Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:945

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
15/02298
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2240, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schending aanwezigheidsrecht gedetineerde verdachte? Indien verdachte niet op de tz. is verschenen, maar de dagvaarding aan hem in persoon is betekend en de ttz. aanwezige, door verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden m.h.o. de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door verdachte, kan de rechter uitgaan van het vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. In die situatie brengt de enkele omstandigheid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak zich in detentie bevond zonder dat dit de rechter bekend was, niet mee dat achteraf moet worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Cag anders: wel schending van verdachtes aanwezigheidsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2016/225
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02298

Zitting: 6 september 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 6 mei 2015 door het hof Den Haag wegens “diefstal, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 (a) Sr. Voorts heeft het hof de teruggave bevolen van de onder de verdachte inbeslaggenomen tube tandpasta en heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf voor de duur van één week.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over schending van art. 6 EVRM op de grond dat verdachte in hoger beroep niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak aanwezig te zijn. Verdachte bevond zich ten tijde van de zitting, zo bleek achteraf, in vreemdelingenbewaring en heeft nimmer bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

  4. Een verdachte heeft het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.1 Hoewel dit recht niet expliciet in het EVRM is opgenomen2, ligt het wel uitdrukkelijk verankerd in art. 14, derde lid onder d, IVBP en leidde het EHRM het aanwezigheidsrecht reeds in het jaar 1985 af uit het recht op een eerlijk proces van art. 6 EVRM.3 Het gaat hierbij overigens niet om een absoluut recht: het aanwezigheidsrecht onder art. 6 EVRM dient te worden afgewogen tegen het openbaar belang.4 Voorts kan van dit recht afstand worden gedaan, zij het dat dit ondubbelzinnig aan de rechter moet blijken.5

5. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt de niet ter terechtzitting verschenen verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, indien aan hem een dagvaarding op rechtsgeldige wijze wordt betekend, geacht zijn aanwezigheidsrecht te hebben prijsgegeven.6 In een dergelijk geval kan op grond van art. 280 Sv verstek worden verleend en kan een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd –zoals in de onderhavige zaak - de verdediging voeren. In de onderhavige zaak bestaan aanwijzingen dat verdachte niet vrijwillig afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht: achteraf kan worden vastgesteld dat verdachte zich – blijkens de afwezigheid van enige opmerking hieromtrent in het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – kennelijk buiten medeweten van het hof, zijn advocaat en het openbaar ministerie ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in vreemdelingendetentie bevond, terwijl er van overheidswege voor hem geen transport naar de zitting was geregeld en zich bij de stukken geen afstandsverklaring bevindt. Als kern van het cassatiemiddel moet dan ook worden gezien dat verdachte zijn aanwezigheidsrecht niet heeft prijsgegeven.

6. Reeds eerder overwoog de Hoge Raad dat de mogelijkheid bestaat dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals ook in de voorliggende zaak aan de orde is, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.7 Daar in het onderhavige geval uit de detentieregistratiekaart van verdachte, opgevraagd d.d. 11 maart 2016, blijkt dat verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep was gedetineerd, moet de beslissing van het hof om het onderzoek ter terechtzitting buiten de aanwezigheid van de verdachte voort te zetten als onjuist worden aangemerkt. De omstandigheid dat de verdachte in persoon is gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep en voorts de omstandigheid dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep ondanks de afwezigheid van zijn cliënt niet om aanhouding van de zaak heeft verzocht, doen aan het voorgaande overigens niet af.8

7. Gelet op het evidente belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

8. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie hieromtrent en t.a.v. het navolgende Corstens/Borgers 2014, p. 669 e.v.

2 EHRM 1 maart 2006, NJ 2006/661, m.nt. T.M. Schalken, par. 25 (Sejdovic).

3 EHRM 12 februari 1985, NJ 1986/685, AA 1986, p. 309 m.nt. C.F. Rüter (Colozza).

4 EHRM 12 februari 1985, NJ 1986/685 (Colozza). Zie ook EHRM 23 februari 1999, NJ 1999/641 m.nt. Kn (De Groot).

5 HR 25 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0870, NJ 1998/263. Zie tevens HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8027.

6 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Sch., r.o. 3.33. Zie tevens HR 10 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0933, NJ 1998/445 en Corstens/Borgers 2014, p. 670.

7 HR 9 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388, r.o. 2.3 en 2.4 en bijbehorende conclusie van A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:2709. Zie tevens HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2974; HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, NJ 2013/72; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:89, NJ 2015/75 en HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98.

8 HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2014:BY8984, NJ 2013/72, r.o. 2.3 en 2.4.