Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:952

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
15/04947
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Antilliaanse zaken, Sint Maarten. 1. Verhoor opgeëiste persoon d.m.v. beeld- en geluidsverbinding. 2. Vermelding van feiten in de uitspraak. Ad. 1 De opvatting dat het horen, verhoren of ondervragen van personen d.m.v. directe beeld- of geluidsverbinding, buiten de gevallen waarop de Wetboeken van Strafrecht van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten en BES zien, tot nietigheid leidt, is onjuist. Ad. 2 Hoewel het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (anders dan art. 28.3 Uitleveringswet) niet een bepaling kent inhoudende dat de rechter in zijn uitspraak de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan dient te vermelden, moet tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis worden aangenomen dat het Hof daartoe gehouden is. HR herstelt ambtshalve dit verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04947 UA

Zitting: 6 september 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon 1]

  1. Het cassatieberoep richt zich tegen het advies van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 6 oktober 2015 waarbij de uitlevering van [de opgeëiste persoon 1] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar is verklaard ter fine van strafvervolging. In het advies zijn niet de feiten aangewezen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard maar de strafbare feiten die de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar respectievelijk Amerikaans en Nederlands recht opleveren. Ik kom daarop terug.

  2. Tegen deze uitspraak is namens de opgeëiste persoon cassatieberoep ingesteld.
    De zaak hangt samen met die tegen [de opgeëiste persoon 2] (nr. 15/04946 UA), de echtgenote van de opgeëiste persoon, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.

  3. Mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht heeft tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. De feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, en het hof klaarblijkelijk bedoeld heeft de uitlevering toelaatbaar te verklaren, zijn als volgt uiteengezet in de “Affidavit in support of request for extradition” die is opgesteld en ondertekend door J.A. Raich en A.M. Otazo-Reyes, en is gedateerd 24 juni 2015:

“[O]n or about December 18, 2011, [de opgeëiste persoon 1] and [de opgeëiste persoon 2] aided and abetted the operation of a commercial dive charter in an unlawful manner and in a reckless manner, resulting in the death of a passenger. Additionally, on December 18, 2011, [de opgeëiste persoon 1], as the owner of a commercial vessel, was directly responsible for the death of a passenger through fraud, neglect and misconduct. Further, on or about February 4, 2011, [de opgeëiste persoon 1] and [de opgeëiste persoon 2] knowingly and wilfully made a materially false statement to the U.S. Coast Guard National Vessel Documentation Center.”

5. Het advies van het hof kan verbeterd gelezen worden omdat de feiten zoals die zijn uiteengezet in de genoemde “Affidavit in support of request for extradition” een nadere invulling betreffen van de strafbare feiten die in het aanhoudingsbevel gedateerd 18 oktober 2012 worden aangeduid als “Manslaughter – 18 USC 1112”, “Misconduct or neglect of ship officers – 18 USC 1115” en “False official statement – 18 USC 1001(a)(2)”, terwijl in het uitleveringsverzoek dat is gedateerd 21 juli 2015 wordt aangegeven dat [de opgeëiste persoon 1] wordt gezocht om in de Verenigde Staten van Amerika terecht te staan en dat hij het onderwerp is van een aanhoudingsbevel van 18 oktober 2012 terwijl ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek wordt gewezen op de genoemde “Affidavit in support of request for extradition”. De uitlevering is dus, met andere woorden, verzocht ter fine van de uitlevering van de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de genoemde “Affidavit” en worden gekwalificeerd als de feiten waarvoor het hof de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. Het advies kan op dit onderdeel verbeterd worden gelezen.

6. Het eerste middel klaagt over schending van artikel 14 van het Uitleveringsbesluit Aruba, Curaçao en Sint Maarten1 (hierna: Uitleveringsbesluit) en de artikelen 6 en 10 EVRM “doordat het voorgeschreven verhoor van [de opgeëiste persoon 2] met gesloten deuren heeft plaatsgevonden”, en doordat de opgeëiste persoon niet in persoon is gehoord maar via videoconferentie terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.

7. Artikel 14, eerste lid, Uitleveringsbesluit, luidt als volgt:

“Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.”

8. Het ter openbare zitting van het hof van 6 oktober 2015 uitgesproken advies houdt onder meer in:

“Het verzoek is door het Hof behandeld in raadkamer op 22 augustus 2015 in Curaçao welke behandeling plaatsvond door middel van een videoconference verbinding met het Courthouse in Sint Maarten. De leden van het Hof en de griffier waren tegenwoordig in Curaçao. Verschenen in Sint Maanen zijn de (waarnemend) procureur-generaal, mr. T.H.W. Stein, alsmede de opgeëiste persoon, bijgestaan door haar raadsman, mr. R.M. Stomp. De behandeling heeft plaatsgevonden met bijstand vanuit Curaçao van de vaste gerechtelijke tolk, mevrouw A. Cicilia-Lannonie, die al hetgeen ter zitting is besproken heeft vertolkt.”

9. Bij de stukken bevindt zich geen proces-verbaal van enige zitting of raadkamer van het hof van 22 augustus 2015, maar wel een proces-verbaal van de zitting van het hof in de onderhavige zaak van 22 september 2015. Die datum sluit ook aan bij het vereiste in artikel 15 Uitleveringsbesluit om het advies veertien dagen na het verhoor van de opgeëiste persoon aan de gouverneur te zenden. De vermelding in het advies dat het uitleveringsverzoek op 22 augustus 2015 is behandeld berust op een kennelijke misslag en dat geldt naar mijn mening evenzeer voor de vermelding dat de behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden. Van enige beslissing inhoudende dat die zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, blijkt immers niet uit het proces-verbaal van de zitting van 22 september 2015.

10. De klacht is toegespitst op het ontbreken van een beslissing van het hof de zaak achter gesloten deuren te behandelen en richt zich niet uitdrukkelijk tegen het feit dat uit het proces-verbaal van de zitting niet kan blijken dat deze in het openbaar is gehouden. Bij deze strikte lezing van de voorgestelde klacht kan de klacht niet tot cassatie leiden. Bovendien klaagt het middel “het voorgeschreven verhoor van [de opgeëiste persoon 2] met gesloten deuren heeft plaatsgevonden”. Het middel klaagt dus naar de letter niet over het verhoor van de opgeëiste persoon maar over het verhoor van de opgeëiste persoon in de samenhangende zaak. Bij die klacht heeft [de opgeëiste persoon 1] geen in rechte te respecteren belang.

11. Het toepasselijke Uitleveringsbesluit bevat geen voorziening die een basis schept voor een videoconferentie. Welk (specifiek) belang de opgeëiste persoon in de onderhavige uitleveringszaak heeft om in persoon te worden gehoord, komt uit de toelichting op het middel op geen enkele wijze naar voren. Het komt mij in het algemeen voor dat het belang van horen in persoon bij de behandeling van een strafzaak van meer gewicht is dan bij de behandeling van een verzoek om uitlevering. De schuldvraag vormt nu eenmaal slechts in uiterst beperkte mate een onderwerp van onderzoek in het kader van een verzoek om uitlevering. Ik wijs er voorts op dat uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van de behandeling van het verzoek door het hof en de daar door de raadsman overgelegde pleitnota op geen enkele wijze blijkt dat door of namens de opgeëiste persoon enig bezwaar is gemaakt tegen het gebruik van de videoconferentie, terwijl hij bij brief gedateerd 14 september 2015 is opgeroepen te verschijnen in het gerechtsgebouw Sint Maarten “teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling, middels video conference met Curaçao van het ingediend verzoek tot uitlevering”.2 Hoewel een wettelijke grondslag voor de videoconferentie ontbreekt, meen ik dat gelet op de vermelde omstandigheden ook deze klacht geen doel treft.

12. De schending van artikel 10 EVRM is niet nader onderbouwd zodat die klacht verder onbesproken moet blijven en het middel in zoverre faalt. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de uitleveringsprocedure,3 zodat het middel ook in zoverre faalt.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft aangenomen dat met betrekking tot het als eerste aangeduide feit voldaan is aan de vereiste dubbele strafbaarheid. Het feit zou naar het recht van Sint Maarten niet als het plegen van dood door schuld kunnen worden aangemerkt omdat de feiten in het uitleveringsverzoek zijn omschreven als “aiding and abetting” zodat het hof zou zijn uitgegaan van “een vorm van strafbaarheid die het recht van Sint Maarten niet kent.” Terzijde merk ik op dat de raadsman ter zitting van het hof, blijkens de daar overgelegde pleitnota, geen punt heeft gemaakt van de vereiste dubbele strafbaarheid en daar heeft opgemerkt dat de feiten in beide landen strafbaar zijn.4

15. Het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voor de vereiste dubbele strafbaarheid is het niet nodig dat de juridische kwalificatie van de feiten naar het recht van de Verenigde Staten en Sint Maarten gelijkluidend is, maar dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar het recht van beide landen strafbaar is. Irrelevant is daarbij of Sint Maarten de strafbaarheid van “aiding and abetting” kent.5

16. Met betrekking tot het eerste feit heeft het hof vastgesteld dat dit naar het recht van Sint Maarten strafbaar is gesteld als dood door schuld. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk gelet op de feiten zoals die nader uiteen zijn gezet in de “Affidavit in support of request for extradition”. Daaruit blijkt dat [de opgeëiste persoon 1] tezamen met zijn echtgenote eigenaar was van de duikschool “[A]” waarvan de “[B]” de voornaamste boot was. In feite was de onder Amerikaanse vlag varende boot “[C]” eigendom van [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1]. Zij hadden de boot echter op 4 februari 2011 op papier “verkocht” aan een stroman met de Amerikaanse nationaliteit omdat commerciële boten alleen onder Amerikaanse vlag mogen varen indien de eigenaar de Amerikaanse nationaliteit bezit. [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1] bezitten de Britse nationaliteit. Medewerkers van de duikschool, waarvan [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1] eigenaar waren, hebben hen geregeld gewaarschuwd dat de “[C]” gevaarlijk water maakte, en op andere gebreken gewezen. Tijdens een van de tochten, waarbij [de opgeëiste persoon 2] als duikinstructrice had gewerkt, was de “[C]” bijna gezonken. Tijdens een andere tocht op 18 december 2011, loopt de boot vol water en zinkt, waarbij een van de opvarenden verdrinkt en een ander ternauwernood uit de al gezonken “[C]” kan worden gered door de dienstdoende 19-jarige kapitein.

17. Uit deze nadere uiteenzetting van de feiten heeft het hof kunnen opmaken dat [de opgeëiste persoon 1] naar Nederlands recht als pleger van “dood door schuld” kan worden aangemerkt. Anders dan in het middel wordt verondersteld, kunnen ook de stukken die ter staving van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd, als zodanig worden uitgelegd omdat de “Affidavit in support of request for extradition” onder 21 sub c het volgende inhoudt:

“It is possible to convict [de opgeëiste persoon 1] and [de opgeëiste persoon 2] of count 1 even without evidence that either defendant personally performed every act charged. Ordinarily, any act a person can do may be done by directing another person, or by acting with or under the direction of others. [de opgeëiste persoon 1] and [de opgeëiste persoon 2] are responsible as “aiders or abettors” if either one intentionally aided, assisted, directed, or associated with participants in the crime.”

18. Hieruit volgt niet dat [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1] naar Amerikaans recht uitsluitend als “aiders or abettors” moeten worden aangemerkt. Aangegeven is slechts waarop de strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Amerikaans recht kan berusten. Dat kan zijn als pleger, of als opdrachtgever of functioneel dader of als deelnemer.

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel behelst de klacht dat met betrekking tot het derde feit waarvoor de uitlevering is verzocht, niet is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid omdat de strafbaarheid naar het recht van de Verenigde Staten betrekking heeft op het afleggen van een valse verklaring terwijl dat niet strafbaar is naar het recht van Sint Maarten. Onder verwijzing naar Titel 18 § 1001(a)(2) United States Code, houdt de toelichting op het middel het volgende in:

“Kennelijk hebben de Amerikaanse autoriteiten uitsluitend het oog gehad op het afleggen van een valse verklaring. Dat is echter niet strafbaar naar het recht van Sint Maarten.”

21. Ook dit middel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de vereiste dubbele strafbaarheid zou betekenen dat de strafbaarstellingen naar het recht van de Verenigde Staten en Sint Maarten overeen moeten stemmen.

22. Uit de nadere uiteenzetting van de feiten zoals die is opgenomen in “Affidavit in support of request for extradition”, blijkt dat [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1] op 4 februari 2011 hebben gedaan alsof zij de boot “[C]” hebben verkocht aan een voormalig personeelslid van de duikschool terwijl hij slechts een stroman was die nodig was omdat hij de Amerikaanse nationaliteit bezit. Die overeenkomst is klaarblijkelijk de “statement” waarop Titel 18 § 1001(a)(2) betrekking heeft. Het is dus geen mondelinge maar een schriftelijke verklaring. Het behoeft geen betoog dat het opmaken van een valse koopovereenkomst strafbaar is naar het recht van Sint Maarten als “valsheid in geschrift”.

23. Het middel faalt.

24. De middelen falen. Het tweede en het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

25. Ambtshalve wijs ik erop dat het hof in het advies niet met de daarvoor vereiste duidelijkheid de feiten heeft aangewezen waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, en evenmin de toepasselijke verdragsbepalingen heeft aangehaald, te weten de artikelen 1 (uitleveringsverplichting), 2 (feiten die tot uitlevering kunnen leiden) en 9 (de vereiste stukken) Uitleveringsverdrag Nederland- Verenigde Staten. In zoverre moet het advies verbeterd worden gelezen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Rijksbesluit aanpassing rijksbesluiten aan de oprichting van nieuwe landen van 20 augustus 2010, Stb. 2010, nr. 343 (art. 2.10).

2 Zie het in Nederland toepasselijke art. 3 lid 1 en 4 Besluit videoconferentie “1. Indien de te horen persoon schriftelijk wordt opgeroepen teneinde te worden gehoord, geeft deze oproep aan of tijdens het horen gebruik zal worden gemaakt van videoconferentie. De oproep vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn hij kan aangeven zich niet te kunnen verenigen met het gebruik van videoconferentie. […] 4. Indien geen schriftelijke oproep aan het horen voorafgaat, kan de te horen persoon, dan wel in voorkomende gevallen de officier van justitie, niet later dan direct bij aanvang van het verhoor aan de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast, mondeling dan wel schriftelijk mededelen zich niet te kunnen verenigen met het gebruik van videoconferentie, onder vermelding van de gronden. Op deze mededeling wordt beslist door de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast.”

3 V. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 163 e.v. op p. 179.

4 Pleitnota mr. R.M. Stomp p. 1 “De te laste gelegde feiten zijn strafbaar in beide landen St. Maarten en de VS.”

5 Zie de conclusie ECLI:NL:HRP:2012:BU7392 in de zaak die door de HR met art. 81 lid 1 RO werd afgedaan, HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7392 (beide niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).