Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:962

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2016
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
15/00851
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:663, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Middel vordering b.p. over gemaakte proceskosten. Ex art. 592a Sv dient de rechter te beslissen over de kosten door de b.p. gemaakt en t.b.v. de tenuitvoerlegging nog te maken, welke beslissing ex art. 361.6 Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. De wettelijke voorschriften m.b.t. de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Daarop stuit het middel af. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00851

Mr. Machielse

Zitting 14 juni 2016

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 10 februari 2015 voor 1: mensenhandel en mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; en voor 2: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van in het arrest genoemde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. Het beroep is schriftelijk tegengesproken door mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, die namens de benadeelde partij ook een schriftuur heeft ingediend, houdende één middel van cassatie. Mr. Spong heeft op zijn beurt een verweerschrift doen toekomen als reactie op de schriftuur van de benadeelde partij.

3.1. Het namens verdachte voorgestelde middel klaagt over de berekening van het bedrag aan materiële schade (€ 15.100) tot betaling waarvan het hof verdachte heeft veroordeeld. De vaststelling van de hoogte van dit bedrag is tot stand gekomen in strijd met de eisen van artikel 6 EVRM. Het hof heeft zich bij de vaststelling van dit bedrag laten leiden door ambtshalve kennis waarover het hof als gespecialiseerde mensenhandelkamer zegt te hebben kunnen beschikken. Niet kon blijken dat het hof deze ambtshalve kennis ter terechtzitting heeft geopenbaard en aan de orde gesteld. Aldus is de verdediging door toepassing van deze ambtshalve kennis in het arrest overvallen.

Het verweerschrift van de benadeelde partij voert daartegen aan dat de vordering van de benadeelde partij was gebaseerd op € 400 inkomsten per klant. Deze stelling is in hoger beroep niet door de verdediging betwist, zodat deze geacht kan worden vast te staan. De indiener van het verweerschrift verwijst daartoe naar bijlage 1 bij de oorspronkelijke vordering.

3.2. In bijlage 1 heeft het slachtoffer in samenspraak met haar maatschappelijk werker de materiële schade berekend. Daartoe is uitgegaan van een opbrengst van € 400 per klant. Maar er waren ook klanten die € 600 of € 1000 hebben betaald. Het bedrag aan materiële schade waarop het slachtoffer komt is € 18.800.

3.3. De namens de benadeelde partij ingebrachte stukken zijn ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 juli 2014 blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal aan de orde gesteld. Mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, is namens de benadeelde partij, [benadeelde partij] , verschenen. Verdachte heeft in wezen alles ontkend en de advocaat van verdachte is niet ingegaan op de vordering van deze benadeelde partij. In hoger beroep is ter terechtzitting van 27 januari 2015 mr. Cantarella wederom namens de benadeelde partij verschenen en heeft medegedeeld dat de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep wenst te handhaven. De advocaat van verdachte, noch verdachte zelf, heeft daarop gereageerd.

3.4. Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij in zijn arrest het volgende overwogen:

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft mr. M.G. Cantarella zich als gemachtigde namens [benadeelde partij] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde, tot een bedrag van € 33.800,—, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Dit bedrag betreft materiële schade ad € 18.800,— en immateriële schade ad € 15.000,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 33.800,—, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 20.000,—, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade:

De benadeelde partij berekent de schade aldus:

3 klanten per week à € 400,-- per klant;

27 weken x € 1.200,— per week levert op € 32.400,—.

4 keer € 800,— gemiddeld verdiend, levert op € 3.200,--;

hiervan 4 x € 150,— behouden door benadeelde partij,

derhalve € 600,—.

Afdracht 50% aan verdachte is € 16.200,— + € 2.600,—,

Derhalve totale afdracht aan verdachte is € 18.800,—.

Wat betreft de materiële schade stelt het hof voorop dat het bewezen acht dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefster/de benadeelde partij.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt het hof af dat de uitbuiting een aanvang heeft genomen in augustus 2009 (verklaring getuige [getuige] d.d. 19 november 2013) en ongeveer geëindigd is in januari/februari 2010, toen aangeefster 16 jaar oud was (verklaring aangeefster d.d. 21 oktober 2013). Dit brengt mee dat het hof zal uitgaan van een periode van ongeveer zes maanden, 27 weken, waarin aangeefster inkomsten aan verdachte heeft moeten afdragen.

Wat betreft de hoogte van de inkomsten heeft aangeefster op 21 oktober 2013 verklaard dat zij zelf € 150,— per uur zou krijgen en dat de rest afgedragen werd. [getuige] vermoedt dat aangeefster € 100,-- per uur rekende.

Het hof acht een bedrag van € 100,— per uur volstrekt niet aannemelijk, aangezien aangeefster indertijd 15 jaar oud was en het hof als gespecialiseerde mensenhandelkamer er ambtshalve mee bekend is dat de uurtarieven voor prostituees van deze leeftijd aanzienlijk hoger liggen.

Een 15-jarige prostituee van Nederlandse afkomst die nog geen kinderen heeft gehad, bedient, economisch gezien, een niche-markt en is werkzaam in een ander segment dan waarin € 100,— per uur wordt gerekend voor prostitutiewerkzaamheden.

Mede bezien tegen de achtergrond van hetgeen het hof ambtshalve bekend is omtrent de tarieven voor prostitutiewerkzaamheden begroot het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de door aangeefster indertijd verrichte werkzaamheden op een tarief van € 300,-- per klant.

Voorts heeft aangeefster verklaard dat de anderen altijd meer aan een klant verdienden dan zijzelf (verklaring 21 oktober 2011). [getuige] bevestigt dat aangeefster haar heeft verteld dat zij ( [getuige] ) het geld bewaarde dat aangeefster verdiende. Dit brengt mee dat een (afdracht van 50%, overeenkomstig de stellingen van de benadeelde partij, redelijk is.

Het voorafgaande leidt het hof tot het volgende:

27 weken x 3 klanten x € 300,— levert op: € 24.300,--

Afdracht 50% = 12.150,--.

4 keer € 800,— gemiddeld verdiend, levert op € 3.200,—;

hiervan 4 x € 150,-- behouden door benadeelde partij,

derhalve € 600,—. € 3.200,— minus € 600,— levert op

€ 2.600,--.

€ 12.500,— + € 2.600,— levert op € 15.100,= aan te

vergoeden materiële schade.”

3.5. Dat de vordering van de benadeelde partij, zoals het arrest inhoudt, door en namens verdachte is betwist kan ik alleen zo uitleggen dat verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] en dat zijn advocaat zich daarbij (stilzwijgend) zou hebben aangesloten. Maar de hoogte van de door de benadeelde partij aangegeven verdienste per klant is niet betwist. Ingevolge het eerste lid van artikel 149 Rv moest het hof dus uitgaan van de niet betwiste feiten.1 Daarom is de beslissing van het hof om uit te gaan van een bedrag van € 300 per klant niet onbegrijpelijk en zelfs in het voordeel van verdachte, als men in aanmerking neemt dat een verdienste van € 400 per klant door de benadeelde partij is gesteld en door de verdediging niet gemotiveerd bestreden. Dat uitgangspunt behoeft geen nadere motivering nu door de verdediging niet is aangevoerd dat de benadeelde partij met haar opgave in het voegingsformulier uit is gegaan van onjuiste bedragen.2

3.6. Wat het hof heeft overwogen over de eigen wetenschap van de gespecialiseerde mensenhandelkamer is voorts toegespitst op hetgeen [getuige] heeft verklaard, te weten dat zij vermoedt dat de benadeelde partij € 100 per uur rekende. Zo een uurtarief is volgens het hof volstrekt onaannemelijk.

De verdediging heeft niets te berde gebracht over dit onderdeel van de verklaring van [getuige] , laat staan zich daarop beroepen. De door de benadeelde partij onderbouwde berekening van de materiële schade, die niet, althans onvoldoende is betwist, draagt de beslissing tot toewijzing van de vordering zoals het hof dat heeft gedaan reeds zelfstandig. De verwijzing door het hof naar de ambtshalve bekendheid van het hof als gespecialiseerde mensenhandelkamer met de uurtarieven voor prostituees van deze leeftijd is geen reactie op een stelling van de verdediging, maar enkel een uitleg door het hof van de onaannemelijkheid van het vermoeden dat [getuige] heeft geuit. Deze verwijzing speelt dus voor de vaststelling van de materiële schade geen rol van betekenis en is daarom in dit speciale geval niet relevant.3

Het middel faalt.

4.1. Het middel van de benadeelde partij klaagt dat het hof in zijn arrest weliswaar verdachte verwezen heeft in de door de benadeelde partij gemaakte en nog te maken kosten, maar ten onrechte de kosten die tot aan de datum van het arrest zouden zijn gemaakt op nihil heeft begroot. De steller van het middel acht het onbegrijpelijk dat in dit geval, waarin de vordering door een advocaat is ingediend en ook in hoger beroep is toegelicht door de aanwezige advocaat, het hof geen vergoeding heeft toegekend. Het hof had hier het liquidatietarief moeten toepassen.

Verdachte doet daartegen in een verweerschrift aanvoeren dat de benadeelde partij zich beroept op feiten die niet zijn vastgesteld, zoals de langdurige zitting in hoger beroep en de declaratie van de advocaat opgemaakt na het arrest van het hof. Voor een ambtshalve kostenvergoeding aan de benadeelde partij bestaat geen reden omdat de vrijgesproken verdachte ook geen ambtshalve schadevergoeding krijgt voor ten onrechte ondergaande voorlopige hechtenis, noch een vergoeding van de kosten van een raadsman overeenkomstig het tweede lid van artikel 591a Sv. De benadeelde partij had maar zo alert moeten zijn om in feitelijke aanleg gebruik te maken van de bevoegdheid een kostenveroordeling te vragen.

4.2. Artikel 592a Sv bepaalt dat de rechter die een beslissing neemt over de vordering van de benadeelde partij tevens beslist over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken. In de onderhavige zaak heeft de benadeelde partij zo een kostenpost in de begroting van de vordering niet opgenomen. Evenmin is ter terechtzitting in hoger beroep nog gevorderd dat de kosten van de benadeelde partij in hoger beroep ten laste van verdachte zouden komen. Onder deze omstandigheden lijkt de beslissing van het hof dat deze kosten op nihil zijn te begroten niet onbegrijpelijk. Edoch, in de burgerlijke rechtsvordering geldt dat het voor een toewijzing van een proceskostenveroordeling niet nodig is dat zo een veroordeling is gevorderd. De rechter moet altijd een kostenveroordeling uitspreken.4 Nu zou men kunnen stellen dat het hof in de onderhavige zaak ook een kostenveroordeling heeft uitgesproken, maar de kosten op nihil heeft begroot. In de onderhavige zaak is evenwel een advocaat opgetreden voor de benadeelde partij. Dat daaraan kosten zijn verbonden lijkt mij wel een feit van algemene bekendheid. En dan komt, naar mij dunkt, HR 28 november 1986, NJ 1987, 380 m.nt. W.L. Haardt in beeld. Het betreft een zaak waarin verweerder in cassatie in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard in zijn verzet tegen een door de Raad voor de kinderbescherming gelegd executoriaal beslag. De Raad heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en vernietiging van het vonnis gevraagd voor zover het vonnis geen kostenveroordeling inhield. De Raad vorderde dat het hof alsnog verweerder in cassatie zou veroordelen in de kosten van eerste aanleg alsmede in de kosten van hoger beroep. De Hoge Raad overwoog:

"3.1 In deze zaak gaat het om de vraag of de rechter in zaken waarin art. 56 Rv5 van toepassing is, verplicht is om de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen, ook indien de wederpartij niet uitdrukkelijk een kostenveroordeling heeft gevorderd.

In het arrest van 26 jan. 1933, NJ 1933, p. 797 heeft de HR de eerste zin van art. 56 lid 1 in die zin uitgelegd dat deze bepaling (al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden) door de rechter moet worden toegepast onafhankelijk van desbetreffende vorderingen van pp. Een andere opvatting van deze bepaling ware denkbaar geweest, maar de HR ziet onvoldoende grond om af te wijken van de uitleg die hij in vermeld arrest heeft gekozen.

3.2 Uit het voorgaande volgt dat het middel gegrond is. De HR kan de zaak zelf afdoen. Blijkens 's hofs in zoverre in cassatie niet bestreden arrest was de enige door de Raad tegen het beroepen vonnis aangevoerde grief, dat de Rb. ten onrechte had nagelaten om Milutinovic als volledig in het ongelijk gestelde partij bij dat vonnis in de kosten van het geding te veroordelen en heeft de Raad in zoverre vernietiging van het beroepen vonnis gevraagd met vordering tot veroordeling alsnog van Milutinovic in de kosten van de eerste aanleg en in die van het hoger beroep. Ingevolge het onder 3.1 overwogene is die grief gegrond, zodat het vonnis van de Rb. moet worden vernietigd voor zover daarbij een kostenveroordeling achterwege is gebleven, terwijl Milutinovic als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van het hoger beroep moet worden veroordeeld. Nu Milutinovic de bestreden uitspraak niet heeft uitgelokt, noch verdedigd zal de HR een kostenveroordeling in cassatie achterwege laten."

Vervolgens vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarbij is nagelaten om verweerder in cassatie als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te veroordelen, veroordeelt verweerder in cassatie in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die van hoger beroep maar houdt de begroting van die kosten aan tot de Raad die gegevens aan de Hoge Raad heeft verschaft.

4.3. Op de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zijn, behoudens strafvorderlijke bijzonderheden, de regels van het burgerlijk proces van toepassing. Dat ziet de steller van het verweerschrift tegen de schriftuur van de benadeelde partij over het hoofd, door een vergelijking te maken met het uitblijven van een ambtshalve beslissing voor schade geleden door verdachte en kosten door hem gemaakt. De burgerlijke rechtsvordering verlangt een kostenveroordeling ook als daarom niet is verzocht.

In de onderhavige zaak zou de Hoge Raad kunnen verrichten wat het hof heeft verzuimd. Nu de benadeelde partij zich niet heeft uitgelaten over de proceskosten en het strafgeding gevrijwaard moet blijven van onevenredige belastingen door behandelingen van vorderingen van benadeelde partijen, zal de Hoge Raad naar mijn mening het liquidatietarief kunnen toepassen. Ten aanzien van de kosten voor de benadeelde partij in cassatie gelden ingevolge artikel 418a Rv de artikelen 237-245 Rv ook, met dien verstande dat de Hoge Raad ingevolge het vierde lid van artikel 419 Rv over de kosten van het geding in cassatie zodanige uitspraak geeft als hij vermeent te behoren.

Het middel is gegrond.

5. Het namens verdachte voorgestelde middel faalt. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel lijkt mij daarentegen gegrond te zijn. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het hof heeft nagelaten verdachte te veroordelen tot vergoeding van de volgens het liquidatietarief vast te stellen proceskosten van de benadeelde partij, tot voorziening in dit verzuim en in de kosten van het geding in cassatie door de Hoge Raad zelve, en tot verwerping van het door verdachte ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 GS Burgerlijke rechtsvordering, commentaar op artikel 149 Rv, aantekening 13 (prof. mr. G.R. Rutgers).

2 HR 18 november 2008, ECLI:2008:BF0173; HR 15 januari 2013, ECLI:2013:BY5710.

3 Zie de kritiek die mr. E. Wesseling-van Gent terecht uit in haar opstel ‘Eigen wetenschap van de rechter’ in NJB 1988, p. 1118 e.v. op het gebruik door de rechter van eigen wetenschap in het bewijs. Partijen worden verrast door zo een beroep op eigen wetenschap en de oorsprong ervan is niet of lastig te controleren.

4 Mr. dr. R.H. de Bock, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 2.

5 AM; oud, thans artikel 237 Rv.