gebeurtenissen worden mondeling toegelicht door leidinggevenden van de LITE.

12.3.1.2.3.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 6

Het hierboven besproken beoordelingskader in acht nemend komt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde goederen tot de navolgende overwegingen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, hoewel daaruit bewondering voor (ernstige) gewelddadigheden en het sterven in een strijd blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter heeft. Enige directe of indirecte oproep aan de toehoorders tot het plegen van strafbare feiten, als bedoeld in art. 132 Sr, kan daarin niet voldoende gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de in art. 132 Sr bedoelde norm. De hier genoemde bescheiden roepen niet op tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Voor zover de activiteiten van de LTTE, en de LTTE zelf, worden bewierookt en voor zover beoogd wordt de verkrijgers van de verspreide of te verspreiden goederen aan te sporen de LTTE te ondersteunen, kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hierboven weergegeven context, niet worden geconcludeerd dat daarmee wordt opgeruid tot het plegen van strafbare feiten, dan wel tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Het hof zal verdachte derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, ook vrijspreken van feit 6.”

213. De hierboven aangehaalde overwegingen houden met betrekking tot de onder 5 weergegeven uitlatingen in dat deze – naar het hof heeft vastgesteld – in de gegeven omstandigheden en context niet direct aanzetten tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag zoals bedoeld in art. 131 Sr, mede gelet op het herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomsten, waarop die uitlatingen ook in de vorm van liederen en toneelstukken zijn gedaan. Wat betreft de onder 6 genoemde objecten komen de overwegingen erop neer dat – naar het hof heeft vastgesteld – de inhoud ervan niet direct of indirect oproept tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in art. 132 Sr, waarbij het hof de eerder door hem genoemde context en het verhalende en herdenkende karakter van die objecten in aanmerking heeft genomen.

III.2.3. De betekenis van art. 10 EVRM – bespreking van het derde en het vierde middel

214. Dan nu de middelen. Ik zal beginnen met het derde en het vierde middel, die zich, ook volgens de stellers van de middelen, voor gezamenlijke bespreking lenen. Daarna volgt een beoordeling van het tweede middel.

215. Het derde middel bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de vrijspraken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde opruiingsdelicten. Het vierde middel steunt (grotendeels) op dezelfde gronden als het derde middel, maar richt zijn pijlen op de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten. In de toelichting op het vierde middel wordt in belangrijke mate verwezen naar de toelichting op het derde middel.

216. Als eerste klacht wordt in het derde middel aangevoerd dat het hof “met zijn oordeel dat de in feit 5 en 6 tenlastegelegde uitingen worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en niet bestraft mogen worden […], de strekking en reikwijdte van art. 10 EVRM” miskent.

217. In het arrest van het hof heb ik niet gelezen dat de in de feiten 5 en 6 verwoorde uitingen naar het oordeel van het hof worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Wel heeft het hof met betrekking tot art. 10 EVRM in 12.3.1. respectievelijk in 12.3.1.1.5.1 overwogen:

“Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting - zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM - die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.

De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is.”

En:

“Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.”

218. Deze overwegingen moeten wel in de juiste context worden gelezen. In 12.3.1 geeft het hof aan dat de artikelen 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als een “in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Wanneer het hof dan vervolgens in 12.3.1.1.5.1 overweegt dat geen van de gewraakte uitingen een uitzondering rechtvaardigen op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, herhaalt het hof daarmee zijn oordeel dat die uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als een overtreding van art. 131 Sr en dat zich om die reden niet het geval voordoet van de in art. 10 EVRM toegestane inperking van de vrijheid van meningsuiting. Anders dan de rechtbank125 overweegt het hof dus niet, zoals de klacht lijkt te veronderstellen, dat de uitlatingen vallen onder het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en “dus” niet strafbaar zijn. Het hof redeneert – niet onbegrijpelijk – eigenlijk andersom: de uitingen zijn (naar het hof feitelijk heeft vastgesteld) naar Nederlands recht niet strafbaar en vallen mitsdien onder het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting.

219. De klacht berust mijns inziens dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag.

220. Om vergelijkbare redenen faalt het beroep dat door de stellers van de middelen wordt gedaan op door hen aangehaalde rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft zich in die rechtspraak in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting uitgelaten over beperkingen die daarop door nationale rechters zijn aanvaard en de toelaatbaarheid daarvan. Maar als gezegd zijn déze beperkingen niet aan de orde in het beoordelingskader van het hof.

221. Tot adstructie wijs ik op de stelling die in de schriftuur wordt betrokken, dat uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt “dat het EHRM bescherming van uitingen die aanzetten tot haat, geweld verheerlijken en oproepen tot steun aan terroristische organisaties categoraal afwijst”. Maar daarmee geeft het EHRM niet aan welke uitingen daartoe aanzetten. Dat is ook begrijpelijk, nu immers dát oordeel aan de nationale rechter is voorbehouden. Voor zover dit al niet voor zich zou spreken, komt deze benadering van het EHRM naar voren in een van de zaken waarnaar in de schriftuur wordt verwezen. Uit die zaak kan worden opgemaakt dat de verzoekers in kwestie in Turkije waren veroordeeld wegens propaganda ten gunste van een terroristische organisatie vanwege hun deelname aan een religieuze ceremonie die in een bureau van een politieke partij was gehouden ter nagedachtenis aan drie leden van een verboden organisatie die door veiligheidstroepen waren gedood. Met betrekking tot de feiten waarvoor de verzoekers door de Turkse rechters waren veroordeeld – het verspreiden van berichten waarbij de dader van een aanval werd geprezen, het denigreren van slachtoffers van een aanval, het ophalen van geld voor terroristische organisaties of het deelnemen aan dergelijk gedrag – overwoog het EHRM dat dit het aanzetten tot terroristisch geweld kan opleveren:

“la Cour admet que la diffusion de messages faisant l’éloge de l’auteur d’un attentat, le dénigrement de victimes d’un attentat, l’appel à financer des organisations terroristes ou d’autres comportements similaires peuvent constituer des actes d’incitation à la violence terroriste […].126

222. Ik leg de nadruk op het slot van de geciteerde overweging, dat de genoemde gedragingen “peuvent constituer” (in de door het EHRM verstrekte Engelse vertaling: “may constitute”) het aanzetten tot terroristisch geweld. Met andere woorden: de gedragingen kúnnen het aanzetten tot terroristisch geweld opleveren. Dit hoeft dus niet in elk concreet geval zo te zijn, het is geen gegeven. Het antwoord op de vraag óf sprake is van aanzetten tot terroristisch geweld, hangt af van de context en alle bijzondere omstandigheden van het geval. Ook te dien aanzien is het aan de nationale rechter voorbehouden om daarover een oordeel te geven.

223. Hetzelfde geldt voor een zaak waaruit in de schriftuur wordt afgeleid dat op grond van rechtspraak van het EHRM “ook teksten die op het eerste gezicht niet direct oproepen tot haat of geweld, of dubbelzinnig zijn, toch als zodanig moeten kunnen worden aangemerkt gelet op de omstandigheden waaronder zij zijn geuit.”127 Wat daarvan zij, de interpretatie van de stellers van de middelen van de rechtspraak van het EHRM miskent naar mijn inzicht de taak(opdracht) van het EHRM. Het EHRM laat zich immers pas uit over het toepassingsbereik van art. 10 EVRM nádat een nationale rechter de strafbaarheid van een bepaalde gedraging heeft vastgesteld, en niet over de vraag of de nationale strafrechter een verdachte gelet op het bepaalde in art. 10 EVRM al dan niet terecht heeft vrijgesproken. In de onderhavige zaak tegen de verdachte is dat niet anders.

224. Voor zover de stellers van de middelen met een beroep op het EVRM en het EHRM hebben willen betogen dat het hof Den Haag de tenlastegelegde feiten niet juist heeft geïnterpreteerd, of een verkeerde uitleg heeft gegeven aan art. 131 Sr en/of art. 132 Sr, meen ik dat de desbetreffende klacht voldoende stelligheid en duidelijkheid over een schending van art. 10 EVRM ontbeert, terwijl de stellers van de middelen daarbij overigens eraan voorbij lijken te gaan dat het EHRM geen feitenrechter is.

225. Ook het beroep dat in de schriftuur wordt gedaan op de aldaar weergegeven “internationale verplichtingen” gaat niet op. Het betreft hier – kort gezegd – verplichtingen voor lidstaten om niet alleen in eigen land maar ook in internationaal verband op te treden tegen terrorisme en/of opruiing tot terrorisme, ongeacht of die opruiing direct of indirect geschiedt. Uit deze bewoordingen volgt dat dan reeds enige vorm van terrorisme of opruiing daartoe is komen vast te staan. In de onderhavige zaak heeft het hof juist feitelijk vastgesteld dat hetgeen ten laste is gelegd, niet kan worden aangemerkt als opruiing. De internationale verplichtingen om opruiing als delict strafbaar te stellen en daders van dit feit te bestraffen, impliceren uiteraard niet dat een ieder die van opruiing wordt verdacht ook strafbaar is en veroordeeld moet worden. Aan de feitelijke vaststelling van het hof dat ten aanzien van de verdachte (en de medeverdachten) van opruiing geen sprake is, doen de door de stellers van de middelen genoemde internationale verplichtingen (vanzelfsprekend) niet af.

226. Om dezelfde reden faalt de klacht dat het hof nergens “over de opruiingsfeiten meeweegt dat de verdachten behoorden tot de terroristische organisatie LTTE en de tenlastegelegde feiten pleegden ten behoeve van die terroristische organisatie”, en dat de “evident inadequate weergave van de relevante context van de tenlastegelegde feiten” en het niet-betrekken van de, ook door het hof genoemde, internationale elementen bij de beoordeling van de opruiingsfeiten van een “onjuiste interpretatie van de reikwijdte en werkingssfeer van art. 10 EVRM” getuigen. Nogmaals, de interpretatie van de reikwijdte en de werkingssfeer van art. 10 EVRM is in deze zaak noch – hetgeen deswege niet onbegrijpelijk is – in het beoordelingskader van het hof aan de orde.

227. Tot slot wijs ik nog op de klacht dat het onbegrijpelijk zou zijn waarom “het verspreiden van goederen waarin wordt aangespoord een terroristische organisatie te ondersteunen geen verspreiding ter opruiing tot strafbare feiten oplevert”. Deze in de toelichting op het derde middel in vraagvorm geformuleerde klacht, betreft de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten en dient derhalve te worden besproken binnen de context van de strafbaarstelling als bedoeld in art. 140 Sr. Daarvan maken de onder 2 sub a en b tenlastegelegde feiten immers deel uit.

228. Ter onderbouwing van de klacht wordt een beroep gedaan op “de wetsgeschiedenis”, waarbij wordt verwezen naar Kamerstukken II 2002/03, 27 925, nr. 94, p. 7. Dit Kamerstuknummer betreft een brief van de toenmalige minister Donner van Justitie van 24 juni 2003 waarbij deze de notitie “Terrorisme en de bescherming van de samenleving” inbracht. De stellers van de middelen doelen in het bijzonder op de volgende passage daaruit:

“Een nota van wijziging bij het wetsvoorstel terroristische misdrijven stelt verder voor het begrip deelneming zoals genoemd in de delictsomschrijvingen van de artikelen 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht in de wet te expliciteren. Hierdoor wordt duidelijker tot uitdrukking gebracht dat daaronder mede wordt verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. De facto zal aldus elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar zijn.”

229. Zo al kan worden aangenomen dat deze notitie deel uitmaakt van de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet terroristische misdrijven (Kamerstuknummer 28463)128, dan nog laat dat onverlet dat in de Toelichting op de Nota van wijziging bij het wetsontwerp terroristische misdrijven de (laatste) volzin waarop een beroep wordt gedaan – “De facto zal aldus elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar zijn” – ontbreekt.129 Op andere parlementaire stukken, of passages daaruit, hebben de stellers van de middelen te dezen geen beroep gedaan, zodat ik deze hier buiten beschouwing laat. Overigens meen ik dat een beroep daarop al geen doel zou treffen, nu aan de verdachte onder feit 2 niet is tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in algemene zin door middel van bepaalde uitlatingen of het verspreiden van bepaalde voorwerpen, maar deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr waarvan het oogmerk is gericht op opruiing (feit 5) en/of verspreiding tot opruiing (feit 6). En, nogmaals, dát nu heeft het hof niet bewezen geacht. Bovendien legt de klacht mijns inziens de nadruk op het delictsbestanddeel deelneming (de bijdrage die de verdachte als deelnemer aan de organisatie zou hebben geleverd door middel van opruiingsfeiten), terwijl onder 2 ten laste is gelegd dat het oogmerk van de criminele organisatie op opruiingsdelicten was gericht.130 Dat is net iets anders. Strikt genomen berust de klacht dan op een onjuiste lezing van ’s hofs uitleg van de tenlastelegging heeft gegeven. In aansluiting daarop stel ik vast dat in cassatie niet wordt geklaagd over de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven.

230. Met mijn bespreking van de laatste klacht van het derde middel, ben ik tevens ingegaan op het vierde middel. Maar ook overigens heeft hetgeen ik hierboven (in het bijzonder) met betrekking tot het derde middel heb opgemerkt, mutatis mutandis te gelden voor het vierde middel.

231. Het derde en het vierde middel falen.

III.2.4. De betekenis van art. 17 EVRM – bespreking van het tweede middel

232. In het verlengde van het derde en het vierde middel wordt in het tweede middel met betrekking tot de vrijspraak van feit 5 geklaagd over een onjuiste uitleg door het hof gegeven aan art. 17 EVRM, dat in de Engelse, authentieke tekst als volgt luidt:

“Nothing in this Convention may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or perform any act aimed at the destruction of any of the rights and freedoms set forth herein or at their limitation to a greater extent than is provided for in the Convention.”

233. Voor de leesbaarheid herhaal ik hier ‘s hofs overweging waarin het beroep op art. 17 EVRM wordt verworpen:

“Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan - wat er overigens van zij - niet af.”

234. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te overwegen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de tenlastegelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast, omdat voor een beroep op art. 17 EVRM afdoende zou zijn dat die uitingen zijn gedaan met als doel de rechten of enig in het EVRM gegarandeerd recht aan te tasten. Daarop volgt nog: “Het gaat dus wel degelijk om activiteiten die tot doel hebben verdragsrechten teniet te doen, niet alleen om activiteiten die zelf, concreet en daadwerkelijk, verdragsrechten teniet doen.”

235. Ook dit middel gaat eraan voorbij dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat het opruiende karakter als zodanig aan de tenlastegelegde feiten – hier met name feit 5 – ontbreekt. Het hof heeft dienaangaande geen beroep gedaan op art. 10 EVRM. Ik kan daarom niet inzien hoe vervolgens “de vrijheden van vereniging en meningsuiting […] ingeroepen […] worden om activiteiten te rechtvaardigen die indruisen tegen de tekst en geest van het EVRM” zoals in punt 4 van de toelichting op het middel wordt aangevoerd. Ik stel mij derhalve op het standpunt dat het Openbaar Ministerie hier geen rechtens te respecteren belang bij het middel heeft, voor zover daarin wordt geklaagd over een onjuiste toepassing van art. 17 EVRM door het hof, omdat het bepaalde in art. 17 EVRM ertoe strekt om in voorkomende gevallen een beroep op het bepaalde in art. 10 EVRM uit te sluiten, terwijl dat in het kader van de beoordeling van ’s hofs vrijspraak van feit 5, waartegen het middel zich keert, niet aan de orde is.

236. Het tweede middel faalt eveneens.

III.2.5. Eindoordeel inzake het tweede, het derde en het vierde middel

237. Ook deze drie middelen falen.

III.3. De strafmotivering – het vijfde middel

238. Het vijfde middel richt zich tegen de strafoplegging. Ook los van de vraag of de strafoplegging in stand kan blijven indien een of meer van de voorafgaande middelen slagen, behelst het de klacht dat de opgelegde straf en de motivering ervan verbazing wekken, in het bijzonder omdat de opgelegde straffen “niet in verhouding staan tot de ernst van de (terroristische) feiten” gelet op rechtstreeks werkende bepalingen uit VN resoluties en verdragen.

III.3.1. Bespreking van het vijfde middel

239. Eerst geef ik hieronder de vordering van het Openbaar Ministerie in hoger beroep en de strafmotivering van het hof weer. Daarna ga ik in op de vraag of internationale verplichtingen bepalend (kunnen) zijn bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf ingeval van misdrijven met een terroristisch karakter.

III.3.1.1. De vordering van het Openbaar Ministerie en de strafmotivering van het hof

240. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren gevorderd. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie verzocht, in geval het hof een lagere straf zou opleggen dan gevorderd, te motiveren in hoeverre het hof bij de bepaling van die straf rekening heeft gehouden met “de verplichtingen uit het internationaal recht […] om passende en effectieve straffen op te leggen, en waarom de opgelegde [straf verenigbaar is] met die verplichting.” In het verlengde daarvan wordt in de toelichting op het middel de Hoge Raad gevraagd zich reeds nu uit te laten “over de vraag of deze lezing van het relevant internationaal recht juist is”.131

241. Onder het hoofd Strafmotivering (arrest, p. 162 e.v.) heeft het hof overwogen:

“Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk — ook internationaal gehoord — signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking. Het spreekt vanzelf dat het bijdragen aan het plegen van terroristische aanslagen leidt tot onnoemelijke angst en ontreddering van de door aanslagen getroffenen, maar ook van degenen die er van kennisnemen en angst onder burgers wekt. Aan directe slachtoffers wordt veelal ernstig fysiek leed toegebracht of zij verliezen daarbij zelfs het leven.

Voor de bepaling van de strafmaat is van belang, in het algemeen bij deelneming aan (criminele) organisaties en ingeval bewezenverklaring van een terroristisch oogmerk in het bijzonder, rekening te houden met de aard en de omvang van de door de verdachte verrichte deelnemingshandelingen. Ook komt daarbij betekenis toe aan de afstand — binnen de organisatie van de verdachte tot de daadwerkelijke uitvoering van de door de organisatie beoogde misdrijven.

In dat verband is het volgende van belang.

De verdachte heeft een leidinggevende rol vervuld binnen de in Nederland opgerichte afdeling van de LTTE, genaamd de TCC (Tamil Coordinating Committee Nederland), waaronder weer een aantal suborganisaties ressorteerde. De deelnemingshandelingen betroffen, samengevat, het organiseren van inzamelingen van geld, waarbij op de contribuanten zeer zware druk werd uitgeoefend om bijdragen te leveren. In bijeenkomsten werden deelnemers opgezweept om de strijd op Sri Lanka te steunen en om daaraan geldelijke bijdragen te leveren. Ook werden er illegale loterijtjes georganiseerd. Het opgehaalde geld werd witgewassen en op min of meer slinkse wijze naar Sri Lanka overgebracht.

Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat zijn deelname aan de activiteiten een groot aantal jaren heeft voortgeduurd en dat hij die heeft voortgezet, ook nadat hem duidelijk was tot welke verschrikkelijke misdrijven die activiteiten (mede) hebben geleid, onder meer met behulp van in Nederland onder leiding van de verdachte ingezamelde gelden.

Weliswaar heeft de verdachte aan de door de LTTE beoogde misdrijven zelf geen directe bijdrage geleverd en weliswaar hebben die misdrijven zich vrijwel zonder uitzondering voorgedaan op Sri Lanka, maar aan de strafbaarheid van de verdachte doet dat niet af nu zwaar moet wegen dat een algemeen volkenrechtelijk belang eist dat vervolging en bestraffing plaatsvindt, ook indien dat niet kan in de landen waarin de misdrijven hun gevolgen ondervinden. Dat belang wordt onderstreept door talloze bilaterale en multilaterale verdragen en afspraken daarover. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard de aan de LTTE toegerekende aanslagen te hebben beoordeeld als gevechtshandelingen in een in zijn ogen gerechtvaardigde strijd, maar had naar het oordeel van het hof oog kunnen en moeten hebben voor het kennelijk niets ontziende oogmerk van de LTTE in die gewapende strijd.

In enigszins strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid, dat de verdachte — die in Nederland een blanco strafblad heeft — bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep. Vast staat dat vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van de huidige eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat het familieleven van de verdachte zelf naar zijn zeggen ook bijzonder ernstig is getroffen door bruut optreden van het regeringsleger. Ook heeft het hof in de strafmaat betrokken dat er geen twijfel is over het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief: aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem. Ook acht het hof in strafmatigende zin van betekenis dat niet is gebleken dat de verdachte zelf een (mede-)beslissend aandeel heeft gehad bij de - vooral militaire - besluitvorming binnen de LTTE over de te plegen terroristische aanslagen.

Alhoewel het hof de indruk heeft gekregen dat de verdachte van de kern van het gedachtengoed van de Tamil-organisatie LTTE op zichzelf geen afstand heeft genomen, acht het hof de kans gering, dat de verdachte zich daarmee in de toekomst opnieuw zodanig zal inlaten, dat moet worden gevreesd voor hernieuwde terroristische of anderszins ernstige strafbare activiteiten. Ook daarmee zal het hof in strafmatigende zin rekening houden.

Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat - zoals hiervoor al is overwogen - er geen aanwijzingen zijn dat verdachte zich bij zijn handelen heeft laten leiden door persoonlijk gewin. Verdachte heeft steeds verklaard gewerkt te hebben om de Tamil bevolking op Sri Lanka te helpen. Verdachte is als vluchteling naar Nederland gekomen en zijn overige familieleden zijn ook vanuit Sri Lanka naar onder andere Canada en Engeland gevlucht. Verdachte heeft verklaard dat de Tamilbevolking op Sri Lanka voor de primaire levensbehoefte afhankelijk was van geld uit het buitenland. Vanuit deze ideologische motivatie lijkt verdachte zijn strafwaardig handelen te rechtvaardigen.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte een nieuwe start met zijn gezin heeft gemaakt in Engeland en aldaar een eigen zaak is begonnen.

Aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan evenwel, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte daarbij, niet worden ontkomen. Niet alleen voor de verdachte, ook voor anderen, in Nederland en waar ook, moet immers duidelijk zijn dat de strafrechtelijke normen niet uit ideologische motieven terzijde mogen worden gesteld.

Bij de straftoemeting heeft het hof zich mede georiënteerd op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd door rechters in onder meer de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland, waarin straffen variërend van 2 tot 7 jaar zijn opgelegd, met een enkele uitzondering naar boven en naar beneden.132

Het hof ziet aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met de bepalingen over de eendaadse samenloop aangezien (onderdelen van de) bewezenverklaarde feiten in meer dan één wettelijke bepaling strafbaar zijn gesteld.

De behandeling van de strafzaak heeft een zeer lange tijd in beslag genomen. De gebruikelijke, als wenselijke te beschouwen termijn is met ongeveer twaalf maanden overschreden, deels als gevolg van de moeizame loop van het ook in hoger beroep voortdurende, zeer gecompliceerde onderzoek en de samenhang met Europese procedures, deels als gevolg van de aanvankelijk weinig meewerkende houding van de verdachte en de noodzaak tot vervanging van de verdediging in de zaken van [S. R.] en [J.M. J.] .

Hoewel de overschrijding van de termijn aldus in redelijkheid te verklaren is ziet het hof, evenals het openbaar ministerie een correctie van ongeveer 10% op de op te leggen straf gerechtvaardigd. Het hof ziet mitsdien aanleiding de passend en geboden geachte straf van 2 jaren en 6 maanden met 3 maanden.

Met name gelet op de (gedeeltelijke) vrijspraken en alle door het hof in acht genomen strafmatigende factoren komt het hof aldus tot een beduidend lagere strafoplegging dan door het openbaar ministerie gevorderd.

Alles af wegende komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar en 3 (drie) maanden, met aftrek van voorarrest.”

III.3.1.2. Internationale verplichtingen bezien in verband met de vaststelling van de hoogte van de op te leggen straf in geval van misdrijven met een terroristisch karakter

242. In de toelichting op het middel worden in de eerste plaats verplichtingen aangehaald die zijn opgenomen in resoluties van de VN Veiligheidsraad en verdragen die naar het oordeel van de stellers van het middel rechtstreeks werken. Verder wordt een beroep gedaan op een kaderbesluit. De door het hof opgelegde straf en de motivering daarvan zouden niet in overeenstemming zijn met – dit is de eerste klacht – die verplichtingen, althans – de tweede klacht – in het licht daarvan verbazing wekken.

243. Met betrekking tot de internationale verplichtingen waarop een beroep wordt gedaan, kan een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds een tweetal verdragen en een kaderbesluit die betrekking hebben op de straf die op terroristische misdrijven moet worden gesteld (niet: opgelegd, AG) en anderzijds een tweetal resoluties die betrekking hebben op de straf die ter zake van terroristische misdrijven zou moeten worden opgelegd.

244. Wat betreft de straf die op terroristische misdrijven moet worden gesteld, wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op (onder meer) de volgende internationale verplichtingen:

- Art. 4 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme:

“Each Party shall adopt such measures as may be necessary:

a) To establish as criminal offences under its domestic law the offences set forth in article 2;

b) To make those offences punishable by appropriate penalties which take into account the grave nature of the offences.”133

- Art. 11, eerste lid, Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme: “Each Party shall adopt such measures as may be necessary to make the offences set forth in Articles 5 to 7 and 9 of this Convention punishable by effective, proportionate and dissuasive penalties.”134

- Art. 5 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding: “1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in de artikelen 1 tot en met 4 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen te stellen, die kunnen leiden tot uitlevering. 2. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om op de in artikel 1, lid 1, bedoelde terroristische misdrijven en op de in artikel 4 bedoelde strafbare feiten voor zover deze in verband staan met terroristische misdrijven, vrijheidsstraffen te stellen die hoger zijn dan de straffen die het nationale recht kent voor dergelijke feiten indien deze zonder het in artikel 1, lid 1, bedoelde oogmerk zijn gepleegd, tenzij de beoogde straffen krachtens het nationale recht reeds de hoogst mogelijke straffen zijn.”135

245. Daarnaast halen de stellers van het middel twee rechtsbronnen aan die betrekking hebben op straffen die voor terroristische misdrijven zouden moeten worden opgelegd. Deze bronnen zijn:

- Par. 2 aanhef en onder e van Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001:

“2. Decides also that all States shall: […]

e) Ensure that any person who participates in the financing, planning, preparation or perpetration of terrorist acts or in supporting terrorist acts is brought to justice and ensure that, in addition to any other measures against them, such terrorist acts are established as serious criminal offences in domestic laws and regulations and that the punishment duly reflects the seriousness of such terrorist acts;

f) […]”136

- Par. 3 van Resolutie 1566 (2004) van de Veiligheidsraad van de VN van 8 oktober 2004:

“3. Recalls that criminal acts, including against civilians, committed with the intent to cause death or serious bodily injury, or taking of hostages, with the purpose to provoke a state of terror in the general public or in a group of persons or particular persons, intimidate a population or compel a government or an international organization to do or to abstain from doing any act, which constitute offences within the scope of and as defined in the international conventions and protocols relating to terrorism, are under no circumstances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other similar nature, and calls upon all States to prevent such acts and, if not prevented, to ensure that such acts are punished by penalties consistent with their grave nature;

4. […]”137

246. Allereerst kan ik niet inzien waarom en op welke wijze de rechter gebonden zou zijn aan internationale verplichtingen waarmee internationale regelgeving zich niet tot hem richt, maar tot een lidstaat, en als afgeleide daarvan tot de nationale wetgever.138 Alle hiervoor geformuleerde verplichtingen hebben betrekking op een straf die op terroristische misdrijven zou moet worden gesteld; er wordt achtereenvolgens gesproken van “make those offences punishable”, “punishable by” en “vrijheidsstraffen te stellen”. Het gaat hier om verplichtingen waaraan de Nederlandse staat gehoor dient te geven en die nader in wetgeving dient te worden verwerkt. In cassatie wordt – en terecht – niet aangevoerd dat de straffen die in de Nederlandse wetgeving op terroristische misdrijven zijn gesteld, niet aan de daarvoor geldende internationale eisen voldoen.

247. De hoogte van de straf die ter zake van terroristische misdrijven ten minste zou moeten worden opgelegd, wordt door het internationale recht niet aan de rechter gedicteerd, zij het dat de wetgever ertoe gehouden kan zijn voor opgehoogde maximumstraffen zorg te dragen, bijvoorbeeld op grond van art. 5 van het genoemde Kaderbesluit.

248. Met betrekking tot de aangehaalde resoluties doet zich de vraag voor of de daarin opgenomen verplichtingen rechtstreekse werking hebben. Uitgangspunt is dat bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, als regels van internationaal recht, deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde.139 Zij hebben dan zonder nadere tussenkomst van de wetgever rechtstreekse werking en naar hun inhoud een voor eenieder verbindende kracht. De rechtstreekse werking van een resolutie van de VN Veiligheidsraad die wordt genomen op basis van hoofdstuk VII van het Handvest van de VN – welk hoofdstuk handelt over het optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie – kan niet worden uitgesloten.140 Naar art. 93 Grondwet vastlegt, geldt echter wel het vereiste dat die verdragsbepalingen en “volkenrechtelijke” besluiten pas rechtstreekse werking en een eenieder verbindende kracht hebben, nadat zij zijn bekendgemaakt.141

249. Reeds op die grond treft het beroep op Resolutie 1566 (2004) geen doel; deze is namelijk niet bekendgemaakt.

250. Resolutie 1373 (2001) is in het Tractatenblad gepubliceerd. Noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze resolutie142 kan volgen dat geen rechtstreekse werking is beoogd.143 In dat geval is de inhoud van de bepaling beslissend voor het antwoord op de vraag of zij rechtstreekse werking heeft. Het gaat er dan om, in de woorden van de Hoge Raad in de zaak Staat/CAN, “of deze (bepaling, AG) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast”.144 Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat de rechtstreekse werking van een bepaling afhangt van het antwoord op de vraag “of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”. Deze toevoeging geeft de Hoge Raad met het oog op het geval waarin de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt aangaande de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat. Ik denk dat de toevoeging evenzeer van belang is voor de onderhavige verplichting die betrekking heeft op de straftoemeting omdat de rechterlijke vrijheid daarbij “bijzonder groot” is.145 De vraag zou dan moeten zijn of de verplichting – te verzekeren dat, kort gezegd, terroristische misdrijven, worden gestraft met straffen die overeenkomen met de ernstige aard ervan – “in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”.

251. Voor een geval waarin het gaat om strafrechtelijke sanctionering moeten naar mijn mening aan de vereiste nauwkeurigheid hoge eisen worden gesteld, gelijk wanneer het gaat om het vaststellen van het strafbare feit zelf. 146 Aan die hoge eisen voldoet de verplichting “to ensure that such acts are punished by penalties consistent with their grave nature” naar mijn mening niet. Hier is onvoldoende duidelijk wat die verplichting zou moeten meebrengen in het kader van de straftoemeting waarbij de Nederlandse rechter, zoals ik eerder opmerkte, beschikt over een grote mate van vrijheid met als doel “voldoende recht kunnen doen aan de handelingen en hun gevolgen, maar ook, en misschien vooral, aan het individuele geval in iedere concrete zaak.”147 De ernstige aard van de feiten is dus weliswaar een belangrijke factor, maar niettemin ‘slechts’ één van de factoren die de strafrechter moet betrekken bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij komt dat niet snel mag worden aangenomen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter in een concrete zaak zou verplichten een bepaalde straf op te leggen.148

252. Op grond van het voorgaande mist de eerste klacht doel.

253. Dan de tweede klacht. Ook los van de internationale verplichtingen waarop een beroep is gedaan, wordt geklaagd dat de opgelegde straf en de motivering daarvan “verbazing wekt nu de opgelegde straffen niet in verhouding staan tot de ernst van de (terroristische) feiten”.

254. Bij de beoordeling van dit onderdeel van het middel moet worden vooropgesteld dat:

– de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat die keuze geen motivering behoeft149; en

– in cassatie niet kan worden onderzocht of de opgelegde straf beantwoordt aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.150 Dit beoordelingskader wordt niet anders omdat het hier om een zaak van de Tamil Tijgers gaat.

255. In de toelichting op het middel worden in het kader van de tweede klacht uiteenlopende bezwaren aangevoerd tegen verschillende onderdelen van de strafmotivering. Het is ondoenlijk die één voor één hier weer te geven en te bespreken en dat is ook niet nodig gelet op hetgeen bij de beoordeling van deze klacht is vooropgesteld.

256. Daarbij komt dat het middel in gelijke bewoordingen is voorgesteld in de samenhangende zaken, ten gevolge waarvan enkele deelklachten niet zijn toegespitst op de strafmotivering die het hof in de onderhavige zaak heeft gegeven. Zo een deelklacht moet om die reden, bij gebrek aan feitelijke grondslag, falen. Verder wordt met een beroep op internationale regelgeving aangevoerd dat de verplichting om voor terroristische misdrijven doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen op te leggen die voldoende recht doen aan de ernst van die feiten, meebrengt dat voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen andere staten dezelfde straffen moeten worden opgelegd als voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen de staat van berechting.

257. Voor zover de klacht aldus berust op de opvatting dat het hof een lagere straf zou hebben opgelegd omdat de bewezenverklaarde terroristische misdrijven niet tegen Nederland zijn begaan, wijs ik op de eerste alinea van de overwegingen die het hof aan de strafoplegging heeft gewijd. Ik herhaal deze hier om duidelijk te maken waarom deze klacht en de aanverwante deelklachten feitelijke grondslag missen:

“Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk — ook internationaal gehoord — signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking.”

258. Naast de deelklachten die gemeenschappelijk inhouden dat het hof te weinig gewicht heeft toegekend aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, staat de deelklacht die als strekking heeft dat het hof te veel gewicht heeft gehecht aan de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het wordt onbegrijpelijk genoemd dat het hof in strafmatigende zin rekening heeft gehouden met (i) de omstandigheid dat de verdachte “bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep” en (ii) “het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief”, want, zo vervolgt de deelklacht, een en ander “is voor terroristen van IS en Hamas niet anders dan voor terroristen van de Tamil Tijgers.”

259. Ten eerste merk ik op dat de gewraakte overwegingen van het hof worden gemaakt als opmaat voor een op de persoon van de verdachte toegesneden overweging dat “vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van deze eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden” en “aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem.” Binnen dit perspectief moeten de gewraakte overwegingen van het hof naar haar inhoud worden gewaardeerd, en zo bezien vind ik die overwegingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

260. Ten tweede is wat de onderhavige zaak betreft in cassatie geen plaats voor het maken van vergelijkingen tussen organisaties als de LTTE, Hamas en Islamitische Staat. Daarmee zou worden voorbijgegaan aan de eigen, ook ten opzichte van elkaar, meer of minder terroristische en/of afschuwwekkende karakteristieken van die organisaties, en zo ook aan de individualisering waardoor een strafproces wordt getypeerd, nu daarin een persoon terechtstaat en niet de gehele organisatie waaraan hij heeft deelgenomen.

261. Ten derde wijs ik erop dat het middel wel heel sterk de nadruk lijkt te (willen) leggen op het terroristische karakter van de bewezenverklaarde misdrijven, terwijl het hof – het spreekt zelf ook van de terreurdaden van de LTTE – daarbij een zekere nuancering heeft aangebracht door in strafmatigende zin ook rekening te houden met de bijzondere context waarin die misdrijven zijn begaan en de rol die de verdachte daarbij heeft vervuld.

262. Wat dan nog resteert zijn klachten die voortkomen uit een vergelijking met een reeks andere strafzaken en de daarin bewezenverklaarde feiten en opgelegde straffen. Uit die vergelijking zou (tevens) blijken dat en waarom de aan de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten opgelegde straf verbazing wekt.

263. Deze deelklachten miskennen (eveneens) grotendeels dat een dergelijke vergelijking een feitelijk oordeel vergt en dat daarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is. Bovendien dateren een zevental door de stellers van het middel gegeven voorbeelden151 van ná de uitspraak van het hof waartegen het cassatieberoep is gericht. Eenzelfde probleem doet zich voor met de zaken waarop in cassatie een beroep wordt gedaan maar die niet aan het hof zijn voorgelegd. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, kunnen die voorbeelden lijkt mij er evenmin toe “dienen om vast te stellen of aan de genoemde verplichtingen uit het internationaal recht is voldaan”, nu ook dat een vergelijking en dus een feitelijk oordeel zou vergen.

264. Tot slot wordt geklaagd dat ’s hofs verwijzing naar een drietal uitspraken die buitenlandse rechters hebben gedaan in zaken die betrekking hebben op de LTTE onbegrijpelijk is. De hiertegen gerichte deelklacht dat buitenlandse strafzaken per definitie “niet goed inzichtelijk zijn voor Nederlandse procesdeelnemers door een gebrek aan kennis van het buitenlands rechtssysteem en de daar geldende regels”, wekt bij mij enige bevreemding op. Op de terechtzittingen van het hof heeft het Openbaar Ministerie er immers zelf bij het hof op aangedrongen om bij de strafoplegging de daarop betrekking hebbende verplichtingen uit het internationaal recht mee te wegen.152 Waar het in de kern om gaat is dat de zaken waarin die drie uitspraken zijn gedaan evenals de onderhavige zaak betrekking hebben op de LTTE en – naar het hof kennelijk feitelijk heeft vastgesteld – in zoverre enigszins vergelijkbaar met elkaar zijn. Vanuit die invalshoek bezien wekt het geen verbazing dat het hof mede acht heeft geslagen op strafzaken die in andere landen zijn gevoerd tegen personen wegens deelneming aan de LTTE en is de verwijzing naar het drietal uitspraken door het hof niet onbegrijpelijk.

III.3.2. Eindoordeel inzake het vijfde middel

265. Het middel faalt in alle onderdelen.

IV. Afronding

266. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen. Het tweede middel, het derde middel en de tweede klacht van het vierde middel, kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

267. De namens het Openbaar Ministerie voorgestelde middelen falen. Het tweede, het derde, het vierde en de tweede klacht van het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

268. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

269. Deze conclusie strekt tot verwerping van de beroepen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het arrest in de onderhavige zaak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, wel het arrest in de zaak van de medeverdachte [S. R.] (15/04693), dat op hoofdpunten overeenkomt; zie ECLI:NL:GHDHA:2015:1082.

2 De zaak tegen een zesde verdachte is geseponeerd, zo maak ik op uit de beschikking van Rb. Den Haag 15 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2697 op een verzoekschrift ex art. 89 Sv. Zie over de zaken in eerste aanleg H. Post, ‘Tamil Tijgers voor de Haagse strafkamer’, NJB 2012/589.

3 Wel echter als misdrijven waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.

4 Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on Accountability in Sri Lanka, 31 maart 2011, p. 115 par. 421: “Both parties to the armed conflict in Sri Lanka conducted military operations with flagrant disregard for the protection, rights, welfare and lives of civilians and failed to respect the norms of international law. There is reasonable basis to believe that large-scale violations of international humanitarian law and human rights law were committed by both sides. As a direct consequence, up to tens of thousands of Sri Lankan civilians were killed and hundreds of thousands suffered immensely, including through the loss of loved ones, serious injuries, displacement and loss of homes and livelihoods.” Het rapport is te raadplegen via <www.un.org/en/rights/srilanka.shtml> Overigens wordt het rapport elders in het arrest door het hof aangehaald (zie sub 10.4.2.3.4 (voetnoot 101) en 11.3.2.3.1.2). Zie voorts mijn bespreking van het vijfde OM-middel.

5 Tegen deze uitleg van het hof keert zich zowel in de zaak [R. S.] als in de zaak [T. E.] het eerste middel.

6 Zie voor de bewezenverklaarde delen van de tenlastegelegde feiten II.1.2.4.

7 Zie hierboven onder 1.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.1.5.

8 Zie hierboven onder 1.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.

9 Zie hierboven onder 1.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.

10 Zoals ik al opmerkte waren de opruiingsdelicten niet zelfstandig tenlastegelegd aan de medeverdachte [R. S.] . Hij is vrijgesproken van de opruiing waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.

11 Pb EG L 344/70 van 28 december 2001. In Verordening EG 2580/2001 wordt kortheidshalve verwezen naar “de Raad”, in de tekst van art. 1, eerste lid, Sanctieregeling Terrorisme 2002 wordt verwezen naar “de Raad van de Europese Unie”.

12 Zie R. van Elst , T&C Internationaal strafrecht 2015, Inl. opm., aant. 6.

13 Art. 1, tweede lid sub 17, Besluit van de Raad van 29 mei 2006 tot uitvoering van artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Besluit 2005/930/EG (2006/379/EG). Zie Pb EU L 144, 31 mei 2006, p. 21.

14 Zie ook Van Elst, supra noot 12, Inl. opm., aant. 1.

15 Door de plaatsing in de lijst groepen en entiteiten, is de LTTE in Nederland van rechtswege verboden. Vgl. art. 5b Wet Conflictenrecht corporaties (oud): “Een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon en is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) of in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.” Met ingang van 1 januari 2012 is de Wet Conflictenrecht corporaties ingetrokken en de verbodsbepaling ex art. 5b opgenomen in art. 10:123 BW; zie art. IV onder i Wet Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011/272 (i.w.tr. Stb. 2011/340).

16 ECLI:EU:T:2014:885 (zie ook de randnummers 125 en 126).

17 PbEU C 89 van 16 maart 2015, p. 6 (zaaknummer C-599/14 P).

18 Voor de goede orde: de middelen hebben dus geen betrekking op het oordeel dat het Kaderbesluit van toepassing is op gevallen van een niet-internationaal gewapend conflict.

19 Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston 22 september 2016, ECLI:EU:C:2016:723 (punt 125-126 onder verwijzing naar punt 77-91, i.h.b. punt 89).

20 Meest recent de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425, PbEU L 188 van 13 juli 2016, p. 1. Hieraan vooraf gingen (teruggaande tot de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014) de Uitvoeringsverordening van 21 december 2015 (2015/2425), van 31 juli 2015 (2015/1325) en van 26 maart 2015 (2015/513). De aan de laatstgenoemde Uitvoeringsverordening voorafgaande Uitvoeringsverordening dateert van 22 juli 2014 en betreft nr. 790/2014.

21 Requisitoiraantekeningen bij de zitting “Koninck” d.d. 26 januari 2015.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 januari 2015.

23 In volgorde van de zaaknummers gaat het om de verdachte (15/02147), Stcrt. 2010, 9235 en de medeverdachten [L. T.] (15/04689), Stcrt. 2010, 9224; [T. E.] (15/04691), Stcrt. 2010, 9233; [R. S.] (15/04692), Stcrt. 2010, 9227 en [S. R.] (15/04693), Stcrt. 2010, 9229.

24 RvS (Bestuursrechtspraak) 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148. De hierboven aangehaalde uitspraak van het Gerecht van het HvJ EU van 16 oktober 2014 is gedaan in een andere zaak, na het verzoek van de Raad van State aan het HvJ EU om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de zes geformuleerde vragen.

25 Zie de bespreking van het tweede middel dat is voorgesteld in de zken tegen de medeverdachten [R. S.] (nr. 15/04692) en [T. E.] (15/04691), waar ik – kort gezegd – uiteenzet dat en waarom de vragen niet van belang zijn voor de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet inzake terroristische misdrijven maar voor het recht van de Europese Unie en de betekenis daarvan voor de bevoegdheid van de Europese Unie om sanctiemaatregelen af te kondigen.

26 ECLI:EU:C:2016:734.

27 J.-M. Henckaerts & L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, vol. I: Rules, Cambridge: Cambridge University Press 2005, p. 11. Zonder het begrip combattant met zoveel woorden uit te sluiten voor niet-internationaal gewapende conflicten, worden combattanten alleen besproken in het kader van internationaal gewapende conflicten in de handboeken van F. Kalshoven & L. Zegveld, Constraints on the Waging of War. An Introduction to International Humanitarian Law, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 33-35 en 86-87; G.L. Coolen, Humanitair oorlogsrecht, Studiepockets staats- en bestuursrecht nr. 33, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, hoofdstuk 11 en L.C. Green, The contemporary law of armed conflict, Manchester: Manchester University Press 1993, p. 99-111. Zo ook de aan combattanten gewijde artikelen van M. Ruud, ‘The Term Combatant An Analysis’, Military Law & Law of War Review 24 (1985) p. 425-448 (i.h.b. p. 429-433); E. Kussbach, ‘Le développement du status des combattants et le droit international humanitaire’, Military Law & Law of War Review 22 (1983), p. 377-418; P. Verri, ‘Combattants armées ne pouvant se distinguer de la population civile’, Military Law & Law of War Review 21 (1982) p. 345-357 (i.h.b. p. 348-354).

28 De klacht keert zich namelijk naar mijn mening materieel wel degelijk tegen een punt waarover volgens de toelichting op het middel de klacht zich niet uitstrekt.

29 Op p. 43 onder nr. 145-147.

30 Pleitnota mr. J. Peters, 30 juni 2014, p. 71.

31 W. Shakespeare, Romeo and Juliet, Act II, Scene II: “What’s in a name? that which we call a rose By any other name would smell as sweet;”. <shakespeare.mit.edu/romeo_juliet/romeo_juliet.2.2.html>

32 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418, NJ 2001/91 m.nt. A.H. Klip (rov. 6.6).

33 R. van Elst, ‘Rechtsmacht’, in R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 73-161 op p. 88 onder verwijzing naar o.a. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418, NJ 2011/91 m.nt. A.H. Klip, rov. 6.4.-6.5.

34 ECLI:NL:HR:2008:BC7418, NJ 2011/91 m.nt. A.H. Klip.

35 Trb. 1978, 42.

36 Zie bijvoorbeeld J.S. Pictet (ed.), Commentary III Geneva Convention Relative to the Treatment of Prisoners of War, Genève: International Committee of the Red Cross 1960, p. 43 (F. Siordet) m.b.t. gemeenschappelijk art. 3: “purely humanitarian”. Y. Sandoz, C. Swinarski & B. Zimmerman (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949, Genève: International Committee of the Red Cross/Martinus Nijhoff Publishers 1987, p. 1343 nr. 4437 (S. Junod): “To understand the scope of the Protocol one should always bear in mind the fact that this instrument supplements and develops common Article 3; it is an extension of it, and is based on the same structure.”

37 M. Bothe, K.J. Partsch & W.A. Solf, New Rules for Victims of Armed Conflict. Commentary on the Two 1977 Protocols Addition to the Geneva Conventions of 1949, Den Haag/Boston/Londen: Martinus Nijhoff Publishers 1982, p. 651 nr. 2.5.

38 L. Zegveld, The Accountability of Armed Opposition Groups in International Law, Cambridge: Cambridge University Press 2002, p. 3: “The term ‘armed opposition groups’ is preferred to other expressions such as ‘rebels’ or ‘terrorists’, as the former expression has the merit of being less emotive.”

39 Sandoz, Swinarski & Zimmerman 1987, supra noot 36, p. 1325 nr. 4363 (S.-S. Junod).

40 F. Thomas & B. Cuvelier, Inleiding tot het humanitair recht, Arnhem/Antwerpen: Gouda Quint BV/Kluwer rechtswetenschappen 1990, p. 99.

41 Customary International Humanitarian Law, vol. I 2005, supra noot 27, p. 12-13.

42 E. Crawford, The treatment of Combatants and Insurgents Under the Law of Armed Conflict, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 68.

43 Crawford 2010, supra noot 42, p. 79.

44 ICRC, Challenges for IHL–terrorism: overview, 2010 <https://www.icrc.org/eng/war-and-law/contemporary-challenges-for-ihl/terrorism/overview-terrorism.htm>

45 J.D. Ohlin, ‘The Combatant’s Privilege in Asymmetric and Covert Conflict’, Yale Journal of International Law 40 (2015), p. 337-392 (i.h.b. p. 345-346).

46 Ohlin 2015, supra noot 45, p. 350.

47 Ohlin 2015, supra noot 45, p. 340.

48 Zie É. David, Principes de droit des conflits armés, Brussel: Bruylant 2012, p. 283 nr. 2.16a.

49 N. Melzer, Interpretive Guidance on the Notion of Direct Participation in Hostilities under International Humanitarian Law, Genève: International Committee of the Red Cross 2009, p. 28.

50 Melzer 2009, supra noot 49, p. 33: “Continuous combat function does not imply de jure entitlement to combatant privilege.” (Zie ook zijn voetnoot 52).

51 S. Sivakumaran, The Law of Non-International Armed Conflict, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 515-518.

52 Sivakumaran 2012, supra noot 51, p. 520.

53 Trb. 1978, 42, p. 13.

54 Sivakumaran 2012, supra noot 51, p. 520.

55 Crawford 2010, supra noot 42, p. 79.

56 Stb. 1954, 246, p. 610; Stb. 1954, 247, p. 639; Stb. 1954, 248, p. 663; Stb. 1954, 249, p. 733.

57 Commentary III 1960, supra noot 36, p. 43 (F. Siordet).

58 Tweede middel- [R. S.] sub 2.6.

59 Customary International Humanitarian Law 2005, vol. I: Rules, supra noot 27, p. 12-13 (op de hier gecursiveerde zin wordt in de zaken van de medeverdachten [R. S.] en [T. E.] een beroep gedaan).

60 R. v. Gul, Supreme Court 23 oktober 2013, [2013] UKSC 64 par. 50 per Lord Neuberger en Lord Judge (waarmee de andere Lords instemden). Zie nader de randnummers 103-109.

61 ECLI:EU:T:2014:885 punt 68. Zie nader de randnummers 125-126.

62 HR 10 december 2002, ECLI:NL:HR:2004:AF6988 (de tekst van het tussenarrest van 10 december 2002 is opgenomen in de publicatie van het arrest van 7 mei 2004), NJ 2007/276 m.nt. A.H. Klip rov. 3.3.7: “Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld.”

63 Het hof verwijst daarbij naar het Kesbir-arrest van de Hoge Raad en naar HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440 (Wesam Al D.).

64 Ook hier verwijst het hof naar het Kesbir-arrest en het Wesam Al D.-arrest van de Hoge Raad.

65 Deze feiten komen inhoudelijk geheel overeen met de onder 1A, 1B en onder 2 ten laste van [R. S.] respectievelijk [T. E.] bewezenverklaarde feiten. Er is vanzelfsprekend alleen een verschil in de opsomming van de namen van de medeverdachten.

66 Art. I onder K, Stb. 2004, 290. Zie voor de inwerkingtreding Stb. 2004, 373.

67 Zie omtrent de verhouding van art. 140a Sr tot art. 140 Sr: HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144, NJ 2012/590 (Piranha II).

68 PbEG L 164 van 22 juni 2002, p. 4. Voor de beoordeling van de middelen zie ik geen relevante verschillen met de Duitse, Engelse en Franse teksten, die eveneens authentiek zijn: “Dieser Rahmenbeschluss gilt nicht für die Aktivitäten der Streitkräfte bei bewaffneten Konflikten im Sinne des humanitären Völkerrechts, die diesem Recht unterliegen, und die Aktivitäten der Streitkräfte eines Staates in Wahrnehmung ihres offiziellen Auftrags, soweit sie anderen Regeln des Völkerrechts unterliegen”, Amtsblatt der Europäischen Gemeinschaften L 164/3, p. 4: “Actions by armed forces during periods of armed conflict, which are governed by international humanitarian law within the meaning of these terms under that law, and, inasmuch as they are governed by other rules of international law, actions by the armed forces of a State in the exercise of their official duties are not governed by this Framework Decision”, Official Journal of the European Communities L 164/3, p. 4; “La présente décision-cadre ne régit pas les activités des forces armées en période de conflit armé, au sens donné à ces termes en droit international humanitaire, qui sont régies par ce droit, et les activités menées par les forces armées d’un État dans l’exercice de leurs fonctions officielles, en tant qu’elles sont régies par d’autres règles de droit international”, Journal officiel des Communautés européennes, L 164/3, p. 4.

69 Bovendien is de Wet terroristische misdrijven niet opgezet om uitsluitend uitvoering te geven aan de verplichtingen die in dat kaderbesluit zijn opgenomen.

70 Kamerstukken I 2003/04, 28463, C, p. 2 (Memorie van Antwoord).

71 Kamerstukken I 2003/04, 28463, E, p. 3: “Ook informeerden deze leden naar de mogelijkheid om gewelddadige acties die ten doel hebben om het repressieve apparaat van een abject regime aan te tasten, als terroristische misdrijven aan te merken. Ik wil daarbij voorop stellen dat de vraag of bepaalde gedragingen als terroristisch misdrijf kunnen worden aangemerkt, dient te worden beantwoord op basis van een analyse van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval tegen de achtergrond van de delictsomschrijvingen die dit wetsvoorstel bevat. Indien sprake is van een aangewezen misdrijf (een moord, brandstichting, bomaanslag etc.), en een terroristisch oogmerk wordt vastgesteld, is dit het geval. Wel is het in beginsel mogelijk dat in bijzondere situaties een strafuitsluitingsgrond kan worden aangenomen; ook is voorstelbaar dat strafvervolging niet in alle gevallen opportuun zal worden geacht.”

72 Handelingen I 2003/04, 32, p. 1710 (14 juni 2004).

73 Kamerstukken II 2003/04, 28463, 29, p. 9-10.

74 R. v. Gul, Court of Appeal (Criminal Division) 22 februari 2012, [2012] EWCA Crim 280, par. 47 en 49.

75 R. v. Gul, Court of Appeal (Criminal Division) 22 februari 2012, [2012] EWCA Crim 280, par. 60.

76 R. v. Gul, Supreme Court 23 oktober 2013, [2013] UKSC 64 par. 8.

77 R. v. Gul, Supreme Court 23 oktober 2013, [2013] UKSC 64 par. 45 en 47 per Lord Neuberger en Lord Judge (waarmee de andere Lords instemden).

78 R. v. Gul, Supreme Court 23 oktober 2013, [2013] UKSC 64 par. 53 en 55 per Lord Neuberger en Lord Judge (waarmee de andere Lords instemden).

79 R. v. Gul, Supreme Court 23 oktober 2013, [2013] UKSC 64 par. 56 per Lord Neuberger en Lord Judge (waarmee de andere Lords instemden): “Even if it were the case that, because of the need to take into account the UK’s international law obligations, the wide definition of terrorism had to be read down when it comes to construing those provisions, that would be of no assistance to a defendant such as the appellant, who is a UK citizen being prosecuted for offences allegedly committed in this country. There is no reason to read down the wide definition of terrorism in a case such as this. The present case does not involve a defendant who has committed acts, which are said to be offences, abroad: the activities said to be offences were committed in the UK – and by a UK citizen.”

80 Ingevoegd bij art. K.6 Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten, Amsterdam 2 oktober 1997, Trb. 1998, 11. Zie het Advies van de Raad van State 19 oktober 2001, W03.01.0523/I/A sub 5, bijlage bij Kamerstukken II 2001/02, 23490, 209: “De Afdeling ziet geen aanleiding de totstandkoming of de uitvoering van het voorgestelde kaderbesluit te kwalificeren als een afwijking van de GW in de zin van artikel 91, derde lid, GW. Artikel 2, derde lid, eerste volzin, GW bepaalt dat uitlevering slechts kan geschieden krachtens verdrag. Daarmee wordt een wettelijke regeling van de uitlevering niet overbodig; wel voorkomt deze grondwetsbepaling dat uitlevering zou geschieden aan een land waarmee daarover geen verdragsrelatie bestaat die bijvoorbeeld vereisten en waarborgen kan inhouden met betrekking tot het doel van de uitlevering. Aan deze uitgangspunten kan behalve door een verdrag dat de uitlevering rechtstreeks regelt ook worden voldaan door een besluit van een volkenrechtelijke organisatie - krachtens een verdrag - dat zowel de staat waaraan wordt uitgeleverd als de uitleverende staat bindt. Een kaderbesluit is zo’n op een verdrag berustend besluit.” (De voetnoot heb ik weggelaten). De minister van Justitie heeft deze uitkomst onderschreven. Zie Kamerstukken II 2001/02, 23490, 209, p. 3 en Kamerstukken II 2002/03, 29042, 3, p. 5. Zie voorts V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Overlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 241-335 (i.h.b. p. 244).

81 Trb. 1998, 84, p. 20.

82 New York 9 december 1999, Trb. 2000, 12, p. 24.

83 Vgl. A. Cassese, ‘Terrorism’, in A. Cassese e.a. (red.), Cassese’s International Criminal Law, Oxford: Oxford University Press 2013, p. 146-158 (i.h.b. p. 146-148.

84 Vgl. K.N. Trapp, ‘The Interaction of the International Terrorism Suppression Regime and IHL in Domestic Criminal Prosecutions: The UK Experience’, in: D. Jinks, J.N. Maogoto & S. Solomon (eds.), Applying International Humanitarian Law in Judicial and Quasi-Judicial Bodies. International and Domestic Aspects, Den Haag: T.M.C. Asser 2014, p. 165-182 op p. 178 “As a result, Article 19(2) of the Terrorist Bombing Convention can only be understood as a ceiling – prohibiting States from criminalising the conduct of armed forced during an IAC [International Armed Conflict, AG] as terrorism.”

85 Corte di Cassazioni 21 januari 2014, te raadplegen via http://www.cortedicassazione.it/corte-di-cassazione/: “La formula utilizzata nell'art. 21, simile per struttura a quella contenuta nel punto 6 dell'art. 7 precedente, esprime cioè la finalità di evitare interferenze preclusive tra i principi sanciti nella Convenzione che, informano di sè le norme oggetto delle giurisdizioni domestiche, nonché, dall'altro, quelli di diritto internazionale, dai quali derivino ‘altri’ diritti, obblighi e responsabilità degli Stati e dei singoli.” Zie daarover D. Amaroso in de rubriek “Judicial Decisions” in Italian Yearbook on International Law 24 (2015) p. 482-488 (i.h.b. p. 485).

86 PbEG L 164 van 22 juni 2002, p. 6.

87 Trb. 1998, 84, p. 10.

88 Trb. 2000, 12, p. 12.

89 ECLI:EU:T:2014:885.

90 Advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie in zaaknr. C-158/14, A, B, C en D t. Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 29 september 2016, ECLI:EU:C:2016:734 punt 98: “Overweging 11 van kaderbesluit 2002/475 verschaft derhalve geen leidraad voor de betekenis van ‘terroristische daad’ in gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en in verordening nr. 2580/2001.”

91 Eerste middel sub 1.27 en 1,28; tweede middel sub 1.12

92 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: NJ 2006/393 (rov. 3.8.4 sub d).

93 Pleitnota mr. A.A. Franken en mr. R. Croes-Hoogenboorn 23 juni 2014, p. 78 (nr. 301-303).

94 Pleitnota mr. A.A. Franken en mr. R. Croes-Hoogenboorn 23 juni 104, p. 5 (nr. 11).

95 Customary International Humanitarian Law 2005, vol. I: Rules, supra noot 27, p. 13.

96 Ter wille van de leesbaarheid laat ik de noten achterwege.

97 M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, diss. Tilburg, Arnhem: Gouda Quint bv 1995, p. 57.

98 J.M. ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht 2014, art. 140, aant. 10a onder verwijzing naar HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64: opzet op deelneming aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht, is niet vereist.

99 De Vries-Leemans 1995, supra noot 97, p. 178.

100 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 207-208.

101 Pleitnota mr. Franken en mr. Croes-Hoogendoorn, 23 juni 2014, p. 34 (nr. 117).

102 Pleitnota mr. Franken en mr. Croes-Hoogendoorn, 23 juni 2014, p. 54 (nr. 188).

103 Hierbij merk ik (AG) op: [betrokkene 2] is een alias van [betrokkene 2] met wie de verdachte volgens de tenlastelegging onder 1A en 1B tezamen en in vereniging heeft deelgenomen aan een internationale criminele organisatie.

104 Art. 1 Vaststelling percentage Wet op de kansspelen, Stcrt. 2007, nr. 236, p. 22.

105 AB 1986/457: “Uit de MvA bij dit artikel van de Wet op de kansspelen blijkt dat de wetgever in deze bepaling onder vereniging ook heeft willen begrijpen andere doelorganisaties, die leden kennen, maar formeel niet tot de verenigingen worden gerekend, als kerkgenootschappen, kerkelijke gemeenten en parochies. Wij achten het voorshands niet uitgesloten dat het organiseren van een kansspel door een stichting die zich materieel niet of weinig onderscheidt van een vereniging tevens onder vorenbedoelde bepaling kan vallen.”

106 AB 1986/290 m.nt. J.H. van der Veen: “Nu in Titel Ia Wet reeds een bijzondere, en met name in vergelijking met hetgeen in het algemeen geldt ten aanzien van kansspelen minder restrictieve, regeling ten aanzien van het kleine kansspel is getroffen, ziet de Afd. voorts onvoldoende grond voor een ruime interpretatie van het bepaalde in art. 7c eerste en tweede lid als door appellante bepleit.”

107 Kamerstukken II 1971/72, 11549, 3, p. 7-8.

108 Kamerstukken II 1971/72, 11549, 5, p. 6.

109 Kamerstukken II 1971/72, 11549, 7, p. 20.

110 Kamerstukken II 1971/72, 11549, 6, p. 5.

111 Afdeling Rechtspraak Raad van State (Voorzitter) 31 augustus 1989, AB 1990/515 “waarbij een relatie bestaat tussen het doel van de bijeenkomst en de beoogde bezoekers van die bijeenkomst ten opzichte van de organiserende vereniging”.

112 Art. 2:285 BW.

113 De gecursiveerde woorden zijn door het hof aan de tenlastelegging toegevoegd. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd.

114 HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, NJ 2007/544 m.nt. Y. Buruma rov. 3.3.

115 HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9412, RvdW 2008/476 rov. 4.2.

116 Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 april 2014, p. 21: “U vraagt mij door wie dit tegen mij gezegd is. Ik wil de naam van die persoon niet noemen.”

117 HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64; De Vries-Leemans, supra noot 97, p. 58: “Moet het opzet van de deelnemer zijn gericht op het misdadig oogmerk van de organisatie”; A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr, diss. Heerlen, Nijmegen:WLP 2011, p. 61: “Minimaal voorwaardelijk opzet op het criminele oogmerk van de organisatie in het algemeen, maar niet op de door de organisatie beoogde misdrijven.”

118 De voetnoten van het hof heb ik ter wille van de leesbaarheid weggelaten.

119 Art. 284 Sr luidt, voor zover hier relevant, dat hij “die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden”, gestraft wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Art. 316 Sr luidt, voor zover van belang, dat hij “die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens” als schuldig aan afpersing wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

120 Art. 140 Sr houdt in, voor zover van belang, dat deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie (eerste lid). Deze gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd ten aanzien van oprichters, leiders of bestuurders (derde lid).

121 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 rov.3.4: “Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”

122 Waarbij de stellers van het middel verwijzen naar HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225, NJ 1988/785 m.nt. Th.W. van Veen.

123 In dezelfde zin N. Keijzer in zijn annotatie (sub 2) onder HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 met betrekking tot bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.

124 Met weglating van de voetnoten.

125 De rechtbank motiveerde de vrijspraak ter zake van de feiten onder 5 en 6 als volgt (vonnis p. 29):
Feit 5
[…]
Van een aantal van de uitlatingen moet worden geoordeeld dat ze ontegenzeggelijk een opzwepend karakter hebben. Van de context waarin de uitlatingen gedaan zijn, herdenkingsbijeenkomsten, kan enerzijds gezegd worden dat het herdenken van omgekomen strijders het opzwepend karakter mogelijk versterkt, maar anderzijds ook dat juist dergelijke herdenkingen begrijpelijkerwijs tot enigszins krachtiger taal aanleiding geven. Een directe oproep tot het plegen van strafbare feiten kan daarin niet gevonden worden. Ook de zinsnede ‘staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen’ kan onder de gegeven omstandigheden, waaronder de geografische, evenmin als zodanig geduid worden. Indien een uitlating begrepen zou kunnen worden als een indirecte aansporing, zal die uitlating tevens moeten worden beoordeeld in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door onder andere artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen, ook die waarin een hoge morele waardering voor geweld wordt uitgesproken, in de gegeven omstandigheden geen van alle dusdanig zijn dat daarmee de grens van de vrijheid van meningsuiting is overschreden en zal verdachte vrijspreken van feit 5 (cursivering van mij, AG).
Feit 6
De inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, heeft, hoewel daar ook bewondering voor gewelddadigheden en het sterven in een strijd uit blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter. Enige directe of indirecte oproep tot het plegen van strafbare feiten, die ook nog eens de grens van de vrijheid van meningsuiting overschrijdt (cursivering van mij, AG), kan daarin niet gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de grens van vrijheid van meningsuiting. De rechtbank zal verdachte derhalve ook vrijspreken van feit 6.”

126 EHRM 2 december 2014 (Güler en Uğur t. Turkije), nr. 31706/10 en 33088/10, par. 52. De door het EHRM verstrekte Engelse vertaling luidt als volgt: “The Court thus accepts that certain forms of identification with a terrorist organisation, and especially apologia for such an organisation, may be regarded as a manifestation of support for terrorism and an incitement to violence and hatred. Similarly, the Court accepts that to disseminate messages praising the perpetrator of an attack, to denigrate the victims of an attack, to raise money for terrorist organisations, or to engage in other similar conduct, may constitute acts of incitement to terrorist violence […].”

127 Onder verwijzing naar – waarbij ik de paragraaf en het citaat daaruit verbeterd weergeef – EHRM 8 juli 1999 (Errond en İnce t. Turkije), nrs. 25067/94 en 25068/94 [GC], par. 52: “nor could they be construed as liable to incite to violence”.

128 Stb. 2004, 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004, Stb. 2004, 373).

129 Kamerstukken II 2002/03, 28 463, nr. 7.

130 In het vonnis van de rechtbank komt dit fraai naar voren in de overweging waarmee wordt vrijgesproken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde feiten (p. 29): “Ook de overige uitlatingen en uitingen in het dossier zijn onvoldoende voor het bewijs dat de onder feit 2 bedoelde organisatie het oogmerk had op de strafbare feiten van – kort gezegd – opruiing of verspreiding ter opruiing.”

131 Zie ook de Inleidende opmerkingen in de (niet gepagineerde) schriftuur.

132 In het arrest is dit voetnootnummer 606 met de volgende inhoud: “Zie o.a. United States v. Thavaraja, United States Court of Appeals, Second Circuit (Docket no. 12-4330-cr) d.d. 23 January 2014, zie: http://caselaw.findlaw-.com/us-2nd-circuit/1655425.html (gezien op 20 april 2015); Gerechtshof Parijs (Cour d'Appel de Paris, pool 8, kamer 1, RG nr. 09.13096) d.d. 22 februari 2012, p. 34-36 (D03-1043 t/m 1045) en Federaal Gerechtshof Düsseldorf (III-6 StS 4/10, III-6 StS 1/11) dd 20 oktober 2011 p. 41-45 (D09-0464 t/m 0468).”

133 New York 9 december 1999, Trb. 2000, 12 p. 8 (i.w.tr. 10 april 2002, ook voor Nederland, Trb. 2002, 110, p. 9).

134 Warschau 16 mei 2005, Trb. 2006, 34, p. 10 (i.w.tr. 1 juni 2007, voor Nederland 1 november 2010, Trb. 2010, 244, p. 8).

135 PbEG L 164 van 22 juni 2002, p. 5.

136 VN document S/RES/13737 (2001), Trb. 2001, 179, p. 4.

137 VN document S/RES/1566 (2004), geraadpleegd op <documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N04/542/82/PDF/N0454282.pdf?OpenElement>. Anders dan de eerdergenoemde Resolutie is deze niet gepubliceerd in het Tractatenblad.

138 Vgl. HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9941, NJ 2013/296 rov. 2.3 m.b.t. de in art. 23 Verdrag van Lanzarote opgenomen verplichting: “Each Party shall take the necessary legislative or other measures to criminalise […]”.

139 Ontleend aan L. Besselink, ‘Internationaal recht en nationaal recht’, in N. Horbach, R. Lefeber & O. Ribbelink, Handboek internationaal recht, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2007, p. 47-80. Deze auteur noemt echter niet uitdrukkelijk besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dat doen wel P.A. Nollkaemper, Kern van het Internationaal publiekrecht, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2014, p. 467, en J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen (diss.), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2004, p. 3 en 19-20. Zie voor verdragen expliciet HR 3 maart 1919, NJ 1919 p. 317 en HR 25 mei 1906, W 8383.

140 HR (Tweede Kamer) 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8351, NJ 2013/411 m.b.t. Resoluties van de VN Veiligheidsraad gebaseerd op Hoofdstuk VII van het Handvest VN. B. Simma e.a. (eds.), The Charter of the United Nations. A Commentary, vol. I, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 806 nr. 53 (A. Peters): “The traditional criteria of suitability for direct application, namely unconditionality and precision of the international act normally do not pose a problem for Security Council decisions. […] the direct effect of the Council decision should not be ruled out as impossible from the outset”.

141 Daarover: J.W.A. Fleuren, ‘The Application of Public International Law by Dutch Courts’, Netherlands International Law Review LVII (2010), p.245-266 (op p. 247 schrijft hij: “treaties and resolutions of international organizations to be binding on all persons insofar as they had been published”, en op p. 249: “In so far as such resolutions are published and contain provisions which are self-executing, they may affect the rights and duties of natural and legal persons and will have supremacy over the Constitution, Acts of Parliament and other legal rules”. En zo ook J.W.A. Fleuren in T&C Grondwet, 2015, art. 93, aant. 1 (online, bijgewerkt tot 1 oktober 2015). Besselink 2007, supra noot 141, p. 64 schrijft: “Bekendmaking beoogt niet zozeer het verdrag deel te laten uitmaken van de rechtsorde, maar is slechts een rechtszekerheidseis met het oog op de belangen van de burgers die door een verdragsbepaling direct of indirect kunnen worden geraakt.” C.A.J.M. Kortmann, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2012, p. 171: “In deze zin bezit art. 93 Gw een dualistisch trekje: bekendmaking is vereist, wil een eenieder verbindende bepaling van een verdrag toegepast kunnen worden, als een burger er een beroep op doet of ermee wordt geconfronteerd.” Zie voorts A.K. Koekkoek (red.), de Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 457 (F.M.C. Vlemminx & M.G. Boekhorst) onder aanhaling van Kamerstukken II 1951/52, 2374, 10, p. 32: “Ook onder diegenen, die zich plaatsen op het standpunt van de gelding van de internationale overeenkomst boven een latere nationale wet, zijn er, die ernstige bezwaren hebben tegen de stelling, dat de onderdanen van de Staat gebonden zouden kunnen zijn aan regels, van welker bestaan zij geen kennis hebben kunnen nemen. Dit achten zij in strijd met de primaire rechtsbeginselen en zij weigeren deze uiterste consequenties van de theorie van het primaat van het internationale recht te aanvaarden. De Regering is het hiermede eens. De rechtszekerheid van het individu is een kostbaar goed, en aantasting daarvan moet in hoge mate bedenkelijk worden geacht. Indien een nationale Regering nalaat de burgers in kennis te stellen van het bestaan van internationale regels, die ook voor de burgers bindend zijn, moet uitsluitend deze nalatige Regering hiervoor aansprakelijk worden gesteld, zonder dat de onderdanen slachtoffer moeten worden van dit verzuim.” En in Kamerstukken II 1977/78, 15049 (R1100), 7, p. 17 kan men lezen: “Deze bepaling […] houdt voor de burgers de waarborg in, dat de een ieder verbindende bepalingen van verdragen of besluiten hen eerst daadwerkelijk verbinden nadat deze bepalingen zijn bekendgemaakt op door de wet voorgeschreven wijze.”

142 In de resolutie zelf wordt niet naar voorbereidende documenten verwezen. In het gepubliceerde verslag van de zitting van de Veiligheidsraad van 28 september 2001 waar de resolutie is aangenomen, wordt verwezen naar een ontwerpresolutie welke unaniem is aangenomen. Uit het gepubliceerde verslag blijkt niet dat tijdens de vijf minuten durende zitting stemverklaringen zijn afgelegd, zie VN doc. S/PV.4385.

143 Staat/CAN, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit.

144 HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit (onderdeel 3.5.2).

145 G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 233.

146 B. Simma e.a. (eds.) 2012, supra noot 142, The Charter of the United Nations. A Commentary, vol. I, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 805 nr. 51 (A. Peters): “The third aspect of direct effect is the principle of legality. […] The question […] is whether a Security Council decision constitutes a sufficient legal basis. That question is most acute when it comes to the establishment of a crime through a rule of international law.”

147 P.M. Schuyt, Verantwoorde straftoemeting, diss. Leiden, Deventer: Kluwer 2010, p. 10.

148 In dezelfde zin N. Keijzer, Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme, openbare les Amsterdam (VU), Deventer: Kluwer 1979, p. 10. Volgens Keijzer kunnen “verdragsluitende partijen hun onafhankelijke rechters natuurlijk niet binden.” Vgl. evenwel ook de VN Veiligheidsraadresolutie 748 (1992) op basis waarvan Libië werd verplicht twee met naam en toenaam genoemde verdachten uit te leveren. Zo een verplichting zou mijns inziens ook voor de rechter rechtstreeks kunnen werken. Ik kan me wel voorstellen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter verbiedt een bepaalde straf op te leggen, zoals de doodstraf (of een levenslange gevangenisstraf zonder tussentijdse toetsing).

149 HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, NJ 2013/33 rov. 2.3.

150 HR 3 januari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AB7055, NJ 1978/246 m.nt. Th.W. van Veen.

151 Zie nr. 8 in de toelichting op het middel.

152 Op schrift gesteld requisitoir overgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2015, p. 6.