Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
15/02160
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2239, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie OM en verdachte. Overtreding tijdelijk huisverbod. Bekennende verdachte? Art. 359.3 Sv, art. 1.b en 11 Wet tijdelijk huisverbod. De tll. is toegesneden op art. 11 Wet tijdelijk huisverbod, daarom moeten de in de tll. en bewezenverklaring voorkomende woorden “in strijd met dat huisverbod” worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling. In aanmerking genomen dat de in deze bepaling strafbaar gestelde gedragingen een misdrijf opleveren, moet worden aangenomen dat het handelen i.s.m. een huisverbod als daar bedoeld slechts strafbaar is indien het opzet van de uithuisgeplaatste - al dan niet in voorwaardelijke vorm - is gericht op het betreden en het zich in de nabijheid bevinden van de woning ten aanzien waarvan hem een huisverbod was opgelegd. De verklaring van verdachte houdt niet in dat hij heeft erkend dat hij met voormeld opzet heeft gehandeld. Gelet hierop is ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02160

Zitting: 6 september 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 7 april 2015 de verdachte vrijgesproken van het hem bij dagvaarding I (parketnummer 09-819243-13) tenlastegelegde en heeft de verdachte wegens dagvaarding II (parketnummer 09-819281-13) onder 1 “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod, meermalen gepleegd”, dagvaarding II (parketnummer 09-819281-13) onder 2 “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 9 van de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod” en dagvaarding III (parketnummer 09-139377-13) “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toe- en deels afgewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als weergegeven in het arrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.1 Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het hof, heeft beroep in cassatie ingesteld2 en heeft een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.
    [De raadsman van de verdachte heeft het beroep tegengesproken.]

3. Het eerste middel van de verdachte klaagt dat het hof ten onrechte ten aanzien van de bewezenverklaring van het bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastgelegde heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

4. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de bespreking van het middel relevant en overeenkomstig de tenlastelegging, bewezenverklaard dat:

“Dagvaarding II (parketnummer 09-819281-13)

1. hij als degene aan wie door de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod (in de zin van artikel 2 lid 1 Wet tijdelijk huisverbod) was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op tijdstippen in de periode van 16 augustus 2013 tot en met 24 augustus 2013 (tot 14.58 uur) te [plaats], telkens in strijd met dat huisverbod, de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [a-straat], telkens heeft betreden en zich in de nabijheid van de in dit verbod genoemde woning heeft opgehouden.

2. hij als degene aan wie door de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod (in de zin van artikel 9 lid 1 Wet tijdelijk huisverbod) was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op 24 augustus 2013 vanaf 14.58 uur te [plaats], in strijd met dat huisverbod in de nabijheid van de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [a-straat], heeft opgehouden.”

5. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv houdt, voor zover hier relevant, in:

“Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een bekennende verklaring ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft afgelegd en nadien niet anders heeft verklaard en door hem en zijn raadsvrouw geen vrijspraak ter zake is bepleit, is het hof van oordeel dat overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2015.

2. Een geschrift, zijnde een beschikking van de burgemeester van 14 augustus 2013 houdende het opleggen van een huisverbod (artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod) (pag. 19 en 20).

3. Een geschrift, zijnde een beschikking van de burgemeester van 23 augustus 2013 houdende het verlengen van een huisverbod (artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod) (pag. 23 en 24).”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2015 houdt onder meer in:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

(…)

Het klopt dat ik in de periode van 16 tot en met 24 augustus 2013 en op 24 augustus 2013 in en in de nabijheid van de woning aan de [a-straat] te [plaats] ben geweest. Er was toen niemand anders in deze woning. De wijkagent had tegen mij gezegd dat het prima was dat ik daar sliep.

(…)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen.”

7. De bedoelde pleitaantekeningen houden, voor zover hier relevant, in:

Feiten 2 en 3

De verdediging refereert zich aan het oordeel van uw Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten.”

8. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring.3

9. De in de opgave van bewijsmiddelen genoemde verklaring van de verdachte houdt niet in dat aan de verdachte een huisverbod was gegeven. In zoverre kan deze verklaring bezwaarlijk worden gezien als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis en had het hof slechts op grond van deze verklaring niet met een opgave van bewijsmiddelen mogen volstaan. Vermoedelijk heeft het hof de verklaring van de verdachte beschouwd mede in het licht van de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 februari 2014 gegeven verklaring. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de verdachte aldaar verklaard:

“U vraagt mij of ik in de woning ben geweest gedurende het huisverbod. Ja, want er was toch niemand thuis. Ik mocht van de wijkagent daar ’s nachts slapen, als ik voor 08.00 uur maar weer weg was. Ik weet niet de naam van die wijkagent. De eerste keer dacht ik dat het maar voor drie dagen was, maar de burgemeester had er tien dagen van gemaakt. In die tien dagen heeft de wijkagent gezegd dat het best wel kon. [betrokkene] was weg en zou zijn ondergedoken, maar ik wist precies waar ze zat.

U vraagt mij of er 24 augustus 2013 is gevochten op straat. Ik was bij de buren de heg aan het knippen en toen kwam ineens die zoon op mij af.

Ik had voor tien dagen een huisverbod en daarna nog eens voor achttien dagen. Ze hebben mijn hele huis leeggehaald.”

10. Uit de combinatie van beide verklaringen kan worden afgeleid dat de verdachte zich in de bewezenverklaarde perioden in en nabij de in de bewezenverklaring genoemde woning heeft bevonden terwijl hem een huisverbod was opgelegd. Aldus zou kunnen worden gezegd dat de bewezenverklaring geheel door deze verklaringen wordt gedekt en dus sprake is van een bekentenis. Die verklaringen houden echter ook in dat de verdachte dacht dat het verbod slechts gedurende drie dagen van de eerste periode gold, alsook dat de verdachte stelt steeds met toestemming van de wijkagent in de woning te hebben verbleven. Het is de vraag of deze omstandigheden meebrengen dat niet langer kan worden gesproken van een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde.

11. De tenlastelegging en bewezenverklaring houden niet in dat de verdachte “wist” dat sprake was van een huisverbod, noch dat de verdachte “opzettelijk” in strijd met het huisverbod in en nabij de woning verbleef.4 In de delictsomschrijving van art. 11, eerste lid, Wet tijdelijk huisverbod is opzet of schuld niet als bestanddeel opgenomen. Blijkens lid 2 van die bepaling gaat het hier om een misdrijf. In de wetsgeschiedenis wordt aan die kwalificatie geen aandacht besteed en wordt niet ingegaan op de vraag waarom hier niet een subjectief vereiste als bestanddeel in de delictsomschrijving is opgenomen.5 Gelet op de kwalificatie als misdrijf ligt het niettemin voor de hand aan te nemen dat is vereist dat sprake is van opzet op aanwezigheid in de woning – waarvan in het onderhavige geval kan blijken – alsook dat de verdachte wist dat dat aanwezig zijn werd bestreken door een huisverbod.
In gevallen waarin een subjectief bestanddeel in de delictsomschrijving niet is opgenomen, wordt dit door de Hoge Raad doorgaans impliciet ingelezen. Hoewel er ook gevallen zijn, waarin de Hoge Raad kennelijk meent dat het stellen van nadere subjectieve vereisten de bewijslast voor het openbaar ministerie te veel verzwaart en hij het voldoende acht dat mogelijk gebrekkige bewustheid van de onrechtmatigheid van de gedraging kan worden betrokken bij een beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld.6

12. Zou een gebrek in de bewustheid ook bij de onderhavige strafbaarstelling slechts in het kader van een beroep op een strafuitsluitingsgrond aan de orde kunnen komen, dan zou heel strikt genomen kunnen worden gesteld dat de verklaring van de verdachte in het onderhavige geval niet aan een bewezenverklaring in de weg staat. Het hof had dan, gelet op de verklaringen van de verdachte, met een opgave van bewijsmiddelen kunnen volstaan en het middel zou – nu daarin niet (ook) wordt geklaagd over het ontbreken van een gemotiveerde beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte – niet tot cassatie behoeven te leiden.7 Die afdoening spreekt mij niet aan. Gelet op de verklaringen van de verdachte kan bezwaarlijk worden aangenomen dat hij erkent dat hij “in strijd met” het huisverbod heeft gehandeld. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, is dus niet zonder meer begrijpelijk.8

13. Het middel slaagt.

14. Het tweede middel van de verdachte klaagt ten aanzien van de bewezenverklaring van het bij dagvaarding III (parketnummer 09-139377-13) tenlastegelegde dat het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk [betrokkene] pijn en/of letsel heeft toegebracht ontoereikend is gemotiveerd.

15. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte boos werd op [betrokkene] en haar, toen zij met de rug naar hem gekeerd naar de keuken liep, met een beetje kracht met beide handen tegen de rug/schouders heeft geduwd, waardoor [betrokkene] is gestruikeld en op de grond is terechtgekomen ten gevolge waarvan zij haar arm heeft gebroken. Het oordeel van het hof dat gelet op de kracht van de duw en het onverhoedse karakter daarvan in dit geval sprake is van voorwaardelijk opzet, is niet onbegrijpelijk. Dat het hof ook heeft vastgesteld dat er vloerbedekking op de grond lag, doet aan de begrijpelijkheid niet af.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel van de verdachte klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof het door de benadeelde partij in hoger beroep ingediende “wensenformulier” heeft opgevat, in die zin dat de benadeelde partij daarop heeft bedoeld aan te geven dat zij haar vordering wil verlagen tot het in het eerste aanleg toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

18. Door de benadeelde partij is op bedoeld formulier aangegeven dat zij haar vordering wenst aan te passen, doch zij heeft niet ingevuld met welk bedrag zij de vordering wenst te verlagen. In aanmerking genomen dat de voeging van de benadeelde partij op grond van art. 421, tweede lid, Sv van rechtswege in hoger beroep voortduurt voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen, is niet onbegrijpelijk dat het hof het formulier in de hiervoor bedoelde zin heeft opgevat. Daarbij merk ik op dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2015 de voorzitter van het hof ter terechtzitting op bedoeld verzuim heeft gewezen en dit voor de verdediging geen aanleiding heeft gevormd op te merken dat uit het formulier zou moeten worden afgeleid dat van voeging überhaupt geen sprake meer was. Uit de door de raadsvrouwe van de verdachte op die terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen kan zelfs worden afgeleid dat de verdediging ervan is uitgegaan dat geen sprake was van verlaging en dat de benadeelde partij haar oorspronkelijke vordering in hoger beroep heeft gehandhaafd.9

19. Het middel faalt.

20. Het middel van het openbaar ministerie richt zich tegen de vrijspraak van het bij dagvaarding I (parketnummer 09-819243-13) tenlastegelegde.

21. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juli 2013 tot en met 13 augustus 2013 te ’s-Gravenhage en/of Honselersdijk, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene], in elk geval van een ander, met het oogmerk [betrokkene], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte [betrokkene] meermalen ongewenst lastig gevallen door haar veelvuldig, althans meermalen op te bellen en/of voicemail berichten in te spreken en/of is hij meermalen bij haar woning aan de deur geweest en/of heeft hij op de voordeur van haar woning gebonkt en/of heeft hij haar opgewacht in het ziekenhuis en/of heeft hij meermalen (telefonisch) contact opgenomen met de (stief)zoon en/of (stief)dochter van [betrokkene]”.

22. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken en heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:

“Het is vaste jurisprudentie – zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3626) – dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Uit het onderliggende strafdossier en uit hetgeen naar voren is gekomen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte de aangeefster, zijn (ex) echtgenote, in de tenlastegelegde periode, kort nadat zij hem had verlaten, in totaal 357 maal heeft gebeld, waarbij hij een aantal keer een voicemailbericht heeft ingesproken, hij twee à drie keer bij haar aan de deur is geweest en een keer naar het ziekenhuis is gegaan toen zij daar een afspraak had. Voorts heeft de verdachte een paar maal (telefonisch) contact gehad en gezocht met de stiefzoon en dochter van de aangeefster. Vast staat ook dat verdachte vanaf 29 juli 2013 wist dat aangeefster niet met hem wilde praten.

De verdachte heeft aangegeven dat hij aldus heeft gehandeld omdat de aangeefster, zijn (ex) echtgenote, hem naar zijn idee plotsklaps had verlaten en hij niet begreep waarom.

De gedragingen van de verdachte hebben zich voorgedaan in een betrekkelijk korte periode, namelijk vijftien dagen. De verdachte heeft in deze periode voornamelijk veelvuldig gebeld naar de aangeefster, zonder haar overigens ook echt te spreken en zonder dreigende voicemailberichten achter te laten. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte daarbij heeft gehandeld vanuit diepe frustratie omtrent de wijze waarop de relatie was beëindigd. Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte in dat verband heeft ondernomen om weer contact te krijgen met zijn vrouw allerminst verstandig en zelfs laakbaar is geweest. Het hof is echter van oordeel dat gezien de aard, duur en frequentie van deze gedragingen, bezien in de context waarin deze gedragingen hebben plaatsgevonden, te weten de recente eenzijdige verbreking van de relatie, onvoldoende sprake is van een stelselmatige wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster om te kunnen concluderen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van de aangeefster als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Met de raadsvrouw van de verdachte is het hof derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding 1 (parketnummer 09-819243-13) is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”

23. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.
Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.10

24. Voorts moet worden vooropgesteld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.11

25. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte de context van het geval heeft meegewogen bij zijn beoordeling, faalt het. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat de gedragingen van de verdachte mede in het licht van de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, moeten worden beoordeeld.

26. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld, vanuit diepe frustratie omtrent de wijze waarop de relatie tussen hem en de aangeefster was beëindigd. De aangeefster had hem naar zijn idee plotsklaps verlaten en de verdachte begreep niet waarom. Het oordeel van het hof dat niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging moet in het licht van deze vaststellingen en de overweging van het hof dat de verdachte allerminst verstandig en zelfs laakbaar heeft gehandeld aldus worden begrepen dat, hoewel de verdachte had behoren te weten dat zijn handelingen een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster opleveren12, niet kan worden geoordeeld dat de verdachte die inbreuk opzettelijk heeft gemaakt noch dat die inbreuk als stelselmatig kan worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval niet onbegrijpelijk. In de vaststellingen van het hof ligt immers besloten dat de verdachte gedurende een korte periode zeer heftig heeft gereageerd zonder bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen te hebben stilgestaan.13 Daarbij zal het hof acht hebben geslagen op de bij de verdachte spelende en uit de motivering van de strafoplegging ten aanzien van de wel bewezenverklaarde feiten blijkende persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte.14Verweven als dat oordeel is met de aan het hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, kan het in cassatie verder niet worden getoetst. Ook voor zover het middel klaagt dat het hof de vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd, kan het derhalve niet tot cassatie leiden.

27. Het eerste middel van de verdachte slaagt. De overige middelen falen. Het tweede en het derde middel van de verdachte kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het bij dagvaarding II (parketnummer 09-819281-13) onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De daarvan opgemaakte akte houdt in dat het beroep zich richt “uitsluitend tegen de veroordeling voor de onder parketnummer 09-139377-13 impliciet subsidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling. Het cassatieberoep richt zich niet tegen de onder hetzelfde parketnummer gegeven vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg”. Dat moet denk ik niet letterlijk worden genomen, maar worden begrepen in die zin dat het beroep zich richt tegen het gehele arrest van het hof, doch voor zover het (daarmee) is gericht tegen de beslissingen ten aanzien van het tenlastegelegde onder genoemd parketnummer het niet is gericht tegen de genoemde deelvrijspraak. Wordt het wel letterlijk genomen, dan moet het eerste middel – dat klaagt over de beslissingen in de zaak met dagvaarding II (parketnummer 09-819281-13) – onbesproken blijven.

2 Blijkens de daarvan opgemaakte akte richt dit beroep zich slechts tegen de vrijspraak van het bij dagvaarding I (parketnummer 09-819243-13) tenlastegelegde.

3 Vgl. HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542.

4 De term “opzettelijk” wordt doorgaans verwerkt in de tenlastelegging; zie bijvoorbeeld HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7479, NJ 2012/239.

5 Van een waterdichte regeling dat de uithuisgeplaatste altijd van het huisverbod op de hoogte raakt is overigens geen sprake; zie ook art. 2 lid 7 Wth.

6 HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342. Zie hierover uitgebreid J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 210-211.

7 Bij bedoeld motiveringsvoorschrift gaat het er immers slechts om dat het hof de verklaring van de verdachte en de beschikkingen van de burgemeester niet had mogen aanduiden, maar de gehele inhoud daarvan had moeten weergeven. De vraag is dan welk belang de verdachte erbij heeft dat zijn verklaringen behalve in de processen-verbaal van de terechtzitting nogmaals in de uitspraak worden opgenomen; vgl. HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3434.

8 Zie in die zin HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3478.

9 Pleitnotities, punten 40 en 41.

10 Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AO5061, NJ 2004/480.

11 Vaste jurisprudentie sinds HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426. Zie bijvoorbeeld HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394.

12 De toelichting op het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is tot op zekere hoogte moet worden geobjectiveerd. Zie daarover HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495 en de daar aangehaalde wetsgeschiedenis. Tot op zekere hoogte kan in dat verband een vergelijking worden gemaakt met de ten aanzien van de beoordeling van bedreiging ex 285 Sr aan te leggen maatstaf “redelijk vrees”(HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448). Ook daar geldt evenwel dat het opzet van de verdachte wel op het ontstaan van die redelijke vrees moet zijn gericht (vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6177, NJ 2012/501 met verwijzing naar HR 17 januari 1984, NJ 1984/479).

13 Dat voor een bewezenverklaring van het in art. 285b Sr opgenomen opzet voldoende is dat van voorwaardelijk opzet sprake is (Handelingen II 1998-1999, p. 5697) en dat onder andere omstandigheden uit de aard van de gedragingen kan worden afgeleid dat de betrokkene (wel) moet hebben beseft dat zijn handelen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zouden kunnen opleveren, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat dergelijk besef hier ontbrak niet af.

14 Die strafmotivering houdt onder meer in: “In de genoemde rapporten Pro Justitia wordt -kort samengevat- geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen van de geestvermogens in de vorm van een bipolaire stoornis en cognitieve functiestoornissen, de laatste volgens de psychiater mogelijk in het kader van een beginnende frontotemporale dementie. De daaruit voortvloeiende conclusie van de psychiater en de psycholoog dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar is, ziet alleen op de tenlastegelegde belaging. Omdat het hof de verdachte daarvan vrijspreekt, zal het hof die conclusie buiten beschouwing laten. Het hof heeft de inhoud van de rapporten dan ook slechts gebruikt voor zover daarin een beeld van de persoonlijkheid van de verdachte naar voren komt, waaronder het recidivegevaar”.